Mieters

Stuttgart – Sottens – Prague – Paris – Luxembourg – Beromunst. – Sarre – Strasbourg, voor wie vóór 1960 geboren is, waren het zenders voordat het plaatsen waren. Geen namen in de atlas, en al helemaal niet op borden boven de snelweg, maar codes op de zenderschaal van de buizenradio van het merk Erres, Grundig, of in het geval van Van Morrison (1945, vier vermeldingen in de top 2000) Telefunken: ‘Telefunken, Telefunken / And I’m searching for Luxembourg, Luxembourg, / Athlone, Budapest, AFN, / Hilversum, Helvetia / In the days before rock ‘n’ roll’.

Ewout Meyster is zeventien, bijna achttien, en de hoofdpersoon van De Hoogstapelaar, de roman van Wessel te Gussinklo (1941) die in februari van dit jaar is verschenen. Het is 1958, nadat hij twee keer op het gymnasium is blijven zitten, heeft hij de middelbare school de rug toegekeerd. Zelfs het internaat wilde hem daarna niet meer hebben. Braaf zitten, braaf luisteren – en over niets ging het daar, niets wezenlijks (de mensheid, het leven, het menselijk lot; en hoe te leven terwijl alles verloren ging. Over dat soort zaken. Dingen van belang.)

Niet dat het een domme jongen was. Hij las Vestdijk , Couperus, Bordewijk, Ter Braak, Du Perron, Van Schendel. Ze stonden langs de wanden van zijn kamertje. En Nietzsche, Schopenhauer, Camus en Sartre. Van de laatste had hij zich met een woordenboek door Lêtre et le néant heen proberen te worstelen. Ver was hij niet gekomen, maar de bevestiging van het idee in een vijandige wereld te zijn geworpen had hem diep geraakt en de opdracht werk te maken van zijn persoonlijkheid had hij van harte omhelsd. Ewout zou zich tonen aan de wereld.

Een pakje Caballero, een doosje lucifers en een cola waren daarbij belangrijke attributen. Fats Domino (één vermelding in de top 2000), Harry Belafonte en Little Richard (geen vermeldingen in de lijst der lijsten) en Elvis Presley (zestien vermeldingen) zorgden voor de muzikale omlijsting van zijn missie. Maar niet alleen de muziek van de eerste commerciële radiozender inspireerde hem: Zo moest je proberen te praten, zoals bij Radio Luxembourg, die Amerikaanse stemmen – zo praten, zo langzaam en krachtig.

Omringd door zijn vrienden toonde hij zich in de Jazzkelder aan de Utrechtse werf, in de Espressobar, De Bolle,  in het café van Harrie op de Brug waar pooiers kwamen en marktlui en waar je woorden hoorde als ‘Geeltje’ en ‘Wijven’.  Zo moest je zijn, indruk moest je maken, schrikwekkend en onverschillig moest je zijn.

Zo was het niet altijd geweest. Toen hij jonger was, vijftien, bijna zestien, had hij gemeend dat het erom ging populair te zijn. Te zorgen dat je met iedereen bevriend was, dat ze om jouw grappen lachten. En hij had de zijne zorgvuldig voorbereid en de gebaren die erbij hoorden had hij voor zich gezien. Leuke dingen moesten er worden gedaan. Een hondendrol meenemen en voor het schoolbord leggen, kon je lachen met die leraar. ‘En dan zingen we met z’n allen als ik de veter van de leraar aansteek “Bij het kampvuur in de prairie”’. Want leraren pesten, dwars en opstandig zijn, ook dan was je belangrijk en werd je populair.

Er is in een halve eeuw niet veel veranderd, al zegt haast niemand meer ‘geeltje’ en ‘wijven’. We schelden nu met onze mobieltjes. Die verbieden in de klas; ik moet er niet aan denken.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *