De hoed die ik wil dragen

Ik weet niet meer hoe het in de praat te pas kwam. Aan de opleidingen leren ze aanstormende docenten dat een les een begin, een midden en een eind heeft, maar ik heb dat zelden door de praktijk bevestigd gezien. Mijn lessen zijn een voortdurend beginnen en herbeginnen; een associatieve reeks van momenten die ik al improviserend tot een toevalstreffer probeer te maken, tot de meesten van ons hun draai gevonden hebben en ik mij even achter mijn tafel kan zetten. Daar viel de naam van Amy Winehouse (1983 – 2011) en een van de leerlingen die het dichtst bij mij zaten, ried mij haar song ‘Fuck me pumps’ aan.

De titel zei me niets, maar het liedje kende ik wel. Het stamt uit haar beste periode, begin jaren nul, de jaren dat ze furore maakte met het album Frank. Met Fuck me pumps betoogt ze dat haar seksegenoten die met veel uiterlijk vertoon een vermogende minnaar aan de haak proberen te slaan wel eens bedrogen kunnen uitkomen: Never miss a night / ‘Cause your dream in life / Is to be a footballer’s wife.

Ik kijk op en zeg dat ik het met haar eens ben dat het een goed liedje is. In haar proefwerk poëzieanalyse schrijft ze als reactie op het gedicht De meisjeskamer van Anna Enquist: ik ga make-uploos door het leven en ik doe ook niet veel aan mijn haar, dus in mijn meisjeskamer slaap ik alleen.

De naam van Amy Winehouse kom ik opnieuw tegen als ik door Alles komt goed blader, de bundel opstellen over Wim Brands (1959 – 2016) die Jeroen van Kan en Maarten Westerveen samenstelden bij het verschijnen van het verzameld werk van de dichter die op vier april 2016 een einde aan zijn leven maakte. Maaike Meijer (1949) koos voor een bijdrage in briefvorm en vraagt zich af hoe het met de overleden dichter is: Kun je popmuziek opzetten, Bob Dylan misschien, of mag die nog niet – omdat hij nog leeft – en moet je het dus doen met Billy Holiday, Van Morrison, Amy Winehouse?

Ik dacht: er is iets met dit rijtje.

Ja, Wim Brands heeft een gedicht geschreven met als titel Bob Dylan. Het is kort genoeg om het hier integraal te citeren: Geef me m’n hoed, zei hij. / Welke, vroeg zijn medemuzikant, / je hebt er twaalf. / De hoed die ik wil dragen. Maar of de Nobelprijswinnaar tot zijn favorieten behoort, is maar de vraag. In de bijdrage van Ariejan Korteweg (1955), Brands’ collega bij het Leidsch Dagblad in zijn beginjaren als journalist, haalt hij herinneringen op aan rokerige en dronken avonden waarop Brands de aandacht opeiste voor zijn muzikale idolen: Ramones, Dead Kennedy’s, The Clash, Red Hot Chili Peppers, Nirvana, Hüsker Dü, Grant Hart. Rauw, hard, simpel. Weinig tekst., voegt Korteweg eraan toe. Het is het geluid van de armoede van de naargeestige jaren tachtig waarin Amy Winehouse haar prille jeugd sleet.

Maaike Meijer schrijft maar wat. Waarom zou je het dus moeten doen  met Billy Holiday (1915 – 1959) of Amy Winehouse? Alsof die tweede keus zijn! Ik zou tekenen voor een optreden van beide diva’s of jazz. En wat Van Morrison (1945) betreft: die treedt zaterdag acht juli op in de tuin van Paleis Soestdijk. De verkoop gaat hard, meldt de website, maar er zijn nog een paar tickets over. De hemel op aarde is dichterbij dan je denkt.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis met de tags , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *