De hel

Dat boekhouders en belastingadviseurs regelmatig met de noorderzon verdwijnen, was mij bekend. Dat ook mijn collega’s soms de benen nemen, wist ik niet. Ik keek dus op van het bericht deze week op de site van het Algemeen Dagblad onder de kop: ‘Docent verdwijnt met examens 80 leerlingen’. Het gaat om een bevoegd Neerlandicus die tijdelijk was ingehuurd om op het ROC Midden Nederland locatie Nieuwegein aan de koksopleiding de examens  ‘spreken’ en ‘gesprekken voeren’ af te nemen. Dat chefs vaak grofgebekt zijn en dat er doorgaans niet met hen valt te praten weten we van Gordon Ramsay en Herman den Blijker. Zou dat het zijn? Daarbij komt dat elke kok beschikt over een koffer scherp geslepen messen.

Het laatste nummer van De Gids (sinds 1837) gaat over de hel. De redacteuren Gerbrandy en Bentz van den Berg constateren in de inleiding dat een belangrijk deel van het leven van de mens zich afspeelt op een niveau waar hij vaak nauwelijks bij kan. Ze doelen op dromen, vage herinneringen, vluchtige fantasieën en onwillekeurige beweringen die later nog een staartje krijgen. Wat voor de mens geldt, geldt ook voor de cultuur en de literatuur; ook die drijft op wat zich ondergronds afspeelt, in kelders en pijpleidingen, in klei en veen, in de broeiende modder van subculturen, mompelende clochards, smoezelige randfiguren en eeuwige buitenstaanders. Daar kunnen boekhouders en docenten Nederlands die de benen hebben genomen aan worden toegevoegd. Toch is die onderwereld ook de plaats waar ideeën rijpen tot ze levenskrachtig genoeg zijn om kortstondig bovengronds te geraken, een felle bloei deelachtig te worden alvorens weer op te gaan in de voedingsbodem voor het latere.

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit 2014 heeft één op de vijf medewerkers in het onderwijs een burn out. Om de zoveel tijd is het kennelijk nodig zich onder te dompelen in de Hades, opnieuw randfiguur en buitenstaander te worden om op andere gedachten te komen en te hopen op een aanstaande felle bloei bovengronds. Vreemd dat de angst die ons om de zoveel tijd belet het lokaal met onze leerlingen te betreden af en toe nog groter is dan de angst voor een seizoen in de hel.

We mogen overigens niet aannemen dat vrees voor de aanstormende generaties alleen leraren en leraressen geldt, het is een van de redenen dat sinds jaar en dag van staatswege de leerplicht geldt en jongeren een belangrijk deel van hun leven achter de deuren van een school worden gehouden.

In De laatste deur van Jeroen Brouwers (1940) komt Gerrit Borgers (1917 – 1987, hij zou het later nog tot hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam schoppen) te spreken over zijn herinneringen aan Jacob Hiegentlich, zijn docent Nederlands op de middelbare school. Omstreeks 1934 moet dat zijn geweest. Komt ie binnen met een enorme dikke tas. Klein mannetje. Zwaait de deur open, kijkt ons even aan en springt op de tafel en spreidt dan beide z’n armen uit en buldert werkelijk door die kamer, een klas was het eigenlijk nauwelijks, ’n grote kamer: “Christenhonden!” En wij natuurlijk volkomen verbouwereerd, want hij was ons voor en wij waren van plan hem te pesten. Maar daar hadden wij niet van terug. Daarna ging ie rustig zitten en zei ie: ‘Ja, ik ben maar vast begonnen want binnen een paar lessen zeggen jullie toch tegen mij vuile rotjood.”

Volgens Brouwers ging Hiegentlich gebukt onder een viervoudig minderwaardigheidscom-plex als Jood, als homoseksueel, als Limburger in Amsterdam en als schrijver die er niet toe deed. Het is voldoende om van angst een vlucht naar voren te doen op een nieuwe school.

Hiegentlichs uiteindelijke tocht naar de hel begon in de nacht van veertien op vijftien mei 1940 toen hij zichzelf vergiftigde. Op zaterdag 18 mei is hij, drieëndertig jaar oud, overleden in het Amsterdamse Wilhelminagasthuis.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *