Amazone

Eind mei kon ik haar feliciteren, omdat ze geslaagd was voor haar havo-examen. Ik maakte verbinding via Microsoft teams. Toen het beeld openbrak, was het eerste dat ik zag de smetteloos blauwe hemel die de eerste golf van de pandemie overkoepelde. Daarvoor haar torso, haar hoofd, haar lange blonde haren, ze had een cap op haar hoofd. In haar linkerhand hield ze de leidsels losjes vast. Ik heb het paard ook gefeliciteerd met de prestatie van zijn amazone. Met haar telefoon liet ze het hoofd van het dier zien dat onrustig schudde. Ze had geen hand meer over om het gerust te stellen met klopjes op de hals.

Na de eerste periode van tien weken van het schooljaar zag het er niet naar uit dat ze zou slagen. Drie, vier onvoldoendes op het rapport, achterstanden bij verscheidene vakken. Tijdens de ouderavond van achtentwintig november maakten de afdelingsleider en ik tijd vrij om met haar en haar ouders de perspectieven en mogelijkheden door te nemen. In de aanwezigheid van haar vader en moeder was ze ineens een kind. Ik zag het en het verwarde me. Haar was de gave van het woord niet gegeven. Ze sprak stamelend en met alles wat ze zei kwam een verontschuldiging mee. Ze was behept met die moeilijke combinatie van eigenschappen als schoonheid, trots en schaamte die op buitenstaanders gemakkelijk de indruk van hoogmoed wekt. We werden het eens dat het geen diepe onvoldoendes waren, dat het allemaal nog mogelijk was en concludeerden dat het aankwam op vertrouwen en ondersteuning van onze kant en discipline en doorzettingsvermogen van de hare.

Ingmar Heytze heeft er een gedicht over geschreven dat De mooiste meisjes heet en begint met de regels: De mooiste meisjes hebben nooit gevraagd / te worden opgesloten in kerkers van perzikhuid. / Ze rammelen bevallig aan hun gouden tralies / en ze zingen: ‘Wij hebben hier niets aan gedaan ! (…)

En warempel, het hielp. Het schoolexamen tekstbegrip, spellen en formuleren, waarvoor ze aanvankelijk een drie had gescoord, wist ze in de herkansing te verbeteren tot een zes. Later in het jaar was haar opdracht gedocumenteerd schrijven een zeven waard en voor haar mondeling schoolexamen letterkunde mocht ik haar een zesenhalf geven. Op haar rapport verdwijnen een voor een de rode cijfers.

Dat het haar niet gemakkelijk afgaat, kom ik te weten als ik haar spreek via het computerscherm. Het is eind maart en we zijn inmiddels een week of twee van school verbannen en aan huis gekluisterd. De minister heeft besloten dat het eindexamen dit jaar niet door zal gaan. Iedereen doet het voorkomen dat ik mijn diploma gratis bij een pakje boter krijg, zegt ze, terwijl ik net als iedereen vijf jaar op school heb gezeten. Daarna treurt ze om de feestjes die door de pandemie allemaal niet doorgaan.

De meisjes van Ingmar Heytze vervolgen hun zang: Dit is een list van de natuur, / de gave is aan ons verspild, wij zijn sirenen van de genen, zo volkomen ongewild – ‘

Als ze afgelopen woensdag haar havodiploma in ontvangst heeft genomen en het  fotomoment heeft doorstaan, staat ze plotseling voor me, veel dichterbij dan anderhalve meter. Weer moet ik tegen  haar op kijken, ze is een kop groter dan ik en heeft een strak gesneden zwart jurkje aan dat haar armen en benen bloot laat. Haar voeten verdwijnen in ongemakkelijke pumps met hakken waaraan geen einde komt. Ze begint: Meneer Van Lieshout, ik wilde u nog zeggen …

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Wonderen bestaan

Wat ik nog weet van de vakantiebaantjes uit mijn jeugd. Dat ik te verlegen was om te solliciteren, zodat ik met pijn in mijn buik en met lood in mijn schoenen mijn diensten aanbood aan kandidaatwerkgevers, waar ik vervolgens bijna altijd werd aangenomen. (Kwam daar nog eens om toen ik in de jaren tachtig was afgestudeerd). Kantoorbediende op een distributiecentrum van Amerikaanse vrijetijdskleding, waar ik de woorden t-shirt, jeans en debiteurenadministratie leerde, medewerker op de telkamer van de Nederlandse Middenstandsbank aan de Keizersgracht in Amsterdam, waar de uitbaters van gokautomatenhallen hun muntgeld afleverden en wij er pakketjes van maakten voor de winkeliers. De broodwijk in mijn geboortedorp, waar ik een casinowit van een knipbruin leerde onderscheiden en boerentijger een begrip was voordat Tonnus Oosterhoff (1953) debuteerde met een bundel die zo heette. En koster in de plaatselijke katholieke kerk.

Door mijn jarenlange ervaring als misdienaar en acoliet was de overgang naar hulpkoster in de vakantieperiode niet al te groot. Het moet in de vroege jaren zeventig geweest zijn. Zolang ik mij kon herinneren was Henk Schelling de koster van de Onze Lieve Vrouwe Geboortekerk en zolang hij zich kon herinneren, was hij niet met vakantie geweest. Hoe kon het ook? Er waren elke dag erediensten en omdat de dood nooit vrijaf neemt, diende hij altijd voorbereid te zijn op het verzorgen van een uitvaart en begrafenis. Maar nu hij zelf opgroeiende kinderen had, moest het er maar eens van komen.

Zo kwam het dat ik als opgeschoten jongeman als eerste de zware kerkdeuren ontsloot, het licht aandeed en de kaarsen aanstak, in de sacristie de liturgische kledij klaarlegde, de stola onderop, de cingel ernaast, ingekort met grove haaksteken, op de stola de albe, met de achterzijde naar boven en een punt van de achterzoom op de tafel en daar weer op de amikt. Het kazuifel hing al die tijd over het knaapje op de standaard.

Afgelopen week stuitte ik op beelden op internet van de uitvaart van Henk Schelling. Er zaten nauwelijks mensen in de kerk – corona – maar de livestream moest het mogelijk maken dat meer mensen het afscheid van de oude koster konden meemaken. De dienstdoende diaken zei dat Schelling in zijn eigen stoel in zijn eigen kamer was gestorven. Hij noemde hem een gelovig man, maar ik denk niet dat dat klopt. Een koster gelooft niet, een koster weet en handelt. Ik twijfel er niet aan dat wonderen bestaan, maar ze worden geregisseerd, voorbereid en georganiseerd door de koster die na afloop alles ook weer netjes schoonmaakt en opbergt en zo de geloofsgeheimen zorgvuldig bewaart.

Daarna kwam zijn zoon aan het woord die memoreerde hoe zijn ouders, nadat zijn vader gepensioneerd was, verhuisden van de kosterswoning naar een appartement achter de kerk, en hoe ze later in het verzorgingstehuis terechtkwamen.

Daar had ik van gehoord. Mijn moeder wist te vertellen dat er voor het echtpaar Schelling geen tweepersoonskamer beschikbaar was, zodat ze twee kamers naast elkaar toegewezen kregen. Schellings zoon vertelde dat zijn vader het moeilijk had gevonden dat zijn vrouw en hij elkaar de afgelopen periode niet konden zien.

Even later is het de beurt aan de kleinkinderen om te vertellen dat opa niet begreep dat zij niet meer binnen mochten komen, dat zelfs oma op afstand moest blijven.

Om dat niet te begrijpen, hoef je geen negentig te worden. De dodelijke mix van voorzorgsmaatregelen en goede bedoelingen gaat ook mijn verstand te boven.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Atoomnummer 32

Tien weken lang kregen we elke werkdag een gedicht in onze mailbox. Onze bloemlezing van de Nederlandse poëzie, die we dankzij de service van Laurens Jz. Coster konden samenstellen, groeide tot vijftig gedichten van Vasalis, Lucebert, Gerrit Achterberg, Mischa de Vreede, Louis Th. Lehman, Vroukje Tuinman, Astrid De Wancker, Agnita Feis, Herman Gorter, Leo Vroman, Guido Gezelle, Ida Gerhardt, Hanny Michaelis, Christine D’haen en nog veel meer. Elk van ons onderwierp zeven gedichten aan een nader onderzoek door de verzen nauwkeurig te beschrijven, te begrijpen en te beoordelen.

Dat was nog helemaal niet eenvoudig. Neem nu Het groote lijden van Martinus Nijhoff (1894 – 1953):  Daar, in dien duist’ren tuin, ter zijde van / De wereld, riep zijn stem, van ver nog, smeekend: / ‘Waakt met mij, één uur’ – Toen viel alles dicht. Hoe konden wij weten dat de dichter hier het lijdensverhaal van Jezus Christus uit Het nieuwe testament navertelt? En als de predikant in het gedicht Kom haastig! van Okke Jager (1928 – 1992), bidt: ‘Kom haastig, Jezus!’ verstaan wij, die van geen Messias of verlosser weten, de naam achter de komma als een uiting van irritatie. Een vloek zo u wilt.

Of het gedicht Op een made van Kees Stip (1913 – 2001), dat begint met: Dit weekend ging een groepje maden / in Scheveningen pootjebaden. Maden? Dat moet een schrijffout zijn, daar wordt vast meiden bedoeld. Verder lezen maar: De welbespraaktste van het stel / sprak: ‘Makkers, merken jullie wel?. Zie je, het gaat wel degelijk om mensen. Nog twee regels: Er zijn hier heel wat maden bij / die made zijn in Germanij.’ Dat laatste woord zoeken we op met Google en we stuiten op het scheikundig element germanium met het atoomnummer 32, een lid van de koolstofgroep.

Dan wordt het vijfentwintig mei en in Minneapolis, Minnesota in de Verenigde Staten overlijdt George Floyd. Aan corona, hart- en  longfalen, volgens het officiële communiqué, aan racistisch politiegeweld volgens ooggetuigen in Minneapolis en op de sociale media. Het is het begin van een demonstratiegolf die op een juni de Dam in Amsterdam overspoelt. Er zijn veel mensen, te veel, vinden de mensen die er niet bij zijn.

Op elf juni bezorgt Laurens Jz. Coster ons een gedicht van Heidi Koren (1975) uit haar tweede bundel Wie dit leest is gek.

Dit gedicht bestaat uit allemaal losse woorden. Het gedicht heeft geen naam. Het gedicht bestaat uit zestien regels. Er is ook geen rijm. Er zijn geen strofen gevormd., zo begint Amanda haar analyse. Daar heeft ze gelijk in. Het gedicht opent met de regels: de embryo | de baby | de peuter | het kind | de tiener | de / puber | de jongere | de jongen | het meisje | de volwassene | de oudere | de / bejaarde | de dode , vijftig keer het bepaald lidwoord de gevolgd door een bijvoeglijk, of een zelfstandig naamwoord. Het eindigt met de regels: de gezonde | de zieke | de gehandicapte | de misvormde / de standaard // de mens

Amanda besluit haar analyse met: Toen ik het gedicht begon te lezen snapte ik het niet helemaal, maar bij de regel: de witte | de zwarte | de donkere | de rest wist ik gelijk waar het over gaat. Ik ben het met de schrijver/schrijfster van het gedicht eens we zijn allemaal mens.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | 2 reacties

Lobotomie

De ets in de lijst links boven de bank in de woonkamer bestaat uit zestien identieke, staande rechthoekige vlakjes die in vier rijen en vier kolommen over het papier zijn verdeeld. Zei ik identieke? Dat kan nauwkeuriger. Mijn broer heeft de kleine rechthoekige etsplaat (negentig bij honderdvijftien millimeter) zestien keer afgedrukt en geen van de drukken is hetzelfde. Er staat geen voorstelling op de etsplaatjes; krassen, een wolkachtig motief. Toen hij klaar was heeft mijn broer het ‘Loomings’ genoemd. Een onvertaalbaar Engels woord dat ‘opdoemen uit de mist’ betekent, maar evenzogoed ‘dreigen’, ‘gluren’ en ‘iets dat niet klopt’. Toen ik hem er drieëntwintig jaar geleden naar vroeg, zei hij: ‘Het is de titel van het eerste hoofdstuk van Moby Dick’.

Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat het met de leesvaardigheid van jongeren zorgelijk is gesteld. In haar laatste Staat van het onderwijs moest de inspectie concluderen dat een kwart van de vijftienjarigen in Nederland onvoldoende geletterd is, waarmee de inspectie bedoelt dat die jongeren niet in staat zijn een brief van school of van de overheid te begrijpen. Voor vijftienjarige jongens is dat percentage nog een stuk hoger.

Dat het ook anders kan, las ik in Slaap zacht Johnny Idaho van Auke Hulst (1975). In dit boek uit 2015 raakt de zestienjarige hoofdpersoon, die eigenlijk Johnny Hannigan heet, verzeild in de woestijn van Utah, niet ver van het plaatsje Moab, halverwege Denver en Las Vegas. Daar ontmoet hij Woestijnrat een getraumatiseerde Afghanistanveteraan die in een hut woont en onderhoud pleegt aan jaknikkers. Woestijnrat helpt Johnny van zijn krukken af, verwijdert het gips van zijn been, moedigt hem aan te trainen en weer te leren lopen, voorziet hem van tweedehands boeken en geeft hem een oude e-reader die hij op een garagesale op de kop heeft getikt. Vanaf dat moment is Johnny verslingerd aan Moby Dick van Herman Melville (1819 – 1891).

Die fascinatie deelt hij met Maarten Biesheuvel (1939) die in zijn verhaal Zweeds werk schrijft: Het laatste jaar doe ik niets anders dan Moby Dick lezen. Ik moet hem nu al minstens twintig keer gelezen hebben en telkens kom ik weer nieuwe dingen tegen. Het lijkt onderdehand of ik zelf vier jaar lang op de Pequod heb gevaren, ja zelfs meen ik dat Queequeg mijn persoonlijke vriend is.

Jacq Vogelaar (1944 – 2013)  begrijpt de opwinding over het boek van Melville niet. Afgezien misschien van de bijbel is er geen dik boek dat zo kort kan worden samengevat als Moby-Dick, or the Whale (1851). Kapitein Achab, die in een gevecht met een witte walvis een been is kwijtgeraakt, achtervolgt de albino over alle wereldzeeën om, wanneer hij de witte reus eindelijk gevonden heeft, met zijn gehele bemanning (behalve de verteller Ismaël) ten onder te gaan. Hij noemt het boek een droge turf.

Als Johnny op pagina 271 moet vluchten, wordt hij in een flits bevangen door een vreemd gevoel van verlies dat hij niet kan thuisbrengen. Mijn eReader…  Ik moet de aanvechting bedwingen rechtsomkeer te maken.

Johnny zal zijn e-reader niet meer terugvinden, al komt het woord nog voor op pagina 309: In mijn zakken zoek ik naar mijn eReader. Herinner me dan dat ik ‘m kwijt ben. Fuck. Vacuüm in mijn borstkas, overdruk in mijn hersenpan. En een paar regels verder: Het verlies van boeken is zoiets als lobotomie – een hap uit mezelf.

Het vervolg van zijn missie volbrengt Johnny met echo’s van zinnen uit Moby Dick in zijn hoofd.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Toen zingen nog mocht

Misschien zou het tegen het weekend gaan regenen. De nieuwe planten voor de lange border waren donderdag voor Pinksteren al bezorgd. voor die de grond in konden, moest ik eerst plaats maken. De ooievaarsbek met de onheilspellende naam Black Widow (Geranium phaeum) was alle perken te buiten gegaan. Zijn bijna zwarte bloempjes zweefden als vliegen boven de bodembegroeiing van zevenblad, heermoes, dovenetel, distel, winde, opschietende hop, hier en daar een brandnetel en paardenbloem. De afgelopen twee maanden hadden ze hun gang kunnen gaan, tussen de tulpen, onder de aliums en rondom de blauwe aren van de indianenbloem.

Zahra had zich gemeld via de mailservice van Magister, de digitale parallelle werkelijkheid van school. Zij en Hagar wilden graag nog wat vragen stellen over het aanstaande schoolexamen poëzie. Ze waren nog niet zo zeker van hun zaak. We maakten een afspraak voor een digitale ontmoeting van ons drieën. Zodra ze zijn ingelogd zetten ze hun camera aan en kunnen we elkaar in de ogen kijken. Hagar vroeg of we samen het mini-oefenexamen zouden kunnen maken. Waarom niet? Natuurlijk kunnen we dat.

Behoedzaam beweeg ik me laag bij de grond. Op mijn hurken, op mijn knieën waar dat kan. Tussen het zevenblad ontdek ik een dahlia die in blad is gekomen en al twintig centimeter hoog is, en die fijne blaadjes daar zouden heel goed van een verloren gewaande aster kunnen zijn. De ene na de andere container vul ik met losgetrokken scheuten en bladeren, soms geheel ontwortelde planten. Een merel houdt, dicht bij me in de buurt, veel dichterbij dan anderhalve meter, elk stukje vrijgekomen zwarte aarde nauwkeurig in de gaten en schiet toe zodra hij meent iets te zien bewegen. Twee uur later is de groenbak tot de rand toe vol.

Het gedicht waarmee we oefenen is We verdampen van Lieke Marsman (1990), uit de bundel De volgende scan duurt vijf minuten uit 2018. De dichteres wordt behandeld voor kanker, vandaar die titel. Ook dit gedicht gaat over haar ziekte. Maar eerst maar eens kijken wat we voor ons hebben: veertien regels, twee terzinen, twee kwatrijnen. Dan is de conclusie van een sonnet snel getrokken. Maar dit gedicht begint met het sextet en eindigt met het kwatrijn. Dat is de wereld op zijn kop. Zou dat iets zeggen over de gemoedsgesteldheid van Lieke Marsman?

Tweede Pinksterdag neem ik een schop mee uit de schuur en spit ik alle vrijgemaakte grond een steek diep om. Nu ja, niet natuurlijk daar waar ik sneeuwklokjes (Galanthus nivalis) weet te staan die elk jaar uitbundiger het einde van de winter verkondigen. Dit jaar al eind januari. Dan besluit ik waar ik de nieuwe aanwinsten zal zetten. Bergamot en ijzerhard achterin, die kunnen wel meer dan een meter hoog worden, kattenkruid en muurbloem, die zo lang doorbloeit met paarse aren, meer vooraan, net als de salie, salvia nemorosa, die we met het Linnaeuskoor zo vaak bezongen in de ouverture tot de Linnaeuscantate. Toen zingen nog mocht en niemand had gehoord van aerosolen.

We onderwerpen de eerste strofe aan een nader onderzoek: Het zijn rare tijden, jaargetijden / veranderen en vermijden een confrontatie / met vakantie. Eindrijm, halfrijm, alliteratie, het is er allemaal en als we goed lezen kunnen we het aanwijzen. Met de ij-klank wordt regel twee aan regel een geschakeld, met de alliteratie van veranderen, vermijden en vakantie, maakt regel drie zich vast aan twee. Het minimale eindrijm confrontatie, vakantie doet de rest.

Nog elf regels te gaan. Daarna moet ik met een gieter naar de nieuwe planten want de aangekondigde regen laat op zich wachten.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Berichten uit het covidium

We waren op school om vast te stellen wie van onze examenkandidaten was geslaagd en wie nog baat zou hebben bij een herkansing. Daarna zouden we de leerlingen bellen. Toen dat gedaan was zaten we in het leshuis, de collega aardrijkskunde en ik, te wachten op de volgende vergadering op het scherm. ‘Geen interactie’, somberden we. ‘Lesgeven is toch iets anders dan alleen maar zenden? ‘ Ik kijk tegen een donker scherm aan en presenteer mijn PowerPoint. Ik weet: nu moet er een vraag komen. Het blijft stil.’

We zetten wat observaties van de afgelopen maanden op een rij. De horrorverhalen uit de verpleeghuizen en zorginstellingen. Liegende overheden en bestuurders terwijl zorgverleners klapwiekend moeten toezien hoe de een na de andere bewoner stikt met een radeloze blik in de ogen.

De gestage afbraak van individuele rechten en persoonlijke vrijheid die begint met een advies, daarna een maatregel heet, die kort daarna algemeen bindend wordt verklaard en met een noodwet enige juridische status krijgt. Vervolgens klimt een handhaver over het tuinhek om een samenzijn in de achtertuin te ontbinden en voor tweeduizend euro aan boetes te incasseren. De buren hadden aangifte gedaan. De boete zou later voor de rechter geen stand houden.

We voegden er de aanstaande herverkiezing van de Amerikaanse president aan toe, de barsten in de samenhang van de Europese Unie,  de economische zelfmoord die we om ons heen constateerden en de veranderde rol van China op het wereldtoneel, maar ook de weldadige rust en stilte van de pandemie die mij keer op keer herinnerde aan mijn vroege jeugd toen er nog geen vliegtuigen door de achtertuin denderden.

Wie deze weken of maanden poëzie leest, zoals mijn leerlingen van vier havo en ik, stuit vroeg of laat op de coronagedichten van Ingmar Heytze (1970). Begin januari had ik de Schrijverscentrale opgebeld met de vraag of zij voor ons een dichter wilde vragen een gastles te verzorgen. Al snel viel de naam van Ingmar Heytze, de dichter van Voor de liefste onbekende en nog veel meer.

De sluiting van de scholen en de oproep binnen te blijven en onnodig verkeer te voorkomen, veranderde de plannen. In april vroeg ik de dichter of hij een filmpje wilde maken dat we in onze digitale lessen konden gebruiken. Maandag vijfentwintig mei rolde het resultaat in mijn mailbox.

Hamster maar hamsteraar Hamster alles bij elkaar, spreekt de dichter in de microfoon. We zien hem zitten voor een kast in een piramidevormige nis waarin een versterker staat. Rechts van de spreker staat een witte elektrische gitaar op een standaard.

Berichten uit het covidium heeft hij zijn bijdrage voor onze leerlingen gedoopt. Hij vertelt hoe hij zijn praktijk, lezingen, voordrachten, optredens in de crisis heeft zien verdampen. Het woord omscholing valt. Maar er zijn ook opdrachten. Zoals die van Met het oog op morgen en eenvandaag.

Heytze vertelt in het filmpje dat het een inktzwart gedicht was geworden, zonder een sprankje hoop. Dat zijn vrouw het las en zei: dat kun je niet doen, er zijn ook lichtpuntjes. Dat Heytze vroeg: welke dan? en daarna opschreef: Maar: in Wuhan hoor je vogels zingen. / Boven China was de lucht nog nooit zo blauw. / In Venetië zien ze vissen in het helderste water sinds tijden.

En zo ontstond het gedicht Vogels, vissen, dat eindigt met de regels: Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen: / wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Pottenrek

Een boekenkast was er niet in huis, maar in de keuken hing wel een pottenrek. Zo kwam het dat de eerste woordjes die ik las suiker en meel waren, koffie, thee en zout. Tot zover de woorden waarvan ik de betekenis kende. Exotischer waren de woorden sago, vermicelli, muskaat, foeli en kaneel. Van het woord ‘nagelen’ vroeg ik me af of dat niet ‘nagels’ moest zijn, en waarom je in hemelsnaam nagelen zou bewaren. Ik proefde de woorden op mijn tong, zonder naar de betekenis te verlangen. Zestig jaar later lees ik het gedicht ‘smaakgevende dingen’ van Radna Fabias (1983). Ze schrijft: ‘nootmuskaat was vroeger vreselijk duur / van één nootmuskaat kon je vroeger een slaaf kopen / om te patsen liep de koper rond met zijn nootmuskaat en bracht er publiekelijk zijn / drankjes mee op smaak’.

De laatste tien weken van het schooljaar lezen we met de leerlingen van vier havo poëzie. We kiezen elk een stuk of wat gedichten, analyseren die, en presenteren die in een bloemlezing. In het midden van het lokaal staat een kratje met een twintigtal exemplaren van de klassieke bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat van Aarts en Van Etten, aangevuld met bundels uit de schoolbibliotheek. Maar dit jaar is alles anders. De school is tot nader order op slot, de boeken in de bibliotheek zijn onbereikbaar. Gelukkig is daar de abonnementenservice van Laurens Jz Coster waarmee Raymond Noë ons gratis en voor niets elke werkdag een gedicht toestuurt.

Het duurde even voordat iedereen zich had geabonneerd, maar inmiddels beginnen de analyses binnen te druppelen. Moederliefde van Willem M. Roggeman (1935) verscheen de vrijdag voor Moederdag op de mail. Het was gelijk een favoriet van mijn leerlingen. Haar handen liggen in haar schoot, / lichtbruin, als gevallen bladeren,/ wegzakkend in een wolk van weemoed. Dat laatste woord moeten we even opzoeken, maar als het gedicht uit is schrijft Senn: Er vond een soort voorstelling plaats in mijn gedachten door het gedicht, ik kon de herinnering die werd omschreven in mijn gedachten visualiseren. En zo is het maar net.

Charif wijst me op de sonoriteit van oo- en o-klanken in de regels Rode dakpannen tussen / zomers geboomte, donkerblauw water / met zonlicht bespat onderweg / naar bossen aan de horizon. van Hanny Michaelis (1922 – 2007). In het gedicht koppelt ze herinneringen aan haar onderduiktijd tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een ervaring van verliefdheid van later datum. Alle / voorwaarden voor een idyllisch / samenzijn leken vervuld toen ik / ineens overvallen door een gevoel / uit de oorlogsjaren (geen huis, / wel onderdak, vogelvrij in de polder) / terug werd gebracht tot mijn ware / proporties: een hulpeloos wezen / zonder naam, (…). Charif schrijft: Ik vind het ook heel knap dat er bijna niks op elkaar rijmt, maar nog steeds klinkt het allemaal te rijmen tijdens het lezen. Ik vraag hem met een notitie in de kantlijn Hoe zou de dichteres dat voor elkaar hebben gekregen?

Radna Fabias besluit smaakgevende dingen  met: foelie is de zaadrok om de nootmuskaat heen / met een zaadrok kan niemand patsen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Besmettelijk

Ik schat het knaapje dat daar met zijn moeder aan komt lopen een jaar of tien. Voor de poort maakt hij een buiging naar zijn juf. Daarna strekt hij zijn linkerbeen met de zool van zijn schoen recht vooruit. De juf ontsmet de zool met een spuitbus. Dan de rechterzool. Klaar. Over de loper gaat de jongen alleen naar het volgende station; een automaat met gel voor zijn handen. Weer een buiging. Voor een volgende installatie heft hij zijn armen in de lucht en draait hij om zijn as terwijl zijn lichaam verdwijnt in een wolk stoom. Even maar. Twee meter verder staat een robot die net zo groot is als de jongen. De jongen ademt van heel dichtbij de robot in zijn gezicht. Even later leest de juf de uitslag af. Dan mag de jongen naar binnen.

Tijdens de wekelijkse Hang out praatte mijn direct leidinggevende ons bij over de aanstaande heropening van de scholen. Er zou niet veel veranderen na Pinksteren. Onze leerlingen blijven de lessen thuis volgen met behulp van hun pc of telefoon, alleen in de middag komt er ruimte om in kleine groepen op school af te spreken. Op dit moment maken de eindexamenkandidaten schoolexamens in lokalen waar de tafels op anderhalve meter van elkaar af staan. Maar als we over een paar weken een centrale toets willen afnemen aan alle derdeklassers zijn er achtentwintig lokalen nodig en evenzoveel surveillanten. De VO-raad heeft een protocol voor de heropening opgesteld van negen pagina’s waar het allemaal in staat. Van desinfecterende sprays in elk lokaal tot variabele openingstijden, looproutes en lokalen waarin maximaal negen leerlingen kunnen worden ontvangen. Leraar economie en publicist Ton van Haperen had er al lucht van gekregen. Het is allemaal vast lief bedoeld. Maar dit is natuurlijk onzin. Onuitvoerbaar. En ik ga het niet uitleggen. In gelul kun je niet werken, heet het dan. twitterde hij.

Vanaf de eerste keer dat ik iemand de frase onderwijs op afstand hoorde gebruiken, woedt er iets in mij dat ik maar met de grootste moeite kan onderdrukken. In gedachten heb ik de zieke geest waarin deze woorden met elkaar zijn gecombineerd herhaaldelijk verwenst en vervloekt, maar tot mijn verbazing is het een onaantastbaar mantra geworden. Terwijl leren op afstand helemaal niet bestaat. Leren gedijt bij nabijheid, verwondering, verbonden zijn. Onderwijs is de evenwichtskunst tussen intimiteit en intimidatie. Hoe formuleerde Peter Sloterdijk (1947) dat nu ook weer: Sinds de filosofie als literair genre bestaat, rekruteert ze haar aanhangers door op besmettelijke wijze over liefde en vriendschap te schrijven. Ja, onderwijs is besmettelijk. Jij krijgt wat ik heb en ik krijg wat jij hebt.

Ik zou misschien nog met de protocollen van besturen en overheden kunnen leven, als ze hun eigen voorschriften serieus namen. Een overheid die het advies om anderhalve meter afstand te houden ernstig neemt, vordert onmiddellijk de rai en de doelen, Amsterdam Arena, de Jaarbeurs en andere leegstaande evenementenlocaties, hotels en vliegvelden om die in te richten tot lesruimtes. In plaats daarvan krijgen scholen een rolmaat, desinfecterende gel, afzetlinten en een pluim voor de inzet.

De koning had het op vier mei nog zo gezegd: Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is.

Maar de Dam was leeg en de stad was stil.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 1 reactie

Uit Afrika

Het kwam door de merel die elke ochtend dat themaatje uit Once in a lifetime kwinkeleert: same as it ever was – same as it ever was, en door de verveling van het gekluisterd zijn aan huis en tuin, dat ik mij voor de computer zette en op youtube de concertregistratie Stop making sense van The Talking heads opzocht en mezelf een glas witte wijn inschonk. Als frontman David Byrne, op ongeveer driekwart van het concert even naar achteren gaat om zich te verfrissen, kondigt drummer Chris Frantz (1951) The Tom Tom Club aan, het geluid verschiet van kleur en op een funky sediment van bas, synthesizer en slagwerk bloeien drie vrouwenstemmetjes op die vragen: What you gonna do when you’re out of jail?, de eerste regel van Genius of love.

En omdat van het een het ander komt, zat ik een dag later met de hoofdtelefoon op te luisteren naar de song waarmee het voor The Tom Tom Club allemaal begon, Wordy rappinghood uit 1981. Voor de talenstudenten die we waren, was het nummer onweerstaanbaar, omdat het met een geluid van een schrijfmachine begon, omdat het begint met de frase What are words worth?, of omdat je er onmogelijk stil bij kunt blijven zitten. Het refrein van het nummer is een kinderliedje met de tekst: Ram sam sam, a ram sam sam / Guli guli guli guli guli ram sam sam / Haykayay yipi yaykayé / Ahou ahou a nikichi .

Frank Martinus Arion (1936 – 2015) schreef in 2003 het essay Vrijen met slavenmeisjes. In die tekst die dat jaar in het tijdschrift Optima verscheen, overtuigde hij zijn lezers ervan dat de (toekomstige) neerlandicus over de grenzen moet kijken, zich niet moet opsluiten in Hollandse tradities en Indo-Germaanse taalfamilies en stambomen, maar ook oog moet hebben voor Spaanse en Portugese invloeden, de Creoolse talen van West Afrika, Indonesië en het Papiamentu. Om zijn claim kracht bij te zetten, citeert hij het aftelrijmpje Iene miene mutte / tien pond grutten / tien pond kaas / iene miene mutte / is de baas. Die tekst gaat terug op West Afrikaanse of Portugese bronnen: Ine mine mute / Temp de gruta / Temp de kasa / Ine mine mute / Es de bas , dat vertaald kan worden als: Meisjes veel / Tijd om te vrijen / Tijd om te trouwen / Meisjes veel / Daar beneden. Bepaald geen onschuldig versje, dat is ontstaan aan boord van de slavengaleien.

Tina Weymouth (1950), de bassist van The Tom Tom club en schrijfster van de tekst van Wordy rappinghood, legt in een minidocumentaire gemaakt voor de Top 2000 uit dat ze het kinderliedje met haar zussen Laura en Lani zong toen ze in Frankrijk woonden. Ook dit liedje zou van Afrikaanse oorsprong zijn.

Dat is goed mogelijk. Wikipedia wijst op een Marokkaanse oorsprong. Guli zou zoveel betekenen als vertel me en Haykayau yipi yaykayé zou een verbastering zijn van a rafiq a rafiq, vriend of maatje. Over de betekenis van A ram sam sam, tast de digitale volksencyclopedie in het duister en de vierde regel Ahou ahou a nikichi komt in het lemma helemaal niet voor.

Als het nummer is afgelopen doe ik de hoofdtelefoon af. Het raam staat op een kier. Buiten doorklieft een ijl gefluit de stilte van de pandemie. Guido Gezelle (1830 – 1899) omschreef het  als   “Zie, zie, zie, / zie ! zie ! zie ! / zie !! zie !! zie !! / zie !!!”.

De gierzwaluwen zijn teruggekomen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Bleekwater

Tijdens een van zijn persconferenties deze week herinnerde Donald Trump zijn gehoor eraan dat het coronavirus bijzonder slecht bestand is tegen fel ultraviolet licht en desinfecteringsmiddelen. De vijfenveertigste president van de Verenigde Staten en zelfverklaard stabiel genie, voegde daar de aanbeveling aan toe om te onderzoeken of chloor, bleek en andere schoonmaakmiddelen diezelfde werking ook hebben ìn het menselijk lichaam. Hij noemde de mogelijkheid van injecties met die middelen zeer interessant. Nog dezelfde dag meldde de NOS op haar site dat in de Verenigde Staten een vrouw onwel was geworden die al haar groenten in een mengsel van water, azijn en tien procent bleek liet weken. De Britse producent van Lysol en Dettol, de multinational Reckitt Benckiser waarschuwde haar klanten genoemde middelen niet te injecteren of te drinken of op een andere manier in het lichaam te brengen.

Sportjournalist Thijs Zonneveld (1980) reageerde op twitter: Ik doe al jaren mijn oogbollen in de Glorix. Dat is waar. Als in de koers het onmogelijke werkelijkheid wordt, ik noem Mathieu van der Poel die in 2019 de Amstel Goldrace wint, nadat Julian Alaphilippe en Jacob Fuglsang in de finale meer oog voor elkaar hadden dan voor het aanstormende peloton, laat Zonneveld weten dat hij niet gelooft wat hij ziet en dat hij zijn oogbollen maar even in de week heeft gezet.

Otto – of Oscar – Kadoke is tweeënveertig jaar, psychiater en hoofdpersoon van Moedervlekken van Arnon Grunberg (1971). Hij werkt op de crisisopvang, zijn opdracht is suïcidepreventie. In hoofdstuk acht maakt hij kennis met Michette Dubois, depressief, borderliner, angststoornissen, automutilatie en 27 jaar oud. Dat is de leeftijd waarop ook Janis Joplin, Amy Winehouse, Jimi Hendrix, Kurt Cobain en Brian Jones  een niet-natuurlijke dood stierven. Michette heeft een pleister op haar onderarm. Kadoke vraagt: Doet u dat vaker? Doet u uzelf vaker pijn? Michette antwoordt: Soms. Meestal doe ik het anders. De laatste tijd doe ik het anders. Ik drink, zegt Michette. Ik drink schoonmaakmiddelen. Bleekwater. Van dat spul om de ramen mee te lappen, tot ik moet kotsen. Soms drink ik door.

Moedervlekken verscheen in 2016. Acht jaar eerder leidde de samenwerking van drie reuzen van de Nederpop, Frank Boeijen, Henk Hofstede en Henny Vrienten tot een cd met de titel Aardige jongens, want Nescio is nooit ver. Een van de bijdragen van Henk Hofstede heet Bleekwater. In het eerste couplet van dat lied weet hij de stilte van de pandemie die de wereld twaalf jaar later in haar greep zou houden,  goed te treffen: Bleekwater / De zoete geur in lege straten // Bleekwater / De danspaleizen zijn verlaten // Waar de Dood lacht in de spiegels / En hij danst de laatste wals // In / Bleekwater

Kadoke ziet geen andere mogelijkheid voor Michette Dubois dan opname in een kliniek, ook al is dat zeer tegen de zin van de jonge vrouw. Michette kijkt recht in zijn ogen en in haar intelligente, kille blik ziet hij een waarheid die nog killer is dan die blik: dat ze dwars door alle hulpverlening heen kijkt, dat ze weet dat de hulpverleners haar niet kunnen helpen.

En wat Reckitt Benkiser betreft, H.H. ter Balkt (1938 – 2015) schreef een ode aan dat andere succesproduct, Reckitt’s blue, zakje blauw in de volksmond, die besluit met: waar stond de fabriek van reckitts blauw / een monument van blauwgeverfde teilen / waar roest de teil van reckitts blauw

Geplaatst in eten & drinken, koers | Getagged , , , | Een reactie plaatsen