Onderweg

Nederland is te klein voor roadnovels. Het is onmogelijk om zich te verliezen in de wegen en de vlakke weiden. Autorijden heeft hier niets romantisch, het is stressen en jakkeren. De schaarse Nederlandstalige roadnovels zoeken het dan ook al snel over de grens. Ik herinner me ‘De slakken van Cannêt d’Olt’ van Ben Borgart (1940 – 2016) uit het begin van de jaren zeventig, die naar het zuiden van Frankrijk leidde. ‘Gibraltar’ van Renske Jonkman (1982) begint op de Amsterdamse Zuidas en eindigt in Essaouira aan de Atlantische kust van Marokko. P.F. Thomése (1958) stuurt zijn personage J. Kessels van Tilburg naar Hamburg en weer terug. Boxgeur van Vincent van Warmerdam (1956) speelt in de Verenigde Staten, volgt het spoor van de trans Siberische spoorlijn van Moskou tot Mongolië, zwenkt zuidwaarts richting Peking en pleistert enige tijd op een idyllisch eiland van de Indonesische archipel.

Niemand schrijft mooiere reisreportages dan Cees Nooteboom (1933). De beschrijvingen van de tochtjes in het Natuurdagboek van Nescio (1882 – 1961) zijn ontroerend. De verhalen over de wandeltochten van Jacob van Lennep (1802 – 1868) en Jac. P. Thijsse (1865 – 1945)  onovertroffen, maar roadnovels zijn het niet; want geen auto en geen rock ’n rollmuziek.

Die van Kessels is een Toyota Kamikaze met een cd-apparaat aan boord. Met zijn bruingerookte nicotinevingers schoof hij de cd in de gleuf en daar jankte op volle sterkte het verloren gewaande vaderland genaamd Texas onze cabine binnen. Een oude landrover rijdt van Amsterdam naar Marokko en uit de opengedraaide ramen hoor je muziek van The Doors. De auto in Boxgeur is een ivoorkleurige Chrysler Newport 1963. Onderweg is er weinig. Ja, keiharde blauwe luchten en muziek: FM-rock of country-and-western of onze eigen meegebrachte cassettebandjes.

The Invisible Chiefs bestaat uit Rem, gitaar, Manny, drums en zang, en Elsa, de jongere zus van Manny die basgitaar speelt. Een cassette met vier van hun liedjes had enige bekendheid gekregen op de campusradiostations. Midden jaren tachtig, een geheimzinnige auto-immuunziekte dreigde een eind te maken aan de vrolijke losbandigheid die sinds de jaren zestig over de naoorlogse generatie vaardig was geworden. Later zou die ziekte de naam AIDS krijgen. Want dat is een derde kenmerk van een roadnovel; de duivel zit de personages op de hielen.

Het is geen geoliede tournee, het is een romantisch verlangen naar de wortels van de Amerikaanse muziek die het drietal voortjaagt van Los Angeles naar Toronto, Canada, en weer terug. Manny, wordt ziek, Elsa heeft heimwee en gaat terug naar Nederland. Rem krijgt er niet alles van mee. Hij is op de vlucht voor het vaderschap.

‘Zal ik dan maar met zoon en al bij jou intrekken?, zei ze om me op de proef te stellen.

Ik zette me schrap. ‘Wil je niet liever iets voor jezelf?’

‘Je bedoelt dat jij dan lekker je gang kunt blijven gaan?’

‘Jij predikt toch onafhankelijkheid?’

‘Ja, en wie betaalt de rekeningen?’

Toen wist ik even niet meer wat ik zeggen moest.

Op drie april vorig jaar was Vincent van Warmerdam te gast bij het radioprogramma Nooit meer slapen. Hij sprak over de jaren tachtig als een schizofrene tijd. Je wist nooit precies waar je aan toe was, altijd was er de vraag: wat is eigenlijk de bedoeling?

Op die vraag zou ik het antwoord ook niet weten.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een tafel, een bloempot

Als ik om tien over twaalf het lokaal binnenkom, treft mij een stilte die ik moeilijk kan duiden. Ze hebben juist een uur tekenen gehad, hier en daar ligt nog een vel tekenpapier op tafel, een gum, potloden, maar de meeste leerlingen van deze vier havogroep zijn verdiept in het scherm van hun telefoon. Een dromerige stilte, denk ik. Deze rust vasthouden en ongemerkt de aandacht afleiden naar de volgende les. Een korte ronde door de klas om te informeren naar hun welbevinden en daarna schrijf ik op het bord wat, als het aan mij ligt, de mogelijkheden zijn voor het komende lesuur; doorwerken aan de cursus poëzie uit het boek, een zelfgekozen gedicht analyseren zoals we dat geoefend hebben, of vragen maken bij een van de vier door mij meegebrachte gedichten. Al snel komt de vraag wat we eigenlijk kunnen verwachten van het komende schoolexamen over poëzie. Dat geeft me de mogelijkheid om onze bemoeienissen met gedichten van een actuele context te voorzien.

Al sinds de eerste editie van De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, de grote bloemlezing waar Gerrit Komrij van 1979 tot zijn dood de redactie over voerde, is het gedicht Jij was een avond in mijn tuin van Neeltje Maria Min (1944) daarin opgenomen. Het is een gedicht uit haar beroemde bundel Mijn moeder is mijn naam vergeten uit 1966 en het is opgebouwd uit vertrouwde elementen uit het werk van Min. De tuin, het ongemerkt verstrijken van de tijd, huiselijke taferelen, een tafel, een bloempot, spiegelingen, onthouden en vergeten. Maar dat weet je nog niet als je in vier havo zit en nog nooit iets van haar hebt gelezen.

Dan is er veel duister en raadselachtig aan de regels Een bloempot in de hand, stond, / ongemerkt veranderd, ik voor ’t raam / en wees naar wat ik buiten zag: / een standbeeld krom van schuld, / om te vergeten opgericht. //  Dan helpen misschien de vragen Tijdens welk deel van de dag speelt het gedicht zich af? Hoe weet je dit? Als je op dat tijdstip uit het raam de tuin in kijkt, kun je dan wat zien?

Spiegel, tuin, barrière van glas, ze komen ook ter sprake in een interview in Trouw met de dichteres uit 2019, toen het thema van de boeken week Moeder, de vrouw was. “Ons huis in Bergen had een grote tuin en elke ochtend. Nog voor ik naar school ging, wandelde ik daar altijd even doorheen.” Een ander gedicht brengt een herinnering boven aan de keer dat de oudste met zijn hand door de glazen tussendeur was gegaan. En hier staat ze met haar kleindochter voor de spiegel.

Het is avond in het gedicht. Dat staat in de eerste regel. En wat je dan door het raam in de tuin ziet? De maan misschien, omtrekken van struiken en planten? Ik vraag nog even door. Je staat in een verlichte kamer, je bent bezig een bloempot te verplaatsen en je wijst naar het raam de donkere avond in, wat zie je?

Wat een leuk gedicht is dit!, roept ze, en doorbreekt daarmee de stilte in het lokaal. Ineens wil iedereen weten wat er zo leuk aan is, maar daar hebben ze mij niet voor nodig, laten ze dat elkaar maar wijs maken.

Ik kijk de naar de groep. Een halve klas, de andere helft is thuis aan het werk. Het valt me op dat er geen jongens bij zijn.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Pap

Negentien mei twitterde Lieke Marsman – dichter (op goede dagen des vaderlands) – ‘iemand hier op twitter noemde Hugo de Jonge ooit “een lachend bord pap” en ik stel voor dat we dat voortaan allemaal doen’. De reacties bleven niet uit. Marc Janssens – hoofdredacteur van christendemocratische verkenningen en docent klassieke talen – was de eerste: ‘Mijn hoop was altijd dat een dichter tenminste nog de fijngevoeligheid van het woord en enige bezonnenheid had. Maar blijkbaar nemen deze nu ook al hun toevlucht tot de eerste de beste platitude op sociale media.’. Dineke Heil – moeder, oma – volgde met: ‘Kritisch zijn is oké maar anderen oproepen tot pesten??’. Marsman reageert met een draadje van vijf tweets dat begint met een retorische vraag ‘Weet je wat pesten is?’ en eindigt met ‘Maar prima, zeg ik het de volgende keer weer in een sonnet.’.

Het geval laat haar niet los en ze denkt er verder over na in een blog op haar website www.liekemarsman.nl . Mensen merken soms op dat ik de afgelopen jaren uitgesprokener ben, bozer lijk, zowel op social media als in mijn werk, om daar aan toe te voegen dat dat misschien komt doordat het feit dat ik al drie jaar kanker heb een bepaalde vechtlust heeft aangewakkerd., schrijft ze en dan wijst ze erop dat wat haar betreft mildheid en woede heel goed naast elkaar kunnen bestaan, sterker nog, de een schept ruimte voor de ander. Hoe scherper mijn woede brandt, hoe warmer de rest van mij is. Maar ze benadrukt ook dat haar woede niet alleen dient om zichzelf op te warmen: Een van de redenen dat ik er juist als dichter des vaderlands voor kies om zo nu en dan onfatsoenlijk te zijn, is dat ik hoop dat het enige ruimte schept voor alle kunstenaars die momenteel met moeite het hoofd boven water weten te houden. Ze besluit haar bijdrage met een oproep aan haar collega kunstenaars (man én vrouw én non-binair): bijt de hand die je voedt, bijt en bijt — net zolang totdat je beter te vreten krijgt.

Het is niet voor het eerst dat Marsman vaststelt dat maatschappijkritiek voor haar een overlevingsstrategie is. 21 maart 2018 krijgt ze de mededeling dat de pijn in haar schouder wordt veroorzaakt door een kwaadaardige tumor van 8x9x10 centimeter in haar bovenrug. Ze beschrijft de periode van onderzoeken en de eerste operatie in een klein boekje dat onder de titel De volgende scan duurt vijf minuten nog hetzelfde jaar verschijnt. Er zijn een paar redenen waarom de gedichten in dit boekje over kanker en politiek gaan, en niet alleen over kanker. Allereerst had ik over politiek schrijven nodig om niet volledig door de kanker opgeslokt te worden. (…) Nog een reden: naarmate je plek in je eigen leven ten opzichte van je geboorte en dood duidelijker wordt, wordt ook je plek ten opzichte van de maatschappij om je heen duidelijker. Het contrast tussen het regeringsbesluit om Shell en Unilever jaarlijks 1,4 miljard euro dividendbelasting kwijt te schelden op grond van een zoekgeraakt memo en de systematische bezuinigingen in de gezondheidszorg begint dan dichter op de huid te schrijnen.

Er is niet veel pap in de Nederlandse letteren. Johnny van Doorn (1944 – 1991) schreef een libretto met de titel Oorlog en pap. Er is sprake van bibelebonse pap in een kinderversje dat verhaalt hoe die met een bibelebonse lepel wordt gegeten uit een bibelebonse nap. Lieke Marsman heeft het in het gedicht Universele esthetiek uit haar pas verschenen bundel In mijn mand over de ongefundeerde zelfverzekerdheid van regeringsleiders aan het begin van een mislukte termijn  die ze omschrijft als Dun melkvel van arrogantie op een pap met klonten.

Zodat ik verlangend uitzie naar hoe Marsman het pap-motief uitlepelt in het aangekondigde sonnet.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een of andere anonymus

Het examen Nederlands voor het havo telde dit jaar tweeënveertig vragen naar aanleiding van vier teksten. De eerste tekst noemde ‘vleesetende vegetariërs’ in de titel, maar ging niet over wel of geen vlees eten. In de tweede kwam Pierre Bourdieu ter sprake en draafden er in de vierde alinea ineens vier apocalyptische ruiters de tekst binnen. De twee laatste teksten gingen over het basisinkomen, maar ook over een sterke tijger op een schaduwrijke savanne en een kapucijneraapje in de oerwouden van Suriname. Op scholieren.com meldde zich iemand die zich ‘op dertien verschillende manieren genomen’ voelde door dit examen. Een snelle enquête op dezelfde site wees uit dat tweeënvijftig procent het met die kwalificatie eens was en dat dertien procent het examen ‘goed te doen’ vond.

Alle vier de teksten zijn geschreven in 2016. Dat is vijf jaar geleden. De kandidaten die nu over hun examen zijn gebogen, zaten toen in de stress voor de eindmusical van de basisschool. Van het Covid-19-virus had nog niemand gehoord. De Tour de France werd dat jaar gewonnen door Christopher Froome, Oekraïne won het songfestival, de Europese Unie sloot een vluchtelingendeal met Turkije en in november koos de Amerikaanse bevolking een nieuwe president die Donald Trump heette. O heerlijke tijden van het pre-covidium. Is die wereld nog wel voorstelbaar voor wie zijn vormende jaren genoot achter een gezichtsmasker en op anderhalve meter afstand?

Marc van Oostendorp (1967), taalkundige en lezer, hoogleraar aan de Radboud Universiteit, becommentarieerde drie jaar geleden het havo-examen Nederlands. Hij wond zich op over vraag 31: In alinea 2 wordt beargumenteerd dat onze maatschappij geobsedeerd is door voedsel. Een kritisch lezer zou in deze argumentatie vooral een bepaald type drogreden kunnen zien. Welk type drogreden is dat? A een cirkelredenering B een onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema C een overhaaste generalisatie D een verkeerde vergelijking

Wat een laffe manier van de zaken voorstellen in een eindexamen is dat!  reageerde Van Oostendorp, Die anonieme kritische lezer zou van alles en nog wat voor een drogreden aan kunnen zien, (…) Waarom moet je je als kandidaat inleven in de een of andere anonymus?

Hij had zich de moeite kunnen besparen. De anonieme kritische lezer is terug in vraag tien van het afgelopen examen, waar staat: Een kritisch lezer kan in een tekst verschillende drogredenen herkennen, zoals: 1 cirkelredenering 2 onjuist beroep op een oorzaak-gevolgschema 3 overdrijven van voor- of nadelen 4 overhaaste generalisatie 5 persoonlijke aanval 6 verkeerde vergelijking 7 vertekenen van het standpunt. Het is aan de kandidaat om de drogreden te benoemen die in de tekst gebruikt wordt, althans die een kritische lezer als zodanig kan herkennen.

Ondertussen lees ik op de vaksite www.Neerlandistiek.nl dat het College voor toetsen en examens (CvTE) en het Centraal instituut voor toetsontwikkeling (CITO) nadenken over andere vragen in het examen Nederlands en ook de kritiek van Van Oostendorp lijkt te zijn gehoord. CvTE en CITO spreken van functionele vragen over argumentatie, waarbij leerlingen geen argumentatieschema’s hoeven in te vullen of drogredenen moeten benoemen, maar waarbij ze bijvoorbeeld vanuit een voor hen herkenbare situatieschets (zoals de voorbereiding op een debat) naar de argumentatie in een tekst kijken.

De anonieme kritische lezer zal naar een functie elders moeten uitzien.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Zingen

‘Meneer, weet u wel dat Sjoerd vandaag jarig is?’ Ik wist het niet. Vijftien jaar is hij geworden en hij zit in vier havo. Of ze al voor hem hebben gezongen. ‘Als jullie dat doen, ben ik gelijk weg’, zegt de jarige. Meer aanmoediging hebben we niet nodig; het ‘Lang zal hij leven’ wordt ingezet en het feestvarken neemt gelijk de benen, het lokaal uit en zoekt een heenkomen op een van de tafels die in het leshuis staan. Als het ‘Hiep, hiep, Hoera’ is verstomd waarschuw ik hem dat de kust veilig is en dat hij terug kan komen. Zodra hij binnen is, begint het zingen natuurlijk opnieuw.

Volgens het Koornetwerk Nederland zijn er in ons land 1.700.000 zingende mensen, amateurs en professionals, solisten en koorleden. Het netwerk heeft weet van tienduizend geregistreerde koren, maar het aantal wilde koren kent niemand precies. Toch verbleekt de Nederlandse koortraditie bij die van het Verenigd Koninkrijk. En het koorleven van de Britten staat op zijn beurt in geen verhouding tot dat van de Baltische staten en dan in het bijzonder Estland waar tijdens het jaarlijkse zangfeest üldlaulupidu de ene helft van de bevolking in grote stadions de andere helft toezingt. Is het waar dat de zanglust toeneemt naarmate men de magnetische noordpool nadert?

In de vroege jaren zestig van de zestiende eeuw rustten de Antwerpse kooplieden Jonghelinck, Hoefnagel en Hooftman drie schepen uit voor een expeditie naar het Noorden. Ze waren uit op walvisvlees, olie en traan en het ivoor van walrustanden, maar er was ook het gerucht dat men op zoek ging naar een Noordelijke doorvaartroute naar Azië. Drie jaar later keerde een van de drie schepen terug naar de Scheldestad. De opvarenden zagen er haveloos en vermagerd uit en keken met een lege blik om zich heen. Geen wist te vertellen wat er met de anderen was gebeurd. Het ruim was gevuld met walvisvlees en walrustanden en een ruime kooi die met een zwarte doek was bedekt toen hij op de wel gehesen werd. In de kooi huisde een monster, meer precies een moederdier met haar jong. Jeroen Olyslaegers (1967) doet er verslag van in zijn vorig jaar verschenen roman Wildevrouw.

Het vrouwdier en het kind vonden onderdak bij de beroemde kaartenmaker Abram Ortelius, maar zijn behuizing was bij nader inzien ongeschikt, waarna het gezelschap een kamer kreeg In de Engel op het Zand waar herbergier Beer de scepter zwaaide. Hij hield de wildevrouw en haar kind verborgen voor zijn gasten, maar lang kon dit niet duren. De Skraelingen maakten zelf hun aanwezigheid bekend door te zingen.

Ik noem het ‘gezang’ omdat ik er geen ander woord voor heb. Het klonk alsof het een duivel of een engel wilde bezweren. Woorden kon ik niet herkennen, het waren klanken die soms hoog gingen, soms heel diep, alsof een vrouwenstem die van een man werd en omgekeerd, of als een mens die verandert in een beest en omgekeerd.

Dat voor de jagers in het hoge noorden voor de jacht begint het visgerei net zo goed op orde moet zijn als het lied, wisten we al uit de tekst Neuriën op Nipissak van H.C. ten Berge (1938). Jeroom uit het boek van Olyslaeger, die op de noordpool blind is geworden, weet het ook: De wilden daar zingen tot het ijs kraakt, waardoor zij kunnen varen waar geen ander dat kan. Dat gezang was het laatste wat ik hoorde vooraleer ik mijn zicht verloor.

Op de afgelopen persconferentie deelde demissionair premier Rutte mee dat de terrassen langer open mogen en dat iedereen weer binnen en buiten mag sporten. Zingen, waar dan ook, wordt dringend ontraden. En een boek lenen mag ook niet.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Omama

Ze zit bij haar vader op schoot en de schroom van het begin is bijna verdwenen. Met haar linkerhand houdt ze een rode plastic doos vast met groene wieltjes. We weten allebei dat er onder het deksel een speelgoedpaard verborgen is. Ze zegt dat ze bijna drie jaar is en dat ze al snel jarig is. Daar hoort een gebaar bij van haar rechterhand; een, twee, drie vingers. Het gaat haar niet gemakkelijk af, maar haar vader helpt haar. Zo; een, twee, drie. Haar triomfantelijke blik is er niet minder om. En er is geen woord aan gelogen. Zestien mei is het zover. Mijn moeder vraagt wat ze voor haar verjaardag wil hebben. Daar hoeft ze niet lang over na te denken. Een kaart.

Toen mijn broer Hans overleed liet hij zijn vriendin achter en haar dochtertje van negen jaar. Het was een traditie geworden dat ze van woensdag op donderdag bij mijn moeder logeerde. Ik bracht haar de volgende ochtend naar school als ik naar het boekhoudkantoor ging waar ik werkte. Na de basisschool ging ze zelf naar het Montessori Lyceum. Of ze toen nog kwam logeren, weet ik niet meer, maar we bleven elkaar wel zien. Inmiddels zijn we bijna een kwart eeuw verder en heeft ze zelf twee dochters die ze trots aan mijn moeder heeft voorgesteld. De oudste spreekt mijn moeder, die ruim tachtig jaar ouder is dan zij, aan met omama.

Als ze op bezoek komt, met haar ouders of met haar grootouders, die maandag op de kinderen passen, maken we snel een werkplek voor haar klaar. Een tafeltje op kniehoogte met een stoeltje ervoor. De rode doos met de groene wieltjes waar het speelgoedpaard in zit. Een speelgoedserviesje, een wandelwagentje met een pop erin, een felgekleurde plastic auto, een vloerpuzzel, gekleurd papier en stiften en een boek van Dikkie Dik. Maar voor ze daarmee aan het werk gaat, kijkt ze eerst de kamer rond die haar vreemd bekend voorkomt en gaat ze met omama praten.

Wacht. Zei ze wel een kaart? En niet een taart, of een paard? Omama is doof en de articulatie van deze bijna driejarige is nog wel voor verbetering vatbaar. Wat vraagt een kleuter in de dop? Volgens Jan Hanlo (1912 – 1969) in het gedicht Wat zal ik voor je kopen, zoon? is dat Een wereldbol? misschien een wiel? / Misschien een bombazijnen bloes? / Of het profiel van Dante? Zelf dacht ik aan lego, een pop, een boek, een skippybal, vouwblaadjes of een schildersdoos en tekenpapier.

Maar het lieve kind heeft geen idee. Van de kinderen op de opvang kwam ze het niet te weten, daar mocht ze niet komen. De bibliotheek en de boekhandel waren gesloten, en niet een paar maanden, maar sinds mensenheugenis. Ze is daar nog nooit geweest. En ook niet in Artis, ja zelfs aan de Action heeft ze geen actieve herinnering. Er schijnt een verbinding te zijn tussen afbeeldingen die op het scherm van mama’s telefoon, op de i-pad of op de televisie verschijnen en voorwerpen die vermomd als pakje aan de voordeur worden bezorgd. De brievenbus is de kleine opening naar de echte wereld die voor ons verborgen blijft.

Haar verjaardagscadeau zal dus door de brievenbus tot haar komen. Een kaart. Het zal aan mijn leeftijd liggen dat me de tranen in de ogen springen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Zegge

In de stilte van de allerlaatste avondkloknacht praten Daan Heerma van Voss en Pieter van der Wielen over angst. Voor Heerma van Voss (1986), die er een boek over schreef, is dat een erfelijke kwestie die hij heeft kunnen herleiden tot een beroemde  voorvader, de etnomusicoloog Jaap Kunst (1891 – 1960) die in de vroege jaren twintig geluidsopnames verzamelde van traditionele Indische muziek, nadat hij in 1915 al eens een poging had gedaan om een voordracht van Louis Couperus in Groningen te vangen in notenschrift. Over angst gaat het dan niet meer, of het moest de vrees zijn van Kunst dat de oorspronkelijke Indische gamelanklanken zouden worden overwoekerd door gitaarmuziek en jazz uit de nieuwe wereld. Die vrees was misschien niet ongegrond, maar van de Tielman Brothers en Blue Diamonds had nog niemand gehoord en er loerden in de jaren van het interbellum wel andere nachtmerries.

Ik was de tuin ingelopen om de lange border kritisch in ogenschouw te nemen. De  zegge had vorig jaar uitbundig gebloeid en vervolgens de leefomgeving van de rode roos ingenomen. Het scheen de roos niet te deren. De takken rezen vol in blad uit een wolk van gras. Toch leek het me beter om de zegge terug te snoeien, de rode roos is al meer dan dertig jaar oud. Mijn vader heeft hem nog gezet, zij het niet op deze plaats. En nu ik beter keek zag ik tot in de wijde omgeving zaailingen zeggegras opschieten. Dat kon zo niet doorgaan.

In het pas verschenen Willem die Madoc maakte, probeert Nico Dros (1956) het raadsel van het meest virtuele verhaal uit de Nederlandse letterkunde, zoals Frits van Oostrom (1953) dat noemde, nog groter te maken. In de beroemde eerste regels van Van den vos Reynaerde maakt de schrijver van het dertiende-eeuwse dierenepos zich bekend als de auteur van een verhaal dat luistert naar de naam Madoc of Madocke. Die naam wijst op Keltische roots. Er figureert een Maduc in de verhalen over Walewein en Koning Arthur. Er is een zeevaarder bekend die ongeveer zo heet en die, ver voor Columbus, de kusten van Amerika heeft bezocht. Willems tijdgenoot Jacob van Maerlant (1230 – 1300) kent Madoc wel; hij prijst zijn Rijmbijbel aan met de waarschuwing: Want dit nes niet Madocs droem, No Reinaerts no Arturs boerden. En er is nog een verwijzing naar Madoc in het Diets, uit een tekst met de titel Die borchgrave van Couchi, waarin staat: Noch wanic, ridder, dat ghi doeft, Of dat ghi sijt in Madox drome. Als er in het Diets gesproken wordt over Madoc, dan is dat onder dekking van de nacht, in dromenland. Zoals het een tekst betaamt die het daglicht niet kan velen.

Ik ga terug om mijn laarzen aan te trekken en vul de groenbak met zaailingen, zevenblad, woekerende hop en klimop. Ik stuit op winde en brandnetel, waar ik de schop onder zet en handschoenen voor aan doe. Dan snoei ik de zegge terug en constateer dat het een gek gezicht is, die kale rozentakken die alleen aan de uiteinden in blad zijn geschoten.

Willem die Madoc maecte, / Daer hi dicke omme waecte, De dichter, wie hij ook zijn moge, laat er geen misverstand over bestaan dat de schrijver van de droomverhalen van Madoc, zelf de verleidingen van nachtgedachten heeft weerstaan. Willem is woke.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Kutboek

De kamer van Salomé Atabong in het jeugddetentiecentrum is anders dan die van de andere meiden. De muren zijn er wit, er hangen geen posters, er zijn geen kaartjes op de wanden geprikt. Ook de stereo ontbreekt; ze luistert geen muziek. Wel staan er tien oude en nieuwe boeken op het bureau die haar moeder voor haar heeft meegebracht en die door de leiding van het centrum zijn toegestaan. Waarop de boeken zijn gecontroleerd staat niet in ‘Confrontaties’, de eerste roman van Simone Atangana Bekono (1991) die vorig jaar september verscheen. Vreesde de bewaking opruiende gedachten, giftige taal, zou er gereedschap, een vijl, een ijzerzaag, in het boekblok verborgen zijn, of erger nog, drugs? Kan het boek zelf als wapen worden gebruikt? Aan papier kun je je lelijk snijden en er zijn boeken die zo zwaar zijn als een baksteen.

Salomé is een boekenwurm. Na de basisschool is ze naar het Sint-Odulfusgymnasium gegaan. Haar leraar Nederlands heeft haar het verschil uitgelegd tussen literatuur en lectuur. We moesten Van den vos Reynaerde lezen en dat ene boek van Piet Paaltjens. Iemand vroeg of The Lord of the Rings ook literatuur was en toen lachte mijn leraar Nederlands hem uit. Toen ze van haar moeder The old man and the sea had gekregen gooide ze het in de prullenbak; ze werd er somber van. Daarna bracht haar moeder nog een boek van Hella Haasse mee en een van Jan Wolkers. Het eerste boek heeft ze niet gelezen, als moeder vraagt wat ze van het tweede vond zegt haar dochter: Jan Wolkers is nasty.

Salomé gebruikt boeken om te vluchten. Als tante Céleste op bezoek komt is ze te verlegen om haar onder ogen te komen. Tante vindt haar nicht op zolder waar ze zit te lezen. In welk boek, vertelt het verhaal niet. Als ze misselijk is omdat ze in de shit zit, leest ze tot het misselijke gevoel weggaat en ook als ze in de jeugdgevangenis zit, troosten boeken haar: Ik probeer het leuk te houden met boeken. Met sigaretten roken op de luchtplek naast Marissa. Met de filmavonden. Met de paar opstootjes per maand …

Maar wàt leest ze dan? In gesprek met haar therapeut komt De Vreemdeling ter sprake: Meursault, hij had één ding verkeerd. Hij had de Arabier niet hoeven doden. Harry Potter, maar dat is al langer geleden. Druiven der Gramschap misschien van John Steinbeck. Een familie raakt hun boerderij kwijt. Ze trekken naar Californië om te werken. Heel tragisch. Prachtig.

Op haar eerste verlofdag mag Salomé met een begeleidster naar de bieb in de stad. De stilte in de leeszaal treft haar, ze ziet een rij Kruimeltjes staan, die ze herkent uit haar jeugd. Even later staat ze met een bundel van Vasalis in haar handen die haar moeder ook heeft. Ik blijf staan bij een boek met als omslag een stel koeien en een bewolkte lucht. Boven is het stil staat erop. Ze verlaat de bibliotheek zonder boek.

Op achttien oktober 2007 was ze belaagd door twee jongens uit haar klas. Ze viel met de fiets, er was een vechtpartij. Salomé belandde in de sloot met haar fiets. Kijk d’r liggen, lacht Salvatore en hij haalde zijn telefoon uit zijn zak en maakte een foto. Ik staarde naar de lucht en dacht aan mijn boeken die zich vol water zogen, letters van inkt die in grote zwarte druppels veranderden en oplosten in de drab.

Die natte boeken moeten de woede veroorzaakt hebben die een keten van gebeurtenissen in gang zette, die een voorlopig einde vonden in een gerechtelijk vonnis en een veroordeling.

Met de woede is het dan nog niet gedaan. Als ik in mijn kamer ben smijt ik de deur achter me dicht en pak mijn tube handcrème van de plank en smijt ‘m tegen de muur maar dat doet niks. Dan pak ik Harry Potter en Beloved en dat kutboek van Willem Frederik Hermans, ze bonken met hun kaft tegen de muur.

Ik vermoed dat het om De donkere kamer van Damocles gaat.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Kletskousen

De eerste vraag die ik stel als ik begin te lezen is: Wie spreekt hier? ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder die al decennia dood is. Ik ben intussen ouder dan zij is geworden. Ik bedoel. Bedoel ik iets?’ Nee, geen alwetende verteller. Iemand op leeftijd, iemand die twijfelt aan zijn bedoelingen zo te zien, iemand die zijn gedachten niet stuurt of de baas is maar erdoor wordt overvallen. In de inrichting waar hij verblijft wordt hij voor dement gehouden. Hij heeft blauwe staar en weet zelf ook wel dat hij niet meer alles ziet en hoort, dat is niet uitzonderlijk op zijn leeftijd. Maar aan zijn opmerkingsgave hoeft niemand te twijfelen en dement is hij ook niet. Busken, is de naam, de zeergeleerde Busken, emeritus hoogleraar cybernetica. Naar eigen zeggen dan toch.

We zijn wel wat gewend inmiddels, als het gaat om verhaalperspectief. De tijd van de obligate auctoriale verteller ligt ver achter ons. Hugo Claus (1929 – 2008) gebruikte Mon, Bennie, Ana, Jules, de moeder en Jim Braddok om het verhaal van De Metsiers te vertellen. Specht en zoon van Willem Jan Otten (1951) beleven we op gezag van een stuk schilderslinnen dat wordt opgespannen en verandert in een schilderij. Jan van Mersbergen (1971) laat een paard het woord voeren in De Ruiter en naarmate we vorderen in Ulysses van James Joyce (1882 – 1941) lijkt het er steeds meer op dat het de stad Dublin is waardoor de wederwaardigheden van Leopold Bloom op die gedenkwaardige zestiende juni van het jaar 1904 tot ons komen. Ondertussen kan niemand het verhaalperspectief zo geleidelijk van het ene naar het andere personage laten glijden als Marijke Schermer (1975).

Behalve Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers (1940) staat op de shortlist voor de aanstaande Libris Literatuurprijs ook Wij zijn licht  van Gerda Blees (1985). Dit werk was eerder al de favoriet van de Nederlandse boekverkopers en gaat over een sterfgeval in de woongemeenschap Klank en Liefde. Het boek telt vijfentwintig hoofdstukken en net zo veel vertelinstanties die zichzelf gelukkig in de eerste zin van elk hoofdstuk voorstellen: Wij zijn de nacht, begint het eerste hoofdstuk, Wij zijn licht het laatste. Daar tussenin nemen de buren, een pen, een sinaasappelgeur, de raadsvrouw, de slowjuicer, het verhaal, de twijfel, een vlinder, de ouders, het dagelijks brood, twee sigaretten en nog zo het een en ander meer het woord.

Heus, ik schrik niet van een personificatie. Dat ik nog voor het eerste bedrijf van Warenar van P.C. Hooft (1581 – 1647) wordt toegesproken door Mildheid en Gierigheid, aanvaard ik moeiteloos, en dat in de verhalen van Olivier B. Bommel de ambtenaar Dorknoper heet, is mij best. Maar voorwerpen als een cello, brood, sigaretten, een pen of een slowjuicer stel ik mij het liefst zwijgend voor. Als op een stilleven, zachtjes mijmerend over de vergankelijkheid, slechts aanwezig om de tijd zichtbaar maken. Als in een gedicht van Rutger Kopland (1934 – 2012) wat oude appels, grijze peterselie, / een dorre ui, een dode goudplevier,

Natuurlijk bieden vijfentwintig gezichtshoeken ons uitgebreide mogelijkheden veel, zo niet alles te weten te komen over het tragische verlies in de woongroep, zelfs al kiert er uiteindelijk nog het nodige tussen de verschillende verhalen. Toch groeide bij deze lezer de weerzin die ik ook voel als de zoveelste deskundige aanschuift bij de zoveelste talkshow. De buren en de raadsvrouw, de vlinder en de feiten, ze zien misschien andere dingen, maar ze praten allemaal hetzelfde.

In het negentiende hoofdstuk neemt een paar door moeder gebreide geitenwollen sokken het woord. Toen heb ik het boek even weggelegd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Terug naar Zwanenburg

Ik had al een paar uur geslapen toen ik, even voor twaalf uur, wakker werd. Een vliegtuig misschien, de luchtverkeersleiding weet van geen avondklok. Ik zette de radio aan, hoorde het staartje van Met het oog op morgen, het eerste nieuwsbulletin van de nieuwe dag en de begintune van het programma Nooit meer slapen. Pieter van der Wielen interviewde Matthijs van Boxsel (1957), de auteur van het pas verschenen boek De topografie van de domheid. Utrecht, dacht ik, de Domstad. Of Domburg op Walcheren. Dommelen, schoot me te binnen, onder de rook van Valkenswaard. Of Domrémy aan de Maas op de grens van Lotharingen, waar de maagd van Orléans geboren werd. Het vraaggesprek op de radio richtte de blik naar het Oosten, naar Kampen dat zijn naam heeft gegeven aan de Kamper Ui, verhalen van spreekwoordelijk geworden domheid. Om die te begrijpen moest men terug naar de tijd van de Hanze en daarvoor, de rivaliteit tussen steden als Zwolle en Kampen.

Van Boxsel benadrukte dat domheid niet gezien moest worden als gebrek aan intelligentie. Het was een zelfstandige eigenschap die van alles te maken had met de zintuigen. Dom was ook wel een ander woord voor doof en stom, maar het verlies van spraak en gehoor werd in voorkomende gevallen ook weer gecompenseerd door andere kwaliteiten; beeldend vermogen, ruimtelijk inzicht. Nee, het past ons niet neer te kijken op de domheid. Ze is onuitroeibaar en uiteindelijk wat alle mensen met elkaar verbindt. De waanzin is onze gemeenschappelijke geestelijke achtergrond, de enige echte bron van het gezond verstand, schreef Cornelis Verhoeven (1928 – 2001). De domheid is ongrijpbaar, nooit de uitkomst van een voornemen, ze verschijnt eerst als het te laat is.

In mijn halfslaap mijmerde ik over de vraag of mijn woonplaats Zwanenburg ook een plaatsje zou verdienen in de Topografie van de domheid. Ik groef in mijn gedachten naar verhalen over het dorp. Tevergeefs, er was niets in mijn geheugen dat in aanmerking kwam, tot me de naam van Bas Heijne (1957) te binnen schoot. Heijne was al eens omschreven als een boekenjongetje uit Zwanenburg. De romancier, essayist, columnist en P.C. Hooftprijswinnaar had vijf jaar geleden het verdriet van de Zwanenburgers om de sluiting van het zwembad in het begin van de jaren negentig,  gebruikt om de kloof die de burgers scheidt van het bestuur en de politiek te duiden.

Heijne is weliswaar in Nijmegen geboren, maar bracht zijn jeugd door in het dorp nabij Halfweg aan de noordwestelijke rand van de Haarlemmermeerpolder.  Een forenzenplaats, in een tijd waarin – verkondigde iedereen – helemaal niets gebeurde, zo beschreef Heijne Zwanenburg in een vraaggesprek met het dagblad Trouw dat ging over de tien geboden. Verderop in het interview verandert Zwanenburg van een plaats op de kaart van Noord Holland langzaam in een gemoedstoestand. Had Billy Joel zijn New York state of mind die – I don’t have any reasons / I’ve left them all behind – langs de domheid schampt, Bas Heijne koestert een andere, bitterzoete weemoed. Ik heb heel lang met een groot verlangen rondgelopen, kon wegdromen bij de gedachte aan al de openbaringen die mij nog ten deel zouden vallen. Tot die tijd zat ik in Zwanenburg, waar niets gebeurde, omringd door mensen die mij veelal weinig interesseerden. Mijn reactie daarop was geen opstandigheid, maar verdoving. Het is een gevaar dat bij mij altijd op de loer ligt: als ik mezelf niet kan realiseren, of me onbegrepen voel, verdoof ik mezelf of hoe zal ik het zeggen, maak ik mezelf ongevoelig voor dingen. Zodra het me tegenzit, of ik op onbegrip stuit, keer ik terug in die veilige maar claustrofobische cocon van mijn jeugd. Dan keer ik even terug naar Zwanenburg.

Verdoving, ongevoeligheid voor de dingen, onbegrip en desinteresse. De troost van de domheid precies op de plaats waar ik woon. Ik sliep met een tevreden glimlach weer in.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen