Er was nog tijd

‘Ik zal hem hier niet opsteken, hoor.’ Ik zit op een bankje voor het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, met mijn rug naar het Oosterpark en naast me neemt een jonge vrouw plaats, met de nodige tussenruimte, dat wel. ‘Werk je in het ziekenhuis?’ vraagt ze. Ik antwoord dat ik op de tram wacht. Ze kijkt om zich heen, ziet dat bij de abri’s geen zitplaatsen meer zijn, zelf werkt ze wel in het ziekenhuis. De ene keer op locatie west, de andere keer op locatie oost. Locatie west is fijner. Maar ze moet wel vroeg op. Niet dat ze vaak te laat komt, maar het komt vaak genoeg voor dat ze op het laatste moment nog een ‘uber’ appt om op tijd te komen. Ze werkt in de parkeergarage. Dan maakt ze eindelijk werk van de baal shag die ze in haar hand heeft en begint een sigaret te rollen.

Terwijl ze verderop staat te roken voert haar baal shag me terug naar mijn vader. Hij is al jaren overleden. Hij viel zomaar in het gangetje tussen de huiskamer en de keuken, mijn jongste zus zette het op een schreeuwen en belde daarna met een snik in haar stem 112. De ambulancebroeders lieten er geen gras over groeien en brachten mijn vader met gillende sirenes naar het ziekenhuis. Daar werd hij met spoed geopereerd. Daarna is hij niet meer bij kennis geweest, een paar dagen later werd zijn dode lichaam thuis gebracht. Op de kop af een week na de eerste touretappeoverwinning van Michael Boogerd in Aix-les-Bains.

De column van Eva Meijer (1980) die afgelopen dinsdag in Trouw verscheen, heet Brief aan mijn vader. Ze schrijft: Er was nog tijd. Ik dacht: de volgende column schrijf ik over jou. Maar ik kan je deze niet meer voorlezen. En eigenlijk heb ik nu de woorden niet. En ze schrijft: We hoefden eigenlijk niks meer te zeggen. Woorden zijn haast overal beter in dan wij maar soms hebben we ze helemaal niet nodig.

Ik leende tijdens de uitvaartdienst van mijn vader de woorden van Lucebert (1924 – 1994). De eerste regel luidt hetzelfde als de titel van het gedicht: als je weet waar ik ben zoek me dan en de laatste regel luidt: maar waar ik in het tikken stik adem jij in mijn voort .

Tijdens het lezen meende ik dat de eerste persoon enkelvoud uit de openingsregel naar mijn vader verwees en de eerste persoon enkelvoud uit de slotregel naar mij. Wat er in de zestien regels tussen begin en slot gebeurde bleef een vermoeden.

Toen de bundel Oplossingen verscheen, interviewde Jessica van Geel de schrijfster Marja Pruis (1959) voor Trouw. ‘Ik ben pas gaan publiceren toen hij overleden was.’ Haar vader stierf in 1995. ‘In die tijd recenseerde ik al wel voor De Groene, maar ik schreef over buitenlandse literatuur en biografieën en zo. Toen ik mijn ouders’ huis ging opruimen [haar moeder is inmiddels ook overleden] kwam ik dat weer allemaal in mapjes tegen. Ze hadden alles van mij bewaard. Mijn vader las alles.

Maar dat klopt niet. Pruis’ vader stierf in dezelfde vroege zomer als de mijne. 1996.

Toen mijn vader stierf was hij vijfenzestig jaar en acht maanden. Ik nam me voor langer dan hij te leven.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Egberts jokt niet

Stemvorken, de nieuwe roman van A. F. Th. van der Heijden (1951), begint op een zomeravond in Amsterdam Zuid. Albert Egberts en zijn vrouw Zwanet Vrouwdeunt ontvangen Corinne Suwijn op hun balkon met uitzicht op de tuin. De trouwe lezer van het werk van Van der Heijden heeft al wel eens van Suwijn gehoord. Ze kwam  eerder langs en werd dan ‘de Venus van Mierlo’ genoemd. Ze is een jeugdliefde van Egberts en nog steeds een goede vriendin, ze is getrouwd met Hans Krop die bij Egberts in de klas zat, maar dat huwelijk loopt op zijn einde. Albert Egberts vond de tijd gekomen om Corinne aan zijn vrouw voor te stellen. Zwanet kent alleen de afbeeldingen van Suwijn op de Vogue uit de tijd dat laatstgenoemde modellenwerk deed.

Als het huis en de tuin zijn besproken, komt het gesprek op de buurt. Albert Egberts voert het woord. Toen eind negentiende eeuw de percelen in deze buurt verkocht werden… en de Amsterdamse kak per se achter het Concertgebouw wilde wonen… toen snapten makelaars en aannemers wel dat geen mens op nummertje honderd wilde wonen, want dat was indertijd het eufemisme voor schijthuis.. of kakdoos, zo je wilt. Bij het toekennen van de huisnummers sloeg de gemeente het gewoon over.

Egberts jokt niet. Via Google Streetview is in elk geval in de Johannes Verhulststraat geen nummer honderd te ontdekken. Corinne Suwijn herinnert zich onderweg wel langs nummer negenenzestig te zijn gekomen. Hoe kwam het dan dat de negentiende-eeuwers bij dat getal geen scrupules hadden?

De gastheer weet het antwoord. Hij loopt naar binnen, naar de boekenkast. Albert kwam weer tevoorschijn met in zijn hand een paperback, een vinger tussen twee bladzijden geklemd. ‘Dit zijn aforismen van de dichter Jan Kuijper.’ Hij sloeg het boekje open. Ik herkende het aan de kindertekeningen van de schrijver op het omslag: er stonden ook aforismen in over zijn grootvader Jan Sluijters, een van mijn favoriete schilders. ‘Misschien kan hij ons uit de droom helpen. Hier… citaat: “Onze vaderen beften hun vrouwen niet – begin er maar eens aan met het ijs op de lampetkan!” Einde citaat.’

Denkbeelden heet het boekje van Jan Kuijper (1947). Het is in 1991 verschenen. Ad Zuiderent besprak het voor Trouw. Ik hou niet van aforismen. Het is het genre waarmee iemand nadrukkelijk laat weten de knapste van de klas te zijn; het is een genre dat niet ontroert., schrijft hij, maar hij vindt het toch een spiritueel geconstrueerd boek dat zich als een roman laat lezen. Het aforisme over het ijs op de lampetkan is het vierentwintigste. Nummer 375 luidt: Hij weegt zijn onzin op een goudschaaltje en nummer 570: O, het groen van de graat van de geep en de voet van de meerkoet!

Albert Egberts meent het vraagstuk van het huisnummer 69 in de Concertgebouwbuurt opgelost te hebben door te verwijzen naar een aforisme, maar de makke met een aforisme is dat het zijn bewijskracht niet ontleent aan feiten of bronnen, maar aan het aplomb waarmee het wordt gebracht.

Als ik het woord beffen opzoek in het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) krijg ik maar een resultaat: ww.(intr.,trans.,refl.,zw.) (Bedr. en wederk.) (Iem., zich) een bef aandoen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Boven-Herwijnse belangen

Ik las voor het eerst over Herwijnen in ‘Een jaar in scherven’, het succesvolle privédomeindeel waarin Koos van Zomeren (1946) schreef over zijn jeugd in dat dorp aan de Waal. Dat was 1988. In 2006 verscheen er een nieuw Herwijns dagboek van zijn hand: ‘Nog in morgens gemeten’ waarin de schrijver van ‘Collega Vink vermoord’ zijn oude stiel oppakt en in het voorbijgaan probeert klaarheid te brengen in een raadselachtig sterfgeval in het dorp uit zijn jeugd. Een paar maanden geleden vulde Van Zomeren de Herwijnenreeks aan met ‘Aan de dijk Herwijns dag- en fotoboek’. De laatste zin van de verantwoording die de auteur aan het boek toevoegt luidt: ‘Tot slot: ik prijs me gelukkig met een redacteur als Peter Nijssen en een uitgeverij als De Arbeiderspers; het boven-Herwijnse belang van dit boek is bij mijn weten geen moment in twijfel getrokken.’

Wat dat boven-Herwijnse belang is, omschrijft Van Zomeren niet met zoveel woorden. Het is aan de lezer om daar achter te komen.  Ik heb de indruk dat Van Zomeren zich met dit boek een plaats wil bevechten in de rij van grote Herwijnse verhalenvertellers. Hij memoreert de bevrijdingsfeesten van het dorp: De inwoners, per straat of buurt georganiseerd, proberen elkaar dan te overtreffen in de verbeelding van een bepaald thema; het resultaat is een soort carnavalsoptocht zonder carnaval (en doorgaans ook zonder optocht). Tegelijkertijd twijfelt de schrijver aan zichzelf. Het is een beetje zoals bij Nescio (1882 – 1961) die na een paar sublieme novellen nooit meer verder kwam dan een schets, een nauwelijks uitgewerkt beeld, een melancholieke observatie. Niet alleen zijn zoon Jan, maar ook vader Koos krijgt een hekel aan de verteltoon van de tekst die aan het ontstaan is: Zinnen als los zand. Je slaat een paar noten aan, maar ze blijven hangen, er komt geen melodie van.

Waar komt dat verteltalent van de Herwijners vandaan. Van Zomeren komt te spreken over de Herwijnse geheugens. Die werden in hun vormende jaren gevoed met zaken van onmiddellijk belang. Mijn vader zag Atje dingen doen waarvan je mocht aannemen dat hij ze zelf ook zou gaan doen: sloten schonen, greppels graven, gras groenen. Als het om geheugen gaat is de alliteratie nooit ver weg. Vervolgens denkt Van Zomeren terug aan zijn eigen vorming: goniometrie, Schwere Wörter, het periodiek systeem en zoiets dubbelzinnigs als Maagdenburger halve bollen – zaken waarvan het belang, zo ooit, pas ergens in de toekomst zou blijken. Dat moet ik onthouden voor mijn eigen lespraktijk: laten zien dat de omgang met teksten hier, nu en onmiddellijk navolging behoeft. Dat is een tweede boven-Herwijns belang.

De dijkhuisjes in ’t Rot en d’n Berm zijn bijna allemaal gesloopt. Op de foto’s in het boek kunnen we zien hoe het er ooit heeft uitgezien en wie er woonden. De meesten zijn overleden, wie nog over is woont in het verzorgingshuis Avondlicht in de nieuwbouw van het dorp. Van Zomeren zoekt ze op. Het is het voorjaar van 2020, de schrijver heeft haast en gunt zich de tijd niet zijn natuurbeschrijvingen uit te werken. Op vijf april schrijft hij: Heerlijke voorjaarsochtend na een koude nacht. Roffelende spechten, bloeiende bosanemoon, ontluikende zoete kers enz. Denkend aan Huize Avondlicht. Wie nog leeft zit opgesloten in zijn of haar kamer. Verzorging, alleen het noodzakelijke, door mensen ‘in pakken’. Niets te doen. Televisie, alleen maar nog méér corona-ellende. Wachten. Wachten en luisteren. Of dat virus ook bij jou aanklopt. Horror.

Dat zo’n pandemie ook de verhalenstroom stokt, is misschien wel het ergste.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Geen doel

‘Het Nederlands algemeen vormend onderwijs is doodziek; we zitten ergens tussen terminaal en euthanasie volgens mij’. Aan het woord is economiedocent, lerarenopleider en publicist Ton van Haperen. Tegenover hem zit Ad Verbrugge, activist, filosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, muzikant en voorzitter van Beter Onderwijs Nederland (BON). Verbrugge heeft de economiedocent uitgenodigd voor een gesprek dat is gepubliceerd op het YouTubeplatform ‘De Nieuwe Wereld’. Beide heren zijn al bijna een uur aan het praten als Van Haperen zijn verzuchting slaakt. Verbrugge wil het onderhoud graag afsluiten met een sprankje hoop, een lichtpuntje in de duisternis. Het komt er niet van.

Het is niet omdat beide heren niet weten wat er belangrijk is bij het verzorgen van onderwijs aan de aanstormende generatie. Van Haperen verwoordt het als doorgeven wat van waarde is, het woord enthousiasme valt, en daarin de hele klas meenemen. Cultuuroverdracht, voegt Verbrugge toe, of is het een samenvatting van de woorden van zijn gesprekspartner. Inwijding, hoor ik de filosoof zeggen en wat je met elkaar wilt.

Je kunt zien dat Van Haperen en Verbrugge begrijpen wat ze bedoelen, maar deze kijker snakt aan het scherm naar verduidelijking. Wat van waarde is, is dat Sybrand van Haersma Buma die voorstelt om elke schooldag te beginnen met Het Wilhelmus, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt, is dat De Canon van Nederland, met of zonder Floris de vijfde? Is dat diversiteit, inclusiviteit, woke? Is het burgerschap, kritisch burgerschap, wereldburgerschap misschien? Uiteindelijk zijn de schoolbesturen de enigen die kunnen uitmaken wat van waarde is. Zo hebben wij dat sinds het begin van de vorige eeuw geregeld in Nederland. Ton van Haperen is de eerste om toe te geven dat de invulling van wat van waarde is om door te geven persoonsgebonden is en intuïtief. Een goed idee, of iets gezien in Engeland of Finland is voldoende argument voor een nieuwe onderwijshype. Het is hopeloos, stelt de econoom vast als het gesprek een half uur is gevorderd.

Ik weet niet wat van waarde is in de economie om door te geven aan de volgende generatie. Marktwerking, welvaart of welzijn? En voor wie dan, en ten koste van welke andere wezens? Wij van moedertaalonderwijs hebben al lang geleden afstand gedaan van het doorgeven van wat van waarde is, en ons dienstbaar opgesteld door onze leerlingen te helpen beter uit hun woorden en die van anderen te komen. Beter leren lezen en schrijven en een klein beetje literaire vorming, verder gaan de ambities niet.

Ja, we horen de jammerklachten over de slechte taalbeheersing van onze jeugd en we weten dat de uitstroom van academisch afgestudeerde taal- letterkundigen veel te klein is om te beantwoorden aan de vraag van het onderwijs, en we zien ook dat in steeds meer studies en sectoren van de samenleving het Engels de voertaal wordt, en daar vinden we iets van ook al weten we niet wat.

Maar we weten ook wat Carry van Bruggen honderd jaar geleden schreef: In de gedachte dat er over een eeuw geen Nederlands meer worde geschreven, ligt alleen iets ontstellends en bedroevends voor hen, die slechts in en door de collectiviteit bestaan, die met haar en haar distincties (haar taal dus in de eerste plaats) staan of vallen – maar de denkende mens, beseffend, dat de taal middel is en geen doel, en dat het enig-wezenlijke en enig-belangrijke de eeuwig-voortbestaande gedachte is, is daardoor niet vrij van gehechtheid en genegenheid jegens zijn taal – integendeel, hij voelt die wellicht dieper dan de Hollandse patriotten die zo graag met hun driehonderd woorden salonengels en sportengels pronken – doch hij wacht er zich voor, die gehechtheid op te blazen tot een beginsel, tot een ideaal.

En we leerden van Lucebert dat alles van waarde weerloos is.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Zevenhonderd euro

Vier dagen geleden verzond Pascal Cuijpers, docent in het voortgezet onderwijs, faalangstreductietrainer en auteur van het boek Woordenwisseling, een tweet waarin stond: ‘Het valt me op dat leerlingen uit de onderbouw (!) hun huiswerk soms niet kunnen inleveren omdat ze moesten werken… Zorgelijke tendens. Schoolzaken lijken in te boeten aan urgentie. Herkenbaar?’. Zelf geef ik al jaren geen les meer aan leerlingen uit leerjaar een en twee. Uit het uitroepteken achter ‘onderbouw’ maak ik op dat we het bij leerlingen in de bovenbouw veel gewoner vinden dat hun schoolwerk lijdt onder betaalde werkzaamheden. En ja, dat herken ik. Voor menigeen is het bijbaantje al lang geen bijbaantje meer.

De eerste maanden van de intelligente lockdown was ik bevangen door een verwarrende woede. Ik zag hoe onze samenleving een unieke kans voorbij liet gaan om een basisinkomen in te voeren. Onze volksvertegenwoordigers kozen ervoor het verlies aan inkomen van werkende mensen door de coronacrisis te compenseren met ruimhartige vergoedingen aan werkgevers, Schiphol, KLM en Booking.com voorop. Onderwijsminister Slob gebood alle scholen de deuren te sluiten. Mijn eerste gedachte was dat dit de nekslag was voor de acties van onderwijsgevenden voor betere beloningen, terugdringen van de werkdruk en herstel van de positie van meesters en juffen , om te beginnen voor de collega’s van het primair onderwijs. Mijn tweede gedachte was dat alle scholieren hard nodig waren in de supermarkten waar het weekend ervoor alle schappen waren leeg gehamsterd. Een paar dagen later maakte ik kennis met Teams en online lesgeven.

Hebben we het op school over de wenselijkheid van een basisinkomen? Daar gingen wel twee van de vier teksten over die de havo-kandidaten tijdens hun examen Nederlands onder ogen kregen. De ene tekst vond het basisinkomen geen goed idee, de andere stond er welwillender tegenover, maar zag voorlopig nog de nodige mitsen en maren. Wie dit antwoord gaf op vraag 39 kon daarmee twee punten scoren.

Vlak voor de laatste tweede Kamerverkiezingen, afgelopen maart, stelde de regering acht en half miljard euro beschikbaar om de leer- en kennisachterstanden die waren ontstaan door de maatregelen van de regering tegen de covid-pandemie weg te werken. Dat onze leerlingen al twintig jaar elk jaar een beetje minder leren lezen en rekenen is omstandig aangetoond in achtereenvolgende pisa-onderzoeken. Niemand weet welk deel van die achterstanden komt door de pogingen van de regering om het aantal ziekenhuisopnames van covid-patiënten te verlagen. Of een eenmalige investering van acht en half miljard euro het juiste medicijn is tegen de veronderstelde achterstanden, staat niet vast. De Algemene rekenkamer waarschuwde al wel dat de kans aanzienlijk is dat de miljarden wegstromen zonder een spoor achter te laten.

Aan de mensen die op school werken, is niets gevraagd. Die hebben, voordat het virus de samenleving in de ban hield, bij diverse acties en stakingen naar voren gebracht dat de problemen in het onderwijs niet met eenmalig geld zijn op te lossen, dat de oplossing gezocht moet worden in structurele verbetering van de positie van mensen in het onderwijs, het afschaffen van de lumpsumbekostiging, betere opleidingsmogelijkheden en kleinere lesgroepen. Het zou best kunnen dat er zo ook een einde komt aan lerarentekort.

Deze agenda heeft plaats gemaakt voor gekibbel over de verdeling van acht en half miljard euro. Naar verluid zou het gaan om een bedrag van zevenhonderd euro per leerling. Gelijk uitkeren in klinkende munt asjeblieft. Dan hebben onze leerlingen misschien meer tijd voor hun huiswerk. Al is het maar voor een maand.

Al is het maar voor een week.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Onderweg

Nederland is te klein voor roadnovels. Het is onmogelijk om zich te verliezen in de wegen en de vlakke weiden. Autorijden heeft hier niets romantisch, het is stressen en jakkeren. De schaarse Nederlandstalige roadnovels zoeken het dan ook al snel over de grens. Ik herinner me ‘De slakken van Cannêt d’Olt’ van Ben Borgart (1940 – 2016) uit het begin van de jaren zeventig, die naar het zuiden van Frankrijk leidde. ‘Gibraltar’ van Renske Jonkman (1982) begint op de Amsterdamse Zuidas en eindigt in Essaouira aan de Atlantische kust van Marokko. P.F. Thomése (1958) stuurt zijn personage J. Kessels van Tilburg naar Hamburg en weer terug. Boxgeur van Vincent van Warmerdam (1956) speelt in de Verenigde Staten, volgt het spoor van de trans Siberische spoorlijn van Moskou tot Mongolië, zwenkt zuidwaarts richting Peking en pleistert enige tijd op een idyllisch eiland van de Indonesische archipel.

Niemand schrijft mooiere reisreportages dan Cees Nooteboom (1933). De beschrijvingen van de tochtjes in het Natuurdagboek van Nescio (1882 – 1961) zijn ontroerend. De verhalen over de wandeltochten van Jacob van Lennep (1802 – 1868) en Jac. P. Thijsse (1865 – 1945)  onovertroffen, maar roadnovels zijn het niet; want geen auto en geen rock ’n rollmuziek.

Die van Kessels is een Toyota Kamikaze met een cd-apparaat aan boord. Met zijn bruingerookte nicotinevingers schoof hij de cd in de gleuf en daar jankte op volle sterkte het verloren gewaande vaderland genaamd Texas onze cabine binnen. Een oude landrover rijdt van Amsterdam naar Marokko en uit de opengedraaide ramen hoor je muziek van The Doors. De auto in Boxgeur is een ivoorkleurige Chrysler Newport 1963. Onderweg is er weinig. Ja, keiharde blauwe luchten en muziek: FM-rock of country-and-western of onze eigen meegebrachte cassettebandjes.

The Invisible Chiefs bestaat uit Rem, gitaar, Manny, drums en zang, en Elsa, de jongere zus van Manny die basgitaar speelt. Een cassette met vier van hun liedjes had enige bekendheid gekregen op de campusradiostations. Midden jaren tachtig, een geheimzinnige auto-immuunziekte dreigde een eind te maken aan de vrolijke losbandigheid die sinds de jaren zestig over de naoorlogse generatie vaardig was geworden. Later zou die ziekte de naam AIDS krijgen. Want dat is een derde kenmerk van een roadnovel; de duivel zit de personages op de hielen.

Het is geen geoliede tournee, het is een romantisch verlangen naar de wortels van de Amerikaanse muziek die het drietal voortjaagt van Los Angeles naar Toronto, Canada, en weer terug. Manny, wordt ziek, Elsa heeft heimwee en gaat terug naar Nederland. Rem krijgt er niet alles van mee. Hij is op de vlucht voor het vaderschap.

‘Zal ik dan maar met zoon en al bij jou intrekken?, zei ze om me op de proef te stellen.

Ik zette me schrap. ‘Wil je niet liever iets voor jezelf?’

‘Je bedoelt dat jij dan lekker je gang kunt blijven gaan?’

‘Jij predikt toch onafhankelijkheid?’

‘Ja, en wie betaalt de rekeningen?’

Toen wist ik even niet meer wat ik zeggen moest.

Op drie april vorig jaar was Vincent van Warmerdam te gast bij het radioprogramma Nooit meer slapen. Hij sprak over de jaren tachtig als een schizofrene tijd. Je wist nooit precies waar je aan toe was, altijd was er de vraag: wat is eigenlijk de bedoeling?

Op die vraag zou ik het antwoord ook niet weten.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een tafel, een bloempot

Als ik om tien over twaalf het lokaal binnenkom, treft mij een stilte die ik moeilijk kan duiden. Ze hebben juist een uur tekenen gehad, hier en daar ligt nog een vel tekenpapier op tafel, een gum, potloden, maar de meeste leerlingen van deze vier havogroep zijn verdiept in het scherm van hun telefoon. Een dromerige stilte, denk ik. Deze rust vasthouden en ongemerkt de aandacht afleiden naar de volgende les. Een korte ronde door de klas om te informeren naar hun welbevinden en daarna schrijf ik op het bord wat, als het aan mij ligt, de mogelijkheden zijn voor het komende lesuur; doorwerken aan de cursus poëzie uit het boek, een zelfgekozen gedicht analyseren zoals we dat geoefend hebben, of vragen maken bij een van de vier door mij meegebrachte gedichten. Al snel komt de vraag wat we eigenlijk kunnen verwachten van het komende schoolexamen over poëzie. Dat geeft me de mogelijkheid om onze bemoeienissen met gedichten van een actuele context te voorzien.

Al sinds de eerste editie van De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, de grote bloemlezing waar Gerrit Komrij van 1979 tot zijn dood de redactie over voerde, is het gedicht Jij was een avond in mijn tuin van Neeltje Maria Min (1944) daarin opgenomen. Het is een gedicht uit haar beroemde bundel Mijn moeder is mijn naam vergeten uit 1966 en het is opgebouwd uit vertrouwde elementen uit het werk van Min. De tuin, het ongemerkt verstrijken van de tijd, huiselijke taferelen, een tafel, een bloempot, spiegelingen, onthouden en vergeten. Maar dat weet je nog niet als je in vier havo zit en nog nooit iets van haar hebt gelezen.

Dan is er veel duister en raadselachtig aan de regels Een bloempot in de hand, stond, / ongemerkt veranderd, ik voor ’t raam / en wees naar wat ik buiten zag: / een standbeeld krom van schuld, / om te vergeten opgericht. //  Dan helpen misschien de vragen Tijdens welk deel van de dag speelt het gedicht zich af? Hoe weet je dit? Als je op dat tijdstip uit het raam de tuin in kijkt, kun je dan wat zien?

Spiegel, tuin, barrière van glas, ze komen ook ter sprake in een interview in Trouw met de dichteres uit 2019, toen het thema van de boeken week Moeder, de vrouw was. “Ons huis in Bergen had een grote tuin en elke ochtend. Nog voor ik naar school ging, wandelde ik daar altijd even doorheen.” Een ander gedicht brengt een herinnering boven aan de keer dat de oudste met zijn hand door de glazen tussendeur was gegaan. En hier staat ze met haar kleindochter voor de spiegel.

Het is avond in het gedicht. Dat staat in de eerste regel. En wat je dan door het raam in de tuin ziet? De maan misschien, omtrekken van struiken en planten? Ik vraag nog even door. Je staat in een verlichte kamer, je bent bezig een bloempot te verplaatsen en je wijst naar het raam de donkere avond in, wat zie je?

Wat een leuk gedicht is dit!, roept ze, en doorbreekt daarmee de stilte in het lokaal. Ineens wil iedereen weten wat er zo leuk aan is, maar daar hebben ze mij niet voor nodig, laten ze dat elkaar maar wijs maken.

Ik kijk de naar de groep. Een halve klas, de andere helft is thuis aan het werk. Het valt me op dat er geen jongens bij zijn.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Pap

Negentien mei twitterde Lieke Marsman – dichter (op goede dagen des vaderlands) – ‘iemand hier op twitter noemde Hugo de Jonge ooit “een lachend bord pap” en ik stel voor dat we dat voortaan allemaal doen’. De reacties bleven niet uit. Marc Janssens – hoofdredacteur van christendemocratische verkenningen en docent klassieke talen – was de eerste: ‘Mijn hoop was altijd dat een dichter tenminste nog de fijngevoeligheid van het woord en enige bezonnenheid had. Maar blijkbaar nemen deze nu ook al hun toevlucht tot de eerste de beste platitude op sociale media.’. Dineke Heil – moeder, oma – volgde met: ‘Kritisch zijn is oké maar anderen oproepen tot pesten??’. Marsman reageert met een draadje van vijf tweets dat begint met een retorische vraag ‘Weet je wat pesten is?’ en eindigt met ‘Maar prima, zeg ik het de volgende keer weer in een sonnet.’.

Het geval laat haar niet los en ze denkt er verder over na in een blog op haar website www.liekemarsman.nl . Mensen merken soms op dat ik de afgelopen jaren uitgesprokener ben, bozer lijk, zowel op social media als in mijn werk, om daar aan toe te voegen dat dat misschien komt doordat het feit dat ik al drie jaar kanker heb een bepaalde vechtlust heeft aangewakkerd., schrijft ze en dan wijst ze erop dat wat haar betreft mildheid en woede heel goed naast elkaar kunnen bestaan, sterker nog, de een schept ruimte voor de ander. Hoe scherper mijn woede brandt, hoe warmer de rest van mij is. Maar ze benadrukt ook dat haar woede niet alleen dient om zichzelf op te warmen: Een van de redenen dat ik er juist als dichter des vaderlands voor kies om zo nu en dan onfatsoenlijk te zijn, is dat ik hoop dat het enige ruimte schept voor alle kunstenaars die momenteel met moeite het hoofd boven water weten te houden. Ze besluit haar bijdrage met een oproep aan haar collega kunstenaars (man én vrouw én non-binair): bijt de hand die je voedt, bijt en bijt — net zolang totdat je beter te vreten krijgt.

Het is niet voor het eerst dat Marsman vaststelt dat maatschappijkritiek voor haar een overlevingsstrategie is. 21 maart 2018 krijgt ze de mededeling dat de pijn in haar schouder wordt veroorzaakt door een kwaadaardige tumor van 8x9x10 centimeter in haar bovenrug. Ze beschrijft de periode van onderzoeken en de eerste operatie in een klein boekje dat onder de titel De volgende scan duurt vijf minuten nog hetzelfde jaar verschijnt. Er zijn een paar redenen waarom de gedichten in dit boekje over kanker en politiek gaan, en niet alleen over kanker. Allereerst had ik over politiek schrijven nodig om niet volledig door de kanker opgeslokt te worden. (…) Nog een reden: naarmate je plek in je eigen leven ten opzichte van je geboorte en dood duidelijker wordt, wordt ook je plek ten opzichte van de maatschappij om je heen duidelijker. Het contrast tussen het regeringsbesluit om Shell en Unilever jaarlijks 1,4 miljard euro dividendbelasting kwijt te schelden op grond van een zoekgeraakt memo en de systematische bezuinigingen in de gezondheidszorg begint dan dichter op de huid te schrijnen.

Er is niet veel pap in de Nederlandse letteren. Johnny van Doorn (1944 – 1991) schreef een libretto met de titel Oorlog en pap. Er is sprake van bibelebonse pap in een kinderversje dat verhaalt hoe die met een bibelebonse lepel wordt gegeten uit een bibelebonse nap. Lieke Marsman heeft het in het gedicht Universele esthetiek uit haar pas verschenen bundel In mijn mand over de ongefundeerde zelfverzekerdheid van regeringsleiders aan het begin van een mislukte termijn  die ze omschrijft als Dun melkvel van arrogantie op een pap met klonten.

Zodat ik verlangend uitzie naar hoe Marsman het pap-motief uitlepelt in het aangekondigde sonnet.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een of andere anonymus

Het examen Nederlands voor het havo telde dit jaar tweeënveertig vragen naar aanleiding van vier teksten. De eerste tekst noemde ‘vleesetende vegetariërs’ in de titel, maar ging niet over wel of geen vlees eten. In de tweede kwam Pierre Bourdieu ter sprake en draafden er in de vierde alinea ineens vier apocalyptische ruiters de tekst binnen. De twee laatste teksten gingen over het basisinkomen, maar ook over een sterke tijger op een schaduwrijke savanne en een kapucijneraapje in de oerwouden van Suriname. Op scholieren.com meldde zich iemand die zich ‘op dertien verschillende manieren genomen’ voelde door dit examen. Een snelle enquête op dezelfde site wees uit dat tweeënvijftig procent het met die kwalificatie eens was en dat dertien procent het examen ‘goed te doen’ vond.

Alle vier de teksten zijn geschreven in 2016. Dat is vijf jaar geleden. De kandidaten die nu over hun examen zijn gebogen, zaten toen in de stress voor de eindmusical van de basisschool. Van het Covid-19-virus had nog niemand gehoord. De Tour de France werd dat jaar gewonnen door Christopher Froome, Oekraïne won het songfestival, de Europese Unie sloot een vluchtelingendeal met Turkije en in november koos de Amerikaanse bevolking een nieuwe president die Donald Trump heette. O heerlijke tijden van het pre-covidium. Is die wereld nog wel voorstelbaar voor wie zijn vormende jaren genoot achter een gezichtsmasker en op anderhalve meter afstand?

Marc van Oostendorp (1967), taalkundige en lezer, hoogleraar aan de Radboud Universiteit, becommentarieerde drie jaar geleden het havo-examen Nederlands. Hij wond zich op over vraag 31: In alinea 2 wordt beargumenteerd dat onze maatschappij geobsedeerd is door voedsel. Een kritisch lezer zou in deze argumentatie vooral een bepaald type drogreden kunnen zien. Welk type drogreden is dat? A een cirkelredenering B een onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema C een overhaaste generalisatie D een verkeerde vergelijking

Wat een laffe manier van de zaken voorstellen in een eindexamen is dat!  reageerde Van Oostendorp, Die anonieme kritische lezer zou van alles en nog wat voor een drogreden aan kunnen zien, (…) Waarom moet je je als kandidaat inleven in de een of andere anonymus?

Hij had zich de moeite kunnen besparen. De anonieme kritische lezer is terug in vraag tien van het afgelopen examen, waar staat: Een kritisch lezer kan in een tekst verschillende drogredenen herkennen, zoals: 1 cirkelredenering 2 onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema 3 overdrijven van voor- of nadelen 4 overhaaste generalisatie 5 persoonlijke aanval 6 verkeerde vergelijking 7 vertekenen van het standpunt. Het is aan de kandidaat om de drogreden te benoemen die in de tekst gebruikt wordt, althans die een kritische lezer als zodanig kan herkennen.

Ondertussen lees ik op de vaksite www.Neerlandistiek.nl dat het College voor toetsen en examens (CvTE) en het Centraal instituut voor toetsontwikkeling (CITO) nadenken over andere vragen in het examen Nederlands en ook de kritiek van Van Oostendorp lijkt te zijn gehoord. CvTE en CITO spreken van functionele vragen over argumentatie, waarbij leerlingen geen argumentatieschema’s hoeven in te vullen of drogredenen moeten benoemen, maar waarbij ze bijvoorbeeld vanuit een voor hen herkenbare situatieschets (zoals de voorbereiding op een debat) naar de argumentatie in een tekst kijken.

De anonieme kritische lezer zal naar een functie elders moeten uitzien.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Zingen

‘Meneer, weet u wel dat Sjoerd vandaag jarig is?’ Ik wist het niet. Vijftien jaar is hij geworden en hij zit in vier havo. Of ze al voor hem hebben gezongen. ‘Als jullie dat doen, ben ik gelijk weg’, zegt de jarige. Meer aanmoediging hebben we niet nodig; het ‘Lang zal hij leven’ wordt ingezet en het feestvarken neemt gelijk de benen, het lokaal uit en zoekt een heenkomen op een van de tafels die in het leshuis staan. Als het ‘Hiep, hiep, Hoera’ is verstomd waarschuw ik hem dat de kust veilig is en dat hij terug kan komen. Zodra hij binnen is, begint het zingen natuurlijk opnieuw.

Volgens het Koornetwerk Nederland zijn er in ons land 1.700.000 zingende mensen, amateurs en professionals, solisten en koorleden. Het netwerk heeft weet van tienduizend geregistreerde koren, maar het aantal wilde koren kent niemand precies. Toch verbleekt de Nederlandse koortraditie bij die van het Verenigd Koninkrijk. En het koorleven van de Britten staat op zijn beurt in geen verhouding tot dat van de Baltische staten en dan in het bijzonder Estland waar tijdens het jaarlijkse zangfeest üldlaulupidu de ene helft van de bevolking in grote stadions de andere helft toezingt. Is het waar dat de zanglust toeneemt naarmate men de magnetische noordpool nadert?

In de vroege jaren zestig van de zestiende eeuw rustten de Antwerpse kooplieden Jonghelinck, Hoefnagel en Hooftman drie schepen uit voor een expeditie naar het Noorden. Ze waren uit op walvisvlees, olie en traan en het ivoor van walrustanden, maar er was ook het gerucht dat men op zoek ging naar een Noordelijke doorvaartroute naar Azië. Drie jaar later keerde een van de drie schepen terug naar de Scheldestad. De opvarenden zagen er haveloos en vermagerd uit en keken met een lege blik om zich heen. Geen wist te vertellen wat er met de anderen was gebeurd. Het ruim was gevuld met walvisvlees en walrustanden en een ruime kooi die met een zwarte doek was bedekt toen hij op de wel gehesen werd. In de kooi huisde een monster, meer precies een moederdier met haar jong. Jeroen Olyslaegers (1967) doet er verslag van in zijn vorig jaar verschenen roman Wildevrouw.

Het vrouwdier en het kind vonden onderdak bij de beroemde kaartenmaker Abram Ortelius, maar zijn behuizing was bij nader inzien ongeschikt, waarna het gezelschap een kamer kreeg In de Engel op het Zand waar herbergier Beer de scepter zwaaide. Hij hield de wildevrouw en haar kind verborgen voor zijn gasten, maar lang kon dit niet duren. De Skraelingen maakten zelf hun aanwezigheid bekend door te zingen.

Ik noem het ‘gezang’ omdat ik er geen ander woord voor heb. Het klonk alsof het een duivel of een engel wilde bezweren. Woorden kon ik niet herkennen, het waren klanken die soms hoog gingen, soms heel diep, alsof een vrouwenstem die van een man werd en omgekeerd, of als een mens die verandert in een beest en omgekeerd.

Dat voor de jagers in het hoge noorden voor de jacht begint het visgerei net zo goed op orde moet zijn als het lied, wisten we al uit de tekst Neuriën op Nipissak van H.C. ten Berge (1938). Jeroom uit het boek van Olyslaeger, die op de noordpool blind is geworden, weet het ook: De wilden daar zingen tot het ijs kraakt, waardoor zij kunnen varen waar geen ander dat kan. Dat gezang was het laatste wat ik hoorde vooraleer ik mijn zicht verloor.

Op de afgelopen persconferentie deelde demissionair premier Rutte mee dat de terrassen langer open mogen en dat iedereen weer binnen en buiten mag sporten. Zingen, waar dan ook, wordt dringend ontraden. En een boek lenen mag ook niet.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen