Bloemkolen

Al langer dan een jaar zijn mijn leerlingen een prooi van het slechtste onderwijs dat ik kan verzorgen. We mochten niet meer op school komen, omdat door jarenlange bezuinigingen en een besmettelijk virus ziekenhuizen de hulpvraag van doodzieke mensen niet konden beantwoorden. We hielden hulpeloos contact via het computerscherm. Dat duurde tot de zomervakantie. In augustus ging de school weer open, maar twee maanden later werden op last van de schoolleiding en de ggd besmette leerlingen, betrokken lesgroepen, ja complete jaarlagen naar huis gestuurd. Weer twee maanden later waren we terug bij af en was de school alleen toegankelijk voor de examenkandidaten, die, omdat dat beter was voor ons allemaal, tijdens de les in drie verschillende lokalen werden gestopt. Dat is niet helemaal waar. Als we per se wilden, mochten we ook de beginselen van het argumenteren oefenen in de gymzaal.

Maar deze week ontmoeten we elkaar in kleine groepjes en spreken we met elkaar over de acht boeken die we hebben gelezen. Zoals De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa (1967). Ilham en Thouraya, twee Marokkaans Nederlandse meiden smokkelen een Marokkaanse jongen naar Europa. Ze kunnen het geld goed gebruiken, maar ze gunnen Murat Idrissi ook de kans om de armoede te ontvluchten en het geluk te vinden in Europa. Murat overlijdt op de veerpont tussen Tanger en Algeciras, gestikt in de uitsparing voor het reservewiel in de achterbak van de auto, waar hij zich hield verborgen.

Voor me zitten Kaoutar en Claudia. Het vluchtverhaal van Murat Idrissi gaat naadloos over in dat van Kaoutars vader. Ook hij had zich, achttien jaar was hij, verstopt in een auto onderweg van Marokko naar Spanje. Hij kwam na veel avonturen in Noord Holland terecht, voorzag in zijn levensonderhoud door op het land te werken. Bloemkolen, zegt Kaoutar. Het duurde bijna tien jaren voor hij de benodigde papieren had om een bestaan op te bouwen in Nederland. Toen hij tweeëndertig jaar oud was, trouwde hij. Kaoutar is zijn oudste dochter.

Daarna komen we over Fabriekskinderen te spreken, de tranentrekkende gamechanger in het debat over kinderarbeid van de Betuwse schilder en voordrachtskunstenaar Jan Jacob Cremer (1827 – 1880). Zou in onze tijd een boek of een verhaal ervoor kunnen zorgen dat er een einde komt aan bij voorbeeld racisme en ongelijkheid, wil ik weten. Kaoutar is stellig met haar antwoord. Een verhaal maakt geen einde aan racisme, want het zit in ons allemaal. Zij probeert in het dagelijks leven, als vertegenwoordigster van haar bevolkingsgroep en geloofsgemeenschap, het goede te doen. Ik schrik van die uitspraak en vraag Claudia of ze ook vertegenwoordigster is van iets of iemand. Nee, zegt ze, en ze denkt na. Brengt naar voren dat ze half Italiaans en half Nederlands is en zegt nog eens nee. Zwijgt en zegt of toch, een vertegenwoordigster van de  jongeren. Als ze iemand met een rollator ziet, groet ze die bijvoorbeeld vriendelijk en vraagt of ze kan helpen.

Nog even over De dood van Murat Idrissi. Hebben Ilham en Thouraya een fout gemaakt? Claudia vindt van wel. Ze zijn niet schuldig aan de dood van Murat, maar de operatie was, hartje zomer, in een gloeiend hete auto, in de verzengende hitte van Marokko en Spanje, gedoemd te mislukken. Ook Kaoutar is van mening dat Ilham en Thouraya niet goed hebben nagedacht. Maar om een andere reden dan haar klasgenoot. Ze zegt dit is geen werk dat vrouwen moeten doen.

Dit bericht is geplaatst in bij de les met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *