Vreemd genoeg

De opmerking van CPNB-directeur Eveline Aendekerk dat een boek als ‘Het bittere kruid’ van Marga Minco alle vooroordelen over het lezen bevestigt en het leesplezier van jonge lezers er vakkundig uitramt, was voor NRC-columnist en dichter Ellen Deckwitz (1982) aanleiding om te reageren met een stukje onder de titel ‘Weg met het leesplezier’. Ik ben het onmiddellijk met haar eens dat er meer redenen zijn om een boek te lezen dan plezier, maar vraag me niet die redenen te noemen. Voor je het weet wordt de literatuur opgezadeld met de taak betere mensen van ons te maken. En de literatuur heeft het al zo moeilijk.

Guisecourt heb ik niet kunnen vinden op de kaart, maar Reims wel en de Marne stroomt als vanouds door het Noord Franse land in de Seine. In Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje (1965), rijden Amélie en haar vader terug naar het kasteel dat ze toen de Grote Oorlog uitbrak, zijn ontvlucht. Het is augustus 1921. Vredig en zonnig trekt Frankrijk aan hen voorbij, gouden korenvelden, boomgaarden, een grijsblauw doezelende einder, zo nu en dan een dorp met een kerkje en boerderijen, zwaaiende mensen langs de kant van de weg, kinderen die roepend achter hun auto aan rennen. Laure, Amélies halfzus, is verdwenen en het vermoeden van Amélie dat zij stiekem is teruggegaan naar de plaatsen van haar jeugd, het golvende land aan de oevers van de Marne, blijkt juist. Eerst vindt ze haar hoed, daarna vissen Howard en Morris, de Engelse tweeling uit een hoofdstuk eerder, het levenloze lichaam van Laure uit de Marne.

Ik herken het landschap dat Daanje beschrijft, terwijl ik de bladzijden om sla in de tuin van de gîte waar ik een weekje verblijf. Al is Dieppe geen Reims en Guisecourt geen Canouville en ook al zijn we alweer een wereldoorlog en een pandemie verder. Het graan is geoogst, bleke koeien zoeken schaduw onder de bomen tegen de heuvels, kronkelende landwegen leiden naar dorpjes rondom een kerk en een kerkhof; daarachter het vermoeden van de zee, kiezelstranden en krijtrotsen.

Voor ons op tafel een pannetje mosselen in een saus van camembert, frites, witte wijn in een beslagen glas, dat fonkelt in de kleuren van de parasol waar de zon door schijnt. Een zoele bries voert het ruisen van de zee aan.

Of bij Duclair linksaf, de Seine langs, de brede lege stroom, statige huizen van twee eeuwen geleden, seminaries, buitenverblijven zoals de Flauberts er één hadden in Croisset bij Canteleu, waar de grote romans van Madame Bovary tot en met Bouvard en Pécuchet zijn geschreven en de kluizenaar van Croisset buiten in de tuin de zinnen declameerde die hij die dag had geschreven. Zelden meer dan tien.

Het gaat om lees- en dus levenservaring. Woorden maken gebeurtenissen behapbaar, schrijft Ellen Deckwitz. De woorden van Anjet Daanje brachten me thuis op de plaats waar ik me vreemd genoeg bevond. Na acht uur rijden was ik er mentaal nog niet gearriveerd.

In de vroege ochtend, als  het nog donker is, fluiten de uilen in de bomen, dat het klinkt door de open ramen in de stille nacht en zich te ruste legt in dromen die geen zich meer herinnert als het licht geworden is.

Dit bericht is geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *