Drie dingen

De week lag ingeklemd tussen Pasen en de meivakantie. ’s-Ochtends was het grasland boven het kanaal en ten oosten van Assendelft witgevroren. Ongeveer zoals in ‘Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen’ van Tonnus Oosterhoff (1953): zonnen draden hazen gouden haren. Maar zonder de hazen. Een tijdstip, een plaats, een weersgesteldheid, een persoon, een groep, een bestemming en een verwachting. Wat als ik mijn leerlingen zou vragen een tekst van een regel of tien, twintig te schrijven met deze ingrediënten? Een tekst als een gedicht?

Ik opende de deur van het lokaal voor de eerste examentraining en er liep gelijk een man of veertig naar binnen. Daarna kwam de collega wiskunde binnen die vertelde dat haar examentraining was verplaatst van morgen naar vandaag. Toen bleven er nog dertig over. De tweede examentraining waren er een stuk of acht kandidaten en de laatste eerst twee en daarna nog drie.

Het was te laat om zich nog grondig voor te bereiden en te vroeg om zich al zorgen te maken; het havo-examen Nederlands is pas 11 mei. Ik bond dus de leerlingen op het hart zich toch vooral te bekwamen in drie uur concentratie zonder mobiele telefoon, te zorgen voor kleding die makkelijk zit en geschikt is voor elke situatie – laagjes –  en goed te onthouden dat je het resultaat van het examen Nederlands pas echt kunt beïnvloeden zodra de examenzitting voorbij is en je je werk hebt ingeleverd.

Voor veel kandidaten is Nederlands het eerste examen. Het is een goede traditie om na het examen massaal te klagen bij het Landelijk ActieKomité Scholieren. Van de 38.500 vwo-kandidaten deden dat er in 2016 9.500. De lengte van het examen, de moeilijkheidsgraad van de teksten, de vaagheid van de vragen, maar ook de krakende schoenen van de surveillerende docent of een vogelnest onder het dak van de examenzaal kon reden voor ongenoegen zijn. Klagen dus, wie weet leidt het tot versoepeling van de normering. Dat is één.

In 2015 moest de staatssecretaris onderwijs de vraag beantwoorden of grammatica- en spelfouten in de beoordeling van het eindexamenwerk thuishoren. Twee jaar eerder debatteerde de volksvertegenwoordigers over de suggestie in het examen dat je dom bent als je vlees eet. Dergelijke beraadslagingen leidden in het verleden wel tot een wijziging van het correctievoorschrift, en dat is mooi meegenomen.

Mijn laatste tip aan de kandidaten was toch vooral via de sociale media contact te zoeken met de auteur van de examentekst. In 2012 gebruikte het cito de inleiding van Stil de tijd, van Joke Hermsen als examentekst. De filosofe maakte het examen en raakte al bij vraag één in verwarring. Ze liet via Twitter weten dat ze de 7.500 kandidaten die bij het LAKS geklaagd hadden groot gelijk gaf. Het cito zag zich genoodzaakt op de meerkeuzevraag meer goede antwoorden toe te staan.

Een regel of tien, twintig, was genoeg om te ontdekken dat we de stijlfiguren van de poëzie beheersen, zonder dat we dat van onszelf wisten. Tegenstelling, opsomming, hyperbool, herhaling (rijm in alle vormen), pleonasme en tautologie, de metafoor, stijlbreuken zelfs. We waren verbaasd stijlfiguren terug te zien die we eerder dit jaar geleerd hadden te vermijden; onnodige herhalingen, contaminaties, onduidelijk verwijzen. Wat ‘fout’ is in het ene schoolboek, blijkt een krachtig middel in het andere.

Er zijn kandidaten die wel zin hebben in deze onconventionele examenvoorbereiding. Anderen zien het zichzelf nog niet doen. Die vrezen die weken dringender zaken aan hun hoofd te hebben.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *