Haar

De opdracht gedocumenteerd schrijven voor de leerlingen van vier havo gaat dit jaar over ‘beeldvorming en sociale media’, en dat is moeilijk genoeg. Het begon met het idee om dat thema centraal te stellen op het jaarlijkse tribunaal van onze school, een dag lang verdieping en debat over een actueel maatschappelijk onderwerp waaraan alle leerlingen meedoen, maar omdat onze gezondheidszorg al een jaar lang niet in staat is soelaas te bieden in de Covidepidemie, gebood de minister van Onderwijs de scholen goeddeels te sluiten. Nu moet ik via wankele wifi-verbindingen en incidenteel contact op school de intuïties van mijn leerlingen wakker kussen over influencing via instagram, het belang van selfies en de zoete dwang van facebook, whatsapp en snapchat.

In haar column in de Volkskrant van afgelopen dinsdag, bespreekt Aleid Truijens (1955) het eerder deze maand verschenen rapport van de Inspectie voor het Onderwijs over schrijfvaardigheid van leerlingen in het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs. Het onderzoek van de inspectie vond plaats in de jaren 2018 en 2019 en waar dat mogelijk was, zijn de resultaten vergeleken met die van 2009. De belangrijkste conclusie was dat een kwart van de leerlingen uit groep acht de basisvaardigheden van het schrijven niet beheerst en dat dat in 2009 ook al zo was.

In haar column brengt Truijens een paradoxale bevinding uit het rapport onder de aandacht; op scholen die geen schoolboek gebruiken in hun schrijfonderwijs, maar hun eigen methoden en middelen ontwikkelen en kiezen, leren de jongens en meisjes beter schrijven. Onderzoeker Eric Besselink kijkt er niet van op: Waar leerkrachten zelf veel inbrengen, kunnen ze ook makkelijker aansluiten bij de actualiteit en interesses van kinderen. Dan is het veel makkelijker om logische lijntjes te leggen. Het verbaast mij niet. Is het dan geen zaak om te erkennen dat klassikaal schrijfonderwijs maar beperkt effect heeft en dat leerlingen de grootste vooruitgang boeken na een-op-een contact met hun docent? Zodra dat weer mag dan toch.

Lynn heeft stiekem het lokaal verlaten en kijkt me op de gang van boven haar mondkapje schuldbewust aan. Bent u naar de kapper geweest?, vraagt ze, en ik probeer het gesprek snel naar het onderwerp van de opdracht gedocumenteerd schrijven te leiden. Of ze zich wel eens heeft afgevraagd hoe het komt dat kale mannen wel gezag kunnen uitstralen, maar dat dat vrouwen met een kaal hoofd niet lukt. Of dat je als muzikant haren moet hebben als Beethoven, Amy Winehouse of Jimi Hendrix, maar als presentatrice van een talkshow alleen maar kunt kiezen uit halflang, blond en los? Zou ze niet over haar willen schrijven? En mij dan snel een eerste proeve sturen?

In een grijs verleden leerden generaties scholieren schrijven via het vertalen van teksten. Niet alleen uit het Duits, Frans en Engels, maar ook uit het Latijn en Grieks. Daar klonk het humanistische adagium in door van translatio, imitatio, aemulatio. Door vertalen en navolgen kunnen onze teksten beter worden dan die van onze voorgangers. Niña Weijers  noemt Frans Kellendonk  als haar grote voorbeeld, Kellendonk had grote bewondering voor Joost van den Vondel. Sylvia Witteman is columniste geworden door Simon Carmiggelt te lezen. Geert Mak maakt er geen geheim van dat hij is beïnvloed door Koos van Zomeren. In de stem van Renate Rubinstein resoneert die van Carry van Bruggen. Marieke Lucas Rijneveld koestert de echo van Jan Wolkers in haar proza.

Want lezen helpt ook.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *