Ekster

‘Fijn, dat u er al zo vroeg bent!’ Donderdagochtend kwart over acht steek ik de sleutel in het slot en open het lokaal voor de leerlingen van vijf havo. Het is schoolexamenweek, de eindexamenkandidaten zullen zich buigen over het schoolexamen biologie. Voor elk van hen is een tafeltje gedekt met een kaartje met hun naam en examennummer en het naslagwerk voor de natte vakken BINAS. ‘Kutplaats’, roept Chris uit, die me net nog zo spontaan verwelkomde. Vorig jaar had ze dezelfde plaats toegewezen gekregen. Het examen was op een fiasco uitgelopen. Ze doet het dit jaar voor de tweede keer.

De stormachtige wind had plaats gemaakt voor regen en toen die was opgehouden was de hemel schoon. De maan in het laatste kwartier beklom de oostelijke hemel waartegen in de vroege duisternis verschillende sterren opgloeiden die weerspiegelden in de plassen op straat.

De volgende ochtend waren de straten opgedroogd. Een oranje gloed kondigde de zonsopgang aan. Ik deelde blaadjes uit en zes pagina’s met opgaven. Stipt om half negen bogen drieëntwintig hoofden zich over de vraagstukken (rozen, padden, insecten), toen was alleen het gekras van pennen op papier te horen.

Ik liet mijn blik dwalen over de kleine cour bij de hoofdingang, de fietsenstalling aan de overkant van de straat, elf, twaalf beslagen windschermen op de scooters achter het hek, daarachter de vaart en de rotonde waaromheen het verkeer zijn rondjes reed, de lijnbus naar het station van Zaandam, de sirene van een politieauto in tegenovergestelde richting.

Ongemerkt werden de schaduwen buiten korter, tot ineens de zon weerkaatste in een van de ramen van de bovenverdieping van de huizen naast de school. Vreemd licht scheen het lokaal in. Het werd door niemand opgemerkt. Iemand hoestte in de mouw van haar sweater, links en rechts haalde men een verkouden neus op zo dat niemand het hoorde.

Januari wees nu koud / vries de knoppen in het hout dichtte Chris J. van Geel (1917 – 1971) in een Kinderrijm. Het blijft een wensdroom. Diepblauw is de hemel, en als ik het raam op een kier zet, word ik een bries gewaar die me aan het voorjaar doet denken. Ik spits mijn oren om, van waar dan ook, de roep van een koolmeesje te horen, of de nog ongeoefende zang van de merel.

Niets.

Hoog in de lucht gaat een vliegtuig. Het heeft de polderbaan in het vizier, waar het op aan koerst met onrustig ronken. Schiphol mag pas groeien als stikstofuitstoot daalt, stond er in het ochtendblad. Ik volg met mijn ogen de onzichtbare deeltjes van hoog in de lucht tot helemaal beneden op de aarde en denk aan de Lente van Cees Nooteboom (1933): Iets vreet de aarde van binnen, / iets graaft, klopt, wil, groeit / tegen de gesloten deur van de grond. /

Het kaartje met de naam en het examennummer van Chris valt van haar tafel. Hoog in de boom, buiten, landt een ekster en begint ons schaterend uit te lachen: Niemand die mij ziet / terwijl de wereld onder mij vervalt / en onherroepelijk vergaat.// , want ook deze vogel weet van de cyclus O de aarde van H.C. ten Berge.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Steeds opnieuw

Er is niet veel tijd meer. Over vijf dagen is het schoolexamen gedocumenteerd schrijven, vandaag is de laatste les voordat volgende week de examenweek begint. Nog voor de bel gegaan is, hebben mijn leerlingen het scherm van hun laptop omhoog geklapt, is hun tafelblad bezaaid met documenten, zijn hun ogen gefocust op het invulformulier van het schrijfplan waarvan vakje voor vakje zorgvuldig wordt volgeschreven. Daar gaat al een vinger omhoog: ‘Meneer, wat is beter denkt u, een beschouwing of een betoog?

Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en verleiding van ‘de media’ een plaats geven. Dat heeft u goed gezegd, meneer Ten Berge (1938) , maar woensdag is het schoolexamen al, verstaat u wel, woensdag! En als de tekst nu nog over onverschillig wat mocht gaan, .. maar nee. Een taalkundig onderwerp wordt gevraagd.

En dus verdiepen we ons in de veranderingen in de voornamen die jonge ouders hun kindjes gaven de afgelopen honderd jaar, we stellen ons de vraag of er verschillen zijn tussen het taalgebruik van vrouwen en mannen. Helpen de uitspraken van Johan Cruijff om zelf beter te gaan voetballen? Of om het spelletje beter te begrijpen? Wat is het geheim achter het succes van Jip-en-Janneketaal? En waarom irriteert het ons als overheden op die manier met ons communiceren? Zijn dierentalen echte talen? Is de toenemende invloed van de Engelse taal een bedreiging voor het Nederlands? Straattaal, taalcodes op sociale media, taalverwerving en wolfskinderen, het kan niet op.

Als we het zelf niet meer weten, vragen we het onze ouders. Die werken bij de politie of in de zorg en die hebben de nodige ervaring met vakjargon en stroeve communicatie met de burger of een patiënt. Hoe komt het toch dat we na het gesprek met de specialist in het ziekenhuis pas weten wat we hadden willen vragen? Valt er eigenlijk wel te praten met een politieman in functie?

Teksten komen niet af uit de lucht gevallen, schrijft Kristien Hemmerechts (1955) in haar boek Schrijven. Kun je dat leren? Het is al te waar, mevrouw.

Ik ga het hebben over mannen- en vrouwentaal. Persoonlijk denk ik dat mannen onderling minder gedetailleerd praten over verschillende onderwerpen dan vrouwen. Ook denk ik dat mannen er wat luchtiger over praten dan vrouwen, vrouwen nemen het vaker serieus en blijven dan langer op een bepaald onderwerp hangen. Voor me zit Evy die een vracht aan onderzoeken over het onderwerp heeft doorgeploegd, en die in het middenstuk van haar tekst heeft samengevat en gepresenteerd. Maar naar de opening van haar artikel zitten we allebei een beetje beteuterd te kijken. Ik adviseer haar te onderzoeken op welke vragen de romp van haar tekst antwoord geeft, en met die vragen een nieuwe inleiding te schrijven.

Steeds meer bedrijven praten over chiefs, workshops of deep dive sessies. Vroeger belde je iemand, met je telefoon. Tegenwoordig ‘’ga je een call in’’. Het is bewezen dat veel mensen niet begrijpen waar deze woorden overgaan., schrijft Sabrine. Ik schrijf in de kantlijn: waar is dat bewijs, vertel ons erover.

Zo kan het gebeuren dat je aan het einde van een zin ineens niets meer weet te schrijven, terwijl je er zeker van bent dat de tekst nog niet af is. Het overkwam Thera, die toen maar afsloot met: Niemand heeft invloed op een ander ouder de naamgeving van zijn of haar kind als gevolg dat er zoveel mogelijke unieke namen mogelijk zijn zolang ouders er zelf voor kiezen.

H.C. ten Berge weet er alles van. Hij schrijft: Begin en begin steeds opnieuw. Het geschrevene is je beloning.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Schroefje

Gilles Speksneijder had oudejaarsavond doorgebracht bij zijn broer Kees-Jan. Behalve de broers, waren ook Madelief, Gilles´vrouw, Melanie, een kraakwacht die ze zolang te logeren hadden, aanwezig in de gerieflijke woning in de historische binnenstad, en natuurlijk Liza, de echtgenote van Kees-Jan. Toen ze, ruim over enen, terug naar huis wilden, overviel de kou Gilles.  Halfdronken schoot hij met zijn voet van de trapper en belandde onzacht op de oprit van zijn broer. Het kostte enige tijd om hem weer in het zadel te helpen. Toen net buiten de middeleeuwse omwalling het fietspad onaangekondigd veranderde in een zandbak met losliggende stoeptegels, was het Madelief die de macht over haar stuur kwijt raakte en tegen de grond smakte. Pas tegen drieën waren ze thuis.

De vlucht van Gilles Speksneijder van M.M. Schoenmakers (1949) bestrijkt een periode van ongeveer zestien maanden. De dozen waarin de kerstspullen hebben gezeten staan nog her en der verspreid op de grond, als Gilles’oog valt op een schroefje.  De narcissen hebben voor de tweede keer in bloei gestaan als Gilles in danig toegetakelde staat wordt teruggevonden op de stoep van zijn flat. ‘Welke dag is ‘t?’ Zelfs fluisteren deed pijn.

Speksneijder doet al een jaar of twaalf hetzelfde kantoorwerk als hij door Koert Schoonhoven wordt gevraagd om zijn assistent te worden. Het kantoor gaat verhuizen, Schoonhoven coördineert de klus. Daar kan hij wel wat hulp bij gebruiken, notuleren, agendabeheer, dat soort zaken. Speksneijder heeft zijn reserves, Madelief ziet er niet veel in. Van zijn collega Storken hoort Speksneijder dat de van buiten aangetrokken Gert Jan Graafsma geen verhuisspecialist is, maar transitiemedewerker. Het laat zich aanzien dat niet alleen de fysieke ruimte flink wordt opgeschud, maar ook het personeelsbestand. Speksneijder besluit op de uitnodiging van Schoonhoven in te gaan.

Ondertussen is daar dat schroefje. Een paddestoeltje met een ragfijn spiralende groef en een bolronde, aan een zijde wat afgesleten hoed en een dunne, nauwelijks zichtbare sleuf om de schroevendraaier in te zetten. Gilles is ervan overtuigd dat het afkomstig is uit een keukenapparaat, losgetrild, mogelijk in de fabriek niet goed aangedraaid. Voor zich zag hij een losgeraakt afdekplaatje, een doorgesneden draad, de vonk van de kortsluiting, een draad die vlam vatte, iets kleins dat naar iets groots voerde.

Speksneijder zit erbij als in vergadering het Programma van Eisen wordt doorgesproken. Hij notuleert de woorden van Directeur Van der Keyl die zegt dat hij voor inspraak en overleg weinig tot geen mogelijkheden ziet, de reactie van manager Diensten Houdijk die opmerkt dat daarvoor weinig begrip zal zijn, en het slotwoord van de Directeur: Sommige ontwikkelingen zijn er om te ondergaan.

Een paar maanden later zit Schoonhoven overspannen thuis en ligt Storken in het ziekenhuis, in elkaar geslagen door een paar opgeschoten jongens toen hij het opnam voor een oude man.

Vanaf dat moment is het aan Speksneijder om te beslissen over stompe deuren, neuslatten en dilatatievoegen. Dat de verhuizing kort na de jaarwisseling zijn beslag kan krijgen, mag een wonder heten. Na een van de laatste vergaderingen vraagt Van der Keyl hem nog even na te blijven. Het oude pand moet bezemschoon worden opgeleverd en hij heeft niemand die dat beter kan. Je bent in elk geval weer voor een paar maanden onder de pannen, Speksneijder. Ik denk ook aan een bonus., besluit de directeur het gesprek.

Als Speksneijder zijn verhuisdozen ingepakt heeft, kijkt hij vertwijfeld rond en vraagt: Wat moet ik op de verhuisstickers zetten?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Mieters

Stuttgart – Sottens – Prague – Paris – Luxembourg – Beromunst. – Sarre – Strasbourg, voor wie vóór 1960 geboren is, waren het zenders voordat het plaatsen waren. Geen namen in de atlas, en al helemaal niet op borden boven de snelweg, maar codes op de zenderschaal van de buizenradio van het merk Erres, Grundig, of in het geval van Van Morrison (1945, vier vermeldingen in de top 2000) Telefunken: ‘Telefunken, Telefunken / And I’m searching for Luxembourg, Luxembourg, / Athlone, Budapest, AFN, / Hilversum, Helvetia / In the days before rock ‘n’ roll’.

Ewout Meyster is zeventien, bijna achttien, en de hoofdpersoon van De Hoogstapelaar, de roman van Wessel te Gussinklo (1941) die in februari van dit jaar is verschenen. Het is 1958, nadat hij twee keer op het gymnasium is blijven zitten, heeft hij de middelbare school de rug toegekeerd. Zelfs het internaat wilde hem daarna niet meer hebben. Braaf zitten, braaf luisteren – en over niets ging het daar, niets wezenlijks (de mensheid, het leven, het menselijk lot; en hoe te leven terwijl alles verloren ging. Over dat soort zaken. Dingen van belang.)

Niet dat het een domme jongen was. Hij las Vestdijk , Couperus, Bordewijk, Ter Braak, Du Perron, Van Schendel. Ze stonden langs de wanden van zijn kamertje. En Nietzsche, Schopenhauer, Camus en Sartre. Van de laatste had hij zich met een woordenboek door Lêtre et le néant heen proberen te worstelen. Ver was hij niet gekomen, maar de bevestiging van het idee in een vijandige wereld te zijn geworpen had hem diep geraakt en de opdracht werk te maken van zijn persoonlijkheid had hij van harte omhelsd. Ewout zou zich tonen aan de wereld.

Een pakje Caballero, een doosje lucifers en een cola waren daarbij belangrijke attributen. Fats Domino (één vermelding in de top 2000), Harry Belafonte en Little Richard (geen vermeldingen in de lijst der lijsten) en Elvis Presley (zestien vermeldingen) zorgden voor de muzikale omlijsting van zijn missie. Maar niet alleen de muziek van de eerste commerciële radiozender inspireerde hem: Zo moest je proberen te praten, zoals bij Radio Luxembourg, die Amerikaanse stemmen – zo praten, zo langzaam en krachtig.

Omringd door zijn vrienden toonde hij zich in de Jazzkelder aan de Utrechtse werf, in de Espressobar, De Bolle,  in het café van Harrie op de Brug waar pooiers kwamen en marktlui en waar je woorden hoorde als ‘Geeltje’ en ‘Wijven’.  Zo moest je zijn, indruk moest je maken, schrikwekkend en onverschillig moest je zijn.

Zo was het niet altijd geweest. Toen hij jonger was, vijftien, bijna zestien, had hij gemeend dat het erom ging populair te zijn. Te zorgen dat je met iedereen bevriend was, dat ze om jouw grappen lachten. En hij had de zijne zorgvuldig voorbereid en de gebaren die erbij hoorden had hij voor zich gezien. Leuke dingen moesten er worden gedaan. Een hondendrol meenemen en voor het schoolbord leggen, kon je lachen met die leraar. ‘En dan zingen we met z’n allen als ik de veter van de leraar aansteek “Bij het kampvuur in de prairie”’. Want leraren pesten, dwars en opstandig zijn, ook dan was je belangrijk en werd je populair.

Er is in een halve eeuw niet veel veranderd, al zegt haast niemand meer ‘geeltje’ en ‘wijven’. We schelden nu met onze mobieltjes. Die verbieden in de klas; ik moet er niet aan denken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Later wel

Ze waren onze afdelingsleidster al opgevallen. Twee opgeschoten jongens, te oud om bij ons op school te zijn, te jong misschien om bij een schoonmaakbedrijf te werken, niet gekleed voor het aanstaande kerstgala. Ze hield ze in de gaten. Volgens de conciërge hoorden ze bij de pasfotocabine die als een van de attracties van het feest vanavond in de aula was neergezet. ‘Vage types’?, zo had ze hen nog niet bekeken. Bij de aanvang van het evenement ontvingen de collega’s Buitenhuis, Scholten, Van ’t Hull en ik onze leerlingen, terwijl ook de jongens van de cabine passeerden. Ze spraken ons aan, informeerden naar de leeftijd van de aanstaande eindexamenkandidaten. ‘Dat deugt niet’, concludeerde Van ’t Hull, zodra ze  verdwenen waren.

Het kerstgala duurt goedbeschouwd nauwelijks tweeënhalf uur. Het is zaak zo laat mogelijk binnen te komen, vlak voor half negen als de deuren dicht gaan, en zodra het kan op weg te gaan naar de after party die tot in de kleine uren zal doorgaan. Wat is dan de urgentie om deze donderdagavond strak in het pak, dan wel hooggehakt en in een splinternieuw galajurkje op school te verschijnen? Het antwoord is: de foto. Vergeet de DJ., ook de band van leerlingen en ex-leerlingen, die voor aanvang staat in te spelen, blijft ongenoemd. Ze willen met hun jaargenoten en ook met hun docenten op de foto, als herinnering voor later.

Zo hebben ze het gezegd tegen collega Sijtsema, die geschiedenis geeft, en ik heb gezegd dat ik het bizar vind dat zeventienjarigen anticiperen op nostalgie en we hebben het hoofd geschud.

Maar misschien is het niet zo vreemd. Het idee dat ons leven een verhaal is dat we aan elkaar vertellen, komt en gaat, schrijft John Berger (1926 – 2017) in And our faces, my heart, brief as photos uit 1984. Dat dat verhaal anno 2019 met beelden wordt verteld, hoeft ons niet te verbazen. Van dat verhaal, schrijft Berger, zijn we de auteur en de personages. Als auteur hebben we de macht om het geheel te overzien, maar zodra het verhaal is begonnen, zijn het de personages die aan de touwtjes trekken. Wat auteur en personage scheidt is niet kennis of macht, maar tijd.

Op de foto gaan is het verlangen van het personage dat wij zijn naar dat andere deel van onszelf; de auteur die ons tot leven roept. Berger schrijft: wie onze verhalen leest, of ernaar luistert, ziet alles als door een lens. Deze lens is het geheim van de vertelling, hij wordt in elk verhaal opnieuw geslepen om het tijdelijke en het eeuwige tot elkaar te brengen.

Djoeke van ’t Hull is de hoofdpersoon van Chalet 152, de nieuwe roman van Anton Valens (1964). Hij brengt een winter door in vakantiepark ’t Ezeltje, schildert er de lantaarnpalen, neemt deel aan een stiltemeditatie in een duinkom aan zee, wordt verliefd op de grillige kunstenares Audrey d’Audretch en blijft achter met een gevoel van leegte, lege opluchting, een leeg verdriet, een niksverdriet – echt snikken kan hij niet, paf staan en sip kijken daarentegen als de beste. Zijn pogingen om een en ander op papier te zetten, er een verhaal van te maken, lopen op niets uit: fragmenten van fragmenten van fragmenten, onafgemaakte zinnen, doorgekraste zinnen, losse incompetente woorden waaraan lettergrepen ontbreken, want dat komt later wel, maar hij is vergeten wat hij bedoelde met ‘marh’ of ‘r-g-hukt’.

Als mijn zintuigen gewend zijn aan het donker, de dreunende beat, de lichteffecten die bij de show van de DJ horen en de vochtige warmte van krioelende lichamen, zie ik hen in drommen wachten voor de foto en in de rij staan bij de fotocabine. Het is begonnen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Woordgolven

We hadden het boekje ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ van Paulien Cornelisse (1976) gelezen en de romantische komedie met dezelfde titel van regisseur Barbara Bredero en scenarist Tijs van Marle gezien en nu was het aan ons. We zouden een onderwerp kiezen dat met taal te maken heeft om een tekst van pakweg achthonderd woorden over te schrijven. ‘Meneer, is dyslexie een goed onderwerp?’ Waarom niet? Maar het echte antwoord op die vraag is een tekst die er mag zijn en waar je met plezier aan hebt gewerkt.

Loana had iemand in een overvolle trein horen zeggen ik zit te lezen, terwijl de persoon in kwestie overduidelijk stond. Toen ze later in de blog www.dagklad.nl ook nog de zin Waar wij liepen scheen de zon, verderop hing een wolk te hangen. tegenkwam, was het besluit om zich te verdiepen in het groepje hulpwerkwoorden waarmee we zeggen dat we iets aan het doen zijn dat in het recente verleden is begonnen en nog wel even kan doorgaan, zij het niet eindeloos, snel genomen. Waarom kun je wel zeggen: ik loop te zingen, ik sta af te wassen, ik lig te fantaseren, maar niet ik fiets te eten of ik slenter te bellen, terwijl dat in werkelijkheid toch ook veel gebeurt?

Om het denken op gang te brengen had ik de Taal is zeg maar echt mijn ding van bijna veertig jaar geleden uit de kast gepakt: Opperlandse taal- & letterkunde van Battus, een van de pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius (1935 – 2014): hoofdstuk 53 a waarin we kennismaken met peuters. Dat zijn drieletterwoorden: klinkende peuters als oei en aai en medeklinkende peuters als kst en prt, maar ook peuters die je met een spiegeltje half kunt afdekken terwijl ze toch leesbaar blijven: BID en KOK. De laatste peuter is er trouwens ook één die omgekeerd zichzelf is.

Op woensdag vroeg Loana of ik wist wat positiewerkwoorden waren. Ze had ontdekt dat de hulpwerkwoorden die ze onderzocht: liggen, zitten, lopen, staan, leggen, hangen ook bekend waren onder die naam. Bij hangen had ik mijn twijfels. De brugklassers hingen achter het schoolgebouw te blowen? Mwoa. En wat te doen met een frase als Ik meen te weten … of actueler nog: Ajax verdiende te winnen?

Brandt Corstius beweert dat er in de Nederlandse taal  duizend van die peuters zijn, althans in 1981, toen Opperlandse taal- & letterkunde uitkwam. Hij beweert voorts dat 999 van die peuters via een woordgolf tot elkaar zijn te herleiden. Een woordgolf is een reeks woorden die slechts één letter van elkaar verschillen. Zo komen wij van arm naar rijk via arm-ark-aak-rak-rijk.

En die duizendste peuter dan?

De zinnen Ik meen te weten en Ajax verdiende te winnen kunnen we parafraseren als ik meen dat ik weet en Ajax verdiende dat het won. Het gaat om samengestelde zinnen met een beknopte bijzin. Ik zit dat ik lees kan niet, ik zit te lezen is een enkelvoudige zin. Ze zeggen dat het hoofdwerkwoord bij liggen, zitten, lopen, staan etc. een activiteit moet zijn. Je zegt niet ik zit een cadeau te krijgen. Blijkbaar is slapen dan iets doen, want je zegt wel ik lig te slapen.

Na drie keer lezen, vermoedden we dat zoo volgens Battus de duizendste peuter was. Alleen kostte het ons nauwelijks moeite om zoo tot een andere peuter te herleiden: beu-ben-zen-zon-zoo, klaar. Dat er tussen aag en zijt dan precies 997 andere peuters te vinden zouden zijn, geloofden we toen ook niet meer.

Aag-zag-zat-zijt.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Leesoffensief

Natuurlijk kwamen de uitkomsten van het laatste PISA-onderzoek hard aan rond de tafel van de sectie Nederlands in de medewerkerskamer. Uit vergelijkend onderzoek naar de prestaties in lezen, wiskunde en natuurkunde van vijftienjarige leerlingen in 79 landen dat het Programme for International Student Assesment regelmatig doet, was gebleken dat de Nederlandse jongeren in 2018 significant slechter lezen dan hun leeftijdgenoten in vergelijkbare EU-landen en OESO-landen buiten de Unie. De neerwaartse trend in de leesvaardigheid van onze scholieren was al zichtbaar in het onderzoek van 2012, hij zette versterkt door in 2015, maar was eigenlijk al begonnen in 2003. Ik moest concluderen dat vijftienjarigen in Nederland slechter hebben leren lezen sinds ik in het onderwijs ben gaan werken.

Op dezelfde dag dat PISA zijn bevindingen presenteerde, stuurde de ministers Van Engelshoven en Slob een brief naar de Tweede Kamer. Betreft Leesoffensief, staat erboven. Een paar regels verder lezen we dat het offensief bestaat uit drie maatregelen: 1. Een krachtige en samenhangende leesaanpak 2. De belangrijke rol van bibliotheken 3. Een breder en diverser aanbod van jeugdboeken.

Was dit niet het kabinet dat begin dit jaar de btw op boeken verhoogde van zes naar negen procent? En weten de ministers dat het Rijk hoegenaamd niets bijdraagt aan de bibliotheken? Dat de bibliotheken voor hun inkomsten afhankelijk zijn van gemeentelijke subsidies? Subsidies die zwaar bevochten moeten worden sinds de gemeenten ook verantwoordelijk zijn geworden voor de jeugdzorg.

De brief vervolgt met een opsomming van aanbevelingen aan de Rijksoverheid die afkomstig zijn van de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur en een overzicht van activiteiten die horen bij het huidige leesbeleid. Technisch leren lezen in het funderend onderwijs, gratis toegang tot de bibliotheken voor alle jongeren tot achttien jaar – de ministers wijzen er nog maar eens op dat de bibliotheken de wettelijke taak (de onderstreping is van de bewindslieden) hebben  om educatieve programma’s te ontwikkelen en lezen te bevorderen. Zou er één bibiliotheek zijn die daaraan herinnerd moet worden? – ook activiteiten van de Stichting Lezen, de Schrijverscentrale en het Literatuurmuseum komen ter sprake. Maar het is niet genoeg.

Onder het kopje Extra inzet: het leesoffensief pakken Slob en Van Engelshoven uit met hun strijdplannen om de door PISA gesignaleerde trend te keren: 1. Leesplezier en leesmotivatie als onderdeel van het curriculum 2. Een actie-agenda voor een krachtiger en meer samenhangende leesaanpak 3. De belangrijke rol van bibliotheken 4. Een breder en diverser aanbod van jeugdboeken.

Twee van de vier punten behoren al tot het huidige beleid, de concreetste maatregel uit de actie-agenda is het inroosteren van twee keer een half uur vrij lezen per week, hoe men vijftienjarigen een leven lang leesplezier en leesmotivatie bezorgt, staat niet in de  brief.

Excellenties, als ik u mag raden: laten we beginnen met een ruimhartig ouderschapsverlof en een adequate kinderopvang (voorlezen is inderdaad heel belangrijk). Weet u dat jong en oud tijdens de vakantie wel de rust vindt om een boek te lezen? Leesbeleid begint wat mij betreft dan ook met arbeidstijdverkorting en een forse inkomensverbetering voor iedereen. Een basisinkomen voor iedereen boven de zestien jaar is een nog beter idee. En verder een serieus pakket aan staatsprijzen voor literair proza, poëzie, toneel, essay en journalistiek: uw investering zal zich uitbetalen in kritische en belezen burgers. Zorg er ook  voor dat schrijvers en vertalers, mannen en vrouwen, van hun werk kunnen leven. Verleen stipendia, reis- en werkbeurzen, stel minimumeisen aan royalties en voorschotten.

Geeft u alstublieft ruim baan aan de cultuurdragers. En stop ermee om boeken en bibliotheeklidmaatschappen gratis aan te bieden. Wij weten namelijk het verschil niet zo goed tussen gratis en waardeloos.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

In de trein

Het pocketboek kwam met de trein. Uitgeverij A.W. Bruna startte omstreeks 1890 de reeks ‘Voor den coupé’. Vijfentwintig jaar later waren er twee en half miljoen boeken van verkocht. De Duitse uitgeverij Reclam plaatste in 1912 de eerste boekenautomaat in de stations waar de lezers/reizigers voor twintig pfennig een exemplaar uit de ‘Universal Bibliothek’ konden kopen. Vijf jaar later staan er in Duitsland tweeduizend van die automaten. Dat die, weer vijf jaar later, nog steeds in gebruik waren, kan ik mij niet voorstellen. Door de hyperinflatie was de prijs voor een UB-boekje opgelopen tot 330 miljard Reichsmark.

Enge bladspiegel; ingenaaide bindwijze; zakformaat; klein lettertype; aantrekkelijk omslag; relatief grote tekst- en soms illustratieomvang; houthoudend, grof, machineglad en wit-grijs papier; reeksverband; moderne, industriële vervaardiging; grote oplage; lage prijs, dat zijn de kenmerken die het pocketboek definiëren. Mijn favoriete reeks is de Collection Nelson die tussen 1910 en 1940 in Parijs, Londen, Edinburgh en New York verscheen. Boekjes van 11,5 bij 16,5 centimeter met een harde kaft en gedrukt op papier dat aan Bijbelpapier doet denken, maar onder de naam India paper bekend staat. Boekjes die openvallen op je hand en dat dan Victor Hugo (1802 – 1885) tot je spreekt: Tous ces jours passeront ; ils passeront en foule / Sur la face des mers, sur la face des monts, / Sur les fleuves d’argent, sur les forêts où roule / Comme un hymne confus des morts que nous aimons.

In de jaren tachtig speelde ik een bescheiden rol in het boekenvak. Ik bezocht de regionale inkoopbeurzen waar zelfstandige boekhandelaren en de kleinere uitgeverijen elkaar ontmoetten. De deals die er echt toe deden, werden ergens anders gesloten. Ik zat met mijn tafel naast Maarten Muntinga, een jonge uitgever die een nieuwe pocketreeks was gestart onder de naam Rainbow. Op de rug van de paperbacks was de regenboog in een kwart cirkel te zien. Ik moest jaloers toekijken hoe hij zijn producten, soms met boekenmolens tegelijk, sleet aan winkeliers die mijn aanbieding hoegenaamd geen blik waardig keurden. Het huis waar ik voor werkte ging begin jaren negentig roemloos over in handen van een uitgever in het Zuiden van het land. Maarten Muntinga wist het nog tot 2012 uit te zingen. Hij verklaarde zijn faillissement uit de crisis en de opkomst van de e-reader.

Ik zat in de trein met collega Van de Berg. Zij studeert voor haar master leraar Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam en vertelt over haar bezoek aan het Multatuli Museum aan de Korsjespoortsteeg in Amsterdam. De excursie naar het geboortehuis van de schrijver van Max Havelaar was georganiseerd voor alle Amsterdamse studenten Nederlandse taal- en letterkunde en hun hoogleraren Johan Koppenol en Jacqueline Bel, en die waren er dan ook alle vijf. Dit academisch jaar zal er één Neerlandicus afstuderen aan de Amsterdamse universiteiten. Eén.

In de AKO-boekwinkel van Amsterdam Centraal zie ik het vertrouwde Rainbowlogo terug. Het is afgedrukt op Een boek vol taalfouten. Auteur Friederike de Raat schrijft in het voorwoord dat het boek bedoeld is voor mensen die graag goed Nederlands schrijven, of ze nu ambtenaar, docent, student, hoogleraar of journalist zijn.

Kort na het faillissement maakte Rainbow een doorstart in samenwerking met uitgeverij de Harmonie. In 2016 nam Maarten Muntinga afscheid van het boekenvak. In een interview met De Telegraaf keek hij terug op zijn jaren tussen de boeken: het aantal uren dat mensen lezen, is gehalveerd. Dat zie bijvoorbeeld goed als je met de trein reist. Wie leest daar nog een boek? Een enkeling bladert in de krant. De rest kijkt op zijn smartphone, checkt zijn mail of doet een spelletje.

Een boek vol taalfouten is de 1328ste titel in de Rainbow pocketreeks. Handig voor op je bureau, grappig om cadeau te geven en fijn wanneer je erachter komt dat je het altijd al goed deed.

Zodat we goed Nederlands kunnen schrijven als de laatste moedertaaldocent de school verlaten heeft.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Huilen

Alma Mathijsen (1984) was op de radio. Ze werd een uur lang geïnterviewd door Pieter van der Wielen over haar nieuwe boek ‘Ik wil geen hond zijn’ in het middernachtelijk cultuurmagazine ‘Nooit meer slapen’. De hoofdpersoon van het boek is net als de schrijfster een jonge vrouw die in 1984 is geboren. Als haar relatie na vijf jaar eindigt, stort ze in een putdiep liefdesverdriet waaruit ze een uitweg vindt als ze hoort van een bureau dat ervoor kan zorgen dat ze als hond weer met haar (ex)geliefde wordt verenigd. Ze besluit in transitie te gaan.

Ovidius schreef zijn Metamorfosen, Gregor Samsa ontwaakt op een morgen als een smerig insect, de poedel die achter Faust aanliep na zijn wandeling op paasmorgen, verandert in een reizende student die spreekt als de duivel zelf, maar een jonge vrouw die zich transformeert in een hond om zo haar verloren geliefde onvoorwaardelijk te kunnen liefhebben, hadden we nog niet.

Mathijsen vertelt dat ze de opdracht tot het schrijven van een novelle van uitgeverij De Bezige Bij kreeg op het moment dat ze over niets anders kon schrijven dan haar liefdesverdriet. Honderdtachtig blaadjes had ze al vol getikt in wanhopige nachtelijke uren. Ze draaide alleen nog muziek van Pink Floyd en in haar hoofd vormde zich de gedachte om te veranderen in een hond, en die ging er niet meer uit.

Ik wil geen hond zijn is ook een retorica van het huilen. Na zoveel weken hebben beide ex-geliefden afgesproken bij de ingang van het Vondelpark. Dan zie je me. En direct huil je. Zachtjes schud je, duikt haast ineen, je gezicht trekt samen. Ik kan me niet meer inhouden en huil met je mee. Het stoplicht springt op rood, auto’s razen door terwijl we allebei schokkend huilen. En aan dat huilen komt geen eind. In het boek staat een opsomming van alle dingen die je huilend kunt doen: tandenpoetsen, was ophangen, een opiniestuk schrijven, koken kan huilend, kauwen is iets lastiger maar niet onmogelijk. Gelukkig eet ik amper. Plassen kan huilend en poepen ook. In slaap vallen gaat prima als je huilt, net zoals opstaan.

Hoe lang is het geleden dat er in de Nederlandse literatuur zo gul werd gehuild? Het verdriet om Tonio werd gesmoord in verbijstering en alcohol. Willem Kloos (1859 – 1938) weende om bloemen in de knop gebroken, in het oeuvre van Louis Couperus (1863 – 1923) wordt uit zenuwachtigheid menig traan geplengd, Piet Paaltjens/François HaverSchmidt (1835 – 1894) moet de laatste geweest zijn die zijn snikken op het omslag van zijn boek vermeldde. Op het linnen omslag van Ik wil geen hond zijn stromen zwarte en witte tranen tegen een blauwe achtergrond.

In de lichte muziek huilt men nog dat het een lieve lust is, van Martine Bijls Huil Marijke, pruil Marijke, ik nam jou je minnaar af, tot het hartverscheurende Crying van Roy Orbison. Er zijn lezers die moeten huilen om een boek. Niña Weijers (1987) noemt het de betere tranen, maar huilen in een boek?

Ze zeggen dat alleen mensen kunnen huilen, maar dat is niet waar. In het centrum ontmoet de hoofdpersoon van Ik wil geen hond zijn Gerard, die al ver gevorderd is met zijn transitie. Hij neemt haar op een nacht mee naar het bos en dan gebeurt het: Iets in me duwt zich naar buiten, mijn bek valt ervan open. Een huilend geluid dat ergens verstopt zat klinkt. Het lijkt niet eens uit mezelf te komen, maar ergens verder weg. Uit de aarde, diep onder de korst. Ik huil, ik jank met de maan ver boven me.

Ik lees een stukje voor in de klas, maar het verdriet, de tranen en de gedaanteverwisseling winnen het niet van de attracties op het scherm van hun mobiele telefoon. Het kan natuurlijk ook aan mijn declamatie liggen. Toch komt na afloop Xander naar mijn tafel en informeert naar de titel van het boek. Het leek hem wel een grappig verhaal. Ik denk: wacht maar jongetje.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Mediawijsheid

De rage van Loesje-affiches begon met de tekst: ‘een groot dressoir met een foto van mijn zoon erop’. Amsterdam, halverwege de jaren zeventig. Een witte ondergrond en zwarte, vette schreefloze kapitalen die het hele vlak vulden. De ooit snel geveegde opschriften ‘Klaas Komt’ en ‘Provo’ verbleekten op de aangetaste gevels die door boomstammen werden gestut. Het was op de Rozengracht, als ik mij niet vergis, lijn 13 denderde langs het Roothaanhuis. Alleen was het affiche niet ondertekend met het karakteristieke Loesje en, anders dan de plakkaten die de komende jaren uit haar naam zouden verschijnen, bevatte deze tekst geen enkele sententie.

We waren met de leerlingen van vier havo in FOAM, het Fotografiemuseum Amsterdam en de eerste vraag die ons werd gesteld was: hoe lang bestaat de fotografie eigenlijk. Om ons heen hangen foto’s van Brassaï (1899 – 1984), de man die voor generaties het beeld van Parijs heeft bepaald. Zestig jaar, schat de één, alsof hij nog nooit een foto van zijn grootouders heeft gezien. Honderd jaar, probeert een ander. George Hendrik Breitner, Eadweard Muybridge, Anna Atkins,  Jacob Olie, Félix Nadar, als men jong is zwemt men in een zee van tijd zonder horizon.

Twee meiden zijn stil blijven staan bij The stairs of Montmartre. Winterlicht. De fotograaf nam de foto van de trappen van de Rue Foyatier terwijl hij bovenop de Butte Montmartre stond, bij het eindpunt van le Funiculaire. Kale bomen, maar de afgevallen bladeren zijn al lang weggewaaid of opgeveegd. Er is geen mens te zien op de foto. Alleen het licht door de takken en het ritme van hekjes en lantaarns (lampen glanzen in het tegenlicht) steeds een niveau lager en dieper. Hoe komt het dat het lijkt als of je het beeld wordt ingetrokken?

Remco leidt ons rond en zegt dat het verhaal van de foto altijd met tijd heeft te maken. Wat je ziet is er al niet meer, en daar hoort weemoed bij en verlangen. Maar de Rue Foyatier en de trappen zijn er nog altijd en het verlangen ook, al hadden we daarvoor nog niet het woord weemoed bedacht. En Remco vraagt ons, ons voor te stellen wat zich ondertussen buiten het kader van de foto afspeelt. Want hoewel elke foto ons een stukje van de waarheid toont, is elke foto ook een leugen. Het woord mediawijsheid valt.

Er is ontegenzeggelijk veel veranderd sinds de komst van de digitale fotografie. Verdwenen is de traagheid, de geuren van ontwikkelaar en fixeer, het toverachtige van het werk in de donkere kamer, gekomen is de alomtegenwoordigheid van de camera en het beeld, iedereen is fotograaf, maker, model en kijker inéén. Nog nooit werd er zoveel beeld weggegooid en was er zoveel beeld beschikbaar. En, sorry Remco, ik vrees dat het digitale beeld niet langer gaat over tijd en weemoed, maar over de vormgeving van zichzelf als merk, over schitteren en over belofte.

Nu zijn we bang voor het beeld omdat er iets op staat dat niet waar is, kort geleden was het omdat er iets niet op de foto stond, terwijl het wel degelijk was gebeurd. De mislukte foto van Dorbeck, het verdwenen filmrolletje van Srebrenica.

Hoe laat je een kiekje zien in een woonkamer? Gewoon neerzetten in een boekenkast is het makkelijkst. Dan staat het tussen prentbriefkaarten en foto’s van vrienden en bekenden. Het maakt deel uit van een openbaar dagboek, plaatjes uit verscheidene jaren,net of je de tijd te slim af bent., schrijft K. Schippers (1936) in Op de foto. Instagram in de boekenkast, maar dan anders.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 1 reactie