Bladeren

Ik ging op een zomernacht naar school. Het was half zeven in de ochtend en de hemel was helder. Ik sloot de deur, draaide me om en zag hoog in het zuiden Mintaka, Alnilam en Alnitak, de drie oplichtende sterren, dicht bij elkaar, waaraan je Orion herkent. Het was windstil en ik bedacht: ‘ik wil best zonder jas naar school, maar dan moet het wel licht zijn’. Of nee: ‘ik wil best in het donker naar school, maar dan moet het wel koud zijn’.  En daarna schoten me de eerste regels te binnen van het gedicht ‘We verdampen’ van Lieke Marsman (1990): ‘Het zijn rare tijden, jaargetijden / veranderen en vermijden een confrontatie / met vakantie.’ Want de herfstvakantie was niet ver.

O hushed October morning mild, / Begin the hours of this day slow., dichtte Robert Frost (1874 – 1963). Het was hem te doen om de druiven. Er zijn al kraaien boven het bos. Weldra zullen ze zich groeperen om weg te vliegen. Dan is de kou niet ver meer. Frost vreest dat de vorst de druiven tegen de muur fataal zal worden. Ze hebben nog maar een paar uurtjes zon nodig. Hij vraagt de natuur ons te bedotten en de dag iets langer te laten duren: Retard the sun with gentle mist; / Enchant the land with amethyst. / Slow, slow!

Vanuit het raam van zijn zolderkamer ziet Paul de Wispelaere (1928 – 2016) de herfst naderen: De tuin, bedropen met oktoberverf, begint weer weg te zinken in de tuin. Het grasveld doet zich tegoed aan rottende stoofperen, appels, bottels, bessen en bladeren. Het zuigt de reddeloze zomerdagen in de drassige grond.

Zevenentwintig jaar eerder heeft Leo Vroman (1915 – 2014) de tuin in zijn hand: Ik heb een afgestoten blad waarin / dicht langs de aderen, het smaragd nog leeft, / alsof het nog een kans, een toekomst heeft, / een wonderbaarlijk nieuw begin. / Voorgoed sterft het in mijn hand.

Dat het zaad moet sterven eer het weer kan kiemen, is een dichterlijk cliché, maar niettemin een zekerheid waar ik me aan vastklamp, schreef De Wispelaere. Hij kan niet anders. Hij is in oktober 1927 verwekt. Hij is het resultaat van het zaad dat in oktober is geplant. Het verkoolde alfabet, zijn dagboek 1990 – 1991 dat in 1992 in de reeks privé-domein verscheen, begint in oktober, net als zijn Brieven uit Nergenshuizen  uit 1986 en En de liefste dingen nog verder uit 1998. Beginnen niet al zijn boeken in oktober? De Wispelaere was een van die schrijvers die zijn hele leven aan hetzelfde boek schreef. Het zou dus makkelijk kunnen. Gebouwen worden gesloopt, bossen worden omgehakt, maar aan oktober kan niet worden geraakt. Zie: de bomen houden zich bladstil en beven alleen maar een beetje.

Het bleef geen nacht. De dag kwam met mist en nevel over de velden. De lage zon scheen loodrecht op de ramen van het lokaal. Daar hielp geen zonnescherm tegen, warm licht kwam er eenvoudig onderdoor. Goed dat ik toen het nog donker was, de knoppen aan de radiatoren had toegedraaid.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Buiten lezen

Nathalie Huigsloot interviewde voor HP/De Tijd drie Nederlandse uitgevers: Oscar van Gelderen, uitgever van Astrid Holleeder, Mizzy van der Pluijm, die ondermeer Dimitri Verhulst en Hanna Bervoets uitgeeft en Joost Nijssen van uitgeverij Podium, die Renate Dorrestein en Alex Boogers in zijn fonds heeft. Boven het artikel staat de omineuze titel ‘Wie redt het boek?’. Van der Pluijm is niet zo somber. Ze is juist op internet een serie interviews begonnen waarin Joris Luyendijk schrijvers ondervraagt over hun ambacht. Van Gelderen doet iets soortgelijks; hij maakt podcasts ‘Lopen met Lebowski’ waarin verslag wordt gedaan van een bezoek aan een locatie van een boek. ‘Ik ben ook helemaal niet somber.’ zegt Nijssen:, maar vervolgt even later: ‘het is nú vijf voor twaalf wat het lezen betreft. Het is ook een gevolg, las ik in de krant, van een totaal afgebrokkeld literatuuronderwijs op de middelbare school. Dat is misschien een sombere conclusie, maar het is nu wél heel urgent.’

Vijf voor twaalf, dat is veel te laat in de Noord Hollandse gezinnen vlak boven het Noordzeekanaal. Daar klinkt nog het klokje van zeven uur als de ouders hun kroost naar bed brengen. Hun kinderen herinneren zich tien, twaalf jaar later nog goed hoe dat ging.  Er werd mij veel voorgelezen uit boeken zoals Nijntje, De gruffalo, Dikkie Dik en Pluk van de Petteflet, weet Bara nog. Terwijl mijn vader of moeder iets aan het voorlezen was, kon ik ondertussen meekijken en probeerde ik mee te lezen, schrijft Iris in haar leesautobiografie. Edward beleefde dat anders, hij schrijft: Eigenlijk vond ik het voorlezen niet echt leuk, maar ik deed alsof ik het leuk vond, zodat ik dan het slapen kon uitstellen. Liever had ik nog even gespeeld.

Nee, met de leesbevordering thuis zit het wel snor. Niet alleen papa en mama lezen voor, ook opa en oma vertellen hun kleinkinderen sprookjes of komen met een boek aanzetten voor hun verjaardag. En als ze in groep drie of vier van de basisschool zelf hebben leren lezen, worden boeken dubbel zo leuk. Ik weet er niet veel van, maar wel dat ik met een klasgenootje  en een ouder ging lezen uit een dun boekje. Dat vond ik leuk aangezien mijn moeder zo’n ouder was., vertelt Roana, en Bara schrijft: Ik was al heel snel op school AVI-uit omdat ik echt genoot van het lezen. Mijn moeder moest altijd blijven zeuren dat ik moest gaan slapen, omdat ik altijd verder wilde lezen.

Vier jaar later is het uit met de pret. In groep zeven begon ik veel minder te gaan lezen, omdat ik andere dingen ging doen die ik veel belangrijker vond, zoals met vrienden en vriendinnen sporten. In groep acht was ik helemaal gestopt met lezen, eigenlijk was ik het liefst de hele dag buiten.

Mijn moeder is een boekenwurm, mijn vader leest alleen op vakantie. Welke genen heb ik gekregen?, vraagt Ot zich af. Ook hij merkte dat zijn leeshonger was gestild zodra hij begon te puberen. De Donald Duck was het laatste wat hij uit vrije wil las. Maar er zijn ook leerlingen die worden aangestoken door de thrillerverslaving van hun ouders en die zodra het kan een boek van Saskia Noort proberen. Of kinderen die worden meegenomen door het enthousiasme van hun ouders voor de Harry Potterreeks, al zijn de meesten daarop na deel één en twee wel uitgekeken. Nicole ontdekte na het overlijden van haar vader wat fictie voor haar kon betekenen: Na deze ervaring is het lezen van een fictieboek voor mij een moment geworden waarbij ik even tot mezelf kan komen.

Voor ouders en kinderen geldt dat de vakantie de meeste gelegenheid biedt tot het lezen van boeken. Op vakantie zal ik sneller een boek pakken en ermee in de zon liggen dan dat ik een boswandeling zal maken., zegt Roana. En is buiten lezen niet ook de oplossing voor het dilemma waar Bara zich voor geplaatst zag?

Leesbevordering heeft minder te maken met literatuuronderwijs, dan met arbeidstijdverkorting en inkomensverbetering.

(De leerlingen bestaan echt en de namen ook, alleen heten ze niet zo.)

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Rottend blad en cantharellen

Het was oktober geworden en het was gaan regenen. De ochtend was donker en koud. Het klaslokaal trilde in schel kunstlicht en rook naar natte haren. Buiten bewogen de bomen in de wind die bij vlagen handenvol bladeren rondstrooide. Ze bleven even later liggen op het natte gras of in een plas. ’s Middags klaarde het op en in het laatste licht zag ik dat de lampionboom (‘koelreuteria paniculata’) goudbruin begon te kleuren en dat de wilde wingerd (‘Parthenocissus’) van gisteren op vandaag vuurrood geworden was. Ik liep de tuin in en rook de geur van natte aarde en cantharellen.

Godenspijs of duivelsbrood heet het boek dat Ton Lemaire (1941) in 1995 publiceerde over de vliegenzwam. Terwijl de schrijver antwoord probeert te vinden op de vraag waarom de kabouters bij rode paddenstoelen met witte stippen wonen, geeft hij een overzicht van de rol die paddenstoelen in de mythologieën van Siberië, Amerika en Europa hebben gespeeld van de oudheid tot nu. Fungilore noemt Lemaire de verzamelde kennis van de verschillende volkeren over elfenbankjes, eekhoorntjesbrood, boleten, russula’s, hanenkammen, bundel-, inkt-, stuif- en hoe-ze-ook-maar-mogen-hetenzwammen. Wie vervolgens de fungilore tot object van studie maakt, betreedt het terrein van de etnomycologie.

De cantharel kwam in mijn leven toen ik verliefd werd op A. Zij groeide op aan de rand van het bos op de Veluwe. Als eind augustus de zon nog fel schijnt op de vochtige grond en je voor het eerst de naderende herfst kunt ruiken in het bos, zei ze: ‘ik ga even kijken of ze er al zijn’, om anderhalf uur later met een emmer vol hanenkammen, glanzend als goud en geurend naar peper en pijnbomen, terug te keren.

Godenspijs, zonder twijfel, als wij moesten beslissen in de keuze die Lemaire in de titel van zijn boek voorlegt. Maar paddenstoelen, die soms in één nacht, als uit het niets, opschieten, boezemden de mensen ook angst in. De plant bewaart onderaardse geheimen en wie de vliegenzwam eet, begint eerst hevig te trillen, dan in zichzelf te praten en te murmelen om uiteindelijk vriendelijk glimlachend in volledige lethargie te verzinken.

In De Gallische ziekte onderzoekt Louis Ferron (1942 – 2005) de ontstaansgeschiedenis van het nationaalsocialisme in Duitsland. Hij beschrijft de coming of age van de jonge student Nathanael Prohaska in een samenleving die is getekend door armoede, decadentie, estheticisme, nihilisme, rancune, kleinburgerlijkheid en militarisme. Op de avond van de dag dat Prohaska heeft besloten zich volledig aan zijn dichterschap te wijden, belandt hij, stomdronken, in de armen van een vrouw met een cyclaamrode jurk en witte kousen. Haar zwarte, onnatuurlijk glanzende haar kriebelde tegen mijn wang. Het rook naar een mengeling van kamfer en goedkoop parfum. Schnutzi zelf rook naar rottend blad en cantharellen.

En daar blijft het niet bij.

Schnutzi trok mijn broek uit en vroeg of ik haar uit wilde kleden. Met bevende handen maakte ik haar kousen los en stroopte ze van haar benen. De geur van rottend blad en cantharellen werd nog sterker.

En een bladzijde verder:

Schnutzi deed iets waarvan ik voordien niet had geweten dat het mogelijk was. Het bracht geuren met zich mee die nog erger waren dan die van rottend blad en cantharellen.

Een klontje roomboter in de koekenpan, een gesnipperd uitje en zodra die glazig zijn de grofgesneden cantharellen toevoegen. Een paar ferme halen aan de pepermolen om de smaak op te tillen tot hoog in de neus. Heerlijk op een versgeroosterde bruine boterham.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Onorthodox

De studie Nederlandse taal- en letterkunde verkeert dus in zwaar weer. Het aantal studenten is in acht jaar tijd gehalveerd mede doordat leerlingen op de middelbare school de liefde voor de moedertaal onvoldoende krijgen bijgebracht. Deze week mengde Lotte Jensen zich in de discussie. Zij is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis. Het komt door misplaatste beeldvorming, betoogde ze in de Volkskrant van 22 september: ‘We hebben allemaal kunnen zien hoe het Nederlands in rap tempo aan status ingeboet heeft in het academische onderwijs: 74 procent van de masteropleidingen is al in het Engels en het aantal Engelstalige bacheloropleidingen groeit ook snel.’ Scholieren hebben dat ook in de gaten en investeren liever in Engelse taalvaardigheid om hun kansen op een succesvolle vervolgopleiding te vergroten.

Jochem Riesthuis is docent amerikanistiek en Engelse letterkunde en hij merkt niets van toegenomen belangstelling voor de studie anglistiek aan de universiteit. Er is geen crisis in de neerlandistiek, schrijft hij in de Volkskrant van 24 september, er is een crisis in de letteren. Alle talen (…) zijn kleine studies, of dat aan het worden. Hij weet ook dat dat niet komt door misplaatste beeldvorming zoals Lotte Jensen schreef: Net als andere schooltalen heeft het Nederlands last van het feit dat een student zich voor tienduizenden euro’s in de schuld moet steken en na de studie alleen een middelbare-schoolleraar denkt te kunnen worden. Dat is een zware baan die niet bovenmatig goed wordt betaald. Scholieren zien hun jonge docenten in de (financiële) problemen zitten, en bedanken daarvoor.

Kiki (32) – niet haar echte naam – behaalde na vier jaar studeren een master in de filosofie en in de geschiedenis. Ze was hoofdredacteur van het filosofietijdschrift Cimédart van haar faculteit en droomt ervan te schrijven, te creëren en een bijdrage te leveren aan het culturele leven, maar vindt daar maar eens werk in de nasleep van de economische crisis. Dagblad Trouw maakte een interview met haar. Ze somt de baantjes op die ze sinds het einde van haar studie heeft gehad: promotie voor een galerie (gênant slecht betaald), redactie voor een uitgeverij (vrijwilligerswerk), inmiddels staat ze al drie jaar voor de klas. Onlangs stond ze in een galerie met twee andere vrouwen te praten. Een heerlijk gesprek, de kennis die ze had opgedaan bij haar studies geschiedenis en filosofie kwam tot zijn recht. Wat zij eigenlijk deed, werd haar gevraagd. “Na mijn mededeling dat ik in het onderwijs zat, zag ik de teleurstelling van hun gezicht druipen.”

Ze ervaart haar werk als uitgesteld bestaan. Waar blijft die debuutroman? Klaslokaal en lerarenkamer doven haar creativiteit; koffietentjes zijn achter de horizon verdwenen.

Het televisieprogramma Brandpunt + meldde vorige week dat Pieter Jan Leusink, dirigent, oprichter en eigenaar van The Bach Choir and Orchestra of the Netherlands, door vier vrouwen die nauw met hem hebben samengewerkt, is beschuldigd van machtsmisbruik en verregaand seksueel grensoverschrijdend gedrag. Onafhankelijk van elkaar vertellen de vrouwen tijdens de uitzending dat  de dirigent een zeer onorthodoxe aanpak  heeft waarbij hij hun mentale en fysieke grenzen overschrijdt.

Op de site van de NOS lees ik de details, die ik hier om redenen van welvoeglijkheid onvermeld laat. Maar om één ervan kan ik toch niet heen. De vrouwen vertellen dat ze het moeilijk vonden om tegen de maestro in te gaan, bijvoorbeeld toen hij zei dat al mijn andere opties vreselijk zouden zijn (…) dat ik waarschijnlijk zou eindigen als lerares en steeds verder en verder verwijderd zou raken van mijn droom.

Zodat ik mij realiseerde dat de praktijken die aan de kaak worden gesteld via #MeToo mede mogelijk worden gemaakt door de verslonzing van ons onderwijs.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Zoutelande

Volgens Claudia uit Polen is ‘geheugen’ het lelijkste Nederlandse woord. Het is moeilijk, die harde g-klank kent ze niet in haar moedertaal. Myrthe uit de Verenigde Staten noemt als antwoord op dezelfde vraag het woord ‘vruchtbaarheid’ en ze trekt er een vies gezicht bij. Caroline uit Spanje denkt als eerste aan het woord ‘ziekenhuis’, dat is een plaats waar je niet graag zijn wil, voegt ze er aan toe. Trochillo uit Argentinië heeft er lang over gedaan om de Nederlandse uu-klank onder de knie te krijgen. Zij vindt ‘tureluur’ het lelijkste woord. Alle meiden studeren Nederlandse taal- en letterkunde. Begin augustus waren ze op stagebezoek bij het Amsterdamse Meertens Instituut waar de Nederlandse taal en cultuur wordt onderzocht en gedocumenteerd.

We werden deze week wakker met het nieuws dat het aantal studenten dat Nederlandse taal- en letterkunde studeert aan Nederlandse universiteiten schrikbarend is gedaald. Aan de Vrije Universiteit, dat overigens altijd al de kleinste afdeling Nederlands had, hebben zich dit studiejaar slechts zes eerstejaars aangemeld. Op de foto in de Volkskrant zitten ze allemaal op een rij aan evenzoveel aaneengeschoven tafels in een mistroostig zaaltje. Tegenover hen leunt hun docent Johan Koppenol (spijkerbroek, roodgeruit overhemd, het zandkleurige colbert heeft hij over de stoel voor zich gehangen) tegen de muur. Op tafel herken ik het boek Handgeschreven wereld, Nederlandse cultuur en literatuur in de Middeleeuwen uit 1995 van Dini Hogenelst en Frits van Oostrom en een editie van het liedboeck van Bredero (1585 – 1618).

Het klopt dat het aantal studenten Nederlands sinds 2010 ongeveer is gehalveerd en dat voor het voortbestaan van de studie moet worden gevreesd. Marc van Oostendorp (1967) onderzoeker aan het Meertens Instituut en hoogleraar te Nijmegen, denkt dat dat komt omdat leerlingen op de middelbare scholen de liefde voor het vak te weinig krijgen bijgebracht. Hans Bennis (1951) hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en secretaris van de Taalunie, herinnert zich dat toen hij in 1970 ging studeren er vijfhonderd eerstejaars waren.

Ja, dat was zo. Ik begon in 1974 met de studie Nederlandse taal- en letterkunde en ik meen dat we met meer dan driehonderd waren in een overvol Instituut voor Neerlandistiek aan de Amsterdamse Herengracht waar docenten en studenten van de verschillende vakgroepen zich hadden ingegraven in een methodestrijd en elkaar de tent uitvochten.

Een kleine tien jaar later waren we klaar. De jaren tachtig zaten niet op ons te wachten (de jaren tachtig zaten op niemand te wachten). We knipperden met onze ogen tegen het zonlicht, citeerden Nescio (1882 – 1961): Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd, en gingen onze eigen weg.

De tijden van Matthijs Siegenbeek (1774 – 1854) en Johannes Kinker (1764 – 1845), de eerste hoogleraren in de Neerlandistiek zijn voorgoed voorbij, maar de Nederlandstalige rap bloeit als nooit tevoren, Nederlandse poëzie trekt op steeds meer podia steeds meer publiek en dankzij de liedcultuur in dialect weet iedereen waar Zoutelande ligt. Het vak Nederlands is verbrokkeld en opgegaan in disciplines als Communicatie- en informatiewetenschappen, humanities, digital sciences en cultural studies. De missie van een levende eenheidstaal in een krachtige natiestaat is vastgelopen in de dilemma’s van de postmoderne geglobaliseerde samenleving en ik denk dat dat goed is.

In Vlaanderen is de studie Nederlands nog vast geworteld en in Polen, de V.S. en Indonesië melden zich elk jaar meer studenten om aan een studie Nederlands te beginnen.

Überhaupt, is volgens Sara uit Boedapest het lelijkste Nederlandse woord.

Want dat is Duits.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Lijn 13

Waar zijn we? Op de eerste bladzijden van ‘Straks komt het’, de nieuwe roman van K. Schippers (1936), wordt een bezoek aan de lijstenmaker beschreven. De ik-persoon wilde een foto uit het kader nemen om hem in een map te doen, maar de foto bleef aan het glas plakken (‘hoe gebeurt zoiets?’). Hij is bang om de foto te beschadigen en besluit de hulp van een lijstenmaker in te roepen. ‘Ik steek over naar de vroegere Mazzo, dwars door het verkeer.’ Mazzo, dat weet ik, dat was de discotheek die van 1980 tot 2004 was gevestigd aan de Amsterdams Rozengracht op nummer 114. Even later bevinden we ons, met de hoofdpersoon,  in de lijstenmakerswinkel. Er staat: ‘Buiten gaat lijn 13 voorbij. Ik hoor en zie het, op geur en tast wordt geen aanspraak gemaakt.’ Daar stop ik met lezen.

Op 22 juli is de Noord/Zuidlijn in gebruik genomen. Behalve dat er een nieuwe metro door nieuwe buizen onder de oude binnenstad en het IJ heen en weer ging rijden tussen Station Noord en Station Zuid, werd ook het bestaande netwerk van bussen en trams herzien. De lijnen tien en negen werden grotendeels samengevoegd en de tram met het nieuwe nummer 19 rijdt voortaan tussen Station Sloterdijk en Diemen. Lijn 16 verdween van het spoor en voortaan reizen bewoners van Osdorp niet meer met lijn 1 naar het Centraal Station, want lijn 1 rijdt voortaan oostwaarts, naar het Muiderpoortstation. De Gemeente Amsterdam sprak van de grootste verandering sinds de paardentram.

Ik betreurde het verdwijnen van lijn 16, niet omdat ik die tram vaak gebruikte, maar omdat hij een belangrijke rol speelt in Stijloefeningen van Raymond Queneau (1903 – 1976) zoals die door Rudy Kousbroek (1929 – 2010) vertaald en bewerkt zijn. Kousbroek vertelt in zijn inleiding: Exercices de Style is niet een echte roman, maar één zelfde verhaal op 99 verschillende manieren verteld. Het speelt in een Parijse autobus van lijn S, tegenwoordig lijn 84 … . Bus S is door Kousbroek vertaald in tram 16 die het Jan Willem Brouwersplein passeert. De vertaling dateert van 1978. Tien jaar later werd het Jan Willem Brouwersplein omgedoopt tot Concertgebouwplein, veertig jaar later wordt lijn 16 opgeheven. Het zal allemaal weloverwogen en met de beste bedoelingen zijn gebeurd, maar heeft iemand erbij stil gestaan dat en passant Kousbroeks meesterwerk tot historische tekst wordt gemaakt die zonder nadere studie niet meer te begrijpen valt?

Ik kijk op de dienstregeling van het Gemeentelijk vervoerbedrijf (GVB) en constateer verschrikt dat lijn 13 niet langer over de Rozengracht rijdt. De tram gaat via de Leidsestraat naar het Centraal station. Is Schippers’ nieuwe roman dan na één week al historische letterkunde?

Nee, lijn 13 is geen onbetekenend detail. K. Schippers is in Amsterdam West geboren en getogen. Vanaf zijn vroegste jeugd is tram 13 de levensader die West met het Centrum verbindt. K. Schippers zou een andere tram niet eens opmerken.

Ik zoek nog even verder en ontdek dat de veranderde route van de 13 tijdelijk is. Er zijn werkzaamheden op de Rozengracht, men verwacht dat de lijnen 13 en 17 er in oktober weer welkom zijn.

Gelukkig. Anders zou de auteur voor de tweede druk van zijn roman op zoek moeten naar een lijstenmaker in de Kinkerstraat. Maar daar zijn alleen telefoonwinkels en islamitische slagerijen.

En boekhandel Hoogstins natuurlijk.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Tijd om te groeten

In Frankrijk mogen sinds het begin van dit schooljaar op kleuterscholen, basisscholen en collèges (de onderbouw van de middelbare school) leerlingen hun smartphone niet meer gebruiken. President Macron lost er een verkiezingsbelofte mee in en dat is goed voor het vertrouwen in de politiek. De bedoeling is dat  deze maatregel leerlingen tot en met vijftien jaar behoedt voor ‘schermverslaving’ en afleiding in school. In Noord Holland staat een school die doorgaat waar de Franse President is opgehouden. Daar is een ‘pilot’ begonnen om in vier en vijf havo mobieltjes in de klas te verbieden.

Aan mij de taak onze leerlingen daarvan in de eerste les van het nieuwe jaar op de hoogte te brengen. Ik heb hun niet verteld dat we ze zo willen laten ontdekken hoe het is om met lege handen in de les te zitten en ook niet dat ze zo kunnen leren hoe we met sociale media omgaan op school. Ik heb een dia geprojecteerd waarop stond dat na één waarschuwing iedereen die met een telefoon in de weer is bij de afdelingsleidster moet uitleggen wat er aan de hand is. De gemiste lestijd moet daarna worden ingehaald. Een pilot zei ik. Nog voor de herfstvakantie wordt gekeken hoe het gegaan is. En ik heb mijn leerlingen aangeraden bij die evaluatie aanwezig te zijn met een goed onderbouwde mening. Dat er ook nog een mobielvrije week en een studiedag in het vooruitzicht zijn gesteld, zal ik ze later wel vertellen.

De achttienjarige Britt van Baalen uit Rotterdam beviel deze week onverwacht van een zoon terwijl ze op vakantie was in het Egyptische Hurghada. Hulp inschakelen kon Britt niet. “De batterij van haar gsm was plat. ’s Avonds kwam gelukkig een van de jongens van het hotel poolshoogte nemen, omdat ze haar de hele dag nog niet hadden gezien. , aldus de Belgische nieuwssite www.hln.be . Als je zelfs onverwacht kunt bevallen in een Egyptisch hotel zonder telefoon, zal een les Nederlands zonder ook wel te overleven zijn.

Eerlijk is eerlijk, onze school heeft niet de Nederlandse primeur van de telefoonban. Op de site Les and more staat een post van 10 januari van dit jaar, waarin verslag wordt gedaan van ervaringen met maatregelen die zelfs het gebruik van telefoons op de gang verbieden. Leerlingen komen direct je lokaal binnen en nemen nu de tijd om me te groeten., was de observatie van een van de leraren. Het viel een visitatiecommissie op dat leerlingen tijdens de lessen niet werden afgeleid door hun telefoon en de leerlingen geven aan dat het henzelf meer rust geeft en dat vrienden en vriendinnen nu minder op hun telefoon zitten.

Er zijn ook nadelen: Dat je je telefoon niet in de gangen mag gebruiken is heel onhandig, vinden ze. Je kunt dan niet op de rooster kijken. En er wordt veel meer gestoeid op de gangen. Voornamelijk door jongens. Misschien dat we na de pilot voor jongens een uitzondering kunnen maken op het telefoonverbod.

De Volkskrant sprak Franse kinderen over hun ervaringen met volwassenen die opmerkingen hebben over het gebruik van het mobieltje. En wat als je toch echt je mobiel moet checken als dat niet mag? Als ik echt een berichtje wil lezen of sturen, pak ik een boek en verstop ik mijn telefoon daarin. Dan denken mijn ouders dat ik zit te lezen.

Zodat ik hoop dat dit schooljaar meer leerlingen hun boek meenemen naar de les.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Net alsof

Ook toen Leo Vroman nog leefde, was de dood niet ver weg. In 2009 verscheen de bundel ‘Soms is alles eeuwig’ van de dan vierennegentigjarige dichter. Daarin staat het gedicht ‘Als het waar is’. Ik heb het destijds gelezen, maar was het weer vergeten tot het als lied in 2015 op cd verscheen. Frans van Deursen (1962) was de zanger en Bertolf Lentink (1980) had de muziek gecomponeerd. Vanaf dat moment wurmt het bij tijd en wijlen in mijn oor en onderbreken flarden van de tekst zomaar mijn gedachten.

Vier strofen van vier regels en een distichon. Gekruist rijm, vrouwelijk en mannelijk afgewisseld. Vier of drie versvoeten per regel, op de laatste na, die er maar één heeft. Vroman gaat er in het vers vanuit dat hij zijn vrouw Tineke niet zal overleven en is zo vermetel om met haar af te spreken om te komen spoken pakweg drie weken na zijn overlijden. Hoe dat precies in zijn werk zal gaan, zet de dichter uiteen in de derde strofe: Dus wil ik het volgende afspreken. / Zeg maar de derde vrijdagnacht / zal iets je treurslaap onderbreken: / een vers dat je plotseling bedacht.

Zo vreemd is dat niet. Tineke heeft onder haar eigen naam Georgine Sanders (1921 – 2015) drie bundels gepubliceerd en aan verschillende bundels van haar man meegewerkt. Het zal haar wel vaker overkomen zijn dat ze ’s nachts wakker werd met versregels in haar hoofd. Maar dan.

Dan sta je op, schrijft haastig neer / wat al bijna wil verdwijnen, / doet de lamp aan, deze keer / schijnt hij extra hard te schijnen // en je herkent het handschrift weer: /
het mijne.

Het gaat me natuurlijk om die lamp die deze keer extra hard schijnt te schijnen. Wat is het hulpwerkwoord? De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) noemt schijnen in het rijtje van hulpwerkwoorden van modaliteit. ANS verklaart dat een hulpwerkwoord altijd een nadere bepaling is bij de betekeniskern van het zelfstandige werkwoord, maar schijnt zegt evenveel over te schijnen als andersom, zolang we onder schijnen licht geven verstaan. Anders wordt het als we schijnt opvatten als net alsof. Maar waarom zou ik?

Het lost anders wel een hoop problemen op. Dat het maar net alsof is dat de lamp extra hard schijnt, is inderdaad een nadere bepaling. Het drukt bovendien een modaliteit uit. Nu kunnen we aan de slag met twee eenvoudige regels van ANS:

·   in een werkwoordelijk gezegde komt (afgezien van samentrekking) altijd één en niet meer dan één zelfstandig werkwoord voor;

·   bestaat het werkwoordelijk gezegde uit twee werkwoorden waarvan er één persoonsvorm is, dan is het werkwoord dat niet als persoonsvorm voorkomt het zelfstandig werkwoord;

Waarmee schijnt eenvoudig als het hulpwerkwoord kan worden gedetermineerd.

Maar zodra ik dit heb vastgesteld, woelt er protest op in mijn hoofd. Ik sta niet toe dat de mogelijkheid dat de lamp echt extra hard schijnt, en dat het niet net alsof is, zo eenvoudig met een natte lap van tafel wordt geveegd. Van achter de betekenis volgens de grammaticale regels piept hardnekkig het verlangen te voorschijn het gedicht letterlijk te verstaan en zo de mogelijkheid van een postuum gedicht van Vroman waar te maken.

Als dat geen spoken is.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

In het spoor van Linnaeus

Het begint met verwondering. De zon staat hoog boven de velden. Een kleine jongen struint door het gewas. Hij is nergens naar op weg, hij heeft de paden verlaten en richt zijn blikken nu eens naar de grond, dan weer naar omhoog en soms is hij verstopt tussen het hoge gras en kun je hem zien noch horen. Hij volgt de vlucht van de vlinders, probeert het ontluiken van de bloemen te betrappen en voelt het bloed naar zijn hoofd stijgen bij het zien van het gewriemel van de mieren. Råshult, Zweden, begin achttiende eeuw. De kleine jongen heet Carl Linnaeus.

Het Amsterdamse Linnaeuskoor was al twintig jaar oud voor het een gedachte wijdde aan de naamgever van de zanggroep. We dachten vernoemd te zijn naar de Linnaeusstraat in Amsterdam Oost en naar de Linneaushof waar de Hofkerk staat waar we elke woensdagavond repeteren. Toen onze dirigent Jan-Paul van Spaendonck stuitte op een biografie van de beroemde arts, plantkundige, zoöloog en geoloog van de hand van Giancarlo Masini, ontstond het idee van een botanische cantate over de man die met zijn Systema Naturae en Fundamenta Botanica de orde van de schepping een andere wending gaf.

Net als onze naamgever, begonnen wij namen van bloemen te verzamelen: salvia verticillata, atropa belladonna, we volgden de eerste schreden van Linnaeus op het pad van de wetenschap aan de Universiteit van Lund en Uppsala, we huiverden bij het lezen van zijn verslag van zijn eerste expeditie naar Lapland en kregen het te kwaad toen we met Linnaeus vernamen dat zijn beste vriend, de eminente ichtyoloog Petrus Artedi, aan wie hij de beschrijving van de waterdieren had toevertrouwd, was verdronken in de Amsterdamse grachten. We wisten de hand te leggen op de correspondentie van Linnaeus met zijn apostelen, correspondenten die de hele wereld bereisden en terugkeerden met bloemen en zaden van planten die nog niet waren gecatalogiseerd.  Onthutst zagen we hoe de faam van Linnaeus toenam, terwijl zijn lichaamskrachten geleidelijk taanden tot die fatale beroertes die in 1778 tot zijn dood leidden.

In het najaar van 2012 waren we zover dat we de cantate aan het publiek durfden presenteren. Zeven oktober, een zondagmiddag in de Palmenkas van de Amsterdamse Hortus klonk hij voor het eerst, begeleid door Godfried Jansen op piano en Lucas van Helsdingen op sopraansaxofoon en basklarinet. De kas was tot de laatste stoel gevuld, het nazomerlicht scheen op zijn mooist naar binnen en toen de laatste tonen van de finale – Salve, salve Linneo – wegstierven, klonk er een daverend applaus op, dat wij beduusd maar dankbaar in ontvangst namen.

Later hebben wij de Linnaeuscantate nog gezongen in Harderwijk, waar Linnaeus is gepromoveerd, en in de Hortus Botanicus van de Universiteit van Utrecht en Leiden.

Nog vóór de première van de cantate zongen we in de nazomer van 2012 een aantal stukken in de Hortus Botanicus van de Vrije Universiteit. Die Hortus is inmiddels omgedoopt tot Botanische Tuin Zuidas. Wij zijn blij met de gelegenheid om op 23 september de Botanische Cantate Linnaeus in zijn geheel te kunnen laten horen. Zorg dat u erbij bent.

Het Linnaeuskoor  zingt o.l.v. Jan-Paul van Spaendonck: LINNAEUS een botanische cantate. Zondag 23 september 2018 om 14:30 Botanische Tuin Zuidas. Van der Boechorststraat 8 1081 BT Amsterdam. Kaarten kosten € 12,50 aan de zaal of reserveer door € 10,00 over te maken op IBAN NL19 RABO 0118 7035 60 t.n.v. N. van Lieshout

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Uit

De zomer vreet het schooljaar op. Voor de laatste keer gaat de sleutel in het slot om  leerlingen binnen te laten. Maar ze zijn vreemd stil, alsof ze zich niet op hun gemak voelen tussen de tafels en de stoelen in een rommelig lokaal. Op de gangen staan uitpuilende papiercontainers, in de leshuizen is het drukkend warm. Ze komen hun rapport ophalen, maar ze bedoelen te zeggen, ‘geef ons gauw weer terug aan de zomer’. Van een aantal van hen krijg ik een hand voor ze ineens zijn verdwenen.

Het kondigde zich al aan in april. Na de bittere kou van maart brak plotseling de lente door. Korte broeken en spaghettibandjes, open schoentjes, t-shirts en versgelakte teennagels. De dagen werden langer, er kwam kleur terug op de smoeltjes tegenover mij. Tijdens de eindexamens hoorde je alleen het zachte zoemen van de ventilatoren in de hoeken van de zaal. Terwijl de zon alsmaar hoger klom, sloeg het gebouw zijn zonneschermen uit en daaronder openden zich alle ramen. Binnen zwoegden de leerlingen op de laatste toetsen, hun armen plakten aan het tafelblad en als ze opkeken, hoorden ze het lome ratelen van de bladeren van de populieren aan het einde van het grasveld.

Toen ik klaar was met nakijken en de cijfers waren ingeleverd, ging de telefoon in mijn lokaal waar de leerlingen hun werk kwamen inzien. Dat ik het woordrapport nog niet had ingevuld. Het is een goede gewoonte de prestaties van de leerlingen niet alleen uit te drukken in een cijfer, maar ook waardering uit te spreken over werkhouding, planningsvaardigheden en inzicht, met een G van goed, een V van voldoende, een T van twijfelachtig en een O van onvoldoende. Ik klapte mijn laptop open om de omissie goed te maken.

De terrassen raakten overvol. Amsterdamse bruggen werden met water gekoeld om problemen met het hete wegdek te voorkomen. Overal kleurden de bermen geel. De bomen in het park lieten massaal hun schors vallen, van de gazons om de school restten nog wat dorre sprieten. Wanneer roken we voor het laatst de geur van pas gemaaid gras?

Als de leerlingen met hun rapport de school uit zijn, stopt er een bus voor het gebouw. De collega’s zoeken snel een plaatsje. De bus zet koers naar het Noorden en zet ons af bij de boot naar Texel. Op het terras van Paal 9 steekt Chris Froome op de smartphone van mijn collega maatschappijleer, Steven Kruiswijk op drieënhalve kilometer voor de meet voorbij op de flanken van de Alpe d’Huez. Weg kans op een nieuwe naam in het rijtje Joop Zoetemelk, Hennie Kuiper, Peter Winnen, Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse. We smoren ons verdriet daarover in een versgetapt glas Texels Skuumkoppe.

Ze zijn nog even blijven hangen voor het lokaal. Ze staan dicht bij elkaar en vergelijken hun cijferlijsten. Ze zegt: voor alle vakken waar ik naast jou zit heb ik een T voor werkhouding. Hij zegt: en ik een O.

Hij is haar net voor als hij zegt: maar het was wel gezellig.

Geplaatst in bij de les, koers | Een reactie plaatsen