Zuur

Ik sta met de shampoo in mijn hand onder de douche, als ik merk dat het water koud wordt. Snel afspoelen dan maar, en drogen. Mijn haren was ik morgen wel. Ik loop terug de slaapkamer in om mij aan te kleden. ‘Geen wifi’, hoor ik van het kussen naast het mijne. Ik zie dat het venstertje van de wekkerradio donker is. Als laatste controle druk ik het lichtknopje in. Geen stroom. Ik weet in de werkkamer nog een oud Nokiatoestelletje te liggen aan een al even oude oplader. Ik draai het storingsnummer, meld aan een vrouwenstem postcode en huisnummer. Dezelfde stem deelt per ommegaande mee dat er zich in mijn postcodegebied helaas een storing heeft voorgedaan, die waarschijnlijk om half elf is verholpen.

Beneden zet ik grote pan water op voor de afwas en een steelpannetje voor de oploskoffie. Lucifer, afwasteiltje. De zon komt stralend op achter het open keukenraam, waaruit ik warempel zie dat het buitenlampje van de overburen van nummer 42 boven de voordeur brandt. Dan loop ik binnen bij mijn moeder, die naast mij woont. Daar is het stil. Als ik op een lichtknopje druk, gebeurt er niets. Het is te vroeg voor conclusies.

Achter de tuindeuren ontploft de lente. Ik loop de tuin in en ervaar een stilte die me terugbrengt naar de vroege jaren zestig. Het zingen van de merels, het mechanische geluid van roepende koolmeesjes, een duif die koert. Heel in de verte een vermoeden van geronk van een vliegtuig. Mijn bede om een pandemie zonder internet van twee weken geleden was verhoord. Niet thuis werken, geen nieuwsberichten op het scherm, verlost van outlook, magister, office 365-teams.

In huis hangt een zure lucht. Gisteren hebben we de fijngemaakte bloemkoolroosjes en de versnipperde winterwortel in zout water gezet, die staan nu uit te druipen in een vergiet. Ik hoor het keukenmes op de plank. Augurkjes snijden, en zilveruitjes. Op het ene gas staat een pan witte wijnazijn te koken, op een ander warmt een roux op een laag pitje. De pot met geelwortel en de mosterd zijn niet ver. We maken piccalilly. Sinds die van Crosse and Blackwell (Est. 1706) uit de schappen is verdwenen, is er alleen nog zoetzure piccalilly te koop en wij houden van zure. Een royale lik over de stamppot raapstelen met spekjes en braadworst is onbetaalbaar.

Door het keukenraam komt geroezemoes tot me. De buren van nummer vijfentwintig, vijfendertig en negenendertig hebben zich verzameld voor nummer drieëndertig. En ook die van de overkant van nummer vierenveertig heeft zich bij het gezelschap gevoegd. Indachtig de adviezen van onze premier houdt iedereen anderhalve meter afstand. Zo is een cirkel ontstaan die begint in de voortuin, uitzwaait over het trottoir tot bijna de helft van de rijbaan en weer terug. Dezelfde premier zou het een intelligent buurtoverleg noemen.

Veel wijzer worden we er ondertussen niet van. Er lopen drie mannen met gele hesjes door de straat die nu eens stilstaan en op het scherm van hun telefoon kijken en dan weer de tegels van de stoep aan een nader onderzoek onderwerpen, al gaat het natuurlijk om de wirwar van leidingen en kabels daaronder. Een van hen staat ons te woord. Eerst moet de oorzaak van de storing gevonden worden, dan kan de straat worden opengemaakt. Het is niet in een uurtje gefikst, luidt de prognose van de medewerker van het netbeheer.

Dankbaar keer ik terug naar mijn piccalilly.

Dit bericht is geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *