Natuurramp

Sev heeft het eerste en het laatste woord in ‘Liefde, als dat het is’. Ze bewoont een  appartement op de zevende verdieping van een flatgebouw bij de rivier. Haar minnaar heet David. Na het vrijen blijven ze nog even slapen of genieten van het uitzicht. Dan belt Sev een taxi en gaat David terug naar zijn twee dochters, Krista en Ally. Hun moeder, Terry, is, na een huwelijk van vijfentwintig jaar, halsoverkop verliefd geworden op Lucas, filosoof en hoerenloper. Dit laatste weten alleen de prostituee, Lucas, wij lezers en Marijke Schermer (1975), die het boek heeft geschreven. Volgens Terry heeft Lucas er niets mee te maken, was hij slechts een katalysator. Als ze dat woord gebruikt begint David te schreeuwen.

Het boek speelt in de lange, hete, droge zomer van 2018. ‘Hittegolf houdt aan’ kopt de voorpagina die ritselt in de luchtstroom van de ventilator. ’s Avonds kan David de slaap niet vatten, maar dat komt niet alleen van de warmte. Als hij dan toch in slaap valt, schrikt hij op van een kreet. Het is Ally. Nadat hij even naar haar slapende gezicht gekeken heeft en de deur weer sloot en zich weer naar boven waar het warmer is dan waar ook begeven heeft en zijn bezwete lichaam onder het laken heeft gelegd, neemt hij het weer allemaal door: nachtmerries van Ally, het schoolwerk van Krista, Krista die weigert om nog met Terry te spreken, de scheiding die geregeld moet …

David begrijpt niet hoe een huwelijk van vijfentwintig jaar en een gezin met opgroeiende dochters van zestien en twaalf zomaar kan ophouden te bestaan. Sev begrijpt niet hoe ze zich ooit aan zoiets heeft kunnen binden. Dat David in zak en as is (de pit van zijn crisis) maakt hem voor haar tot de minnaar naar wie zij op zoek is, die haar kan helpen haar vragen te beantwoorden. Onder het vrijen huilt hij tranen met tuiten. Vier maanden lang duurt de affaire. Het laatste woord van het boek is Nee.

David noemt wat hem is overkomen een natuurramp, waarmee hij zich vrijpleit van het onderzoek naar zijn aandeel in het gebroken huwelijk. Dat er zich ondertussen een andere natuurramp voltrekt, beseft alleen de jongste dochter: En nog voor zij weer wakker worden ontwaakt de stad op wat opnieuw een hete dag zal worden. Er is een sproeiverbod en overal in de stad verdorren de tuinen en de parken. En ook vandaag zal het niet gaan regenen. Ally maakt zich al voor ze haar bed verlaten heeft zorgen over de klimaatverandering.

Het onderzoek van Sev levert niet meer op dan wat Heine (1797 – 1856) opmerkte in de eerste regels van zijn Ideen. Das Buch Le Grand: Sie war liebenswürdig, und Er liebte Sie; Er aber war nicht liebenswürdig, und Sie liebte Ihn nicht. om daar mismoedig aan toe te voegen: (Altes Stück). Flaubert (1821 – 1880) deed zijn heldin Emma Bovary verzuchten: Pourquoi, mon Dieu, me suis je mariée?.

Marja Pruis (1959) schrijft in De Groene Amsterdammer van 26 juni over Marijke Schermers boek:  Er zijn geen tegentonen, er is geen frictie, geen buitenwereld, niks is onoplosbaar of duister. Als deze mensen niet weten waarom ze iets doen, zeggen ze dat ook nog eens met zoveel woorden. Dat ben ik niet met haar eens. De buitenwereld van Liefde, als dat het is, is de hete zomer van 2018. Of liever het uiteindelijk doordringende besef in Nederland dat het klimaat verandert en dat dat gevolgen heeft.

Over niet al te lange tijd zal men dit boek lezen met in gedachten de vraag wat de mensen deden om de opwarming van de aarde te overleven. Het antwoord zal onthutsend zijn.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Kruisbessen

Het was niet goed nog langer te wachten. Ik plukte de grootste die ik zag, veegde hem voorzichtig af, verwijderde vruchtbeginsel en steeltje en stak hem in mijn mond. Zachtzuur, vol sap, fris, een aangename vezelstructuur. Ik haalde binnen een bak en een laag krukje en tilde een voor een de doornige takken op om voorzichtig alle kruisbessen weg te nemen. Een uur later had ik ruim anderhalve kilo verzameld.

In 1822 staat, ongeveer dezelfde tijd van het jaar, een veertienjarige jongen op het Alexanderplatz in Berlijn. Hij heeft een voetreis van zes weken achter de rug en vier Pfennigen in zijn zak waarvoor hij bij een stalletje kruisbessen koopt.  Zijn armoedige verschijning trekt de aandacht van een voorbijganger. De jongen wil naar school, daar is het nog nooit van gekomen en nu heeft hij gehoord dat er in Berlijn een vereniging is die als doel heeft jongelingen van zijn geloof onderricht te geven in alle takken van wetenschap.

Daar is niets aan gelogen. De vereniging heet Verein fùr Cultur und Wissenschaft der Juden. Ze is kort tevoren opgericht door een aantal studenten van Hegel (1770 – 1831). Dankzij de Franse bezetter is het Joden sinds het begin van de eeuw toegestaan onderwijs te volgen, maar Napoleon  is verslagen en in 1821 overleden, en de gelijkheid van alle burgers wordt bedreigd. Heinrich Heine (1797 – 1856) is in het voorjaar van 1822 toegetreden tot de vereniging. Hij verzorgt het onderwijs in Frans, Duits en Geschiedenis en woont op nummer 47 van de Neuen Friedrichstraße. Dat is het adres waar de haveloze Joodse jongen met zijn kruisbessen naartoe wordt gebracht.

Heine begint zijn geschiedenisonderwijs bij de man die door Maarten Luther (1483 – 1546) de eerste Duitser is genoemd; Arminius, aka Hermann der Cherusker, die in het jaar negen na Christus de Romeinse troepen die werden aangevoerd door Publius Quintilius Varus een gevoelige nederlaag bezorgde die de geschiedenis is in gegaan als de slag bij het Teutoburgerwoud. Toen Keizer Augustus van de nederlaag hoorde schijnt hij in wanhoop te hebben geroepen: ‘Quinctili Vare, redde legiones!’ vertaald: ‘Quinctilius Varus, geef me mijn legioenen terug!’ En precies die woorden schalden op slagveldvolume door de vertrekken van Neuen Friedrichstraße 47. De kleine Joodse jongen is het nooit vergeten en is daarmee de enige die kan getuigen van de didactische vaardigheden van Heine.

De keuze van de lesstof is voor de hand liggend en moeilijk te begrijpen tegelijk. Duitsland had een Franse bezetting achter de rug. Napoleon werd gezien als de Romaanse erfvijand, het geschonden zelfbewustzijn van het Duitse volk kon wel een opkontje gebruiken en daar was de slag bij het Teutoburgerwoud zeer voor geschikt. Anderzijds was Heine de idealen van de Franse revolutie zeer toegedaan. Hij dankte er zijn emancipatie en zijn opleiding aan en veel van zijn kritiek op zijn vaderland gold de verkalkte structuren die met wat meer vrijheid, gelijkheid en broederschap uit de weg geruimd konden worden. Waarom begon Heine zijn geschiedenislessen niet met 14 juli 1789?

We hebben de kruisbessen opgekookt met geleisuiker en een paar stukgesneden citroenen. Daarmee hebben we vijf jampotten gevuld. Het restant van de gelei goten we over een taartbodem van korstdeeg met een vulling van slagroom en lemon curd.

Die kleur, die glans, die smaak.

Bronnen: https://historiek.net/slag-bij-het-teutoburgerwoud-arminius/69282 , Kerstin Decker, Heinrich Heine, Narr des Glücks, Berlin 2006.

Geplaatst in bij de les, eten & drinken | Getagged | Een reactie plaatsen

Fiscardo

Het is drukkend warm in het stadje. Toeristen zitten met een wezenloze blik aan de kade achter een biertje of een kop koffie. De accordeonist trekt verveeld aan zijn instrument, keert om en loopt terug langs de terrassen aan het water. Een vrouw past alle hoeden aan de standaard voor de souvenirwinkel, terwijl haar echtgenoot haar bewonderend gadeslaat. En koopt er geen.

Het plein staat vol tafeltjes. Er liggen al wel witte kleedjes op, maar er is nog niet ingedekt. Het is ook nog vroeg, nog maar net twaalf uur geweest. We gaan er toch maar zitten. Onder de boom is het net iets koeler.

In de schaduw naast de openstaande deur, beweegt een briesje de felroze bloemen van de bougainville die tegen de gevel groeit. Daar zitten vier mensen, een oude man, een kind, een vrouw en een jongere man die plukt aan de snaren van een gitaar. Het instrument gaat van hand tot hand en begeleidt de conversatie die daardoor niet wordt onderbroken. Op onze tafel verschijnt een kannetje wijn een kom ijsklontjes en een fles water.

De wind waait loom, het ijs klingelt in de glazen, de wijn fonkelt in de zon, de gitaar vindt een andere speler, de stemmen spreken zacht, de woorden zijn niet te onderscheiden, de snaren ruisen eerder dan ze trillen. Van ver op zee klinkt de hoorn van een schip.

We hebben salade met croutons, geitenkaas en gedroogde tomaten. Brood met roomkaas en peper, wat garnalen en gerookte zalm. Personeel gaat rond om elke tafel te voorzien van een asbak, peper, zout, olie en azijn.

Er zijn inderdaad meer mensen komen zitten. Ze onderzoeken hun handtas, wissen het zweet uit de ogen en laten hun blik verwachtingsvol dwalen langs de tafels en de openstaande deur van het etablissement.

Als op een teken, dat wij niet konden horen of zien, rent plotseling een menigte van mensen uit de smalle straten het plein op. Ze lopen op slippers, het bovenlijf ontbloot, anderen slechts gekleed in een bikini. Ze nemen stormenderhand bezit van het terras, maken op luide toon aanspraak op de nog lege plaatsen die ze met een verhit hoofd en een grimmige blik innemen. We slaan het gade en denken aan de termieten uit verhalen over oudtestamentische plagen.

Het voltallige personeel komt het terras op en haast zich de bestellingen op te nemen.

Als elke dag, zo tegen half twee, is de Maccedonia Paradise de haven binnengevaren. Het is een lokale cruise met naar schatting vijfhonderd tot duizend opvarenden.

De oude man staat het laatste op, pakt een blocnote en een pen en schuifelt met kleine pasjes de menigte tegemoet.

We hebben genoeg gezien en verlaten onze tafel. In het voorbijgaan kruist mijn blik die van de oude man. Het is een catastrofe, zegt hij, het is te veel op mijn leeftijd. Voor onze ogen vecht een menigte van blote lijven om de aandacht van het personeel. De boot vaart over drie kwartier weer af.

In het gekrioel staat nog steeds de oude man met het blocnote en de pen en fluistert: morgen komen ze weer.

Geplaatst in eten & drinken | Een reactie plaatsen

Lieve stad

Ik had het ziekenhuis verlaten en wilde de tram nemen naar het Muiderpoortstation. Om mij heen was het zomerlicht, voor me de groene wand van de bomen van het Oosterpark. Van tussen het lispelen van de bladeren klonk geroezemoes van stemmen en onrustige klanken van een soundcheck. Van alle kanten kwamen zwarte mensen in traditionele kleren. Tussen de bomen door kon ik zien dat zich een menigte had verzameld rond het slavernijmonument van Erwin de Vries (1929 – 2018). Er kwam een student medicijnen op me toe (witte broek, witte jas) die me een sleutelhanger overhandigde met een label waarop stond: ‘op weg naar een rookvrije generatie’. Er was al die tijd geen enkele tram langsgekomen; de drie niet en de één niet. Ik besloot naar de trein te lopen.

Het OLVG (locatie Oost, dient men er tegenwoordig bij te zeggen) heeft  een plekje veroverd in mijn biografie. Mijn vader heeft er gewerkt. Niet als arts, nee, hij bleef na de nieuwbouw met een kleine ploeg over om de laatste klussen te klaren. Het moet in de vroege jaren tachtig zijn geweest. Dat hij een haarkapje op moest en medische klompen aan om een vloertje bij te strijken in de operatiekamer, had hij nog nooit meegemaakt.

We hebben er regelmatig met het Linnaeuskoor gezongen in de kapel, een replica van een Romaans kerkje in Griekenland. Het Weihnachtsoratorium van Heinrich Müller, de Via Crucis van Franz Liszt, en één van onze programma’s voor dodenherdenking. Bij dat laatste optreden was de kapel voor de helft gevuld met bedden en onze zang werd soms ruw onderbroken door het piepen van een infuuspomp.

Ik was er in de prikpoli waar acht dames hun gesprekken in sappig Amsterdams, over de gordijnen van de chambrettes heen, onverstoorbaar voortzetten, terwijl één van hen met de zekerheid van routine de naald in mijn arm dreef voor een bloedmonster. En het OLVG is het antwoord op de vraag hoe hebben jullie elkaar ontmoet? als die wordt gesteld aan Emilia en Bruch, het stel dat de hoofdrol speelt in het boek Noodweer van Marijke Schermer (1975). Tenminste in de versie van Emilia, want dat Bruch haar al eerder zag op een feestje van haar broer, kan zij zich niet herinneren.

Tweede keer, voor mij dus de eerste keer, in het ziekenhuis. Ik bracht een aangereden buurman binnen. Hij werkte er. We ontmoetten elkaar bij toeval in de hal. We raakten in gesprek. We maakten een wandeling in het park in zijn lunchpauze.

Oud-burgemeester Eberhard van der Laan noemde Amsterdam een lieve stad. Van Amsterdam is het OLVG de liefste plek, nergens tonen Amsterdammers (m/v) zich kwetsbaarder en hulpvaardiger tegelijk. Trouwens dat park dat zich ontpopt als locus amoenis van de eerste ontmoeting van Emilia en Bruch, is hetzelfde park als waar M. en N. uit Kamers antikamers van Niña Weijers (1987) en Dennie is een star van Maartje Wortel (1982) regelmatig met elkaar oplopen om het leven door te nemen.

Op de eerste ontmoeting volgde een periode van tien weken dat Emilia en Bruch elkaar niet zagen. Dan maakt Emilia zich op voor een volgende ontmoeting.

Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis stond onveranderd tegenover het park op haar te wachten. Ze stak over, passeerde de rokers, sommigen met een infuuspaal naast zich en ging naar binnen.

Zo ging dat tot voor kort. Sinds 1 juli mag je nergens in en om het ziekenhuis meer roken.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Halen en missen

Op www.groene.nl staat de rubriek ’21 vragen aan …’. In kort bestek maakt de lezer kennis met een auteur die in het nieuws is, vaak omdat er onlangs een nieuw boek van hem of haar is verschenen. Deze week beantwoordt Basje Boer (1980) de vraag welke klassieker ze tot haar grote schaamte nog nooit heeft gelezen – Thomas Mann, De Toverberg –, welk boek iedereen op zijn achttiende gelezen zou moeten hebben –Dichtertje van Nescio – en wie van haar tijdgenoten over honderd jaar nog gelezen zullen worden – Arnon Grunberg, ‘Alhoewel ik er geen geld op zou inzetten’ –.

Op de vraag Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat? antwoordt ze:  Ik vind niet per se dat een bepaalde schrijver wordt overschat, maar in Nederland is wel een bepaald soort literatuur overschat. Dan heb ik het over de lyrische, plotgerichte en dikke romans die vaak geschreven zijn door mannen die een bepaalde autoriteit uitstralen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Tommy Wieringa, Peter Buwalda en Ilja Leonard Pfeijffer. Ik wil niet zeggen dat zij overschat zijn maar ik vraag me af of de waardering van hun werk de waardering van een ander soort literatuur niet in de weg staat.

Een ander soort literatuur, wat zou ze bedoelen? Dus niet de romans van mannen met autoriteit (maar wel die van Arnon Grunberg?). Niet lyrisch, dun en zonder plot.

Lennox en de ik-persoon uit De goede zoon van Rob van Essen (1963) rijden al uren over snelwegen richting het zuiden als Lennox, die de auto bestuurt,  zegt: Vertel eens een verhaal. Zijn passagier reageert verrast. Ik ben toch met een schrijver op stap? De meester van de plotloze thriller?, verduidelijkt de chauffeur. Zou Basje Boer dat bedoelen? Lennox met de boksersneus is de hoofdpersoon uit de plotloze thrillers, maar hoe dik de boeken zijn, staat niet in De goede zoon.

De ik-persoon van Kamers antikamers van Niña Weijers (1987) probeert te schrijven over een kalm geluk, twee mensen die gewoon met elkaar doorleven, zonder elkaar schade te berokkenen, zonder uit elkaar te gaan., ze schrijft: Het komt me ineens zo kinderachtig voor, personages verzinnen die een conflict moeten hebben, een onmogelijk verlangen en na wat tegenslagen uiteindelijk berusten of roemloos ten onder gaan.

Lennox heeft zijn passagier opgehaald omdat Bonzo zijn geheugen kwijt is en zij daar iets aan moeten doen. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.

De hoofdpersoon van Dennie is een star van Maartje Wortel (1982), Ted,  heeft weer eens liefdesverdriet. Ditmaal is het om Daan. Toen we daarna bij mij thuis in bed lagen en zij mij nogal dwingend maar zeker niet onplezierig had gevingerd, zei ze dat ze zich die nacht in Utrecht precies kon herinneren. Ik vermoedde dat ze mijn herinnering had gejat, er een coherent verhaal van had gemaakt dat ze me nu met een twinkeling in haar inmiddels gewoon bruine ogen aan het vertellen was, dat deed ze met verve. Later had ze getwijfeld tussen de trein halen of missen. Het werd halen voor Daan en missen voor Ted.

Het moet met geheugen te maken hebben en met vrij zijn, want Désanne van Brederode (1970) schrijft in Wonderlamp: Een vrouw verloor die ene herinnering, die al haar herinneringen bijeenhield. Er het hart van vormde. Maar het verlies went, zoals de kou went., en voegt eraan toe: Verlies, is dat niet de hoogste vorm van vrijheid?

Dat nieuwe boek van Basje Boer ga ik gauw lezen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Wonder

De leerlingen van vier havo maken een poëziemagazine. Elke leerling kiest zes gedichten en presenteert die, alleen of met een groepje, in een zelfgemaakt tijdschrift. ‘Vriendschap’, ‘natuur’, ‘dieren’ en ‘liefde’  waren de favoriete thema’s van de afgelopen jaren, dit jaar zijn nogal wat gedichten gekozen over ‘oorlog’. ‘Het lied der achttien doden’ van Jan Campert (1902 – 1943), ‘Anno 1946’ van Halbo C. Kool (1907 – 1968), ‘Aan de Hollanders, gevallen voor Madrid’ van Jef Last (1898 – 1972), ‘Dodenmars voor Rotterdam’ van Clara Eggink (1906 – 1991) en natuurlijk ‘Bommen’ van Paul Rodenko (1920 – 1976).

Het gedicht wordt verteld door de alwetende verteller. Er komen voor de rest geen personen naar voren., schrijft Gregory, maar Twan is het niet met hem eens: In het gedicht wordt niet duidelijk wie nu de verteller is. Er komen wel gemaskerde kangoeroes in voor. Ik ga er van uit dat dit soldaten zijn met gasmaskers. Ook komt er een vrouw in voor, maar die vlucht. Het is misschien beter om het gedicht er even bij te pakken:

De stad is stil. / De straten / hebben zich verbreed. / Kangeroes kijken door de venstergaten. / Een vrouw passeert. / De echo raapt gehaast / haar stappen op. // De stad is stil. / Een kat rolt stijf van het kozijn. / Het licht is als een blok verplaatst. / Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein / en drie vier huizen hijsen traag / hun rode vlag. //

Rodenko’s biograaf, Koen Hilberdink (1957), meldt dat de woning van het gezin Rodenko is getroffen door het vergissingsbombardement van de geallieerden op de Haagse wijk Bezuidenhout, 3 maart 1945. De bekende dichter-zanger J.H. Speenhoff (1869 – 1945) vond daarbij de dood, door een wonder zijn Paul Rodenko, zijn zus en zijn ouders er levend vanaf gekomen.

Ik zet een vraagteken in de kantlijn bij de gemaskerde kangoeroes en informeer waar het vermoeden dat het zou gaan om gemaskerde soldaten op gebaseerd is. En waarom een vrouw die passeert op de vlucht is. Greg schrijft: Je krijgt eerst een plaatje van een stad in volledige stilte, de straten zijn helemaal leeg, er lopen enkel nog een paar mensen met gasmaskers (althans dat denk ik afgeleid van het woord kangoeroes). Hilberdink oppert de mogelijkheid dat Rodenko zich herinnerde dat bij het bombardement op Rotterdam ook Diergaarde Blijdorp was getroffen en dat in de dagen er na wilde dieren vrij door de stad liepen.

Rodenko was begin twintig toen hij dit gedicht maakte. Hij had het Gymnasium doorlopen en een begin gemaakt met de studies Slavische talen en Psychologie. Hij was uiterst belezen, maar zijn eigen Russische ziel en zijn onvolkomen spraakvermogen (hij stotterde) waren hem een raadsel dat hij probeerde op te lossen door studie van het surrealisme.

Guus Middag (1959) besprak het gedicht in het NRC-Handelsblad van 14 juni 2002 en noemde het een sfeergedicht, immuun voor analyse. Bij het bombardement van Bezuidenhout waren 12.000 mensen dakloos geworden en 520 mensen gedood. Dan spreek je niet van drie vier bommen  en van drie vier huizen. Dat een rode vlag hijsen, vlam vatten kan betekenen, vond hij bevestigd in de Van Dale.

Na zijn gedicht Bommen schreef Rodenko het kleine essay Pro domo. Het is een pleidooi voor het Wonder. Hij heeft het over klokketijd en zieletijd en concludeert: Het Wonder is in laatste instantie een kwestie van tempo, juister: van gebrek aan tempo.

Misschien doen we er beter aan dit gedicht van traagheid en stilstand in deze context te lezen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Het gelijk van Joop

Ik had mijn mentorleerlingen gebeld om hun te vertellen dat ze waren geslaagd. Zodadelijk zouden ze op school komen om dat met elkaar te vieren en om hun cijferlijst in ontvangst te nemen. Op het aanrecht van de pantry van de medewerkerskamer stond de vaat van gebakvorkjes en schoteltjes hoog opgetast. Ik zocht op het net of Tom Dumoulin al was begonnen aan zijn tijdrit ( Roanne – Roanne 26,1 km) en stuitte op het bericht dat de gedoodverfde winnaar van de aanstaande Ronde van Frankrijk, Chris Froome, deelname aan de Tour kon vergeten omdat hij zwaar ten val was gekomen tijdens de verkenning van het parcours waaraan Dumoulin aanstonds zou beginnen.

Vogels sterven in het ochtendblauw., schrijft Tip Marugg (1923 – 2006). Ploeggenoot Wout Poels reed achter Froome toen het gebeurde. Hij zag hoe zijn kopman zijn hand van het stuur bewoog om zijn neus te snuiten. Een windvlaag van tussen de huizen smeet de tijdritfiets en zijn berijder met een snelheid van meer dan vijftig per uur tegen een muurtje. Poels verklaarde zelden zo’n zware val te hebben gezien. Thijs Zonneveld twitterde: Duur snotje.

Marugg vervolgt: Ik heb er nooit over horen spreken en er ook nimmer iets over gelezen, zodat ik aanneem dat ik de enige ben die op de hoogte is van een fenomeen dat dagelijks bij zonsopgang aan de zuidhelling van de Grote Berg plaatsvindt.

Niña Weijers (1987) heeft er wel over gelezen, in De morgen loeit weer aan van Tip Marugg, om precies te zijn. Ze woonde nog op het eiland waar ook Marugg verbleef. Met haar moeder besluit ze de waarneming van Marugg over te doen . Ze beklimmen de hoogste berg. In stilte keken we naar alles onder ons, de glooiende heuvels, de cactussen, de zee die bleek fonkelde in het licht van de vroege ochtend. Weijers beschrijft het allemaal in een brief aan M. die is afgedrukt in haar nieuwste boek ‘Kamers antikamers’: En toen zagen we ze, tientallen vogels die met een noodvaart op de steile zuidkant van de berg kwamen afgevlogen. Op het laatste nippertje bogen ze af, in een hoek van bijna negentig graden schoten ze omhoog.

Tip Marugg zag meer. Gele koppen en hardgroene vleugels die rakelings langs de rotswand scheren: Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog; zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter.

Ik moet denken aan de titel van het debuut van Nina Polak (1986): Wij zullen niet te pletter slaan en ik vraag me af waarom Niña Weijers niet tot het einde heeft durven kijken naar wat Tip Marugg had waargenomen. Daar althans niet over heeft geschreven aan M. (Ik dacht, lieve M. dat ik dingen wilde weten, maar er is veel meer dat ik helemaal niet wil weten.)

Een team van chirurgen is acht uur bezig geweest om de breuken van het dijbeen, de ribben, elleboog en heup te verzorgen. Toen Froome de volgende dag op de intensive care de ogen opsloeg vernam hij dat hij de Ronde van Spanje van 2011 had gewonnen. Juan José Cobo moest zijn titel van acht jaar geleden inleveren, omdat hij die had veroverd met verboden middelen. Froome was destijds tweede in het eindklassement, voor zijn ploeggenoot Bradley Wiggins en Bauke Mollema.

Waarmee het gelijk van Joop Zoetemelk is bevestigd. Een grote ronde win je in bed.

Geplaatst in bij de les, koers | Getagged , , | 1 reactie

Niks fanfarecorps

Het is mij afgelopen week niet gelukt de amfibrachys uit te leggen aan mijn leerlingen uit vier havo. Dat in een regel als ‘Valencia lokt hem met haar kathedraal’, vier versvoeten staan van drie lettergrepen met een klemtoon op de middelste, kan nog op weinig herkenning rekenen. Ook niet als ik er voorbeelden uit Jan Hanlo’s ‘wij komen ter wereld’ bij voeg, zoals: ‘De helende kogel, gezocht door geweren,’. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw wel anders. Het Amsterdamse Spinozalyceum organiseerde elk jaar een declamatiewedstrijd voor scholieren uit de hoofdstad.

Huub Mous (1947), naar eigen zeggen geboren als dwarsligger, bewaart er levendige herinneringen aan. In een post van 28 februari 2014 op www.huubmous.nl schrijft hij:  Op woensdagmiddag 17 november 1965 werd ik namens het Ignatiuscollege afgevaardigd naar de declamatie-wedstrijd in het Spinozalyceum, die jaarlijks werd georganiseerd voor alle middelbare scholen in Amsterdam. Ik nam deel met het gedicht Scheppinkje van Leo Vroman.

De bundel 126 gedichten (ook mijn kennismaking met Leo Vroman) was een jaar eerder uitgekomen. Scheppinkje was een begrijpelijke keuze voor een katholieke jongere in geloofstwijfel. Vroman (1915 – 2014) oppert de mogelijkheid van meer dan levenslang zwijgen uit bewondering voor de leegte van de schepping als hij schrijft: als ik op een teken / Jouw werk voorzichtig zou ontbloten / nimmermeer zijn uitgekeken / op mijn lege handpalm, grote / God / en nooit meer spreken. //

Mous vervolgt: De hoofdprijs was niet voor mij weggelegd. Die ging naar Martine Bijl, de zingende doktersdochter uit Amsterdam Zuid, die dat jaar door Willem Duys was ontdekt. Ze was even oud als ik, maar in mijn beleving was zij een vedette, die chansons zong van Anne Sylvestre en Barbara. Als leerling van het Spinozalyceum speelde zij die middag een thuiswedstrijd met het gedicht Fanfarecorps van Vasalis.

De zingende doktersdochter herinnert zich dat anders. In juli 2005 krijgt ze een column in het blad Zin dat bij die gelegenheid een groot interview met haar plaatst. Daarin lezen we:  Martine Bijl weet weinig zeker, maar wel dit: alles in het leven is toeval. Dat ze in 1965 in ‘het vak’ terecht kwam was niet meer dan een samenloop van omstandigheden. De Amsterdamse doktersdochter speelde een beetje gitaar en piano en won een voordrachtswedstrijd op het Spinozalyceum met het gedicht Mens is een zachte machine van Leo Vroman.

Niks Fanfarecorps ! En het gedicht met de openingsregel Mens is een zachte machine, heet gewoon Mens en komt uit dezelfde bundel als die waaruit Mous die woensdagmiddag declameerde. Logisch ook dat een jonge doktersdochter kiest voor dit gedicht waarin Vroman schrijft: Mens is een zachte machine, / een buigbaar zuiltje met gaatjes, / propvol tengere draadjes / en slangetjes die dienen / voor niets dan tederheid / en om warmer te zijn dan lucht.

Martine Bijl:  Dat was heel goed voor mijn nogal geringe zelfvertrouwen. Ik bleek ook aardig te kunnen zingen en toen kwamen er van die ervaren mannen die zeiden: ‘Martine, je hebt talent!’ En dat het een groot verlies voor de wereld zou zijn als ik niet meteen het podium op zou klimmen. Als tiener ben je daar natuurlijk wel gevoelig voor.

De rest is geschiedenis. Martine Bijl ging van school, trad op in zaaltjes en zalen, schitterde in One Womenshows en op het witte doek, was het zonnetje in huis met vader en zoon Kraaijkamp en werd het gezicht van Heel Holland Bakt en de conserven van Hak.

Ze is gisteren begraven

Geplaatst in bij de les, zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Doping

Met de podcast ‘In het wiel’ praatten journalist Hidde van Warmerdam, ex-coureur Thomas Dekker en schrijver/renner Thijs Zonneveld (1980) ons bij over het verloop van de ronde van Italië. Het is de tweede rustdag, daags na rit vijftien van Ivrea naar Como. In die rit, een kopie van de najaarsklassieker door Lombardije, verliest Primoz Roglic, die favoriet is voor de eindwinst, driekwart minuut aan Richard Carapaz en Vicenzo Nibali. Het versnellingsapparaat op de fiets van de Sloveen haperde, een reservefiets stond op het dak van de auto van de ploegleider, die op datzelfde moment maar kilometers verderop een plasje pleegde in de berm. Gelukkig kon de gedupeerde favoriet snel verder op de fiets van zijn ploeggenoot Antwan Tolhoek. Maar met dat rijwiel kon hij het niet zo goed vinden als met zijn eigen tweewieler, in de afdaling van de Civiglio belandt hij tegen de vangrails. De val is zonder erg, wel verliest hij zijn naaste belagers uit het zicht.

De regie van de Italiaanse televisie toont beelden van Roglic op een leenfiets in de achtervolging en van Antwan Tolhoek te voet aan de kant van de weg. Waar is de fiets van Primoz Roglic?, roepen de commentatoren van Eurosport elkaar toe. Italiaanse journalisten spoedden zich na de koers naar de bus van Jumbo Visma, de sponsor van Tolhoek en Roglic, maar vinden geen frame met het kaderplaatje 171, het rugnummer van de girofavoriet. Ondertussen bolt Tolhoek over de meet op een fiets van team Movistar. Per podcast adviseert Zonneveld zijn Italiaanse collega’s eens te kijken op het dak van de ploegleidersauto van Movistar, of daar een Bianchi-rijwiel staat met het nummer 171. Maar dan zijn in de Italiaanse pers al de eerste verdenkingen geuit over het tuig van de Jumbo-Visma-coureur dat spoorloos is verdwenen. Het zou zijn uitgerust met een motortje.

Laten we wel wezen, vervolgt Zonneveld, alles waarmee je vals kan spelen, wordt overwogen. Waarop Dekker vraagt: Heb jij eigenlijk wel eens doping gebruikt om te schrijven? Zonneveld: Om te schrijven? – Dat bestaat niet. Van Warmerdam oppert een cafeïnepil. Zonneveld: Is geen doping, staat niet op de lijst.

In zijn Naschrift bij De Naam van de Roos, uit 1983 benadrukte Umberto Eco (1932 – 2016) dat schrijven veel meer een beroep deed op spierkracht en mechanica dan tot dan toe werd verondersteld. Hij had zijn succesroman geschreven met behulp van de modernste tekstverwerkingsapparatuur van die tijd en stelde dat het schrijven aan De Naam van de Roos, meer te maken had met ritme en trommelen, dan met denkkracht, verbeelding en inspiratie, al wees hij er ook op dat hij zich had omringt met een overdosis aan relevante bronnen en literatuur die hij ook allemaal had gelezen.

Ik heb de indruk dat romans sinds de introductie van tekstverwerkingsprogrammatuur op personal computers gemiddeld genomen omvangrijker en dikker zijn. Een motortje voor het schrijfgerei; doping voor het schrijven bestaat.

Schreef ik een val zonder erg? Peter Winnen (1957) doet dat beter. In zijn dinsdagse bijdrage aan De Volkskrant schrijft hij: Primoz schoof tegen de vangrail waarbij ik graag wil aantekenen dat beide partijen bepaald liefdevol met elkaar omgingen. Een zin verder maakt hij duidelijk wat hij bedoelt: In de vertraagde replay was het duidelijk te zien: vangrail werd schuimrubber, Roglic een minnaar.

Peter Winnen biechtte zijn dopinggebruik in de jaren negentig al op.

Geplaatst in koers | Getagged , | Een reactie plaatsen

Stemmen

Er is nog een herinnering. Het tafereel was te weinig spectaculair om er een foto van te maken, ik zal het dus wel echt hebben beleefd. Het was een doordeweekse dag en ik was juist uit bed, scharrelde in mijn pyjama door het huis en het vreemde was dat mijn vader niet naar zijn werk was. In plaats daar van maakte hij zich in zijn goede goed klaar om op reis te gaan. Mijn moeder verschikte de knoop van zijn das en drukte hem een kus op zijn mond. Friesland was de bestemming en in mijn kleine hoofd openden zich horizonten van verten die ik mij niet kon voorstellen. Rusland, Finland, Groenland, IJsland, Duitsland. Mijn vader was trouwens dezelfde avond alweer thuis.

Mijn wereld was niet groter dan de weilanden om het huis waar het bruine paard van boer Vos graasde, daarachter de IJweg tot de dijk en de ringvaart. Ik was vast wel eens in Haarlem geweest of in Amsterdam, Zandvoort misschien, met de blauwe tram, met mijn ouders naar zee als het zomer was. Maar het strand was al zo onmetelijk dat ik aan de zee niet ben toegekomen. Alleen de zon en de wind.

Europa opende zich eerst op papier. Door de ogen van Eline Vere beschouwde ik Brussel en meende dat het een nerveuze stad moest zijn. Langs lijnen van geleidelijkheid proefde ik voor het eerst de smaak van Italië. Couperus (1863 – 1923) maakte me met zijn romans en zijn feuilletons wegwijs in het continent waar ik woonde.

De slakken van Canet d’Olt, de schelmenroman van Ben Borgart (1940 – 2016) uit de jaren zeventig, herinnerde me aan een treinreis per interrail door Frankrijk. Parijs, Valence, Vezelay, Le Puy-en-Velay, tot aan de intens paarse lavendelvlaktes bij Montelimar. Ik maakte kennis met Spanje door Het bloed in onze aderen van Miquel Bulnes (1976) en het verlangen naar Lissabon werd gewekt door de poëzie van Slauerhoff (1898 – 1936).

Harry Mulisch (1927 – 2010) schiep Dresden in Het stenen bruidsbed en Cees Nooteboom (1933) herbouwde Berlijn in Allerzielen. Van wat zich aan gene zijde van de Oder bevond, kreeg ik een indruk uit het verhaal De autostrade van H.C. ten Berge (1938): In de verte, gekromd in wind en regen stak een schapenhoedster over met haar kudde. Herkenbaar aan de hoge breedgerande hoed, de stok regelmatig verplaatsend liep ze – vergroeid met de schonkige gang van haar vrienden – naast die met modder en stront besmeurde wollen troep die over de weg het ochtendlijk en schoongewassen veld in rolde. Lange strogele vlechten hingen naast haar gezicht. Het was 5 uur in de morgen.

De Balkan bleef Het land achter gods rug van A. den Doolaard (1901 – 1994), maar door De Spelers van Manon Uphoff (1962) kreeg Sarajevo een gezicht en De Pelikaan van Martin Michael Driessen (1954) confronteerde me met de gevolgen van de burgeroorlog in Kroatië. De dagboeknotities van Kees Buddingh’ (1918 – 1985) brachten voor mij het Verenigd Koninkrijk tot leven. De dagboeknotities en zijn Ode aan de Yorkshire Daleshet stukje Engeland tussen / Ingelton en Leyburn, Grassington en Hawes – / met de onsterfelijke regels: O, ezeltjes van Arncliffe, wanneer zal ik jullie / weer op je green zien staan grazen?, maken de gedachte aan een Brexit onverdraaglijk.  

Ik open mijn stembiljet. Op welke lijst staan mijn kameraden? Welk hokje moet ik rood kleuren om een eind te maken aan uitbuiting en onderdrukking?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen