Later deze dag

Het waait. Achter de Rooms Katholieke kerk houdt het dorp op. Ik loop de Osdorperweg op. Enkele tientallen meters maar, dan sla ik linksaf en loop het niemandsland in aan de westelijke rand van Amsterdam. Sinds de A9 hier om de stad is gelegd, heeft dit gebied de naam De tuinen van West gekregen. De wegen en paden zijn vernoemd naar mannen die hun sporen hebben verdiend als sportjournalist, wielrenner of uitvinder van het korfbal. Zodra ik het Maurice Peeterspad oploop, zwaait het landschap open. Hier geen groene hemel, maar brede weidebermen, rechts een rietkraag langs de plas, links de sloot en een hoge dijk achter de huizen aan de Osdorperweg. Voor me ronkt het verkeer op de snelweg. Mijn ogen zoeken gelijk naar een groepje bomen aan de andere kant van de plas, langs de A9. In de kale takken zitten steevast tientallen aalscholvers. Vandaag niet.

Sinds een paar dagen wandel ik niet meer in Amsterdam Oost, maar door vertrouwd gebied aan de Westelijke stadsrand. Ik was er anderhalve maand niet geweest. De bermen zijn gemaaid, de resten verdord. Hier en daar schiet al nieuw gras op. Platgewaaid riet langs de oevers. Paardenbloemen doen schuchter een tweede bloei, paarse klaver, hier en daar een pluk kamille en, omdat het inmiddels oktober is, overal groepen geschubde inktzwammen. Een jonge geschubde inktzwam smaakt uitstekend, maar moet wel direct na het plukken verwerkt worden, aldus Wikipedia. Ik waag mij er niet aan. De geschubde inktzwam lijkt wel wat op de kale inktzwam (Coprinus atramentarius), die giftig is indien alcohol twee dagen voor of na consumptie wordt gebruikt, aldus dezelfde bron. Ik heb mij later deze dag een glaasje jenever beloofd.

Vertrouwd gebied, maar aalscholvers, ho maar. Koos van Zomeren (1946) noteerde in zijn Een jaar in scherven: 29 april 1987 (…) Zacht voorjaarsgroen, hier en daar onderbroken door het virulente geel van een tros dotterbloemen. De snor snort, de kiekendief zweeft, aalscholvers zitten als zwartgeblakerde apen in een rijtje dode elzen. Spiegelend water, geen wolkje aan de lucht. Als in een droom glijdt de boot door de Oude Venen (…). Zwartgeblakerde apen, zo zag ik ze nog niet. Phalacrocorax carbo, wat hebben die beesten met dode bomen?

Chris van Geel (1917 – 1974) weet het antwoord. Als titel voor zijn gedicht, kiest hij het anagram van aalscholver: schollevaar, en hij schrijft De takken die zij breken voor hun nesten doden / de boom, wit is de grond van hun aanwezigheid. Ik zag de bomen alleen van afstand. Ik heb me er nooit in de buurt gewaagd. Het wit onder de bomen gezien noch geroken.

Ik ben inmiddels het viaduct van de A9 gepasseerd. Op de driesprong kies ik de Nico Broekhuysenweg, daar waar die onder het bladerdak van oude bomen aan beide zijden van de weg recht naar het oude clubhuis van de padvinderij leidt. Links het Fluisterbos, rechts de perken van Lokale bloemetjes, bij de volgende driesprong weer linksaf, terug op de Tom Schreursweg die, na verloop van tijd tussen de plassen van het verdronken weidegebied doorloopt. Futen en meerkoeten in het water. In het riet en de wilgen gefluit dat ik niet op naam kan brengen. Een zilverreiger vliegt op en dan zie ik ze. Op takken die boven het water uitsteken, op kleine eilandjes die toevallig zijn gevormd. Allemaal de snavel naar het Zuidwesten gericht, in rotten van tien twintig, met hun snufferd in de wind. Maar liever hier, laag, in relatieve luwte, dan hoog tussen de dode takken. Zwartgeblakerde apen? Nee, onbeweeglijk zijn ze daar. Inktvlekken in het schrift van dras en plas. Watervogels die niet nat willen worden.

Dit bericht is geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld met de tags , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *