Maar niet heus

Of wij, van moedertaalonderwijs, onze eindexamenkandidaten wegwijs maken in stijlfiguren, vroeg de collega Engelse taal- en letterkunde. Daar wist ik zo één, twee, drie geen antwoord op. Die komen niet systematisch aan de orde in het methodeboek. In het literatuurboek worden wel verschillende vormen van ‘beeldspraak’ toegelicht en als het zo uitkomt leg ik uit dat een uitgewerkte overdrijving in een tekst die bedoeld is om de lezer te overtuigen, bekend staat als een ‘hyperbool’. Maar daar ging het haar niet om. In de centrale schoolexamens Engels wordt de kandidaten gevraagd uit te leggen dat een gegeven passage of alinea ‘ironisch’ is bedoeld. En dan blijkt dat veel kandidaten niet weten wat ‘ironie’ is.

Ilja Leonard Pfeijffer (1968) schreef er drie jaar geleden een boekje over. Ondraaglijke lichtheid was de titel, Over het nut en nadeel van de ironie van het leven. Hoofdstuk drie begint met: Dat ironie niet altijd door iedereen wordt begrepen, is een van de charmes van het stijlmiddel. Ironie spreekt over de hoofden van de naïevelingen heen tot een groepje van connaisseurs. Met een geslaagde ironische opmerking bevestig je je lidmaatschap van de kliek van uitverkorenen ten koste van de anderen, wier anders-zijn en passant nog maar eens ten overvloede wordt gedemonstreerd, hetgeen de goede verstaanders bevestigt in hun saamhorige uitzonderlijkheid en in hun culturele verfijning. Als dat waar is hebben onze leerlingen het grootste gelijk van de wereld om ver te blijven van een stijlfiguur die erop uit is hen uit te sluiten.

Een week later surveilleer ik twee uur bij het schoolexamen Engels. Eén voor een gaan de vingers omhoog en keer op keer antwoord ik fluisterend dat ironie een taalgrapje is, dat eruit bestaat dat de spreker het tegenovergestelde zegt van wat hij bedoelt. Als jij te laat komt, zeg ik: ‘zo jij bent lekker op tijd!’. Ik voeg er nog aan toe dat een opmerking ironisch is als je er maar niet heus achter kunt zeggen. Als ik naar mijn bureau terugloop, flitst door mijn hoofd wat ik allemaal niet over ironie heb gezegd.

Helen Brand drijft een noodlijdende boekhandel in Rotterdam. Ze laat zich bijstaan door wisselende stagiairs. Als de periode van Nico, die zich liever Finnegan laat noemen, erop zit, wordt hij opgevolgd door Sophie, een bijdehand meisje met een grote bos krullen, het ademloze woord ‘super’ op de lippen bestorven, aldus Nelleke Noordervliet (1945), want we bevinden ons in haar nieuwe roman Wij kunnen dit.

Helen vertelt haar nieuwe werkneemster over haar voornemen de winkel te verbouwen, als ze de financiering rond kan krijgen. O, super, reageert Sophie, die gelijk haar broer appt die in Delft bouwkunde studeert. Helen antwoordt Ja, chill. Heel erg chill. Dan neemt de verteller het woord: Het ironisch gebruik van de jongerentaal ontging Sophie volledig. Ironie is moeilijk, dacht Helen. Mensen van onder de dertig herkennen die niet. Hoe moeten die lui toch door het leven komen.

Ik snap dat vragen om uitleg van ironie in een tekst kandidaten de gelegenheid geeft finesses in het taalgebruik te onderscheiden en uit te leggen. En natuurlijk bedienen ook jonge mensen zich van ironie. Het maken van kliekjes gaat immers dag en nacht door. Het kost tijd om de kloof tussen doen en daarover denken te dichten. Dit vraagstuk in het examen Engels komt een jaar of tien te vroeg.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *