Volledige eensgezindheid

Zondag vijftien maart nam de regering het besluit om tot zes april alle scholen te sluiten. Met deze maatregel hoopt zij het aantal besmettingen met het coronavirus te verkleinen. Onze gezondheid staat op de eerste, de tweede en de derde plaats; was het minister Hugo de Jonge die dat zei? Een dag later nodigde onze rector ons op school uit om voorstellen te doen voor continuering van onze lessen onder andere omstandigheden. Makkelijk zat, dacht ik; in de studiewijzer is het programma van de tienwekelijkse periode omschreven en werk uitwisselen kan eenvoudig via de berichtenfaciliteit van het leerlingenvolgsysteem Magister. Ik rekende erop dat ik de komende anderhalve week niets van mijn leerlingen zou horen en dat er dan een mailtje zou binnenkomen met de vraag: ‘wat moeten we doen?’.

En eigenlijk leek me dat ook maar het beste. Na de hamsterdagen was er een slagveld achtergebleven in de supermarkten. Toiletpapier, handzeep, bloem, aardappelen, eieren, verzorgingsmiddelen waren niet meer te krijgen, zelfs de vakken voor de verse vleesproducten waren leeg. Er zouden veel scholierenhanden nodig zijn om de tekorten aan te zuiveren en de lege schappen te vullen.

Zo ging het niet. Al op dinsdag bezweek Magister onder de drukte en toen het programma weer in de lucht was, herkende Magister mijn toegangscode niet meer. De schoolleiding stuurde ondertussen een opgetogen bericht dat ze eruit waren. Vanaf donderdag 19 maart zouden we onderwijs op afstand gaan verzorgen volgens een aangepast rooster. Ik pakte de telefoon, belde mijn vriendin om te zeggen dat ze stapelgek waren geworden en ging de tuin in om de groenteperken klaar te maken.

De Catalaanse schrijver Joseph Pla (1897 – 1981) noteert op 14 maart 1918 in zijn dagboek: Eindelijk is het nu dan een genot om in Catalonië te leven. Er heerst volledige eensgezindheid. Iedereen is het met elkaar eens. Onvermijdelijk hebben we allemaal griep gehad, hebben we griep of zullen we griep krijgen. Pla gebruikt de uitbraak van de Spaanse griep om op zoek te gaan naar zijn wortels; het boerenbestaan aan de Empordaneze kust nabij Barcelona. Ik las het en werd bevangen door een groot verlangen naar een pandemie zonder internet.

Vijf dagen later wilde Magister mij weer ontvangen en was ik erin geslaagd mijn lesgroepen te transformeren in een chatcommunity.  Ik nam een schoon overhemd uit de kast voor mijn eerste onderwijs-op-afstandcontact en trok een colbert aan. Mijn leerlingen waren het er roerend over eens dat ze al een hele week niets bijzonders hadden gedaan. Gamen, netflix, slapen, alleen Giel, die ik in de klas nog niet op enige activiteit heb kunnen betrappen, had een straatje gelegd. Wacht even, zegt hij en even later zie ik een filmpje van het resultaat van zijn stratenmakerswerk op mijn scherm. De opdracht gedocumenteerd schrijven die eind van de maand moet worden ingeleverd, is bijgezet in het hersendeel boze herinneringen uit een ver verleden.

Dat onderwijs op afstand ook zijn problemen heeft, lees ik in de mail van een collega:Vandaag was er een leerling die gedurende de hele tijd andere leerlingen eruit gooide en ook mij tot 2 keer toe. Dit is niet te doen zo. Herkenbaar. Mijn leerlingen hebben inmiddels ook ontdekt hoe zij, zonder dat ik het merk, mijn microfoon uit kunnen zetten.

Dan zoek ik mijn verwassen t-shirt weer op, trek een flanellen houthakkershemd aan en zaai een regel pluksla, rucola, raapstelen, die men ook wel keeltjes noemt.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | 2 reacties

Ter zake

Gepaste afstand houden van elkaar, dat is volgens oud-minister Bruins van volksgezondheid zo’n anderhalve meter. Ook bij het boodschappen doen, waar het meisje van de kassa met haar latex handschoentjes plotseling gevaarlijk dichtbij komt. Maar gelukkig is daar de tuin. De vijg moet worden gesnoeid, het klimop langs de afrasteringen geknipt, de plantenresten van het voorbije seizoen weggeruimd en de aarde gespit. De dode buxusstruiken kan ik rooien en tussen de wortels van de roos is een hopscheut aangewaaid die de afgelopen zomer zijn hele omgeving heeft overwoekerd. Ik zet de schep eronder en ontvlecht de beide planten. De hop gaat op de afvalhoop. En al die tijd is er niemand te zien.

Er heerst zoveel griep dat men de universiteit heeft moeten sluiten. is de eerste zin van het dagboek dat de Catalaanse schrijver Joseph Pla (1897 – 1981) in 1965 aan het redigeren is. H.M. van den Brink (1956) meldt het in zijn nieuwste roman Aurora schrijft. Het dagboek beslaat de jaren 1918 en 1919 als de schrijver eenentwintig jaar is. De griep waarvan sprake is, moet de Spaanse griep zijn die wereldwijd misschien wel honderd miljoen slachtoffers eiste en die ook Guillaume Apollinaire en Max Weber fataal werd.

Aurora schrijft gaat over schrijven. Tijdens de oorlogsjaren waren Pla en zij geliefden en onderhield hij haar. Toen ze in 1947 naar Buenos Aires was vertrokken, betaalde hij haar voor haar brieven. Ook al staan er spel- en stijlfouten in haar teksten en bevatten ze de huiveringwekkendste clichés. En ook al zouden ze wel wat langer en meer ter zake mogen zijn.

Pardon. Ter zake?

Ze schrijft over de prijs van de aardappelen, de barsten in de tegels van haar keuken, of over het weer en vervolgt met een beschrijving van haar dijen, het dunne kanten hemd over haar borsten, van haar kut.

Uit het land van Pla komt een e-mailbericht binnen van mijn goede vriendin Ana. Ze is opgesloten in Las Negras aan de Andalusische kust. Samenscholing van meer dan één persoon verboden. De politie en het leger houden toezicht. Voor de aller-noodzakelijkste dagschotel van Antonio mag ik wel even de deur uit. 

De supermarkt en de apotheek zijn open, dat is in Nederland niet anders. Maar de stellingen zijn leeg. Geen toiletpapier, geen boter of melk, geen aardappelen, de laatste eieren, geen bloem, geen handzeep, een scholier vult een vak met pasta. Ik verlaat de winkel met twee flessen pinot grigio en twee Westmalle tripel.

Aurora schrijft gaat over schrijven, over liefde en over eten. Pla vaart nu uit tegen blikgroenten in het algemeen en voorgekookte gifgroene erwten in het bijzonder. Erwten horen klein te zijn, niet helemaal rond, niet hard maar zacht, zoet zonder dat het opdringerig is en eerder grijs dan van dat metalig glanzende groen. Verder heeft Pla een bloedhekel aan kookboekenschrijvers en helemaal aan wijnschrijvers die een taaltje bezigden dat soms geheel uit bizarre vergelijkingen bestond, des te pornografischer wanneer ze meer hun best deden.

Toch zou hij best een filosofisch werk over eten en seks op zijn naam willen hebben. Maar dan vreest Pla dat het uiteindelijk toch een beschouwing over honger en begeerte zou blijken te zijn.

Aan de rand van mijn blik muist een winterkoninkje voorbij, landt op de vlonder bij het water en schicht het klimop in. Vlak voor mijn neus kruipt een bruine kikker over de net omgedraaide aarde. Pas op meisje, voeg ik haar toe. Al is er geen reiger te bekennen.

Ana heeft een pan linzensoep beloofd, maar twijfelt nu aan wie. Voor wie dan ook, schrijft ze en besluit met Liefs uit een dorp zonder leven.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Belgische grappen

Toen ik vrijdagavond in bed nog even de radio aanzette, hoorde ik dat McCoy Tyner was overleden. In hetzelfde nieuwsbericht vermeldde men dat Tyner deel uitmaakte van het legendarische kwartet van John Coltrane dat in 1965 het album A Love Supreme uitbracht met Elvin Jones op drums en Jimmy Garrison op bas. Maar zo kende ik mijn pianoheld niet. Mijn kennismaking met de muziek van McCoy Tyner was zijn album Enlightenment uit 1973, een registratie van zijn optreden op het Jazz festival van Montreux op zeven juli dat jaar met Joony Booth op bas, Azar Lawrence op saxofoon en Alphonse Mouzon op drums.

Wat wist ik van muziek? Ik was nauwelijks zeventien jaar. On n’est pas sérieux quand on à dix-sept ans, wat u zegt, Arthur Rimbaud (1854 – 1891). De radio stond aan, het was zaterdagmiddag en Michiel de Ruyter (1926 – 1994) presenteerde zijn jazzprogramma. Ik zette het toestel wat harder, vroeg me af wat ik hoorde, de stilte na afloop van het nummer dat een klein half uur had geduurd, kwam hard binnen. De presentator hernam het woord en zei, met zijn kenmerkende hese stemgeluid, dat ik had geluisterd naar Walk spirit, talk spirit. Nog dezelfde week had ik het album waar dat nummer op stond in huis.

Anderhalf jaar later was het 1975. Er was een einde gekomen aan de Viet Nam-oorlog en aan de jeugdserie Swiebertje op de televisie. In Portugal maakte de Anjerrevolutie korte metten met fascisme en kolonialisme. Bernard Thévenet won de Tour voor Eddy Merckx. En dan breekt de langste hittegolf aan uit de Nederlandse geschiedenis. Midden in die hittegolf is er het driedaagse Hammerveld Jazzfestival in Roermond. Met een aantal vrienden van de middelbare school regelden we een tent (die we niet hebben gebruikt) en togen we naar het Zuiden.

Op vrijdagavond zagen we Charles Mingus optreden met ondermeer Don Pullen op piano en George Adams op tenorsaxofoon. Ze speelde nummers van het dubbelalbum Changes. Zaterdag traden de saxofoonlegendes Johnny Griffin, Eddy ‘Lockjaw’ Davis en Benny Carter op, terwijl later het trio van pianist Cecil Taylor was aangekondigd. Steeds als het podium ook maar even leeg was, greep vocalist Babs Gonzalves de microfoon voor een conference en een stemoefening. Zondag was het de beurt aan Jean Toots Thielemans en het festival werd afgesloten met een optreden van het kwartet van McCoy Tyner.

Bert Vuysje (later de vader van de auteur van Alleen maar nette mensen) heeft van het festival verslag gedaan in een van zijn boeken. Onder de titel Coda Roermond 1975 schreef hij over het moment dat Cecil Taylor zoek was: “Will mister Taylor please come to the stage”, werd enkele malen omgeroepen. Maar Taylor verscheen niet op het podium. Hij stond tussen het publiek gezellig te kletsen, terwijl Jean “Toots” Thielemans, zittend op de trap van de toiletwagen, een paar Belgische grappen ten beste gaf. Toen Clark Terry zijn acrobatische trompet en bugelklanken liet horen, bracht iemand uit het publiek hem spontaan een doos met twaalf blikjes bier.

Voor mij begon het allemaal met McCoy Tyner. Daarna kwamen John Coltrane, Charlie Parker, Dizzy Gillespie, Chet Baker, Keith Jarret, Thelonius Monk, Willem Breuker, Leo Cuypers, Greetje Bijma, Han Bennink & Micha Mengelberg, Hermine Deurloo.

Op een foto uit 2010 zit de eenenzeventigjarige Tyner grijnzend achter de vleugel. Een pet op het kalende hoofd, een colbert dat te wijd om zijn smalle schouders hangt. In een interview met de Vlaamse radiozender NPR antwoordt hij op de vraag hoe het komt dat hij op hoge leeftijd nog zo vingervlug is: Ik hou van wortelsap. Wortelsap is echt goed voor je. Wortelen en selderij. Vergeet de selderij niet.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Ondertekst

Een week of zes geleden was hij met een triomfantelijk gezicht het lokaal binnengekomen met in zijn hand een klein boekje met een fel oranje omslag. ‘Mag deze ook, meneer?’ Hij hield het voorplat voor mijn neus. ‘De vrouw met de parasol’, las ik. ‘Jazeker’, stelde ik hem gerust, A. Alberts (1911 – 1995), daar is niets mis mee. ‘Negenenzeventig pagina’s hè’, grijnsde hij nog. Twee weken later was hij er nog niet in begonnen, maar de geur van het werkje uit 1991 stond hem al tegen. Dat snapte ik wel: romandruk, licht gelijmd houthoudend opdikkend papier, dat na verloop van tijd verkleurt en verzuurt en nog later verpulvert onder je vingers. Hij hield het boekje ver van zich af vast aan een hoekje, als een te lang gebruikte vaatdoek.

Nu hoor ik hem voorlezen aan de klasgenoten om zich heen: Het kind? riep Julia. Julia toch, zei Frits. Wat Julia toch, riep Julia. Ze kan hem toch echt wel op de stoep hebben laten staan? Ach verdomme, zei Jan. Jan! zei de oude mevrouw. Neem me niet kwalijk, moeder, zei Jan. Dat bedoel ik niet, zei zijn moeder. Ik bedoel, dat je even moet gaan kijken. Ik sta hier bij het raam en ik kijk, zei Jan.

Als hij merkt dat ik meeluister, richt hij zich tot mij en zegt: Dat kan toch niet, meneer? Wat is er, jongen?, antwoord ik. Zei Jan, zei Frits, zei moeder … je wordt er gek van, licht hij toe. Wat nu, informeer ik, je moet toch weten wie er aan het woord is in de roman en hoe de verschillende personages zich tot elkaar verhouden. Uit de reactie verneem ik dat dat toch niet steeds op dezelfde manier hoeft. Had ik tijdens schrijflessen niet gepleit voor variatie in woordgebruik? Dan maar wat uitgebreider. Jij wilde een dun boekje!, voeg ik hem toe.

Het zit hem niet in de herhaling van frases als zei Jan, zei Frits, maar in de ervaring dat het familiegesprek zo is weergegeven dat de lezer onmogelijk kan uitmaken welke bijdrage belangrijk is en welke niet. Alberts schrijft als een buitenstaander en laat het oordeel over wat er te zien en te horen is graag over aan zijn lezers en lezeressen. In het juryrapport bij de P.C. Hooftprijs die de schrijver kort voor zijn dood in 1995 kreeg, wordt gesproken van de toon van het vermoeden, de aarzeling. Het gaat om de verzwegen gedachten onder een gesprek, wat in de toneelwereld de ondertekst wordt genoemd. Het juryrapport gaat verder: Daarom lijkt het werk vreemd – het is alsof de schrijver naast de werkelijkheid heeft gekeken. Het doet je beseffen dat je altijd iets ervoer, maar het had geen vorm, geen uitdrukking, je leefde erlangs.

Deze leerling is niet de enige of de eerste die moet wennen aan Alberts’ stijl. Ook het Nederlandse lezerspubliek was bij zijn debuut De bomen uit 1953 niet gelijk verkocht. De literaire kritiek had het over een sobere, karige ja zelfs kinderboekenstijl. Annie Romein-Verschoor (1895 – 1975) sprak van een Ot-en-Sienstijl. Aan open plekken in een roman zijn we gewend, maar De bomen van A. Alberts is één en al open plek. Criticus Kees Fens (1929 – 2008) schreef twintig jaar na het verschijnen van De bomen dat er rond dit stilste werk van Alberts een zwijgen (ontstond) dat het boek in geen enkel opzicht verdiende.

Daar komen we hopelijk over een week of wat, bij het mondeling schoolexamen, nader over te spreken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | 1 reactie

Van Wuhan tot Molenhoek

Het rumoer van stemmetjes in de klas heeft natuurlijk te maken met het einde van de voorjaarsvakantie. We hebben elkaar een week niet gezien, sommigen van ons waren hoog in de bergen in de sneeuw, anderen hebben de vrije dagen in ledigheid doorgebracht, maar wat er ook gebeurde of juist niet gebeurde, het levert altijd verhalen op. Of nee, het is de voortdurende harde wind die onze leerlingen het hoofd op hol brengt. Dag na dag rozig en sufgewaaid instorten en dan ’s ochtends ontwaken uit een achtbaan van dromen waarin het gebulder achter de ramen en de striemende regenvlagen op het glas naadloos zijn opgenomen. Dan hoor ik hen over Rome spreken en over Londen en ik besef dat de opwinding ook gaat over de aanstaande buitenlandse reizen. Over minder dan drie weken al.

In de docentenkamer drommen de begeleiders van de Romereis bij elkaar. Net als wij hebben zij gehoord dat de provincie Lombardije is getroffen door het COVID-19-virus dat vanaf het begin van het jaar een spoor van dood en paniek trekt door de Chinese regio Hubei en delen van Zuidoost Azië eromheen. Verscheidene dorpen in Noord Italië zijn van de buitenwereld afgesloten, schooldeuren blijven dicht, het Venetiaanse carnaval is voortijdig afgebroken, het komend weekend vinden de sportieve ontmoetingen tussen Udinese en Fiorentina, AC Milan en Genua, Parma en SPAL, Sassuolo en Brescia en Sampdoria en Hellas Verona plaats in een leeg stadion.  En de Prima Vera, de klassieker Milaan – San Remo, kan die op 21 maart wel van start? Op een kaartje van de NOS is Noord Italië bezaaid met rode vlekken, maar ook de regio rond Rome kleurt onheilspellend geel.

Collega Steen schetst vast het somberste scenario. Je zal toch maar twee weken in quarantaine moeten verblijven met vijftig kinderen, verzucht hij, want over de gezondheidsrisico’s van overigens gezonde leerlingen en collega’s maakt hij zich niet al te veel zorgen. Hoewel, vrij naar Goethe besluit hij met: eerst Rome zien en dan sterven? Liever niet. Ik kan niet nalaten op te merken dat het daar toch wel van zal komen.

De organisatoren van de reizen naar de Ardennen, Parijs en Londen houden zich stil. Die van Berlijn laten weten dat wie niet naar Rome kan, nog wel met hen mee kan. Het ziet ernaar uit dat de bus die naar de Duitse hoofdstad zal vertrekken maar voor twee derde is gevuld. Later op de dag stuurt de rector een mail naar alle ouders van de deelnemers aan de aanstaande reizen waarin staat dat de schoolleiding de berichtgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) nauwgezet volgt en dat er nog geen aanleiding is tot het nemen van maatregelen.

Als ik voor het slapen ga nog even de radio aanzet, hoor ik dat ook in Zwitserland een geval van besmetting met het Coronavirus is opgedoken en als ik dat de volgende ochtend na het ontwaken weer doe, is er een interview met de burgemeester van Selfkant, nabij Sittard, Limburg. In die grensregio is iemand besmet met het virus. Weliswaar aan de Duitse kant, maar de getroffen persoon zou ook in Limburg zijn geweest. Het was Carnaval, aldus de burgemeester, het was onmogelijk om te weten wie, waar op welk moment allemaal geweest is.

Op Twitter is #Limburg trending. De eerste sneeuw van het jaar is gevallen, in korte tijd al wel drie centimeter. Op een filmpje uit Molenhoek kleuren wegen, daken en bomen wit.

Geplaatst in bij de les, koers | Een reactie plaatsen

Krijtbord, bromvlieg

Pastorale, dat is de naam van de zesde symfonie van Beethoven. Dan denk je aan Granida en Daifilo, het schilderij van Gerard van Honthorst in het Centraal Museum in Utrecht, aan Pieter Corneliszoon Hooft. Lieflijke landschappen, herders en herderinnen die elkander beminnen. ‘Dicht- of prozastuk waarin het herdersleven bezongen of beschreven wordt.’, volgens de twaalfde herziene druk van de Van Dale uit 1992. Pastorale is ook de naam van de nieuwste roman van Stefan Enter (1973). Er komt geen herder in voor, liefdesavonturen in de open lucht staan er niet in, al wordt vanuit de mand van een luchtballon wel een naakte jongeman op de grond waargenomen.

Het boek begint en eindigt in een klaslokaal: Zijn aandacht zwenkte – via de formules op het krijtbord, de reikende vinger van een jongen links vooraan – en kwam tot stilstand bij de uit zonlicht gegoten vensterbank naast hem, waar een bromvlieg zich woedend stukvloog op het raam. De waarnemingen zijn van Oscar de Vree uit de voorexamenklas op een van de laatste dagen van het schooljaar. In het laatste hoofdstuk staat: In het condensgeultje lag een bromvlieg, gestorven van verveling. De twee hoofdstukken vormen de lijst om een eindeloze zomer. We volgen het gezin De Vree; vader, een figuur op de achtergrond van wie we tot ver over de helft van het boek alleen verwaaide pianoklanken horen – Chopin, Haydn –  moeder, die druk is met de voorbereidingen van de open tuinendag, terwijl ze al haar tijd nodig heeft om bezoeken af te leggen voor de kerkgemeente aan hulpbehoevenden, dochter Louise, tweedejaars student Engels, terug uit Amsterdam omdat zij en haar minnaar het hele studiebudget, inclusief het collegegeld voor het komende jaar, erdoor hebben gejaagd. Ze is van haar geloof gevallen en weet nog niet hoe ze haar ouders zal vertellen dat ze heeft besloten met haar studie te stoppen. En Oscar, die zich verheugt op de terugkeer van zijn oudere zus en de zomervakantie.

Plaats van handeling is Brevendal, een middelgrote plaats in het midden van het land in de biblebelt, waar de familie De Vree al generaties lang een woning bezit met daaromheen de bloemenhof en de moestuin, een grote boomgaard met walnotenbomen en een bosrand tot aan de beek waar een oude roeiboot ligt afgemeerd. Toegegeven, de idyllische omgeving aan de noordwestelijke Veluwezoom die het decor vormt van dit verhaal, rechtvaardigt dan toch het gebruik van de titel Pastorale.

In de bespreking die Tzumcast wijdt aan Pastorale, wordt het een coming-of-age-verhaal genoemd. Maar het paradijs van de jeugd staat onder druk. Voor wie zijn of haar bedenkingen heeft bij het reformatorisch doen en denken, is geen plaats in Brevendal. De ouders overwegen het familiehuis te verkopen nu de nieuwbouw oprukt en het steeds onwaarschijnlijker wordt dat een van de kinderen in de biblebelt zal blijven. Oscar maakt kennis met het bekrompen wereldbeeld van zijn leeftijdgenoten. Dat hij vriendschap heeft gesloten met Jonkie Matupessy, een Ambonese klasgenoot, en dat hij het opneemt voor diens oudere zus Dona als die een hoer wordt genoemd, levert hem een blauw oog op.

Het boek ademt een tijdloos landerige zomersfeer waarbij je bijna zou vergeten te vragen waar vader De Vree zijn geld mee verdient (staat niet in het boek) of wanneer dit aardse paradijs heeft bestaan.

Krijtbord, Ambonezen, bromvlieg, dat klinkt als het staartje van de vorige eeuw. In hoofdstuk een komt een agent van politie de klas vertellen van de treinkaping door leden van de RMS, nu bijna tien jaar geleden. En dat er weer wat broeit. In hoofdstuk twee van het laatste deel leren we dat de traditie van de ballonfiësta in Brevendal dateert van 1982 en dat dit jaar de vierde editie plaatsvindt. We schrijven 1986.

Op 26 april van dat jaar ontplofte ten zuiden van Kiev de kerncentrale van Tsjernobyl. De radioactieve wolk die daarbij vrijkwam, dreef de weken daarna westwaarts. Daar moest ik aan denken terwijl ik over de moestuin las van de familie De Vree.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Dramatoestel

De les is al tien minuten bezig als de deur open gaat en twee leerlingen – één de jas nog aan – binnen komen. Ik kijk op van het boek waaruit we aan het werk zijn, zeg ‘goedemorgen’ en vraag naar het briefje met de reden van hun late entree en het verzoek van de conciërge om hen alsnog toe te laten tot de les. ‘Maar meneer,’ hoor ik gelijk en daarna twee stemmen door elkaar waarin ik flarden hoor als: ‘de wind’, ‘haast niet tegenop fietsen’, en ‘bijna in de sloot beland’. ‘Wat vervelend voor je’, reageer ik en ik vraag: ‘maar willen jullie nu dan even een briefje halen?’ Nog napruttelend verlaten ze het lokaal.

Storm Ciara, die het afgelopen weekend langs de kust raasde, trok ook een spoor in het dagelijks leven van mijn school in Noord Holland. Een aantal collega’s zat in het vliegtuig uit Madrid dat na een aantal vergeefse landingspogingen op Schiphol, terug koers zette naar Spanje. NH-nieuws sprak een eenenvijftigjarige man uit Zaandam die lesgeeft op een school in Krommenie, die verklaarde: Ik verstond alleen: no panic, no panic. Maar er was wel paniek: er waren dames echt hysterisch aan het gillen en er werd onwijs veel gekotst. Echt een dramatoestel. In de app-groepen op school deed de quote van de afdelingsleider en de foto van hem die erbij was geplaatst razendsnel de ronde. Collega’s improviseerden ondertussen de voorbereiding van de leerlingbesprekingen die we later in middag, dus zonder voorzitter, zouden voeren.

In de namiddag van 28 maart 2000 werd Fort Worth, Texas, getroffen door een tornado. Leo Vroman (1915 – 2014) woonde er met zijn vrouw Tineke in een wooncomplex voor ouderen. Hij was getuige van de windhoos en deed er verslag van in een gedicht dat hij De Gebeurtenis noemde. Het verscheen een jaar later in een bundel met dezelfde naam. Er is nog iets donkerders te zien / wacht wacht achter het Cashgebouw, / waar zware regenvlagen / naar rechts met vliegtuigvaart, / langs jagen / en helemaal naar links / de flank uit / een dikke waterstraal / spuit, / daar staat een harige mammoetpoot / die zich langzaam vergroot. /

‘Dat is een tornado’ zegt Tineke.

Ze brengen zich snel in veiligheid, weg van de ramen, op de benedenverdieping van het gebouw. De volgende dag durven ze even te kijken in hun appartement. Het is er redelijk van afgekomen. Wel is de buitenste laag glas van de pui naar het balkon versplinterd, de binnenste is gelukkig nog heel. Op acht april schrijft Vroman: Ik hoorde gisteren dat / de sterrenbarsten in onze ramen / niet van onze vliegende tuinstoelen kwamen / maar door het luchtledige, want daar is / de tornado om bekend, en ook / dat het niet waar is.

Op het omslag van de bundel is door de versplinterde pui de omgeving te zien in de regen. Druppels op het gebroken glas, de lichten van de lantaarns langs de weg die zijn vervormd tot felle sterren. Verderop hoogbouw in duisternis gehuld. Vroman heeft de foto zelf gemaakt.

Na de les lees ik de briefjes, die ondertussen toch zijn ingeleverd. Bij reden te laat staat bij de een dokter, bij de ander tandarts, want, net als in de oorlog en in ons virtuele gedrag, is in de storm de waarheid het eerste slachtoffer.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Partners

Op een bureautafel liggen 22 vuurwapens, 3 nepvuurwapens, 53 luchtdrukwapens, 16 alarmpistolen 1,5 kilo munitie 71 messen, 10 boksbeugels, 12 zwaarden, 5 tasers, 3 ploertendoders en 2 granaten. De camera zwenkt er langzaam aan voorbij tot een politieman in beeld verschijnt die uitlegt dat het de opbrengst is van de wapeninleveractie die het bewoners uit de regio mogelijk maakte van hun wapens af te komen, zonder daarvoor boete of gevangenisstraf te riskeren. Volgens de teamchef blijkt uit het succes van de actie dat er draagvlak is in de maatschappij voor het aanpakken van het probleem van het wapenbezit. ‘Maar we zijn er nog niet’, voegt hij daaraan toe en hij kondigt een maatschappelijk offensief aan tegen wapens, ‘samen met onze partners zoals horecagelegenheden, scholen, openbaar vervoer en ouders’.

Een smalle steeg in stedelijk gebied. Te smal voor twee jongens die elkaar tegemoet lopen. Dat de een niet voor de ander opzij zal gaan, is te voorspellen. Een uitdagend gebaar, een minachtende blik en dan die plotselinge uithaal, een doffe klap die naklinkt tegen de harde muren. Het volgende shot is gemaakt door een cameraman die op zijn rug op de straat ligt. Hoog erboven de bewolkte hemel, de muren van de bebouwing aan weerszijden naderen elkaar in perspectief. Muziek zwelt aan en de vuistslagen die het slachtoffer moet incasseren lijken de camera te raken en treffen de toeschouwer recht in het gezicht.

De cursusleidster complimenteert de makers van het één minuut durende filmpje met de vondst van de locatie, de opgebouwde spanning, de strakke montage en het doeltreffende camerastandpunt. De makers, leerlingen van vier havo die voor het vak culturele en kunstzinnige vorming (ckv) een workshop volgen in EYE, nemen de complimenten met gepaste trots in ontvangst. Van de drie thema’s; strijd, magie en slapstick, was het eerste verreweg het populairst om uit te werken in een minirolprent.

Geweld is nooit ver weg en dat de moderne mens of de beschaafde samenleving het geweld kan uitbannen is een illusie. Twee wereldoorlogen en een Volkerenbond later, kunnen we er niet omheen dat geweld dat we doorgaans met alle macht proberen te onderdrukken, om de zoveel tijd een uitweg zoekt in wat George Bataille (1897 – 1962) glorieuze verspilling noemde.  Het lijkt erop dat er nu een tijdperk is aangebroken waarin het geweld vooral de andere dieren en onze leefomgeving treft.

Dan is het beter dat het een uitlaat vindt in de games die we spelen of de boeken die we lezen. Het Diner van Herman Koch (1953), Het gouden ei van Tim Krabbé (1943), er is pas spanning als er iemand door geweld om het leven is gekomen. Uit Het Gym van Karin Amatmoekrim (1976) leren we dat een knietje in het kruis van een klasgenoot al voldoende is.

Dinsdagochtend eerste uur. Niels houdt de kleine novelle De vrouw met de parasol van A. Alberts (1911 – 1976) vast alsof het een te lang gebruikt vaatdoekje is. Hij heeft het boekje gekozen omdat het zo dun was, maar de lucht van het inmiddels verzuurde papier staat hem tegen en de lotgevallen van Pieter en Aafje boeien hem niet. Aan de eerste dode in het verhaal is hij nog niet toe gekomen.

In de hal van het schoolgebouw maken politiemensen, bijgestaan door de conciërge, een voor een de kluisjes van alle leerlingen open en onderwerpen die aan een onaangekondigde controle.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Iris’ ogen

De Volkskrant berichtte dinsdag over de opvallendste noodplannen om het lerarentekort in de grote steden mee te lijf te gaan. Hogere salarissen voor leraren die in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag werken, daar is het leven immers duurder. Een bonus voor leerkrachten die lesgeven aan achterstandsleerlingen – kan een prikkel perverser? – muzikanten en kunstenaars ronselen voor handarbeid en muziek op vrijdag, om zo twee vliegen in een klap te slaan:  een vierdaagse werkweek voor de juf en de meester en een vijfdaagse schoolweek voor de leerlingen. Docenten extra betalen om zij-instromers op te leiden, kleine scholen opheffen, groepen samenvoegen tot grotere klassen.

Was er ook goed nieuws? Jawel, Fenne heeft een 8.6 gekregen voor de opdracht gedocumenteerd schrijven. Terwijl ik mij nog door de stapel nakijkwerk worstelde, vertelde ze al er een goed gevoel over te hebben. Dat mocht ook wel, want het vorige schoolexamen spellen en formuleren had haar een dikke onvoldoende opgeleverd. Fenne kampt met dyslexie, de letters in de regel verschijnen aan haar als dansende duiveltjes die maar niet in de rij willen lopen.

Ze nam haar werk stralend van trots in ontvangst. Telde het cijfer voor deze opdracht niet twee keer mee? Als ze over een maand voor haar mondeling examen letterkunde een ruime voldoende haalt, kan ze met een afgeronde zeven aan het centraal schriftelijk examen beginnen.

Toen ik haar een dag later weer zag, heb ik toch maar even gevraagd hoe dat zit met iemand die dyslectisch is; de ene keer haal je nog geen vier, de andere keer bijna een negen. Iris had naast haar gezeten in het computerlokaal toen ze de opdracht maakte. Toen zij zag dat Fenne klaar was en haar werk wilde inleveren, had ze haar klasgenoot streng aangekeken en haar toegefluisterd: je moet het nakijken. Daar had Fenne weinig zin in, ze had al tweeënhalf uur gezwoegd, ze was er eerlijk gezegd wel klaar mee. Maar de priemende blik van Iris kon ze onmogelijk negeren.

Ze vroeg de surveillant om een print van haar werk en begon te lezen. Al gelijk zag ze vier, vijf fouten en een aantal formuleringen die heus beter konden. Ze opende het document opnieuw en begon te verbeteren. Op de tweede print was het weer raak. Dat ze al die keren over die spelfouten had heengekeken! Bij de derde print kreeg ze de smaak helemaal te pakken. Ik geloof dat ik de surveillant wel vier keer heb gevraagd mijn werk uit te draaien, besluit ze haar verhaal.

Ja, dat … je werk net zo lang overlezen tot er geen fout meer in staat en het dan liefst een nachtje laten liggen, zodat je er de volgende ochtend met een frisse blik opnieuw naar kunt kijken. Eigenlijk zouden we de opdracht in tweeën moeten knippen, met in elk geval een nacht ertussen. En heel veel lezen, zodat je goed voorbereid op het mondeling examen letterkunde verschijnt. En daarna blijven lezen, tot het examen en daarna de langste vakantie van je leven.

Maar ze is al over de e-reader gebogen die ze van haar oma te leen heeft om de boeken te selecteren waarover ze het tijdens het mondeling wil hebben.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Verbouwing

Het was dinsdag 21 januari en in de Volkskrant stond een essay van Oscar van Gelderen die zich de vraag stelt hoe het komt dat kamptrauma’s doorwerken in volgende generaties. Het is dit jaar vijfenzeventig jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog, deze week herdenken we dat het kamp Auschwitz op 27 januari 1945 door het Russische Rode Leger werd bevrijd. Voor de school stopten in alle vroegte twee bussen. Alle leerlingen van de drie havo- en drie atheneumklassen stapten in voor een excursie naar het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Van Gelderen citeert uit een essay van Herman Musaph, die tijdens de oorlog was ondergedoken. Musaph presenteert daarin vier overlevingsstrategieën voor mensen met een oorlogstrauma: 1) extreem actief zijn om te bewijzen dat het leven zin heeft, 2) extreem passief zijn om te bewijzen dat de leuze Arbeit macht frei een leugen is, 3) zich aanpassen aan de maatschappij en de vooroorlogse identiteit afleggen en 4) sociaal isolement om de vijand, die de wereld is, op afstand te houden. Er zijn kortere manieren om te zeggen dat we mensen wel uit de oorlog kunnen halen, maar de oorlog niet uit mensen.

We hadden in de filmzaal de inleidende documentaire gezien over Nederlanders die in de oorlog meeliepen met de bezetter, mensen die hun gedrag aanpasten en zij die in verzet kwamen en daarna waren we rondgeleid door het museum en door de plantagebuurt; naar de Hollandse Schouwburg en het Auschwitzmonument. Ik kwam met de vrijwilligsters te spreken die de rondleidingen verzorgden. Onafhankelijk van elkaar vertelden ze dat volgend jaar, mogelijk al dit jaar, het Verzetsmuseum grondig verbouwd gaat worden en dat ook de Hollandse Schouwburg zeker drie jaar dicht gaat voor een verbouwing waarbij de wand met de namen van alle mensen die vanuit de schouwburg naar de kampen in het Oosten zijn gevoerd, verwijderd zal worden.

Dan is het tijd om In plaats van ideologie uit de boekenkast te pakken van Menachem S. Arnoni (1922 – 1985), dat in 1972 in een vertaling van Louis Ferron (die toen nog niet de schrijver was van De Gallische ziekte, De keisnijder van Fichtenwald en Plicht). Arnoni heeft Auschwitz overleefd en de veertig jaren die hem nog restten, besteed aan het ontmaskeren van leugens. Dat deed hij met verschillende eenmanstijdschriften vanuit Israël, de Verenigde Staten en Nederland.

Zijn opstel Het narcisme van de geschiedenis opent met de constatering dat het woord geschiedenis wordt gebruikt voor het verleden en voor dat deel van het verleden dat het herinneren waard is. Negen pagina’s verder komt hij tot de kern: steeds als we geen betere, geen rationelere reden hebben om onze daden te rechtvaardigen, roepen we de ‘geschiedenis’ te hulp. Teneinde de ‘geschiedenis’ haar rechtvaardigende werk te laten doen, houden we een eeuwigdurend proces van her-autorisering op gang. Evenals dat voor iedere objectieve norm opgaat, is de geschiedenis waar in de zin waarin iedere leugen waar is: beide zeggen ons niets over de feiten die zijn voorgevallen, maar over de leugens die verteld worden.

Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de goede bedoelingen van hen die het proces van her-autorisering van het Verzetsmuseum en de Hollandse Schouwburg leiden, zoals ik er ook op vertrouw dat toekomstige leerlingen van de derde klas havo en atheneum over een jaar of wat weer welkom zijn om indringend te ervaren wat de Tweede Wereldoorlog was.

Tegelijkertijd ben ik blij dat er aan de tekst van M.S. Arnoni dan geen tittel of jota veranderd is en dat er nog steeds staat dat de vrije mens zich niet houdt aan eden die hij nooit gezworen heeft, dat hij en zij alleen zijn best doet om in zijn relaties met anderen eerlijkheid en billijkheid op de allereerste plaats te stellen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen