De droger en de frituur

De krokusvakantie kondigt zich aan met roezige klassen in zonovergoten lokalen. De leerlingen van vier havo hebben juist een proefwerk Engels gehad; het heeft geen zin hen nu tot stilte te manen. Eerst moeten de flesjes met water gevuld, het lijf van verhalen bevrijd en de schermpjes van de mobiele telefoons betast en beklopt. Dat kan wel even duren. Ik stuur mijn blik over het rumoer en daar voorbij. De kale bomen in de zon, een merel die langs scheert en kort nadat hij in het struweel is geland nog een aantal keren met zijn staart wipt, twee meeuwen op het gras dat al groener is dan vorige week.

Hij heeft zijn schrijfopdracht niet kunnen inleveren op Magister, de digitale parallelle werkelijkheid van onze schoolse bestaan. Hij houdt zijn telefoon voor mijn neus om op het scherm de foutmelding te laten zien. Het is vergeefse moeite zolang ik mijn bril niet op heb. Zijn computer is gecrasht. Als de droger en de frituur gelijk aan staan, veroorzaakt dat kortsluiting. Hij was juist bezig zijn tekst te uploaden toen het gebeurde.

Dus jullie eten frites als de was gedaan is, informeer ik. Zo zat het niet. Op zondag staat er altijd frites op het menu, maar nu stond ook de droger aan en een kopiebestand heeft hij  niet.

Dan kunnen we er verder niets aan doen.

Ik was diezelfde zondag de tuin in gelopen. De border baadde in de warme voorjaarszon. Groepen sneeuwklokjes groeiden boven de resten van de ooievaarsbekken uit en ook van onder de bladeren van de acanthus piepten er een paar tevoorschijn. Ik knipte de hoge graspluimen af die geel waren geworden, verzamelde de resten van de phloxen en de hemelsleutel en brak de staken van de kleine zonnebloemen (Helianthus lemon queen) bij de grond af. Ik trok de overblijfselen van het schildblad van de oever en was verheugd toen ik daaronder overal narcissen zag opkomen. Ik bond de dorre plantenresten tot twee forse bossen die ik zolang tegen de schutting op het plaatsje zette.

Ik had zin om de spa in de grond van de groentehof te zetten, maar ’s ochtends is het gras nog wit, glanst de vijver als glas en is de grond hard. Ik ben de bloemen, of wat daar na de storm van acht januari nog van over was, uit de Hortensia gaan knippen. Onderwijl was ik verdacht op vroege lenteboden; een aardhommel, een lieveheersbeestje, het fluiten van een merel, het mechanisch krikkende geluid van de koolmees.

Voor de komende vakantie wordt matige vorst voorspeld. Een oostelijke stroming neemt kou mee uit de vlaktes van Siberië, het is niet onmogelijk dat er op ondergelopen land en ondiepe sloten geschaatst kan worden. Voor mijn vakantiebestemming wordt neerslag verwacht. Gelukkig is juist op tijd Reconquista verschenen, zevenhonderd pagina’s over de strijd tussen mohammedanen en christenen in het Spanje van de elfde eeuw. De schrijver is Miquel Bulnes (1976), wiens vorige boek, Het bloed in onze aderen uit 2011, zo grote indruk op me maakte.

Dan blijft de vraag waarom op zo’n zonnige zondagmiddag de was niet gewoon buiten te drogen is gehangen.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *