Met gehesen zeilen

In lokaal 112 was ik nog niet geweest. Het bevindt zich op de eerste verdieping op een van de hoeken van het schoolgebouw, ingenesteld tegen de ‘natte lokalen’. Achter twee openslaande deuren is het lab. Van twee kanten stroomt het daglicht naar binnen. Buiten zijn de oevers van de gracht te zien en de woningen daarachter. Onder de kale bomen aan de andere zijde staan de auto’s van de collega’s op de parkeerplaats. Kijk ik nog een keer, dan zie ik fijne motsneeuw tegen een achtergrond van donkergroen. Alle kanten warrelt het op zonder vaste grond te vinden.

Ze was er niet bij toen ik de vorige keer mijn beoordeling van het ingeleverde schrijfwerk met haar klasgenoten besprak. Ik kon op basis van eerdere ervaring verwachten dat ze zich niet voetstoots aan mijn oordeel zou onderwerpen en zag uit naar een felle confrontatie. Nog voor de les – de lokaalsleutel was nog in mijn broekzak –  kwam ze op me af. Met gehesen zeilen, was de zegswijze die opwelde uit mijn geheugen, zonder dat ik wist waar ik dit spreekwoord het laatst had gehoord of misschien zelf had gebruikt.

Dat een 6,2 echt veel te weinig was, of ik wel begreep hoeveel tijd ze eraan had besteed. Dat ze wist van klasgenoten die het boek niet eens hadden gelezen en dat ze de instructievoorschriften precies had opgevolgd. Dat andere docenten heel anders nakijken, dat schoolexamenwerk sowieso door twee docenten moet worden nagekeken en dat ik veel te hoge verwachtingen koesterde: ik zit niet op de universiteit, ik zit nog maar op de havo.

Omdat ik veronderstel dat leren niet zonder enige woede kan, nodigde ik haar uit om in het lokaal met het werk erbij, verder te spreken. Ik gaf haar de tekst die ze had geschreven en ingeleverd terug, zodat ze ter voorbereiding van het gesprek op papier kon zetten op welke onderdelen ik haar tekort had gedaan.

Misschien was ik vooringenomen geweest bij het nakijken, omdat ze haar tekst van meer dan duizend woorden op één pagina had afgedrukt. Waar hadden mijn oude ogen dat aan te danken? Misschien ook, was ik door de toename van oncontroleerbaar nepnieuws sinds in de Verenigde Staten een nieuw staatshoofd is aangetreden, overgevoelig geworden voor ongefundeerde aannames en halfbewezen stellingen.

Dat ze in de eerste regel van haar tekst A. F. Th. van der Heijden een autobiografische schrijver had genoemd, was haar op een formuleringsfout komen te staan. Schrijver van autobiografische teksten, had gekund maar het adjectief autobiografisch kan niet met schrijver worden gecombineerd. Maar ik heb het letterlijk van Wikipedia, luidde het verweer. Ik kon die bron zo gauw niet vinden tussen de noten onder de tekst, en moest inmiddels het verwijt incasseren dat ik mij aanmatigde het beter te weten dan Wikipedia.

Terwijl ik dat bevestigde, ontaardde ons onderhoud in een spelletje welles – nietes. Ik merkte dat om mij heen de klas stil was geworden en met oren op steeltjes zoveel mogelijk probeerde op te vangen van de woordenwisseling aan mijn tafel. Moeilijk was dat niet, want in het vuur van de strijd werd ook stemverheffing als een van de overtuigingsmiddelen ingezet.

Ze dreigde al bijna voor de derde keer weg te lopen, toen ik toezegde haar werk nog eens goed te lezen en haar opmerkingen serieus in overweging te nemen.

Pas daarna zagen we dat het buiten was gaan sneeuwen.

 

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *