Bladeren

Ik ging op een zomernacht naar school. Het was half zeven in de ochtend en de hemel was helder. Ik sloot de deur, draaide me om en zag hoog in het zuiden Mintaka, Alnilam en Alnitak, de drie oplichtende sterren, dicht bij elkaar, waaraan je Orion herkent. Het was windstil en ik bedacht: ‘ik wil best zonder jas naar school, maar dan moet het wel licht zijn’. Of nee: ‘ik wil best in het donker naar school, maar dan moet het wel koud zijn’.  En daarna schoten me de eerste regels te binnen van het gedicht ‘We verdampen’ van Lieke Marsman (1990): ‘Het zijn rare tijden, jaargetijden / veranderen en vermijden een confrontatie / met vakantie.’ Want de herfstvakantie was niet ver.

O hushed October morning mild, / Begin the hours of this day slow., dichtte Robert Frost (1874 – 1963). Het was hem te doen om de druiven. Er zijn al kraaien boven het bos. Weldra zullen ze zich groeperen om weg te vliegen. Dan is de kou niet ver meer. Frost vreest dat de vorst de druiven tegen de muur fataal zal worden. Ze hebben nog maar een paar uurtjes zon nodig. Hij vraagt de natuur ons te bedotten en de dag iets langer te laten duren: Retard the sun with gentle mist; / Enchant the land with amethyst. / Slow, slow!

Vanuit het raam van zijn zolderkamer ziet Paul de Wispelaere (1928 – 2016) de herfst naderen: De tuin, bedropen met oktoberverf, begint weer weg te zinken in de tuin. Het grasveld doet zich tegoed aan rottende stoofperen, appels, bottels, bessen en bladeren. Het zuigt de reddeloze zomerdagen in de drassige grond.

Zevenentwintig jaar eerder heeft Leo Vroman (1915 – 2014) de tuin in zijn hand: Ik heb een afgestoten blad waarin / dicht langs de aderen, het smaragd nog leeft, / alsof het nog een kans, een toekomst heeft, / een wonderbaarlijk nieuw begin. / Voorgoed sterft het in mijn hand.

Dat het zaad moet sterven eer het weer kan kiemen, is een dichterlijk cliché, maar niettemin een zekerheid waar ik me aan vastklamp, schreef De Wispelaere. Hij kan niet anders. Hij is in oktober 1927 verwekt. Hij is het resultaat van het zaad dat in oktober is geplant. Het verkoolde alfabet, zijn dagboek 1990 – 1991 dat in 1992 in de reeks privé-domein verscheen, begint in oktober, net als zijn Brieven uit Nergenshuizen  uit 1986 en En de liefste dingen nog verder uit 1998. Beginnen niet al zijn boeken in oktober? De Wispelaere was een van die schrijvers die zijn hele leven aan hetzelfde boek schreef. Het zou dus makkelijk kunnen. Gebouwen worden gesloopt, bossen worden omgehakt, maar aan oktober kan niet worden geraakt. Zie: de bomen houden zich bladstil en beven alleen maar een beetje.

Het bleef geen nacht. De dag kwam met mist en nevel over de velden. De lage zon scheen loodrecht op de ramen van het lokaal. Daar hielp geen zonnescherm tegen, warm licht kwam er eenvoudig onderdoor. Goed dat ik toen het nog donker was, de knoppen aan de radiatoren had toegedraaid.

Dit bericht is geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *