Vrijheid

Toen ‘Dodeman’, het romandebuut van Uschi Cop (1988), afgelopen maart verscheen, zou het nog allemaal gebeuren. En ook vandaag is dat nog het geval. Hoe meer mensen het boek de komende drie maanden lezen, hoe groter de kans dat de dreigende dood van drie, misschien wel vijftien jonge mannen, studenten te Leuven, nog kan worden afgewend. Vreemd hoe aanstaande gebeurtenissen, zodra ze zijn neergeschreven, hun onafwendbare loop krijgen. Al is het ook mogelijk dat wie ‘Dodeman’ tussen nu en eind augustus leest, voldoende overtuigd raakt van de rechtvaardigheid van wat het lot voor de jonge academici in petto heeft en niet de behoefte voelt het jubilerende dispuut  ‘Glorieus’, waar de studenten lid van zijn, te waarschuwen. Welk verhaal kies je?

Terwijl het op de televisie gaat over de nog onopgehelderde dood door vergiftiging van de studenten, gaat de telefoon. Ise herkent de stem van haar tweelingzus Ursula, met wie ze de afgelopen twintig jaar nauwelijks contact had. Sinds de dood van hun moeder woont Ursula in het ouderlijk huis in Anderlecht, Brussel. Als Ise daar aanbelt, wordt er niet open gedaan, maar de sleutel ligt nog steeds op de plek waar ze die toen ze jong was altijd vond. Het is 29 augustus 2026 en de vraag is waarom Ursula haar zus heeft laten komen.

In het huis is weinig veranderd. Moeders slaapkamer is onaangeroerd gebleven sinds haar overlijden. In de tuin is de cipres uitgegroeid tot een boom van wel twintig meter, de gordijnen, de luchters aan het plafond, het parket op de vloer, de apothekerskast in de keuken, het is vertrouwd terrein. Dat er verfblikken en spandoeken in huis te vinden zijn, komt omdat Ursula er de vrouwen van het collectief Nyx onthaalt om strategieën en performances te ontwikkelen om femicide aan de kaak te stellen.

Ise was in de badkamer toen Ursula er binnen liep. Terwijl Ise zich halfslachtig met een handdoek bedekte, had ze spottend naar haar gladde benen en oksels gekeken en haar verweten dat ze geïndoctrineerd was. Er werden miljoenen verdiend aan het verkindsen van de seksualiteit van vrouwen en zij, Ise, hield pedofilie in stand. Als Ise tegenwerpt dat het feministische dogma om als behaarde door het leven te gaan ook niets met vrijheid te maken heeft, antwoordt haar zus dat het haar daar niet om te doen is: Vrijheid is het grootste onrecht dat privilege ooit heeft voortgebracht.

Ursula schrijft in een schrift met een omslag van leer brieven aan haar zus die ze niet verstuurt en archiveert de namen van de vrouwen die zijn vermoord. Hélène, levend in brand gestoken, Mélissa, haar hart met een balpen doorboord, Christiane, neergeschoten met een jachtgeweer. Voornamen van echte vrouwen die overleden in België tussen 2017 en 2025 door femicide, staat er in de noten bij Dodeman. En al die tijd weet Ise niet waarom haar zus haar heeft gevraagd te komen. Ik heb het recht te weten wat er aan de hand is, recht op de waarheid, roept ze uit. Ursula moet er om grinniken: Recht? Je spreekt in de taal van macht, van autoriteit.

Dat zijn grote woorden tussen twee vrouwen, geboren uit dezelfde kiem, belast met identieke fouten: een absoluutheid in emoties, een overvloed aan empathie, veroordeeld tot elkaar zolang de enige symmetrische liefde die er bestaat die tussen tweelingen is.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Oude kabouter

Een gierzwaluw! Bij de brug over de ringvaart. Zo een die nog geen zomer brengt. Zodra ik de vogel gewaar wordt, is hij alweer verdwenen. Was het er maar één? Ik kan me niet herinneren dat ik het kenmerkende geluid hoorde. Verwaaid misschien in de koude noordoostenwind. Nee, nergens meer te zien. Geen profiel tegen het blauw van de hemel, niets dat laag over het water scheert. Als ik even later door de westelijke randen van Geuzenveld loop, klinkt het lachen en roffelen van de spechten en van verscheidene kanten de roep van de koekoek. Dat zijn signalen die niet bedriegen.

A. H. J. Dautzenberg (1967) is in het voorjaar van 2024 op de Oude Buisse Heide; heilige grond voor de liefhebber van de Nederlandse letteren. R. N. Roland Holst (1868 – 1938) en zijn vrouw Henriëtte hadden er een optrekje. Hij schreef er ‘Overpeinzingen van een bramenzoeker’, dat moet in de nazomer zijn geweest, Arthur van Schendel (1874 – 1946) schreef het voorwoord en verried alvast dat het bij zoeken is gebleven. Waarom zou men nemen als het aanschouwen genoeg is? waarom begeeren als men, in aandacht, rust en vreugde ontvangt? Dautzenberg probeert er nachtzwaluwen waar te nemen en moet genoegen nemen met de schoonheid van het wachten en gestaag opkomende teleurstelling.

Koekoeken en uilen horen we wel regelmatig, schrijft hij in En Garde, zijn dagboek van de jaren 2023 en 2024 dat vorig jaar verscheen. De holle oe-klanken roepen het verleden op, herinneringen aan De vloek van de Woestewolf, beelden van Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, mijnheer?, een gedachtestroom die eindigt met de constatering: Ik had mijn onbezorgde jeugd niet willen missen.

Dautzenberg karakteriseert En Garde als een mix van dagboekaantekeningen, brieven en mails, essays verhalen en reportages gelardeerd met de verwikkelingen rondom twee vrienden die onschuldig opgesloten zitten in een Ecuadoraanse gevangenis – Kafka en Murphy in het kwadraat. Mij troffen de opmerkingen over nostalgie die hier en daar opduiken.

Naarmate ik ouder word, schrijft Dautzenberg, verandert mijn opvatting over nostalgie. Aanvankelijk was hij allergisch voor de valse romantiek, nu ervaart hij die steeds vaker als een aangename synthese. Het heeft te maken met zijn opvatting dat tijd misschien wel het meest onbevredigende ordeningsprincipe is dat de menselijke geest heeft gecreëerd. Dautzenbergs katholieke achtergrond speelt een rol, om zich af te zetten tegen het Hollandse calvinisme, koestert hij de romantiek in zijn leven; ik blijf magisch denken. Hij herkent de magie in nostalgische ervaringen en put daar troost uit.

Dat die troost ook wel eens uitblijft, blijkt als hij na vele jaren, op zijn verjaardag, terug is in De Efteling. Het kasteel van Doornroosje stond in de steigers en ook met de kabouterhuisjes was wat mis: de stem van de oude kabouter die de deur opent wanneer je de klink van het tuinhek indrukt, was gemoderniseerd – te vlotte taal, die de nostalgie besmet.

Lost time is not found again, klinkt het op The basement tapes van Bob Dylan & the Band, Dautzenberg had het kunnen weten, maar het gemoed heeft geen boodschap aan jaren, overbrugt die met het grootste gemak, schrijft hij, al moet hij toegeven dat het altijd enkele reis terug in de tijd is. De weg naar voren, naar de toekomst heeft nog niemand gevonden.

Noem dat maar troost.

Herdenkt de doden met het Linnaeuskoor. 4 mei zingen wij om 18:00 uur in de Amsterdamse Zuiderkerk teksten van Jacob Israël de Haan, Hanny Michaelis en Ida Gerhardt. Het Klein Requiem, dat onze dirigent Jan-Paul van Spaendonck voor deze gelegenheid componeerde, is een reis langs de slagvelden van Europa, de Frans-Duitse oorlog van 1870, de Grote Oorlog van 1914 – 1918 en de Tweede Wereldoorlog van 1940 – 1945, met teksten van Arthur Rimbaud, Guillaume Apollinaire en Jan G. Elburg. Vaughan Schlepp begeleidt ons op de piano en Lucas van Helsdingen op saxofoon. Uw vrijwillige bijdrage stellen wij op prijs.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Een kiertje

Vraag Maxime Garcia Diaz (1993) wat haar favoriete schrijfgerei is en ze laat haar telefoon zien. Ze schrijft het liefst onderweg, haar mobiel heeft ze altijd bij zich en als ze wil, kan ze de tijd tussen schrijven en publiceren met de smartphone minimaliseren tot nul, terwijl de tekst een ogenblik later alweer kan zijn gewist, al blijven er altijd wel sporen op het net. Pieter-Jan de Paepes favoriete boek van Peter Handke (1942) is ‘De geschiedenis van het potlood’ dat in vertaling van Hans Hom als deel 101 verscheen in de Privédomein reeks. 250 pagina’s aantekeningen, invallen, natuurbeschrijvingen, herinneringen en citaten uit de periode 1979 – 1980. Over het potlood staat niets in het boek, maar De Paepe verklaart de titel met de opmerking: ‘Het potlood is altijd bij de hand, het geeft aan het geschrevene het karakter van directheid en vluchtigheid.’. Maxime Garcia Diaz moest nog geboren worden, de eigenschappen van het favoriete middel om mee te schrijven lijken dezelfde te zijn gebleven.

Is Koos van Zomeren (1946) op pad, dan gaat alleen de hond mee, en de laatste tijd een stok. Om te schrijven kan hij niet zonder een elektrische Olympia schrijfmachine en de nodige linten en correctierolletjes natuurlijk. W. F. Hermans (1921 – 1995) had er aan één niet genoeg, zijn 160 exemplaren zijn te bewonderen in een speciale kamer van Boekhandel Limerick in Gent. Dirk van Weelden (1957) eerde zijn overleden vriend Martin Bril met de roman Het laatste jaar. De vertellers van het boek zijn negen schrijfmachines waarop Bril zijn stukjes tikte. De schrijfmachine van Arthur van Schendel (1874 – 1946) was van het merk ROYAL, maar die kwam pas op tafel als de roman in handschrift voltooid was. De collectie van de Arthur van Schendel stichting bewaart ook de nodige penhouders en potloodstompjes (2HB). Schrijvers waardeerden de schrijfmachine om het mechaniek en de relatie tussen mens en apparaat, uitgevers waren blij dat ze nu makkelijker het manuscript konden ontcijferen.

Als mensen bij lezingen aan Erna Anker, de protagonist van Het einde van Erna Ankersmit, de nieuwe roman van Anna Enquist (1945), vragen hoe ze schrijft, zucht ze en zegt: lieve mensen, ik schrijf met potloden. Ze staan in een bosje op mijn tafel en een goede puntenslijper is goud waard. Potlood is beklijvend en tegelijkertijd ook niet. Dat geeft net een kiertje waartussen je iets op durft te schrijven. Voor Erna zijn de directheid en de vluchtigheid van het potloodschrift geen waarden op zich. Ze dienen om de schaamte te overwinnen. Schrijven is een pretentieuze dekmantel voor een gebrek aan moed. Stel je voor, dit schrijft een tachtigjarige die kan bogen op een breed gewaardeerd oeuvre.

Schrijven met de computer doet ze ook wel, maar net als Van Schendel, helemaal op het laatst. Het zou net zo goed door een ander geschreven kunnen zijn, denkt ze dan, dat het van mij komt is onzichtbaar geworden.

Is het de geur van cederhout, het zachte geluid van potlood op papier, de ergernis van een gebroken punt, de guilty pleasure van het kluiven? Ze schrijft er niets over dan liever het geklooi met potloden die door het veelvuldig slijpen dagelijks slinken, nog even overleven in zo’n handig potloodhoudertje en daarna als nutteloze stompjes in een oud koekblik verdwijnen.

Die potloodhoudertjes. Zijn die eigenlijk nog te koop?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Uitgelezen methode

De laatste jaren van zijn leven besteedde Daniël Robberechts (1937 – 1992) aan een uitgebreide studie van het schrift. Hij had een stencilmachine gekocht en nodigde zijn lezers uit om samen materiaal te verzamelen en te beoordelen voor wat ‘een totaaltekst’ moest worden. Een stuk of honderd lezers abonneerden zich op tijdSCHRIFT en ontvingen om de zoveel tijd een gestencilde uitgave en een aanwijzing van de auteur hoe de verschillende teksten in het totaal zouden kunnen worden ingepast. De samensteller stond open voor alternatieve suggesties, zolang die goed beargumenteerd waren natuurlijk. Toen de subsidie voor de éénmansuitgave werd ingetrokken werd het project te begrotelijk. De abonnees kregen hun geld terug. Niet lang daarna maakte Robberechts een eind aan zijn leven. Twee jaar later verscheen de totaaltekst onder de titel T⊗T [NAGELATEN WERK]. Uitgeverij Kritak had er een dundrukeditie van gemaakt van meer dan duizend pagina’s.

Eén van de abonnees was H.C. ten Berge (1938) die het project integer van opzet en interessant als idee noemde, maar daar onmiddellijk aan toevoegde dat het een uitgelezen methode was om de laatste liefhebbers de deur uit te jagen. De rouwkaart met het bericht van de dood van zijn vriend had hem pas tien dagen later bereikt. Van Jacq Vogelaar (1944 – 2013) hoorde hij dat de begrafenis een treurig stemmende gebeurtenis op een grauwe akker in de regen was geworden.

In het woord vooraf, dat op pagina 579 begint, beschrijft Robberechts wat hem met het project voor ogen staat: enerzijds zouden de teksten moeten beantwoorden aan de gehele verscheidenheid en complexiteit van de wereld waar we in leven; anderzijds zou de tegenstelling tussen verschillende genres er opgelost moeten worden. De fragmenten variëren in lengte van enkele regels tot een aantal pagina’s. Voor de ordening ervan heeft Robberechts gebruik gemaakt van het onderzoek van de Leuvense onderzoekers le groupe µ dat in 1970 was gepubliceerd in het boek Rhétorique Générale. Zij ordenen teksten op negen niveaus, van het eenvoudige verslag (de nulgraad), via variabele vertelperspectieven, tot het gebruik van grafische woordvormen aan toe.

Ik liet het tot mij doordringen en las ondertussen verder in Aan het einde van de oorlog het boek waarmee Bert Natter (1968) over een paar weken de Libris Literatuurprijs hoopt te winnen. Daar vielen mij opeens de overeenkomsten op tussen dit boek en het nagelaten magnum opus van Robberechts. Tekstfragmenten van soms enkele regels tot een aantal pagina’s, elk fragment met een eigen personage, terwijl pas geleidelijk duidelijk wordt wat de verschillende personages met elkaar te maken hebben. Teksten die het niveau van de nulgraad nauwelijks overstijgen, processen verbaal eigenlijk, al moet ik met twee woorden spreken; ik ben nog niet tot de helft van Natters boek gevorderd en in T⊗T heb ik alleen nog maar gebladerd. Een belangrijk verschil tussen T⊗T en Natters boek is dat in het laatste werk de fragmenten chronologisch zijn geordend, terwijl de lezer van Robberechts fragmenten vrij is om een eigen volgorde van de fragmenten te kiezen.

Hoe krijgt Natter het voor elkaar om samenhang te organiseren in zeshonderd pagina’s fragmenten van het elementairste tekstniveau, waar dat Robberechts niet lukt met duizend pagina’s veel gevarieerder fragmenten?

Aan het einde van de oorlog speelt op één dag; de verjaardag van de Führer, twintig april 1945, in en om een concentratiekamp ten noorden van Berlijn. Het Sovjetleger is genaderd tot een twintigtal kilometer. Bij oostenwind is het mortiervuur in het kamp te horen. Wat zich toen heeft afgespeeld, schrijnt in een donker hoekje van ons collectieve geheugen. Natter hoeft er alleen maar naar te wijzen.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Pleister

Het was nog voor de pandemie, een jaar of zeven acht geleden. Een borrel met de collega’s die les gaven aan de leerlingen van de hoogste klassen van het HAVO, in een van de eetcafés van Krommenie. Mijn wekelijkse stukjes kwamen ter sprake en de collega economie vroeg: ‘Waarom doe je dat?’. Hij een biertje, ik een biertje. ‘Laat me even denken’, zei ik. Waarom ik er mee begon, wist ik nog wel. Een paar keer per jaar vroeg de medewerkster publiciteit me iets te schrijven voor het personeelsblad of voor het magazine dat elk trimester aan de ouders van onze leerlingen werd gestuurd. De opdracht overviel me dan, zodat ik besloot tekstjes te schrijven als het mij uitkwam en ik bij een volgend verzoek uit voorraad kon leveren. Toen het  intranet op school verscheen, was het mogelijk die stukjes voor iedereen op school zichtbaar te maken. Maar dat was tien jaar geleden, die school had ik inmiddels verlaten. Wat was het antwoord op de vraag waarom ik het nu, of nog steeds, deed?

Op 5 januari 1964 schreef Daniël Robberechts (1937 – 1992) in zijn dagboek: Wat het leven leefbaar maakt. De zelfmoordgedachte daagt regelmatig weer op. Ik zou er misschien aan kunnen ontsnappen door me cynisch uit te leven (rokkenjager) of door een nieuw, opdringerig beroep te gaan uitoefenen waarin de bezinning op het leven uitgesloten zou zijn (leraar); in beide gevallen een vlucht, een pleister op een houten been, met het gevaar dat de ontnuchtering veel erger zou zijn. Ik las het deze week en was verrast door zijn beknopte en heldere kwalificatie van het beroep van leraar, terwijl ik uit eigen ervaring wist dat bezinning, zo niet op het leven, dan toch op de bizarre beroepspraktijk, althans voor mij, een manier was om het hoofd boven water te houden. Daar waren die wekelijkse stukjes ook voor nodig.  Robberechts deed er inmiddels alles aan om carrière te maken in de literatuur en was hard op weg om de meest bekroonde onuitgegeven Vlaamse schrijver (zijn eigen woorden) te worden.

Ik had het Dagboek ’64 ~’65 van Robberechts uit de kast genomen omdat ik eerder in de week in de Java bookshop was gestuit op een monografie over zijn werk van Arjen Mulder (1955). Mulder studeerde biologie aan de VU, schreef poëzie en volgde in de eerste helft van 1978 een stoomcursus pedagogiek om zijn eerstegraads lesbevoegdheid te halen. Vijfenveertig jaar later noemt hij het een traumatische ervaring. Wat ik me had voorgesteld als een open ontmoeting tussen leraar en leerlingen rond een interessant gespreksonderwerp, de biologie, zag ik verwrongen worden tot emotionele chantage (…) het ontwrichte mijn ziel en brak mijn poëtisch mechaniek aan stukken, ik voelde hoe de delen zich herschikten tot een karikatuur. Ik wist dat ik nooit meer een gedicht zou schrijven. Van les geven is het ook niet gekomen, voor zover ik kan nagaan.

En dan te bedenken dat de schrijverscarrière van Robberechts voor een belangrijk deel is mogelijk gemaakt met het inkomen dat zijn vrouw Cee verdiende in het onderwijs.

Het was te lang stil gebleven. Het antwoord dat ik gaf was: om de gekkigheid voor te blijven. De collega economie liet het even bezinken, nam een slok van zijn bier en zei: Ja, dat begrijp ik wel…

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Sciomantie

Guillaume Apollinaire (1880 – 1918) was elf maanden aan het front toen, terwijl hij ‘le Mercure du Sud’ las, een granaatscherf zijn rechterslaap trof. Zeventien maart 1916, ‘Een mooie Minerva is het kind van mijn hoofd / Ik ben voorgoed gekroond door een ster van bloed’ zou hij daar later over schrijven. De gewonde commandant en dichter wordt per ambulance van de loopgraven onder Reims naar Parijs gebracht, om daar te worden verpleegd. Hij belandt op de operatietafel, waar de chirurgen een gat in zijn schedel boren om een bloedprop te verwijderen. Terug naar het front gaat hij niet meer. Een jaar later schrijft hij het gedicht ‘Schaduw’ over zijn herinneringen aan de loopgraven.

Jullie zijn opnieuw dicht bij me / Herinneringen aan mijn kameraden die sneuvelden in de oorlog / Olijf van de tijd, al uit de openingsregels is duidelijk dat de geheugenplaats niet het oostelijk front is, maar een afwezige aanwezigheid die hecht met de verteller is verbonden. Ontastbare sombere gedaante die de / Veranderlijke vorm van mijn schaduw heeft aangenomen. Afwezig, want geen van de gesneuvelde kameraden zal de goddelijke gedichten die ik zing nog kunnen lezen, aanwezig, want, zoveel staat vast, deze veelvormige schaduw zal hem nooit meer verlaten. Of is het toch de poëzie zelf die bezongen wordt? Schaduw inkt van de zon / Neergeschreven door mijn licht.

Terwijl Apollinaire herstelde van zijn wonden, bundelden zijn vrienden een aantal van zijn korte verhalen onder de titel De vermoorde dichter die nog datzelfde jaar verscheen. Daarin stond Het vertrek van de schaduw waarin ook sprake is van een innige band tussen dood en  schaduw. Het speelt in Parijs, een winkeltje met Koopjes uit de lommerd in de rue des Francs-Bourgeois dat wordt uitgebaat door David Bakar, die een herinnering ophaalt uit zijn tijd in Rome. Een man in een regenjas, zonder hoed, op een plein in de menigte. Hij scheen droef en terneergeslagen en terwijl de mensen luisterden zag ik hoe in de zon de man helemaal geen schaduw had. Snel en onopvallend haalde hij een revolver uit zijn zak en schoot zich een kogel door de mond.

Bakar weet een en ander van sciomantie of schaduwlezen. Want weet u wel dat volgens ons heilig geloof de schaduw het lichaam verlaat dertig dagen vóór de dood?

Dat opent de mogelijkheid om gestorven vrienden weer tot leven te wekken door hun lichaam met de schaduw te herenigen.

In het titelverhaal van de verhalenbundel staat een verslag van een onderhoud van de dertienjarige Croniamantal met zijn leermeester meneer Janssen over zielsverhuizing. Uw ziel huisde net als de mijne in andere menselijke lichamen, in andere dieren of werd verstrooid en leeft zo voort na uw dood omdat niets kan vergaan, houdt de meester zijn pupil voor, en voegt er aan toe: Want wat is het stof langs de wegen anders dan de as van de doden?

Of heeft Apollinaire, net als ik, de editie uit 1889 van de petit dictionnaire universel van É. Littré in zijn kast staan, waarin als een van de betekenissen van ombre, schaduw, staat: Selon les anciens, apparence, simulacre du corps après la mort, een geestverschijning van een overledene die even komt spoken.

De zwarte, sombere gedaante van onze schaduw zou net zo goed van het stof langs de wegen kunnen zijn of van de modder van de loopgraven. Munitiewagens vol gemis, besluit Apollinaire zijn gedicht, Een god die zich verootmoedigt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Sociale zaken

Het hoofdredactioneel commentaar van de Volkskrant koos afgelopen maandag minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als hoofdpersoon. Aanleiding waren de zorgen over de gevolgen van de voorgenomen bezuinigingen op de sociale zekerheid. De fractievoorzitters van de coalitiepartijen D’66 en CDA zeiden moeite te hebben met de verkorting van het zwangerschapsverlof, terwijl ze daar een paar weken eerder, tijdens de formatieonderhandelingen, mee hadden ingestemd. De minister verklaarde geschrokken te zijn van de reacties op zijn opdracht de uitkeringen voor mensen die nu arbeidsongeschikt zijn, te verlagen. In de laatste alinea wijst de krant erop dat de minister kon weten hoe gevoelig het bezuinigen op bestaande gevallen ligt. Hij is geboren in 1963, en was in de vroege jaren negentig als ambtenaar op het ministerie van Economische Zaken betrokken bij soortgelijke ingrepen van het kabinet Lubbers III, waarvoor het CDA, bij de verkiezingen van 1994 van de kiezers de rekening kreeg gepresenteerd.

Ik bleef haken aan het jaartal 1963, omdat het ook het geboortejaar was van Rob van Essen, van wie ik de nieuwe roman De grote schoonmaak aan het lezen was. Van Essen en Vijlbrief zijn leeftijdgenoten. Ik besefte ineens dat beide mannen hun vormende jaren beleefden in de jaren tachtig, die het einde markeerde van het ideaal van verzorging, verzekering, verheffing en verbinding van de bevolking; de verzorgingsstaat. Van Essen kijkt met enig ongeloof en niet zonder nostalgie terug op zijn tijd als uitkeringstrekker in Amsterdam. Vijlbrief zegt voor het voortbestaan van de verzorgingsstaat te vechten door hem ingrijpend te kortwieken.

Van Essen schreef in Kind van de verzorgingsstaat: Soms kan ik naar die tijd terugverlangen. Alles was toen nog zonder consequenties. Niet alleen doordat de staatsverzorging honger en dakloosheid voorkwam (en dan hield je nog genoeg over voor café- en bioscoopbezoek), maar ook, vooral, doordat het leven nog statisch was; het kon elke dag opnieuw beginnen … Van Essen is de eerste om toe te geven dat die bitterzoete melancholie massale jeugdwerkloosheid en een voortdurende koude oorlog nodig had. Dat de aidsepidemie ondertussen genadeloos huishield en een generatie, voornamelijk homoseksuele mannen, wegmaaide, relativeert de laatste zin. Het leven moest voor velen elke dag beginnen, hoe onmogelijk dat ook leek.

Ook in De grote schoonmaak is ruim baan gemaakt voor dat grimmige decennium. Zo sleepte ik mij door de jaren tachtig, in mijn kleine etage bij het verlaten rangeerterrein, aldus het hoofdpersonage Thomas. Elke dag deed ik mijn bescheiden boodschappen, die ik betaalde met het geld dat de Sociale Dienst maandelijks op mijn rekening stortte. En: Als kabeltelevisie in die jaren aan iemand besteed was, dan wel aan mij. Het nieuws, de actualiteiten, de snookertoernooien op de BBC met de felgekleurde ballen die een voor een verdwenen tot het groene laken er maagdelijk bij lag – ik zag alles.  

Terwijl Van Essen weet dat het heimwee naar die jaren van de verzorgingsstaat niet oprecht is, dat je niet terug kunt naar die tijd in Amsterdam. Net zoals je niet twee keer in dezelfde rivier kan stappen, kan je niet twee keer in dezelfde stad rondlopen.

Op de site van de Rijksoverheid staat een citaat van minister Vijlbrief. Hij wil samen aan de slag om Nederland klaar te maken voor de toekomst. De grote schoonmaak eindigt in Brixopolis in het jaar 2197. Hoeveel toekomst wil je hebben? Elsa vraagt: Hebben jullie het boek uit? Mystic antwoordt: Iedereen heeft het boek uit, Nu de minister nog.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Kaas, stro, zon

In den beginne was het woord, schrijft Johannes aan het begin van het laatste Bijbelboek en daar heeft hij gelijk in. In het eerste boek lezen we immers dat de Schepper, toen de aarde nog woest en ledig was, de wereld tot stand bracht door te spreken. Dat het woord scheppingskracht heeft, ligt ten grondslag aan de Joods kabbala, maar is ook de vaste overtuiging van schrijvers en dichters. Moeten we dan vrezen dat onze wereld verloren gaat als we de woorden kwijtraken? Die onrust maakt dat we doorlezen in ‘Een woord voor’, de nieuwe roman van Eva Meijer (1980).

Achteloos is het eerste woord dat verdwijnt, kort daarna moet ook archaïsch er aan geloven. Niemand die ze zich nog herinnert, lege plekken in de woordenboeken, geen spoor van terug te vinden in digitale bestanden, een vaag benul over wat men vroeger zei, meer niet. Nu zijn achteloos en archaïsch woorden die de meesten van ons niet dagelijks gebruiken, ze worden nauwelijks gemist. Dat wordt anders als de woorden neuken en geld zomaar zijn verdampt. Als het woord geel er ook aan moet geloven, dreigt er een volksopstand. Niet om het verlies te wreken, maar omdat er strijd ontstaat over het woord dat in de plaats komt. Is dat stro, zoals men in de Nedersaksische streken vindt, zon dat volgens Randstedelingen het meest in aanmerking komt, of kaas dat voor de boeren het beste woord is. De regering besluit in arren moede om voorlopig het Engels als officiële eenheidstaal te gebruiken.

Daarmee zijn de problemen niet opgelost. Al was het maar omdat Nederlandse woorden als uitwaaien, niksen, gedogen, aanstelleritis en dropping in geen enkele taal een equivalent hebben, zoals taalkundige Marc van Oostendorp deze week schreef. Of omdat niet iedereen voldoende Engels spreekt. Of omdat de Friezen een beter alternatief hebben. En waarom dan niet het Duits, vragen de bewoners van de oostelijke grensstreken, terwijl dichters en letterkundigen waarschuwen dat het afschaffen van het Nederlands onze culturele ervaring voorgoed verarmt.

De minister president zwijgt: Misschien zit daar iets in. Maar hij probeert al de hele tijd de boel bij elkaar te houden. Na het PVV-kabinet die na elf maanden viel en het daaropvolgende middenkabinet die het midden niet kon vinden is zijn partij weer aan de macht – niet de grootste, maar de redelijkste. Trouwens, het woordje dat is ook verdwenen en door die vervangen.

Wat is er aan de hand? Zijn het hacks van vijandige mogendheden? Dat de woorden ook uit het menselijk geheugen verdwijnen, duidt eerder op een virus. Zijn we getuige van het laatste stadium van cultureel imperialisme uit de Verenigde Staten dat ooit begon met Donald Duck, Coca Cola en Elvis Presley en is ontaard in een onaangekondigd experiment van technoligarchen? Als de premier het onderwerp omzichtig aanroert bij zijn Amerikaanse collega, juicht die het besluit om voorlopig de Engelse taal te gebruiken toe en zegt de rekening te sturen voor de leenvergoeding.

En dan moet The Night of the Name Losses nog komen, waarin van de ene dag op de andere bijna de helft van de namen kwijtraakt. Lege bevolkingsregisters, gaten in het paspoort, wel reclame-afbeeldingen op straat, maar geen merknamen, hoe roep je nu de kinderen voor het eten? En wat te denken van de begraafplaatsen, waar op de stenen alleen datums achterblijven, soms een foto, een enkel symbool. Nog diezelfde avond overvalt iemand een benzinepomp. De dader valt niet te identificeren.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Aan een haak

Tijdens de pandemie waren er berichten over zorgen over baby’s die in hun eerste levensmaanden uitsluitend gezichten zagen met een mondkapje. Dat van de verloskundige, de vroedvrouw, de kraamhulp, ouders, broertjes, zusjes. Zwaaiende grootouders buiten voor het raam. Zouden de pasgeboren kindjes zich kunnen hechten aan alleen een paar ogen? Hoe moesten ze ooit leren lachen, als het hun niet was voorgedaan?

Het is januari 2021. Je bent twee dagen en bijna twee nachten oud. Het kindje slaapt in een bedje van plexiglas, zijn moeder spreekt het in gedachten toe. In het donker van mijn ziekenhuisbed word jij een kubistisch samenraapsel. Naast mij ligt mijn kind, en het heeft geen gezicht. Ik probeer niet in paniek te raken. We bevinden ons in het eerste hoofdstuk van Als de dieren, het debuut van de Vlaamse Lieselot Mariën (1986), één van de zes genomineerden voor de Libris literatuurprijs. Negen maanden heb ik je gedragen, en toch voelde het alsof je in enkele seconden dwars door mij heen gevallen was.

Het kind zal in april 2020 zijn verwekt. Een maand eerder las Ingmar Heytze (1970) zijn gedicht Vogels, vissen voor op radio 1: Ik ben net zo bang als jij, net zo bezorgd voor iedereen die ik niet missen kan. Hij leest: Maar in Wuhan hoor je vogels zingen. Boven China was de lucht nog nooit zo blauw. In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden. En besluit met: We zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Als de ik-persoon uit het eerste hoofdstuk later naar de foto’s van haar en haar zoon kijkt, lukt het haar nauwelijks zichzelf te herkennen. Ze spreekt van een vrouw in mijn kleren, meent dat het te maken heeft met een moment in augustus 2021 waarop ik jou hoorde huilen en je de rug toekeerde; het moment waarop zij je troostte en ik de trap af liep. Het moment dat ik en de vrouw in mijn kleren niet meer samenvielen.

In diezelfde maand steeg het aantal besmettingen in België tot ongeveer 500 per dag. In het hele land werd een mondmaskerplicht ingevoerd en een avondklok verordend. Uit die tijd dateert de foto van haar en een vriendin die ook dat jaar een kind gekregen heeft. Twee tevreden glimlachende moeders op een picknickdeken, elk met een stevige baby van ongeveer acht maanden op de arm. Nee, deze kinderen zou het, pandemie of geen pandemie, aan niets ontbreken.

Ook in de stad, waar ze met haar baby in de draagzak loopt, trekt men zich niets aan van de aanbevelingen om de gevolgen van de pandemie te beperken. Er lopen zoveel mensen in deze straat, er lopen zoveel mensen. Ze stompen met hun boodschappentassen tegen mijn dijen, ze spreken voor zich uit in telefoons die ze in hun hoofddoek knellen, ze roepen naar elkaar van weerszijden van de straat. Voor een slagerij staat een bestelwagen met daarin het kadaver van een schaap. In dit moederschap hangt mijn lijf aan een haak, druipt mijn bloed uit mijn vlees.

Dat voorjaar was in de Vlaamse versie van Beleef de lente te zien hoe de slechtvalk zodra de eieren braken, haar jongen verorberde. De beelden werden ijlings offline gehaald. Een expert verklaarde dat dit niet de natuur is. Voor het scherm is de vrouw in mijn kleren, het kind slapend op haar buik, er getuige van. Ik weet hoe het komt en het is afschuwelijk.

Maar dus geen Covid.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Veel wit

Moeder was gestorven en werd bijgezet in het graf van haar man Freek en zijn eerste vrouw. Om de groeve stonden de kinderen: Helmer, Lieke en Magda, schoonzoon Tim en de kleinkinderen Anka en Frank. Moeder heeft in de achtste roman van Henry Sepers (1955) ‘Moeder is een ding’ net zo min een naam als de vrouw die Freek had liefgehad voor hij moeder ontmoette. Helmer was vijf toen hij moeder leerde kennen, de vrouw was een jaar dood. Juffrouw Valk van de kleuterschool had met een warme en innige knuffel afscheid genomen van Helmer, die de volgende dag met zijn vader naar het andere eind van de stad verhuisde, om bij moeder te gaan wonen. Over de vrouw is daarna niet meer gesproken.

Door Freek Splinter en zijn echtgenote in elk geval niet. Helmer groeide op, schreef poëzie en vergaarde enige bekendheid met bundels als Kinderschim, De gewiste vrouw, In de nevels van het jarenwoud en Nachtvergrijpen. Zijn vader was trots op zijn beroemde zoon, prees het taalgebruik, maar over de inhoud sprak hij niet. Moeder ging het boven de pet, eigenlijk had ze meer op met haar schoonzoon. Die liet zijn handen tenminste wapperen, in tegenstelling tot haar zoon die leefde van de subsidies die hij ontving voor onbegrijpelijke boekjes met erg veel wit op de pagina’s. Critici duidden de gedichten als een verlangen naar intimiteit en de behoefte om de leegte in de dichter zelf te omsingelen met woorden. Citaten die het prima deden op een achterflap.

Als Helmer zijn vader naar zijn vroegste jeugd vroeg, kreeg hij nul op het rekest en ook moeder gaf niet thuis. Na de dood van zijn vader is Helmer naar diens beste vriend David van Akkeren gegaan, hij moest de vrouw toch ook gekend hebben. David zuchtte. Toen stond hij op. Resoluut. ‘Ik kan je niet helpen’, zei hij. Het is niet aan mij. Nu was ook moeder overleden en was er niemand meer om de vragen over vroeger aan te stellen. Ooit zal ik over deze dingen dichten, ik sla beelden op in mijn hoofd. Tegelijkertijd knaagt het benul dat vragen de voorkeur verdienen boven de antwoorden. Wat moest ik aan met het besef van ondoorgrondelijkheid van mijn bestaan, als daar een weten voor in de plaats kwam? Waarover kon ik dan nog schrijven?

Een oude buurvrouw, tante Ida, bindt Helmer op het hart de praatjes die er over zijn moeder rondgingen niet te geloven; Een engel, een opdracht van boven, hoe verzinnen ze het.

Als Helmer via de uitgeverij een condoleancebericht krijgt van juffrouw Valk, besluit hij haar op te zoeken. Hij mag Anita zeggen. Zij had zijn gedichten gelezen en voelde de aanwezigheid van zijn echte moeder. Alsof haar geest over de bladzijden zweefde, maar nooit wilde neerdalen.

Dat verhaal van tante Ida kende ze ook. Er zou een engel aan het sterfbed van je moeder zijn verschenen. De dominee vertelde dit in zijn preek tijdens de afscheidsdienst. Ongepast vond ik het verhaal. Idioter kan het niet.

En toch. Een valk is ontegenzeggelijk een gevleugeld wezen en Anita is bij mijn weten het enige woord (hoewel, IJsbrand?) dat zowel eigennaam als oxymoron is; een menselijke naam die zichzelf ontkent elke keer dat hij wordt genoemd. Is er meer nodig voor een engel?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen