Annabel

De leerlingen van zes vwo van wie ik mentor was, hadden met elkaar afgesproken iets geks te doen als de schoolfotograaf zou komen. Dus staat Tom op de foto met een grote speen om zijn nek, is Jasmijn gesluierd vereeuwigd en Dymphe met een krans van rozen in het haar. Op de achterste rij staat Glenn met een kersttrui aan (het is nochtans oktober), vlak daarvoor Aashna met een steenrode sari. Zesentwintig kandidaten op weg naar hun examen. Er staan er drieëntwintig op de foto. Iris, Zoë en Annabel ontbreken. Het vreemde is dat Iris wel is afgebeeld op het groepsportret dat van alle vwo-kandidaten werd geschoten op dezelfde dag. Op de pagina met uitspraken van en over elkaar in het jaarboekje, dat alle geslaagde kandidaten bij hun diploma kregen, staat bij Iris: ‘Oh, sorry Iris, ik had je even over het hoofd gezien’. Ze was inderdaad de kleinste van de klas, zou ze achter iemands rug zijn weggekropen?

Zoë en Annabel, dat was een ander verhaal. Ze waren allebei verlegen, sociaal contact ging hun niet makkelijk af, ze hadden daar hulp voor gezocht, dat verklaarde ook menigmaal hun absentie in de lessen. Zoë was er wel toen we met de klas naar de pannenkoekenboot in Haven waren. Daar zit ze met Iris aan een tafeltje aan dek achter een glas limonade. Als ik door het jaarboekje blader zie ik dat ze ook van de partij was tijdens de examenstunt in het voorjaar van 2016. Van Annabel ontbreekt elk spoor; in het jaarboekje staat van haar alleen een pasfotootje.

Nee, er is nog een spoor van haar. Drie vriendinnen hebben haar met een citaat vereerd. Got a heart as loud as lions, so why let your voice be tamed.

Maar weinigen hoorden ooit haar stem. Ze maakte zich onzichtbaar in de klas, werd haar gevraagd om een antwoord, dan klonk dat in het kortste zinnetje met het kleinste volume. Het was duidelijk dat zij de opdracht tot het houden van een mondelinge voordracht voor de klas niet zou volbrengen. Maar het was wel een noodzakelijke opgave om te kunnen slagen. We zijn overeengekomen dat Annabel haar voordracht thuis mocht doen en zou opnemen. Ik zou mijn beoordeling baseren op het filmpje. Ik waardeerde haar toespraak met een zeven.

Ik weet niet meer waar haar speech over ging, maar het zou me niet verbazen als het onderwerp met voedsel en gezondheid te maken had. Haar opdracht gedocumenteerd schrijven ging over genetisch gemodificeerd voedsel. Ze besloot haar doortimmerde betoog met de woorden: De eindeloze mogelijkheden van de technologie mogen niet worden gebruikt als rechtvaardiging om het milieu in een gigantisch genetisch experiment te veranderen. De alarmbellen rinkelen, het is tijd om deze levensbedreigende proef stop te zetten! In haar schrijven was meer kracht dan in haar spreken.

Een week geleden zag ik haar overlijdensadvertentie in de Volkskrant. Annabel was negentien februari in Baarn overleden. Losgelaten in liefde en vertrouwen in de woorden van haar ouders. Zij omschrijven hun dochter als stralend, puur en kwetsbaar, zodat ik alle reden heb om te veronderstellen dat het om dezelfde Annabel gaat die nog maar zo kort geleden bij mij in de klas zat.

C’est dur de mourir au printemps, zong Jacques Brel (1929 – 1978). Annabel kan het.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Zwart gat

Op zaterdagmiddag was het gaan sneeuwen nadat de vorst was ingevallen. ’s Nachts was het  niet opgehouden en een aanhoudende wind woei de witte massa door de kieren van de ramen en op hopen en duinen die de deur barricadeerden. Ook de hele zondag viel de sneeuw. Toen maandag de zon was gaan schijnen, zag ik hoe op de toegevroren vijver in de smetteloos witte tuin, de gele kwikstaart landde op de plaats waar hij het wortelgestel van de waterlelie wist. Er was niets van terug te vinden. De afdrukjes die overbleven toen het dier was weggevlogen, duidden op een omtrekkende beweging, een tevergeefs zoeken met de snavel, sporen die nergens begonnen waren en nergens naar toe zouden gaan.

Later die week reed er een sneeuwschuiver door de laan die een volle laadbak onder de boom kieperde en daarmee de boomspiegel bedolf waarin ik narcissen wist te staan, ik had de bollen in het najaar zelf geplant. Een paar dagen geleden had ik tevreden vastgesteld dat ze al in knop stonden. Ik keek naar de sneeuwhoop van meer dan een meter hoog en kreunde met de tere blaadjes onder het gewicht van deze massieve kou. Er was alleen de troost van te weten dat de planten toch niet zouden bevriezen.

Op mijn verjaardag begon de lente. Ik moest denken aan het kleine gedicht Lente en ouderdom van C. Buddingh’ (1918 – 1985), waarvan de laatste regels luiden: hoe ouder je wordt, hoe vroeger / je meent de lente te zien komen. Maar deze lente was onmiskenbaar. Vijftien graden, volop zon, het gazon van een lichtgevend groen. Ik loop de tuin in met een boomzaag op een steel van een meter of drie. De afgelopen zomer hingen de takken van de Gleditsia tot op de grond. In de wijde omtrek van de stam van de boom bleef de grond kaal. Dat zou me niet weer gebeuren. Ik snoeide vier stevige takken weg die omlaag waren gegroeid. Ze vielen krakend voor mijn voeten. De rest van de middag verwerkte ik ze tot evenzovele takkenbossen die ik zolang op het plaatsje legde. In de lijsterbes zocht een heggemus de juiste golflengte voor zijn gefluit. Daarna was het of er niets was gebeurd.

Om me heen overal groepen sneeuwklokjes en als ik de uitgebloeide en kapotgevroren resten van de phloxen, siergrassen, hemelsleutel, rudbeckia, daglelies, dahlia’s, inula, en zonnebloemen wegneem, bij de grond afbreek en bijeen gaar, ontdek ik er steeds meer. Sneeuwklokjes, blinkt, / Sneeuwklokjes, zingt, / Sneeuwklokjes, luidt op den winterschen akker, / Lente met duizende bloemekens wakker!, dicht P.A. de Genestet (1829 – 1861).

Maar in de kale borders vallen nu ook de buxusstruikjes op die ten prooi zijn gevallen aan de buxusmot (Cydalima perspectalis). Zowel de vlinderstichting als tuineigenaren zijn er duidelijk over dat het verwijderen van de buxus de effectiefste manier is om de mot te bestrijden. Ik had er het afgelopen jaar de moed niet voor. Maar nu …

Ik ben even later terug met een spade en een zaag en begin te graven, te wrikken, te trekken, te zagen en te hakken, net zo lang tot de wortelstronk loskomt en de aarde verlaat.

Ik kijk in een zwart gat waarin wormen krioelen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | 1 reactie

In woord dan wel decreet

Wat is het geheim van een goed feest? In elk geval dat er na afloop veel en veel verschillende verhalen over de ronde doen. We waren er allemaal bij en elk van ons heeft iets anders meegemaakt. Dat is ook precies de reden dat wielrennen, meer nog dan sport, een verhalenmachine is. Het verhaal van de dag van de renner die in de kopgroep reed, is anders dan dat van de ploeg die de slag had gemist en van hun ploegleider op kop van het peloton moeten sleuren. En dat verhaal verschilt weer van de coureur die peuzelend en pedalerend volgt in de buik van de grote groep. En voor allen gelden de woorden van Martin Bril (1959 – 2009) ‘Je mist meer dan je meemaakt’.

In dit opzicht is de pandemie die nu al een jaar vaardig is over de bewoonde wereld vergelijkbaar met een koers of een feest. Tik corona en dagboek in de balk van Google en in 0.61 seconde zet de zoekmachine een miljoen twintig duizend resultaten op een rijtje. www.coronagedicht.nl verzamelt gedichten in het Nederlands over de rare tijd. Het aantal gedichten is hard op weg naar de duizend. En dan moet de derde golf nog komen. Ingmar Heytze (1970) constateerde op 23 mei 2020 al dat negentig procent van de verzamelde coronagedichten rotzooi is, maar had ook vijf tips voor de dichters die het toch niet konden laten om over het virus te schrijven.

Zelf had Heytze op dat moment al vijf coronagedichten gepubliceerd, voorgelezen in het radioprogramma Met het oog op morgen of het praatprogramma 1 vandaag. Sluit de voordeur. Zet de tuindeur open, voel de zon op je gezicht. / Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen: / wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen., luidt de slotstrofe van VOGELS, VISSEN.

Ik meed vanaf het eerste moment de talkshows en mediaforums, las uiterst selectief de berichten over het virus in de krant, concentreerde me tijdens persconferenties uit alle macht op de gebaren van Irma Sluis, bang als ik was van woede te barsten bij de aanblik van de uitgestreken smoel van de premier van alle Nederlanders, het zelfingenomen toontje van onze minister van volksgezondheid, sport en welzijn. Het was dichter des vaderlands Lieke Marsman (1990) die me in haar onlangs verschenen bundel In mijn mand bijpraatte over het gevecht met het virus. Het gedicht heet VERLATE KAMERVRAGEN en eindig met de regels we dachten / dat liefde / het belangrijkste / in het leven was, blijkt / dat in leven blijven / het belangrijkste / in het leven is / is de minister bekend / met deze berichten / en bereid / om ze te bevestigen / in woord / dan wel decreet?

Marsman maakte het gedicht voor het project Besmette stad van de Vlaamse website deburen.eu. Zij wees deze week via haar twitteraccount op de bijdrage van Ilja Leonard Pfeiffer (1968) aan het project. Vooruit, een paar regels dan: Maar het virus kwam. / En toen het alle ziekenhuizen overnam, / patiënten stikten op een stretcher naast de deur / bij een gebrek aan medici en alles, geur / van dood uit nieuwsberichten walmde, virologen / verschenen met hun niet voldoende afgebogen / grafieken en exponentieel in aantal groeiden, / toen Facebook werd besmet en Twitter zich bemoeide / met prognostiek, besmettingsgraad en interventies, / de koorts uitbrak in talkshows en de consequenties / zich naar een middeleeuws scenario ontvouwden, / toen was het echt.

In al die tijd de eerste coronatekst die me iets doet, schreef Lieke Marsman erbij. Ja, denk ik, ja.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | 1 reactie

Spreekwoordelijk onleesbaar

Het literaire weblog Tzum maakte me attent op een opmerkelijk initiatief aan de faculteit geneeskunde van de Nijmeegse Radbouduniversiteit. Daar hebben arts-docent Remco Haringhuizen en educatiemedewerker en programmamaker Marjolein Hordijk een nieuw geneeskundevak geïnitieerd. Het eerste college vond drie februari plaats. Het vak is een onderdeel van de minor ‘Kwetsbare groepen’ en het doel van het vak is om het empathisch vermogen van de studenten op te krikken door middel van het lezen van Nederlandstalige literatuur. Op de leeslijst prijken titels van Jaap Robben (1984), Gerda Blees (1985), Hanna Bervoets (1984) en Henk van Straten (1980). Hordijk: ‘Oudere, mannelijke schrijvers doen het minder goed, blijkt uit onderzoek. Ik werk daarom veel met moderne, vlotte Nederlandse auteurs.’.

Of artsen lezers zijn, weet ik niet. Wel weet ik dat er nogal wat artsen zijn die schrijven. Anton Tsjechov, bij voorbeeld, Sir Arthur Conan Doyle, die in het personage John H. Watson een treffend alter ego schiep, Gottfried Benn, die zichzelf niet kon voorstellen zonder de kennis van geneeskunde en biologie omdat deze hem een koudheid van het denken, nuchterheid, een laatste scherpheid van begrippen, het opschorten van alle oordelen, onverbiddelijk geleerd hadden. Louis Ferdinand Céline, pacifist, stilistisch vernieuwer, antisemiet, zag het belang van goede ventilatie al ver voor de huidige pandemie: in huis worden de mensen ziek.

Oudere mannelijke schrijvers, inderdaad, maar is dat in het Nederlandse taalgebied anders? Frida Balk-Smit Duyzentkunst, hoogleraar in de taalkunde van het hedendaags Nederlands, publiceerde in 1986 een bloemlezing van vijftien dokters op schrijversvoeten in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Het handschrift van dokters is spreekwoordelijk onleesbaar, maar bij wijze van genoegdoening treffen we bij deze beroepsgroep een aantal belangrijke dichters en schrijvers aan, begint ze haar bijdrage en daarna presenteert ze in chronologische volgorde Jan Pieter Heije, Arnold Aletrino, Frederik van Eeden, Jan Slauerhoff, Simon Vestdijk, Cola Debrot, Belcampo, Luc Tournier, M. Vasalis, Willem Brakman, Kees Winkler, Rutger Kopland, Hilbert Kuik, Toon Tellegen en Frank Koenegracht. Toch niet allemaal oudere mannelijke schrijvers op het moment dat de bloemlezing verscheen

Ik weet niet of het lezen van verhalend proza iemand empathisch kan maken. De klassieke boekenwurm staat doorgaans niet bekend om zijn of haar sociale vaardigheden. Koudheid van denken en het opschorten van alle oordelen zijn niet de kortste weg naar warm menselijk contact. Aan de auteur van De dokter en het lichte meisje danken we in elk geval een roman over psoriasis (Het glinsterend pantser) Vasalis (1909 – 1998) schreef De idioot in het bad en Rutger Kopland (1934 – 2012) over de tijd dat hij nog rookte: Het verlangen naar een sigaret is / het verlangen zelf.

En na 1986? Jan Kal schreef meer dan duizend sonnetten, maar heeft zijn studie geneeskunde nooit afgemaakt. Miquel Bulnes (1976) publiceerde Het bloed in onze aderen, geen medische verhandeling over hart-en-vaatziekten, maar een bloedstollende roman over Spanje in de aanloop naar de burgeroorlog. Bulnes tekende ook voor de medische thrillers Zorg, Lab en Attaque. Volgende maand verschijnt van hem Monstrum. Kirtie Ramdas (1980) publiceerde in 2019 Diya, een eigentijds verhaal over het opgroeien tussen twee culturen. Behalve arts en auteur is ze ook programmamaker, presentatrice voor tv en radio, voice-over, showhost, fotomodel en actrice.

Personages uit een boek zouden zomaar eens in een spreekuur kunnen verschijnen, zegt Haringhuizen.

Dan kun je maar beter je leeswerk op orde hebben.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Koersen zonder Tom

Ik had me stiekem en tegen beter weten in, verheugd op de start van het wielerseizoen op de weg. Van drie tot en met zeven februari stond de ronde van Valencia op de kalender. Dat men in Spanje koersen in coronatijd kan organiseren, is bewezen met de afgelopen Vuelta. De bubbels bleven hermetisch gesloten, terwijl in de ronde van Italië, eerder vorig jaar, renners het hotel moesten delen met uitgelaten agenten, en in de Tour de France directeur Christian Prudhomme na een positieve test het evenement moest verlaten.

Tja, Valencia, we waren er in het voorjaar van 2016. Met bus negentien naar het strand. Boven het water van de zee trilt de warme lucht, zeilboten smelten op de horizon. Lunchen met een visspiesje, lamskoteletjes, een glas bier, aardbeien en een mousse van witte chocola. Later in de middag lopen we door de botanische tuin, verwonderen ons over de stilte midden in de stad, de veranderde luchtvochtigheid, geuren van rottend groen die we niet kunnen thuisbrengen in deze keurig onderhouden en gelabelde oase. Die felblauwe manshoge salvia!

Het aangekondigde deelnemersveld loog er niet om. Steven Kruijswijk, Wout Poels (die in 2016 de eindwinnaar was), Greg van Avermaat en Dylan Teuns zouden er hun eerste wedstrijdkilometers maken van dit jaar. Ik verlangde er naar om Sam Oomen weer te zien, voor het eerst in het shirt van Jumbo Visma. Ik was benieuwd naar de conditie van Filippo Ganna die in de afgelopen Giro d’Italia ongenaakbaar was waar het om tijdrijden ging. Of was hij naar Valencia gekomen om zijn ploeggenoot Tao Geogeghan Hart aan een volgende overwinning in een meerdaagse wedstrijd te helpen? Arnoud Démare was aangekondigd, maar ook andere ploegen hadden sprinters afgevaardigd om de twee vlakke aankomsten te betwisten; Alexander Kristoff, Caleb Ewan, en Elia Viviani. De winnaar van vorig jaar, Tadej Pogačar, zou er niet bij zijn. Hij start zijn seizoen in de ronde de Emiraten, het thuisland van zijn sponsor.

Voor Mieke Zonneveld (1989) is Valencia het decor van een verloren liefde. Ze stelt zich hem voor terwijl hij door de stad zwerft. Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen / die aangenaam stralen in laatwinterlicht / kust andere borsten en denkt aan de mijne / die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.

De koers is verdaagd naar ergens in mei. Waarschijnlijk, voegt de wielersite Touretappe.nl er aan toe. Met minder zekerheid kun je zoiets niet presenteren. En het Vlaamse openingsweekend dan, zevenentwintig en achtentwintig februari, de Omloop het Nieuwsblad en Kuurne-Brussel-Kuurne, gaat dat wel door nu het virus en zijn varianten door de lage landen raast? Is de wielerkalender van 2021 een verlanglijstje geworden? Wordt er nog gekoerst nu Tom Dumoulin de handdoek in de ring heeft gegooid?

Maar dan klinkt er gerucht uit het zuiden van Frankrijk. In Bellegarde is L’Étoile de Bessèges van start geschoten, een rittenkoers die al vijftig jaar om geen andere reden wordt georganiseerd dan om een hommage te brengen aan het landschap aan de oevers van de Gard. Verlaten dorpjes, smalle wegen onder statige platanen, wild stromende rivieren, een graad of veertien met af en toe een druppel regen. Het was lekker nerveus, verklaarde Bauke Mollema met het hem kenmerkende understatement na de eerste étappe. Hij zag voor zich verscheidene renners onderuit gaan en daar weer voor Christophe Laporte zijn armen in de lucht steken. Zelf bolde hij als drieëntachtigste over de meet

Geplaatst in koers | Getagged | Een reactie plaatsen

Mijn reden

Er zijn collega’s die kunnen lezen en schrijven met het digitale klaslokaal Teams. Een PowerPointpresentatie, razend snel switchen van de hele lesgroep naar een paar leerlingen, een opdracht geven en tien minuten later de scores per groep en per leerling administreren, alle aanwezigen presenteren in een ‘galerij’, ze draaien er hun hand niet voor om. Ik ben zo ver nog niet. Ik zoek een leeg kratje en twee dikke woordenboeken waarop ik mijn laptop kan zetten om zo een enigszins doenlijk beeld van mijzelf op het scherm te krijgen. Mijn lesvormen zijn terug bij de oervormen van didactiek, voorlezen en om de beurt een klein vraagstuk oplossen. Ik houd ondertussen de vergaderchat in de gaten en lees:  ‘Me wifi ging neg iit meneer kon jiet jounen duurde echt lang om het te fuxen ben er nu wel’.

Opgave vier is voor Margje. Ik roep haar op, het scherm blijft zwart en stil, de enige beweging is mijn eigen beeltenis rechtsonder, waar ik mijzelf zie in spiegelbeeld. Op de chat flitst een mededeling op, het is haar vriendin die laat weten margje haar cavia is net overleden dus ze reageert even niet. Dat begrijp ik, ik spreek mijn medeleven uit met dit verlies en vraag of Chris een poging wil doen om de vraag van een antwoord te voorzien. Ik ben nog niet uitgesproken of ik lees meneer ze zijn de kamer naast mij aan het werk dus ik hoor alleen maar geboor. Ik buig wat meer naar het scherm en articuleer op mijn best als ik mijn vraag herhaal. Even later stuurt ze het goede antwoord. We kunnen weer verder.

Het goede nieuws van de afgelopen week is dat Lieke Marsman (1990) de komende twee jaar dichter des vaderlands zal zijn. De bekendmaking viel samen met het verschijnen van haar nieuwe bundel In mijn mand. Het titelgedicht speelt zich af in de hemel. De dood accepteert geen jokers / zegt Kant in alle ernst / met zijn zwaarste stem /  en: ‘Schenk mij bij!’/ tegen de engel, / die geïrriteerd zijn breiwerk opzijlegt / en antwoordt: in je mand / (het is nu wel evident / dat mensen voor engelen zijn / wat dieren voor mensen zijn) / …

Ja, dat herinner ik me. In het hoofdstuk Ik haat de storm, ik houd van de storm, uit Het tegenovergestelde van een mens, die andere roman over liefde, identiteit en klimaatverandering, had Lieke Marsman ook al vastgesteld een mens is voor een engel wat een dier voor een mens is. Ik lees het opnieuw en vraag me af over wie deze uitspraak gaat en ik denk dat die over engelen gaat, of over onze verhouding tot een koesterende almacht die we een pootje geven voor we te eten krijgen. In de bundel De eerste letter schreef Marsman: een stem spreekt tegen me en ik moet bepalen / of het een engel is / maar hoe kan ik tot zoiets in staat zijn?

Als ik Olaf vraag de volgende opgave op te lossen blijft het opnieuw lang stil. Ik heb de beurt al lang aan een ander gegeven als op de chat de boodschap verschijnt:  Mijn reden is dat ik op de wc zit vanwegen maag klachten  Mijn mentor weet hiervan En de dokter heeft me een poeder gegeven waardoor ik minder last zou moeten hebben Ik zit continu op de wc en ik kom er niet af Dat is mijn reden. Niets blijft de onderwijsgevende op afstand bespaard.

Diezelfde dag verschijnt het eerste gedicht van de nieuwe dichter des vaderlands in de krant. Het heet Nederland en er staat: Je geweten, verleden, je opinies, experts /
Je consultants, commissies, obsessies, je taal / Je vergeten kwitanties met het hele verhaal / En je schoorvoetende sorry, dat aan niemand gericht is …

Om te besluiten met: Het is bijna lente. Je bent moe, maar je bent er nog // Vraag niet hoe, maar je bent er

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Gevaarlijk niemandsland

Eind jaren tachtig was er het ping-pongvirus. Er waren al personal computers, maar van het internet had ik nog niet gehoord. De pc kon geïnfecteerd raken met het virus via een besmette diskette. Dat was een flexibele schijf in een vierkante zwarte verpakking waarmee het mogelijk was om de pc van nieuwe data of programma’s te voorzien. Als het virus in de computer zat, verscheen er op het scherm een wit balletje dat daar voortdurend hinderlijk heen en weer stuiterde en alles wiste wat het op zijn baan trof.

Demissionair premier Rutte houdt het parlement voor dat het zich geen taboes kan veroorloven als het gaat om de bestrijding van het coronavirus en zijn mutanten. De koning bond ons op een lege Dam op het hart niet normaal te maken wat niet normaal is. De onderwijswerkgevers, verenigd in de VO-raad, probeert haar werknemers gerust te stellen met de woorden dat zij niet gehouden zijn aan het onmogelijke.  Zie daar de speelruimte van de docent die na de schoolexamenweek op het rooster ziet dat de tweeëndertig havo-examenkandidaten hun lessen Nederlands niet als voorheen in een lokaal krijgen, maar in drie. Tegen de wanden van het lokaal zijn twintig tafels geschoven, de een op de ander, daar weer evenzoveel stoelen bovenop. In de vrije middenruimte staan, op ruime afstand van elkaar, twaalf tafels en stoelen gefixeerd. In de teamvergadering later die dag evalueren we de eerste anderhalvemeterdag. Ik merk op dat het rendement van de les verwaarloosbaar was, maar dat ik er, dankzij het heen en weer bewegen tussen drie lokalen, conditioneel niet op achteruit ben gegaan.

Tijdens een tussenuur komen collega Buitenhuis en ik erachter dat we op dezelfde tijd aan eenzelfde examengroep lesgeven met alleen de binnenruimte van het leshuis tussen ons in en dat aan beide zijden van het leshuis dezelfde moedeloosheid heeft toegeslagen. Maar over een week zullen we de zes lokalen gaan veranderen van wachtkamers in werkruimtes. Een leeszaal, een studiezaal, een auditorium, een vergaderzaal, een spreekkamer, waarbij we gemakshalve over het hoofd zien dat we maar met twee docenten zijn.

De collega biologie komt binnen en zegt iets wat we niet goed kunnen horen. Dat ik langzaam leefde menen we te verstaan en dan is Vasalis (1909 – 1998) niet ver. Ik droomde dat ik langzaam leefde… / langzamer dan de oudste steen., citeer ik de eerste regels van het gedicht Tijd. Collega Buitenhuis vult mij aan Het was verschrikkelijk: om mij heen / schoot alles op, schokte of beefde, / wat stil lijkt. We hebben die tekst gezongen met het Linnaeuskoor. Onze dirigent had er speciaal voor ons koor muziek bij gecomponeerd. Dat was in een heel andere tijd, toen zingen nog mocht.

Een van de leerlingen heeft een tennisbal uit haar tas gehaald, die ze met een stuiterbeweging naar een klasgenoot kaatst, anderhalve meter verderop, die hem naar een derde pingpongt, die … Ik kijk er naar, het lijkt of de beweging van de tennisbal het lokaal kleiner maakt, mijn leerlingen nabijer, de gezamenlijkheid flitsender, iets van heimwee ook. Totdat de bal tot twee keer toe is weggerold en in een gevaarlijk niemandsland tussen de tafels is blijven liggen. Dan moet de bal maar weer terug in de tas.

Hoe kón ik dat niet eerder weten, / niet beter zien in vroeger tijd? / Hoe moet ik het weer ooit vergeten?, zijn de laatste regels van het gedicht. In de gezongen versie was daar, als een wegstervend vocalise aan toegevoegd Hoe Hoe. En laten die twee woorden nu juist vanochtend op de blinde gevel van het gemeentekantoor langs de spoorbaan staan.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Promotoren

Het weekend ging heen met het kuisen van teksten die mijn leerlingen van vijf havo mij stuurden. Onnodige herhalingen, werkwoordsvormen die bij geen onderwerp passen, ontsporende passiefconstructies en Tante Betjes, zaken die ik hun niet kan uitleggen, maar die ze moeiteloos beheersen, anglicismen (een belofte maken), idioomfoutjes die ontstaan door een verkeerd voorzetsel. Ik drukte opkomende moedeloosheid weg met de blijmoedige constatering dat ik door mijn commentaar elk van mijn leerlingen kon behoeden voor al deze ongerechtigheden en sprak na elke reactie de hoop uit op een mooi resultaat als ze later in de week opgingen voor het schoolexamen gedocumenteerd schrijven. Ondertussen bleef het boek naast mijn stoel gesloten en de weekendscrypto onopgelost. ‘Wie geprikt wil worden moet in Utrecht zijn’, vijf letters.

Even ten westen van Station Sloterdijk, ingeklemd tussen de sporen naar Haarlem en Noord Holland benoorden het Noordzeekanaal is een opslagterrein waar de gemeente allerhande straatgerei bewaart. Fietsenrekken, verkeersborden, dranghekken die ze in Vlaanderen nadars noemen, metrocontainers voor papier, restafval, glas en plastic, dat werk. Op het terrein staat ook een laag, rechthoekig gebouw dat dienst doet als kantoorruimte en dat met de lange blinde gevel op het spoor is gericht. Als het donker is, is daarop, gevelvullend, een woord van acht tot tien letters te lezen, steeds een ander. In januari is duisternis ruim voorhanden. Ik las het woord helleveeg. De ontwerper heeft een voorkeur voor nog niet gevormde samengestelde woorden. Kwaadschik  bij voorbeeld of nachtelach.

Doorn.

Van Hugo Claus (1929 – 2008) is bekend dat hij zijn leven lang een fanatiek liefhebber van cryptogrammen was. Liefhebber is misschien niet het goede woord. Lang koesterde hij de angst om alzheimer te krijgen of dement te worden. Hij was ervan overtuigd dat hij dat lot voor kon blijven door zijn hersens te blijven trainen, de taalcentra in zijn hoofd te blijven prikkelen, niet alleen met cryptogrammen uit de Vlaamse dagbladen, maar ook met die uit Engelse kwaliteitskranten. Het is hem ten dele gelukt. Oh, het ergst is de hand die zich heft / Maar het doel is verloren / En het ergst is de nacht / Die geen raad biedt / Maar blikken vernauwt / Het allerergst is de rat in mijn hoofd / Die vreet aan de woorden (…) zong Henny Vrienten (1948) toen Claus was overleden.

Wat te doen met Hoge reclamezuil in de aula, tien letters. De scrypto van het NRC Handelsblad is er de afgelopen halve eeuw niet gemakkelijker op geworden. Ik herinner mij zaterdagen dat we hem in de twintig minuten onderweg van Amsterdam naar mijn woonplaats konden oplossen. Heeft J.J. Steenhuis (1954) een assistent gevonden die hem helpt zijn cryptogrammen te ontwerpen van wie wij het idioom nog niet herkennen? Loert de rat ook in mijn oude hoofd? Ik kijk uit het raam van de trein en lees mistroostig.

Zeepkistrace en rijden maar, zes letters. Dat moet karren zijn. En Lichaamsdeel dat – steeds meer – door het andere wordt bedekt (4+4+4) is natuurlijk hand over hand. Het begin is er. We zullen onze puzzelvaardigheden hard nodig hebben nu de premier van Nederland de wens heeft uitgesproken dat ook leerlingen op middelbare scholen anderhalve meter afstand van elkaar houden. Wil het althans meer dan wensdenken zijn. Mijn voorstellingsvermogen gaat het vooralsnog te boven.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

De grote boosdoener

Volgens de Vereniging Openbaar Onderwijs (voo) zijn de leerlingen van de examenklassen tijdens de tweede lockdown niet verplicht om naar school te komen. Het was de vereniging opgevallen dat volgens de minister en de vo-raad alle eindexamenkandidaten wèl fysiek les moeten krijgen. ‘Noch het ministerie, noch de vo-raad gaan over de manier waarop scholen lesgeven. Daar gaat het bestuur over, in de meeste gevallen in afstemming met de medezeggenschapsraad.’, stelt de voo op haar site. Ik had op mijn rooster gekeken en geconstateerd dat ik vier lokalen ter beschikking had gekregen om de twee keer dertig leerlingen van mijn havo-examengroepen te ontvangen. Ik toog met goede moed en iets van angstige onzekerheid op weg voor de eerste schooldag van het nieuwe jaar.

Het is niet licht en het is niet donker. IJzige regen prikt in mijn gezicht, maar in de oude sprinter die tussen Zandvoort aan Zee en Amsterdam Centraal heen en weer rijdt, is het warm en droog. Twee andere passagiers. Een jonge vrouw met een blauw gebreid mutsje op het hoofd en een man van fors postuur die in zijn eentje bezit heeft genomen van een ‘viertje’, open winterjack, capuchon, versleten trui, de ogen dicht, boven het verplichte maskertje is van hem eigenlijk alleen een eveneens fors uitgevallen neus zichtbaar. Op het tussenbalkon bij de deuren staat een kapotte zwarte rolkoffer, daarop een blauwe Ikea-tas waaruit een mottige slaapzak puilt, daarbovenop een speelgoedbeer. Ook met gesloten ogen.

Het duurde tot voorbij Zaandam voordat mijn bril was geacclimatiseerd. Vanachter de beslagen glazen ontwaarde ik een kop op de opiniepagina van De Volkskrant die luidde:  De smartphone moet de school uit. Ik wilde al verder swipen, toen ik zag dat de bijdrage was geschreven door Alexander Rinnooy Kan en Ingrid Schouten. Eerstgenoemde heeft zich in het recente verleden verstandig uitgelaten over het Nederlandse onderwijs.

De aanleiding voor het stuk was de belabberde leesvaardigheid van de Nederlandse jeugd. Arjan Lubach betoogde in september al dat een eenzijdige focus op begrijpend lezen daar de oorzaak van is. Rinnooy Kan en Schouten noemen ook het lerarentekort, maar voegen daar aan toe dat in omliggende landen er ook een lerarentekort is en dat daar de leesvaardigheid van jongeren er niet zo onder lijdt. Dan komt, met de nodige voorzichtigheid, de aap uit de mouw. Steeds meer landen komen echter tot de conclusie dat de smartphone, die zich in (toevalligerwijs?) precies dezelfde periode ontwikkelde tot een niet uit ons leven weg te denken hulpmiddel, wel eens de grote boosdoener zou kunnen zijn. Frankrijk was het eerste land dat smartphones in de klas verbood. Dertien andere landen hebben het Franse voorbeeld inmiddels gevolgd.

Ach, was het maar zo makkelijk. Op last van de overheid zijn voorlopig alle boekwinkels en alle bibliotheken gesloten. De enige manier om toegang te krijgen tot het geschreven en gedrukte woord, is via het internet, is met een smartphone. En dezelfde smartphone is nu een van de laatste middelen waarmee wij onze leerlingen in lockdown kunnen bereiken.

Met de pakweg tweehonderdvijftig eindexamenkandidaten doen we op school ondertussen alles wat Rutte verboden heeft. In de pauze is men elkaar ouderwets nabij, een boterham in de hand en het masker op half elf. Het kostte me even om te ontdekken wie in welk lokaal was gaan zitten, maar na een minuut of tien hadden de meesten de voorbereidingen op het aanstaande schoolexamen gedocumenteerd schrijven ter hand genomen. Achter het spatscherm doe ik mijn masker af, laat mijn blik dwalen door het lokaal. Ik denk aan die speelgoedbeer

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Het grazige milieu

In de loop van de zondagmiddag ging de stormachtige wind (Bella, code geel) liggen. Kort daarna viel de avond, het werd nacht en morgen, een nieuwe dag. Rond een uur of elf zag ik tussen de restanten van de waterlelie in de vijver een vogel die ik niet gelijk kon thuisbrengen. Een slanke gestalte, een beweeglijke staart terwijl hij (man of vrouw, ik weet het niet) onder de bladeren in de lelieaarde pikt, op zoek naar iets van zijn gading, een bleke buik met een nadrukkelijke zweem van geel, zijn rug grijs, de vleugels afgebiesd met zwarte strepen. Daar schicht hij naar het dorre riet van de gele lis. Tussen de bruin geworden bladeren van de Darmera. Dan verdwijnt hij uit het zicht, maar uitdijende kringen op het water verraden zijn bewegingen daar op de grens van dras en plas.

Het vogelgidsje in de boekenkast, Zien is kennen, biedt geen uitkomst. Ik probeer het beestje zo goed mogelijk in mijn geheugen te prenten. ’s-Nachts meen ik dat die opwippende staart een aanwijzing zou kunnen zijn. ’s-Ochtends typ ik staart en geel in de zoekbalk van Google. Even later herken ik de vogel in de afbeeldingen op het scherm van de gele kwikstaart.

Ik pak Alle vogels en Nog meer vogels van Koos van Zomeren (1946) erbij. De gele kwikstaart komt tien keer voor in het oeuvre van Van Zomeren. De eerste keer in 1981 (Minister achter tralies) de laatste keer in 2010 (Naar de natuur). In geen van die tien keren is de vogel het onderwerp van de tekst. Het dier is onderdeel van het decor of komt eenvoudig langs. De kijker is gericht op broedende kluten op Texel: Terug naar het kuiken op de kleistrook. Hij hangt voor dood tegen de flank van zijn ouder. Minuten verstrijken. Dan gaat het kopje omhoog, de zon als een stip in zijn oog. Hij geeuwt en er knalt een gele kwikstaart door het beeld.

Of de gele kwikstaart hoort in een rijtje. Rond 1980 schrijft Van Zomeren voor de Nieuwe Revu Halen de kemphaantjes 1990?, dat zo begint: Wie buiten wel eens een koe heeft gezien, kent zonder twijfel ook het verschijnsel weidevogel. Kievit, grutto, tureluur, scholekster, kemphaan en watersnip worden tot deze wat vaag afgebakende groep vogels gerekend. Ook slobeend, zomertaling, gele kwikstaart, veldleeuwerik en graspieper horen in het grazige milieu.

Maar dat milieu verandert. Ruimtegebrek, kunstmest en verdroging maken het bestaan van weidevogels er niet makkelijker op. Een jaar of zeven later heeft Van Zomeren het in NRC Handelsblad over de grutto waarvan het aantal broedparen tussen 1972 en 1987 is gehalveerd, al is hij met tachtigduizend nesten nog steeds een algemeen voorkomende vogel in het weidegebied. We hebben het over de grutto, niet over de zomertaling, de gele kwikstaart, de kemphaan, niet over de vogel die allang in de marge is gedrongen en alleen nog een rol speelt in de wereld van de melancholieke vogelaars.

In 2004 is de gele kwikstaart zeldzaam genoeg geworden om speciaal aan hem enige woorden te wijden. Het is 20 mei: Met Joan en Lisette de IJssel-Rijnroute. Grote groep oeverzwaluwen bij een stijl wandje met nestpijpen bij het Huissens veer. Tot viermaal toe een paartje gele kwikstaarten – vooral de mannetjes: hoe bestaat het toch dat iets van zulke bescheiden afmetingen zo enorm geel kan zijn.

Ik tuur naar de verlaten vijver en bedenk dat het exemplaar dat ik daar zag niet zo enorm geel was. Eerder wit en zachtgeel, als de kleuren van de bloemen van de waterlelie. (Zoals de puttertjes een paar weken eerder dezelfde kleuren hebben als de bloemen van de Rudbeckia waarvan ze de uitgebloeide knoppen bezochten.)

Ook dinsdag kwam de gele kwikstaart nog even langs.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen