Gevaarlijke bende

Ze heeft ‘Liefde als dat het is’ gelezen van Marijke Schermer (1975) en op haar lijst gezet. ‘Terry is vreemdgegaan en weggegaan’, vertelt ze, ‘Haar man begrijpt het niet. Hij noemt het een natuurramp’. Ik zit te knikken – zo is het – en ik vraag met welk personage in het boek ze zich vooral heeft geïdentificeerd. ‘Met Krista, de oudste dochter’,  antwoordt ze. Die is ook zestien, nu ja, vijftien, haast net zo oud als zij. Krista voelt zich in de steek gelaten en is alleen. ‘En ik ben ook best vaak alleen’, voegt ze eraan toe. Als er iets nog intiemer is dan lezen, dan is het wel daarover vertellen. En als er iets ongewenst is, dan is het om dat te doen op een mondeling schoolexamen.

Het is de laatste keer dat ik deze examens afneem. Ik laat de kandidaten binnen en wijs ze hun stoel. Nodig hen uit boeken die ze gelezen hebben erbij te pakken. Op tafel staan twee bakjes met chocolade-eitjes, ik probeer zo snel mogelijk een einde te maken aan obligate en omslachtige samenvattingen. Ik hoor liever hoe het lezen hen heeft veranderd.

‘Hoe kwam je erbij om De advocaat van de hanen van A.F.Th van der Heijden (1951) te gaan lezen?’, vraag ik. ‘Nou, eigenlijk was het om de titel. Weet u, ik wil advocaat worden.’ Dan hoor ik dat Kiliaan Noppen lid was van een gevaarlijke bende en dat hij door de politie is opgepakt en in de cel gesmeten waar hij is overleden. Het verbaast kandidaat nauwelijks dat Noppens advocaat Ernst Quispel op dat moment gedetineerd was in hetzelfde cellencomplex en misschien dus wel getuige van het overlijden van zijn cliënt. Het antwoord op mijn vraag of de advocaat uit het boek van Van der Heijden een rolmodel kan zijn, is niet eenduidig. ‘Aan de ene kant wel, want je ziet in het boek dat het soms best heftig is, maar een rolmodel, nee niet echt, want Quispel heeft een alcoholprobleem en toen hij in de cel zat, was er ook nog alcohol in zijn systeem’. Mocht kandidaat nog niet genoeg hebben van Ernst Quispel, dan zijn de delen drie en zes van de cyclus De tandeloze tijd misschien iets; Onder het plaveisel het moeras en Kwaadschiks.

Als ik Die zomer van Wanda Reisel (1955) op dezelfde lijst zie staan waarop ook Ik ook van jou staat van Ronald Giphart (1965), moet ik toch vragen naar de overeenkomsten en verschillen in de seksuele moraal in de jaren zestig en de jaren negentig van de vorige eeuw. De ideeën over de liefde van je grootouders en die van je ouders, om het concreet te maken. Maar dan komt een en ander wel erg dichtbij. Ik heb geen grootouders, zegt ze opgelucht. En die van mij zijn zwaar christelijk opgegroeid in een klein dorp, voegt haar klasgenoot toe, daar was het allemaal heel anders. Als het zo uitkomt, is alles in een boek verzonnen.

De twee mannen aan mijn tafel hebben allebei Bewaar de zomer op hun lijst staan. Vorig schooljaar hebben we er in de klas een hoofdstuk uit gelezen en een recensie besproken. In het boek haalt Alma Mathijsen (1984) in korte scènes herinneringen op aan haar jeugd. De eerste beslissende ervaring was haar vaders vroegtijdige dood in 1994. De tweede: de zeer onvrijwillige ontmaagding op haar zestiende door een Italiaanse jongeman. Natuurlijk wil ik weten hoe dit bij mijn leerlingen is binnengekomen.

Daar willen we eerlijk over zijn, zeggen ze, dat boek hebben we niet gelezen.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *