Chopin

Mijn moeder is mijn naam vergeten, mijn kind weet nog niet hoe ik heet. Iets dergelijks als in deze beroemde regels van Neeltje Maria Min (1944) is aan de hand in ‘De zomer hou je ook niet tegen’, de novelle van Dimitri Verhulst (1972) die in 2015 als Boekenweekgeschenk in een oplage van 723.000 exemplaren verscheen. Sonny, een zwaar gehandicapte jongen die zijn vader nooit heeft gekend en wiens moeder was gestorven voor hij zich haar kon herinneren, wordt enkele dagen voor zijn zestiende verjaardag uit de inrichting ontvoerd door Pierre Vantoren, een man van begin zestig. De reis gaat naar Frankrijk, naar de Provence. Pierre wil de jongen een verhaal vertellen als verjaarscadeau.

Ik heb het boek over de onstuimige liefdesgeschiedenis van Pierre en de moeder van Sonny in zes keer een half uur voorgelezen aan de leerlingen van drie havo. Daarna heb ik hun gevraagd hun reactie op het boek te verwoorden in een open brief aan de schrijver van De zomer hou je ook niet tegen van ongeveer achthonderd woorden en die reactie te illustreren of te onderbouwen met minimaal twee citaten uit het boek.

Voor alle leerlingen gold dat ze nog nooit zo’n boek hadden gelezen en dat ze het uit eigen beweging ook niet zo gauw zouden oppakken. Toch bleven de meesten wel luisteren, al wisten ze niet precies waarom. Het kon natuurlijk niet worden uitgesloten dat Pierre de jongen, als het verhaal uit was, met rolstoel en al van de berg zou storten. Dat in het boek naar de rijkelijk met streekwijnen overgoten picknick op de top werd verwezen met de woorden The fool on the hill, was een voorteken. De leerling die dit citaat had gekozen, had wel van The Beatles gehoord, maar nog nooit van The magical mystery tour.

J. vond de delen van het boekje die in Amsterdam speelden het mooiste. Pierre ontmoet er zijn geliefde en breng met haar de nacht door in het Ambassade Hotel. J. kent Amsterdam omdat zijn grootouders er wonen; hij heeft de beste herinneringen aan bezoekjes aan Artis en de kaasstengels van dat lekkere bakkertje op de Ceintuurbaan.

Veel leerlingen kozen voor de passage dat Pierre op de berg, midden in zijn verhaal, omringd door lege wijnflessen, merkt dat zijn reisgezel in zijn broek had gekakt: Hij liep naar de jongen, streelde hem over het hoofd. ‘Het spijt me, Sonny. Het spijt me dat je ’t in je broek hebt gedaan. Het is mijn fout. Je mag me slaan.’ Hij had Sonny gezegd.

Dat is een goede keuze. Het hele boek door heeft Pierre zijn gehandicapte reisgenoot aangesproken met namen van dode componisten: Mozart, Beethoven, Strawinsky, maar nog het vaakst met die van Chopin, misschien omdat ze in Frankrijk waren, maar nooit met de naam die Sonny van zijn moeder had gekregen.

Logisch misschien, Sonny is geboren uit het zaad van Pierres rivaal. De jongen herinnerde Pierre aan zijn pertinente weigering tegemoet te komen aan de kinderwens van zijn geliefde; Pierre had al een dochter en vond zijn vaderschap geen succes.

Sonny krijgt van Pierre voor zijn verjaardag wel drie cadeaus. Met het verhaal dat Pierre vertelt, schenkt Pierre hem een eerste en levendige herinnering aan zijn gestorven moeder. Door Sonny te zeggen schenkt hij hem, zo goed en zo kwaad als dat kan, een vader.

Voor wie ik liefheb wil ik heten, heet de bundel waar de regels van Neeltje Maria Min in staan. Dat namen ertoe doen, hoef je jongeren niet uit te leggen. Dan blijft het een raadsel dat in De zomer hou je ook niet tegen niet wordt verteld hoe Sonny’s moeder heette.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *