Huilen

Alma Mathijsen (1984) was op de radio. Ze werd een uur lang geïnterviewd door Pieter van der Wielen over haar nieuwe boek ‘Ik wil geen hond zijn’ in het middernachtelijk cultuurmagazine ‘Nooit meer slapen’. De hoofdpersoon van het boek is net als de schrijfster een jonge vrouw die in 1984 is geboren. Als haar relatie na vijf jaar eindigt, stort ze in een putdiep liefdesverdriet waaruit ze een uitweg vindt als ze hoort van een bureau dat ervoor kan zorgen dat ze als hond weer met haar (ex)geliefde wordt verenigd. Ze besluit in transitie te gaan.

Ovidius schreef zijn Metamorfosen, Gregor Samsa ontwaakt op een morgen als een smerig insect, de poedel die achter Faust aanliep na zijn wandeling op paasmorgen, verandert in een reizende student die spreekt als de duivel zelf, maar een jonge vrouw die zich transformeert in een hond om zo haar verloren geliefde onvoorwaardelijk te kunnen liefhebben, hadden we nog niet.

Mathijsen vertelt dat ze de opdracht tot het schrijven van een novelle van uitgeverij De Bezige Bij kreeg op het moment dat ze over niets anders kon schrijven dan haar liefdesverdriet. Honderdtachtig blaadjes had ze al vol getikt in wanhopige nachtelijke uren. Ze draaide alleen nog muziek van Pink Floyd en in haar hoofd vormde zich de gedachte om te veranderen in een hond, en die ging er niet meer uit.

Ik wil geen hond zijn is ook een retorica van het huilen. Na zoveel weken hebben beide ex-geliefden afgesproken bij de ingang van het Vondelpark. Dan zie je me. En direct huil je. Zachtjes schud je, duikt haast ineen, je gezicht trekt samen. Ik kan me niet meer inhouden en huil met je mee. Het stoplicht springt op rood, auto’s razen door terwijl we allebei schokkend huilen. En aan dat huilen komt geen eind. In het boek staat een opsomming van alle dingen die je huilend kunt doen: tandenpoetsen, was ophangen, een opiniestuk schrijven, koken kan huilend, kauwen is iets lastiger maar niet onmogelijk. Gelukkig eet ik amper. Plassen kan huilend en poepen ook. In slaap vallen gaat prima als je huilt, net zoals opstaan.

Hoe lang is het geleden dat er in de Nederlandse literatuur zo gul werd gehuild? Het verdriet om Tonio werd gesmoord in verbijstering en alcohol. Willem Kloos (1859 – 1938) weende om bloemen in de knop gebroken, in het oeuvre van Louis Couperus (1863 – 1923) wordt uit zenuwachtigheid menig traan geplengd, Piet Paaltjens/François HaverSchmidt (1835 – 1894) moet de laatste geweest zijn die zijn snikken op het omslag van zijn boek vermeldde. Op het linnen omslag van Ik wil geen hond zijn stromen zwarte en witte tranen tegen een blauwe achtergrond.

In de lichte muziek huilt men nog dat het een lieve lust is, van Martine Bijls Huil Marijke, pruil Marijke, ik nam jou je minnaar af, tot het hartverscheurende Crying van Roy Orbison. Er zijn lezers die moeten huilen om een boek. Niña Weijers (1987) noemt het de betere tranen, maar huilen in een boek?

Ze zeggen dat alleen mensen kunnen huilen, maar dat is niet waar. In het centrum ontmoet de hoofdpersoon van Ik wil geen hond zijn Gerard, die al ver gevorderd is met zijn transitie. Hij neemt haar op een nacht mee naar het bos en dan gebeurt het: Iets in me duwt zich naar buiten, mijn bek valt ervan open. Een huilend geluid dat ergens verstopt zat klinkt. Het lijkt niet eens uit mezelf te komen, maar ergens verder weg. Uit de aarde, diep onder de korst. Ik huil, ik jank met de maan ver boven me.

Ik lees een stukje voor in de klas, maar het verdriet, de tranen en de gedaanteverwisseling winnen het niet van de attracties op het scherm van hun mobiele telefoon. Het kan natuurlijk ook aan mijn declamatie liggen. Toch komt na afloop Xander naar mijn tafel en informeert naar de titel van het boek. Het leek hem wel een grappig verhaal. Ik denk: wacht maar jongetje.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *