Eerlijkheid als paniekreactie

Dagboeken zijn bepaald aan mij besteed. Ik noteer sinds drie november 1981 min of meer regelmatig een en ander in boekjes met een zwartgemarmerd omslag. De oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922 – 2007), die in 2016 en 2017 verschenen, boeiden me tot het einde (bijna tweeduizend pagina’s). Hoe minder er gebeurde hoe nieuwsgieriger ik werd. De ‘dynamische zelfbeschrijving’ die Daniël Robberechts (1937 – 1992) in 1969 onder de titel ‘De grote schaamlippen’ publiceerde, las ik nooit van kaft tot kaft, maar ik mag er graag in bladeren. De dagboeknotities die Kees Buddingh’ met tussenpozen van 23 november 1967 tot zijn dood in 1985 maakte, horen tot het mij dierbaarste uit de naoorlogse letteren, al doe ik dan  Privédomeindeeltjes als Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere (1928 – 2016) en Een jaar in scherven van Koos van Zomeren (1946) misschien tekort.

Aan mijn kleine collectie dagboeken is afgelopen week het boek Dorst toegevoegd. Kroniek van een ‘romantische’ obsessie is de ondertitel en de auteur is Jan-Paul van Spaendonck (1956), toonkunstenaar, zanger, schrijver en theatermaker. Ik  ken hem als de dirigent van het Linnaeuskoor, de zangvereniging waar ik lid van ben. Op zondag 14 januari 2007 noteert hij: Het laatste jaar was een cruciaal jaar. Een jaar van vele dronkenschappen. Een jaar waarin dronken zijn eerder regel dan uitzondering was. Waarin iedere nuchtere dag werd geteld als een bijzondere. De notities in Dorst bestrijken de periode van 13 januari tot maandag 2 juli 2007 en beschrijven in flarden en fragmenten de pogingen van de auteur en hoofdpersoon om van zijn alcoholverslaving af te komen. Ik moet eerlijk zijn, verzucht hij meer dan eens.

Waar komt die fascinatie voor het lezen van dagboeken vandaan? In de eerste plaats natuurlijk van het stiekeme genot iets te lezen wat eigenlijk niet voor mijn ogen is bestemd. Het behoort tot de conventies van het dagboek dat lezer en schrijver een en dezelfde persoon zijn. Elke andere lezer is een voyeur. Daar komt de charme van nog een conventie van het dagboek bij; die van de nietsontziende en schaamteloze eerlijkheid. Omdat het onverdraaglijk is zichzelf voor de gek te houden, is alles wat er in een dagboek staat waar.

Jacq Vogelaar (1944 – 2013) rekende met beide vaststellingen af in een tekst die in 1982 in Raster 20 verscheen onder de titel: Oefeningen in het dagboekschrijven (augustus ’81, tweede keus). Hij schrijft: De schrijver vermomt zich voortdurend. Dus maken ook zijn confidenties deel uit van het spel. en: Eerlijkheid – vaak een vorm van domheid, in elk geval van gemakzucht, omdat je dan geen rekening meer hoeft te houden met situaties. Eerlijkheid als paniekreactie. – Wie besluit altijd eerlijk te zijn laat voor zichzelf beslissen en ziet toe wat zijn eerlijkheid aanricht – en dat dan voor een onontkoombaar feit aanzien. Wie moeten we dan geloven? Vogelaar schrijft: Vertellen kan alleen iemand die zich op zijn gemak voelt en zichzelf vertrouwt.

Laten we aannemen dat dat laatste waar is. De verteller van Dorst voelt zich allerminst op zijn gemak en van vertrouwen in zichzelf is nauwelijks sprake. Gevolg is dat noch de ik-persoon van het boek, noch de persoon die als auteur op het omslag is vermeld in staat zijn het verhaal van de ‘romantische’ obsessie te vertellen.

Kijk hem daar eens zitten: de lezer, die, niet zonder schaamte, is verdiept in de bekentenissen van de met zichzelf worstelende alcoholist. Wie anders dan hij moet nu de verteltaak op zich nemen? Dorst dwingt hem de ongemakkelijke rol van voyeur te combineren met de al even impopulaire positie van klikspaan.

Mooie boel!

Lees Dorst zelf. Het boek is hier te bestellen

Dit bericht is geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld met de tags , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *