Pottenrek

Een boekenkast was er niet in huis, maar in de keuken hing wel een pottenrek. Zo kwam het dat de eerste woordjes die ik las suiker en meel waren, koffie, thee en zout. Tot zover de woorden waarvan ik de betekenis kende. Exotischer waren de woorden sago, vermicelli, muskaat, foeli en kaneel. Van het woord ‘nagelen’ vroeg ik me af of dat niet ‘nagels’ moest zijn, en waarom je in hemelsnaam nagelen zou bewaren. Ik proefde de woorden op mijn tong, zonder naar de betekenis te verlangen. Zestig jaar later lees ik het gedicht ‘smaakgevende dingen’ van Radna Fabias (1983). Ze schrijft: ‘nootmuskaat was vroeger vreselijk duur / van één nootmuskaat kon je vroeger een slaaf kopen / om te patsen liep de koper rond met zijn nootmuskaat en bracht er publiekelijk zijn / drankjes mee op smaak’.

De laatste tien weken van het schooljaar lezen we met de leerlingen van vier havo poëzie. We kiezen elk een stuk of wat gedichten, analyseren die, en presenteren die in een bloemlezing. In het midden van het lokaal staat een kratje met een twintigtal exemplaren van de klassieke bloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat van Aarts en Van Etten, aangevuld met bundels uit de schoolbibliotheek. Maar dit jaar is alles anders. De school is tot nader order op slot, de boeken in de bibliotheek zijn onbereikbaar. Gelukkig is daar de abonnementenservice van Laurens Jz Coster waarmee Raymond Noë ons gratis en voor niets elke werkdag een gedicht toestuurt.

Het duurde even voordat iedereen zich had geabonneerd, maar inmiddels beginnen de analyses binnen te druppelen. Moederliefde van Willem M. Roggeman (1935) verscheen de vrijdag voor Moederdag op de mail. Het was gelijk een favoriet van mijn leerlingen. Haar handen liggen in haar schoot, / lichtbruin, als gevallen bladeren,/ wegzakkend in een wolk van weemoed. Dat laatste woord moeten we even opzoeken, maar als het gedicht uit is schrijft Senn: Er vond een soort voorstelling plaats in mijn gedachten door het gedicht, ik kon de herinnering die werd omschreven in mijn gedachten visualiseren. En zo is het maar net.

Charif wijst me op de sonoriteit van oo- en o-klanken in de regels Rode dakpannen tussen / zomers geboomte, donkerblauw water / met zonlicht bespat onderweg / naar bossen aan de horizon. van Hanny Michaelis (1922 – 2007). In het gedicht koppelt ze herinneringen aan haar onderduiktijd tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een ervaring van verliefdheid van later datum. Alle / voorwaarden voor een idyllisch / samenzijn leken vervuld toen ik / ineens overvallen door een gevoel / uit de oorlogsjaren (geen huis, / wel onderdak, vogelvrij in de polder) / terug werd gebracht tot mijn ware / proporties: een hulpeloos wezen / zonder naam, (…). Charif schrijft: Ik vind het ook heel knap dat er bijna niks op elkaar rijmt, maar nog steeds klinkt het allemaal te rijmen tijdens het lezen. Ik vraag hem met een notitie in de kantlijn Hoe zou de dichteres dat voor elkaar hebben gekregen?

Radna Fabias besluit smaakgevende dingen  met: foelie is de zaadrok om de nootmuskaat heen / met een zaadrok kan niemand patsen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Besmettelijk

Ik schat het knaapje dat daar met zijn moeder aan komt lopen een jaar of tien. Voor de poort maakt hij een buiging naar zijn juf. Daarna strekt hij zijn linkerbeen met de zool van zijn schoen recht vooruit. De juf ontsmet de zool met een spuitbus. Dan de rechterzool. Klaar. Over de loper gaat de jongen alleen naar het volgende station; een automaat met gel voor zijn handen. Weer een buiging. Voor een volgende installatie heft hij zijn armen in de lucht en draait hij om zijn as terwijl zijn lichaam verdwijnt in een wolk stoom. Even maar. Twee meter verder staat een robot die net zo groot is als de jongen. De jongen ademt van heel dichtbij de robot in zijn gezicht. Even later leest de juf de uitslag af. Dan mag de jongen naar binnen.

Tijdens de wekelijkse Hang out praatte mijn direct leidinggevende ons bij over de aanstaande heropening van de scholen. Er zou niet veel veranderen na Pinksteren. Onze leerlingen blijven de lessen thuis volgen met behulp van hun pc of telefoon, alleen in de middag komt er ruimte om in kleine groepen op school af te spreken. Op dit moment maken de eindexamenkandidaten schoolexamens in lokalen waar de tafels op anderhalve meter van elkaar af staan. Maar als we over een paar weken een centrale toets willen afnemen aan alle derdeklassers zijn er achtentwintig lokalen nodig en evenzoveel surveillanten. De VO-raad heeft een protocol voor de heropening opgesteld van negen pagina’s waar het allemaal in staat. Van desinfecterende sprays in elk lokaal tot variabele openingstijden, looproutes en lokalen waarin maximaal negen leerlingen kunnen worden ontvangen. Leraar economie en publicist Ton van Haperen had er al lucht van gekregen. Het is allemaal vast lief bedoeld. Maar dit is natuurlijk onzin. Onuitvoerbaar. En ik ga het niet uitleggen. In gelul kun je niet werken, heet het dan. twitterde hij.

Vanaf de eerste keer dat ik iemand de frase onderwijs op afstand hoorde gebruiken, woedt er iets in mij dat ik maar met de grootste moeite kan onderdrukken. In gedachten heb ik de zieke geest waarin deze woorden met elkaar zijn gecombineerd herhaaldelijk verwenst en vervloekt, maar tot mijn verbazing is het een onaantastbaar mantra geworden. Terwijl leren op afstand helemaal niet bestaat. Leren gedijt bij nabijheid, verwondering, verbonden zijn. Onderwijs is de evenwichtskunst tussen intimiteit en intimidatie. Hoe formuleerde Peter Sloterdijk (1947) dat nu ook weer: Sinds de filosofie als literair genre bestaat, rekruteert ze haar aanhangers door op besmettelijke wijze over liefde en vriendschap te schrijven. Ja, onderwijs is besmettelijk. Jij krijgt wat ik heb en ik krijg wat jij hebt.

Ik zou misschien nog met de protocollen van besturen en overheden kunnen leven, als ze hun eigen voorschriften serieus namen. Een overheid die het advies om anderhalve meter afstand te houden ernstig neemt, vordert onmiddellijk de rai en de doelen, Amsterdam Arena, de Jaarbeurs en andere leegstaande evenementenlocaties, hotels en vliegvelden om die in te richten tot lesruimtes. In plaats daarvan krijgen scholen een rolmaat, desinfecterende gel, afzetlinten en een pluim voor de inzet.

De koning had het op vier mei nog zo gezegd: Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is.

Maar de Dam was leeg en de stad was stil.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 1 reactie

Uit Afrika

Het kwam door de merel die elke ochtend dat themaatje uit Once in a lifetime kwinkeleert: same as it ever was – same as it ever was, en door de verveling van het gekluisterd zijn aan huis en tuin, dat ik mij voor de computer zette en op youtube de concertregistratie Stop making sense van The Talking heads opzocht en mezelf een glas witte wijn inschonk. Als frontman David Byrne, op ongeveer driekwart van het concert even naar achteren gaat om zich te verfrissen, kondigt drummer Chris Frantz (1951) The Tom Tom Club aan, het geluid verschiet van kleur en op een funky sediment van bas, synthesizer en slagwerk bloeien drie vrouwenstemmetjes op die vragen: What you gonna do when you’re out of jail?, de eerste regel van Genius of love.

En omdat van het een het ander komt, zat ik een dag later met de hoofdtelefoon op te luisteren naar de song waarmee het voor The Tom Tom Club allemaal begon, Wordy rappinghood uit 1981. Voor de talenstudenten die we waren, was het nummer onweerstaanbaar, omdat het met een geluid van een schrijfmachine begon, omdat het begint met de frase What are words worth?, of omdat je er onmogelijk stil bij kunt blijven zitten. Het refrein van het nummer is een kinderliedje met de tekst: Ram sam sam, a ram sam sam / Guli guli guli guli guli ram sam sam / Haykayay yipi yaykayé / Ahou ahou a nikichi .

Frank Martinus Arion (1936 – 2015) schreef in 2003 het essay Vrijen met slavenmeisjes. In die tekst die dat jaar in het tijdschrift Optima verscheen, overtuigde hij zijn lezers ervan dat de (toekomstige) neerlandicus over de grenzen moet kijken, zich niet moet opsluiten in Hollandse tradities en Indo-Germaanse taalfamilies en stambomen, maar ook oog moet hebben voor Spaanse en Portugese invloeden, de Creoolse talen van West Afrika, Indonesië en het Papiamentu. Om zijn claim kracht bij te zetten, citeert hij het aftelrijmpje Iene miene mutte / tien pond grutten / tien pond kaas / iene miene mutte / is de baas. Die tekst gaat terug op West Afrikaanse of Portugese bronnen: Ine mine mute / Temp de gruta / Temp de kasa / Ine mine mute / Es de bas , dat vertaald kan worden als: Meisjes veel / Tijd om te vrijen / Tijd om te trouwen / Meisjes veel / Daar beneden. Bepaald geen onschuldig versje, dat is ontstaan aan boord van de slavengaleien.

Tina Weymouth (1950), de bassist van The Tom Tom club en schrijfster van de tekst van Wordy rappinghood, legt in een minidocumentaire gemaakt voor de Top 2000 uit dat ze het kinderliedje met haar zussen Laura en Lani zong toen ze in Frankrijk woonden. Ook dit liedje zou van Afrikaanse oorsprong zijn.

Dat is goed mogelijk. Wikipedia wijst op een Marokkaanse oorsprong. Guli zou zoveel betekenen als vertel me en Haykayau yipi yaykayé zou een verbastering zijn van a rafiq a rafiq, vriend of maatje. Over de betekenis van A ram sam sam, tast de digitale volksencyclopedie in het duister en de vierde regel Ahou ahou a nikichi komt in het lemma helemaal niet voor.

Als het nummer is afgelopen doe ik de hoofdtelefoon af. Het raam staat op een kier. Buiten doorklieft een ijl gefluit de stilte van de pandemie. Guido Gezelle (1830 – 1899) omschreef het  als   “Zie, zie, zie, / zie ! zie ! zie ! / zie !! zie !! zie !! / zie !!!”.

De gierzwaluwen zijn teruggekomen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Bleekwater

Tijdens een van zijn persconferenties deze week herinnerde Donald Trump zijn gehoor eraan dat het coronavirus bijzonder slecht bestand is tegen fel ultraviolet licht en desinfecteringsmiddelen. De vijfenveertigste president van de Verenigde Staten en zelfverklaard stabiel genie, voegde daar de aanbeveling aan toe om te onderzoeken of chloor, bleek en andere schoonmaakmiddelen diezelfde werking ook hebben ìn het menselijk lichaam. Hij noemde de mogelijkheid van injecties met die middelen zeer interessant. Nog dezelfde dag meldde de NOS op haar site dat in de Verenigde Staten een vrouw onwel was geworden die al haar groenten in een mengsel van water, azijn en tien procent bleek liet weken. De Britse producent van Lysol en Dettol, de multinational Reckitt Benckiser waarschuwde haar klanten genoemde middelen niet te injecteren of te drinken of op een andere manier in het lichaam te brengen.

Sportjournalist Thijs Zonneveld (1980) reageerde op twitter: Ik doe al jaren mijn oogbollen in de Glorix. Dat is waar. Als in de koers het onmogelijke werkelijkheid wordt, ik noem Mathieu van der Poel die in 2019 de Amstel Goldrace wint, nadat Julian Alaphilippe en Jacob Fuglsang in de finale meer oog voor elkaar hadden dan voor het aanstormende peloton, laat Zonneveld weten dat hij niet gelooft wat hij ziet en dat hij zijn oogbollen maar even in de week heeft gezet.

Otto – of Oscar – Kadoke is tweeënveertig jaar, psychiater en hoofdpersoon van Moedervlekken van Arnon Grunberg (1971). Hij werkt op de crisisopvang, zijn opdracht is suïcidepreventie. In hoofdstuk acht maakt hij kennis met Michette Dubois, depressief, borderliner, angststoornissen, automutilatie en 27 jaar oud. Dat is de leeftijd waarop ook Janis Joplin, Amy Winehouse, Jimi Hendrix, Kurt Cobain en Brian Jones  een niet-natuurlijke dood stierven. Michette heeft een pleister op haar onderarm. Kadoke vraagt: Doet u dat vaker? Doet u uzelf vaker pijn? Michette antwoordt: Soms. Meestal doe ik het anders. De laatste tijd doe ik het anders. Ik drink, zegt Michette. Ik drink schoonmaakmiddelen. Bleekwater. Van dat spul om de ramen mee te lappen, tot ik moet kotsen. Soms drink ik door.

Moedervlekken verscheen in 2016. Acht jaar eerder leidde de samenwerking van drie reuzen van de Nederpop, Frank Boeijen, Henk Hofstede en Henny Vrienten tot een cd met de titel Aardige jongens, want Nescio is nooit ver. Een van de bijdragen van Henk Hofstede heet Bleekwater. In het eerste couplet van dat lied weet hij de stilte van de pandemie die de wereld twaalf jaar later in haar greep zou houden,  goed te treffen: Bleekwater / De zoete geur in lege straten // Bleekwater / De danspaleizen zijn verlaten // Waar de Dood lacht in de spiegels / En hij danst de laatste wals // In / Bleekwater

Kadoke ziet geen andere mogelijkheid voor Michette Dubois dan opname in een kliniek, ook al is dat zeer tegen de zin van de jonge vrouw. Michette kijkt recht in zijn ogen en in haar intelligente, kille blik ziet hij een waarheid die nog killer is dan die blik: dat ze dwars door alle hulpverlening heen kijkt, dat ze weet dat de hulpverleners haar niet kunnen helpen.

En wat Reckitt Benkiser betreft, H.H. ter Balkt (1938 – 2015) schreef een ode aan dat andere succesproduct, Reckitt’s blue, zakje blauw in de volksmond, die besluit met: waar stond de fabriek van reckitts blauw / een monument van blauwgeverfde teilen / waar roest de teil van reckitts blauw

Geplaatst in eten & drinken, koers | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Merel

Om half zes beginnen de vogels lawaai te maken. De merel is de eerste. Zijn heldere tonen  zetten de nacht op een kier. Dan hoor ik een koolmees en die andere zangers die ik niet kan onderscheiden; roodborst, fitis, tjiftjaf, winterkoning. Daar is het koeren van een duif, de roffel van een specht en tenslotte het getjilp van de mussen onder het raam in de laurierstruik of hoog in de goot van het dak van de buren. Daarna is er alleen nog het verlangen naar het geluid van voorbijvliegende zwaluwen. Nog even geduld.

Meer dan eens heeft Koos van Zomeren (1946) erop gewezen dat het zingen van de vogels geen esthetisch doel dient en ook niet uitsluitend heeft te maken met nuttige instincten voor de soort en het individu. Met name wanneer het om het verdedigen van een territorium gaat, staat het dier steeds op de drempel van een utilitaire wereld en een geritualiseerde.

Iedereen begrijpt dat zingen voor vogels de voorkeur verdient boven elkaar steeds maar aan stukken scheuren, met het risico dat je een keer zelf aan stukken wordt gescheurd.

Op de vlonder over de vijver staat de hooimand waarin ik de groene draadalg die het wateroppervlak bedekte heb gedeponeerd. Er stroomt water uit en hier en daar is het woelen van een watersalamander te zien die per ongeluk in het netje uit de vijver is meegekomen. Als hij snel is kan hij via de mazen van de mand tussen de kieren van de vlonder zo weer terug in zijn element zijn. Soms is een merel sneller. Vanaf een lage tak van de gleditsia triacanthos ziet hij wat ik zag, strijkt neer naast de mand en de kronkelende salamander. Voor het vervolg sluit ik mijn ogen.

Van Zomeren vervolgt: Bij merels is vastgesteld dat ze, binnen de grenzen van herkenbare merelzang, in het bos anders zingen dan in de stad. In verschillende geluidsdecors zijn het verschillende frequenties die een merel de beste verstaanbaarheid, de meeste presentatie opleveren.

Hoe nu? Deze Zwanenburgse merels waren tot medio maart gewend aan het gieren en dreunen van overkomende vliegtuigen, elke vijf minuten drie en daarna, als het nacht geworden was toch zeker een per kwartier. Zijn ze in staat om binnen een maand hun frequenties en melodieën aan te passen aan de stilte van de pandemie? En hoe gaan ze nu om met de volkszanger die twee keer per week voor het bejaardentehuis verschijnt om op festivalvolume Geef mij maar Amsterdam, Oh saberiosia en De glimlach van een kind ten beste te geven?

Ja, ik hoorde wat ze zongen in het precovidium. Die bij mij in de buurt floot Around Midnight van Thelonius Monk (1917 – 1982). Ik schreef erover op 6 juli 2018 en vroeg me af wat vogels hebben met jazz-standards, omdat Jan Hanlo (1912 – 1969) wel zijn best deed de Saint Louis blues van W.C. Handy (1873 – 1958) zo te fluiten dat het leek op de zang van de grote lijster.

Zo is het niet meer. Terwijl ik de border ontdoe van zevenblad, heermoes, en winde – voorzichtig om de slaapmutsjes in de knop (Eschscholzia californica) niet te beschadigen – hoor ik het opeens: de frase die deze merel zingt, komt uit Once in a lifetime van The Talking heads uit 1980. Luister dan:

same as it ever was,

same as it ever was,

same as it ever was.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Op afstand

Er komt een kort krakend geluid uit de laptop. Mijn spiegelbeeld verkleint tot het formaat van een lucifersdoosje in de rechterbenedenhoek van het scherm. In een cirkel verschijnen de initialen NE heel even en dan komt Noa in beeld die ‘Hallo meneer’ zegt. ‘Noa,’ zeg ik, ‘je hebt me gevonden, hoe gaat het met je?’. Nog een krak, het scherm splijt in tweeën en op de andere helft doemt het hoofd van Manou op. Weer klinkt: ‘Hallo meneer’. Noa geeft inmiddels antwoord op mijn vraag. Het gaat goed met haar, maar het is wel druk in huis en haar moeder probeert via de computer vierentwintig kleine kinderen bij de les te houden. De vader van Manou is muzikant. Hij zou deze dagen op tournee zijn, maar dat ging niet door. Nu is hij thuis met een project bezig. En haar broer en zijn vriendin zijn er ook. Ze is maar even naar boven gelopen en heeft gezegd dat voor de duur van haar mondeling schoolexamen op afstand iedereen beneden moet blijven.

Marita Mathijsen (1944) wees 26 maart op de plotselinge actualiteit van het boek Alles wat er was van Hanna Bervoets (1984) dat in 2013 verscheen: Er zijn vier basisgegevens. Het eerste: iets totaal onbekends overkomt een groep mensen, iets wat niet eerder is voorgekomen. Het tweede: een groep is opgesloten, moet met elkaar zien om te gaan ook al zijn het geen vrienden. Het derde: de voorzieningen waarop je normaal gesproken kunt rekenen, vallen weg. Het vierde: er is gebrek aan eten, verband, medicijnen. Het was Manou, die het boek op haar lijst heeft staan, ook opgevallen. De acht personages waren in een schoolgebouw toen er een luide knal klonk die werd gevolgd door een dikke mist. Onmiddellijk waarschuwde de overheid via internet (dat het toen nog deed) binnen te blijven en de gordijnen te sluiten.

Marita Mathijsens dochter Alma, schreef vorig jaar Ik wil geen hond zijn. Een hartverscheurend boek over een jonge vrouw die geen andere uitweg uit haar liefdesverdriet weet, dan zich te laten transformeren in een hond die daarna aan haar ex wordt toevertrouwd. Lianne vond het heel leuk, al is dat niet het beste woord om de kwaliteit van deze novelle te benoemen.

Noa hoort wat Manou vertelt over het boek van Bervoets. Zij herkent de mist uit Alles wat er was. Diezelfde dodelijke mist is na een hevig noodweer over de hele wereld gedaald in de roman Weerwater uit 2015 van Renate Dorrestein (1954 – 2018). Dat is te zeggen de hele wereld, behalve Almere. Op het moment dat de ramp de jonge stad trof, waren de mannen al naar hun werk. Alle voorzieningen zijn kapot, een paar duizend vrouwen en de mannen die uit de gevangenis zijn ontsnapt, staan voor de taak er in een nieuwe samenlevingsvorm het beste van te maken.

Tegelijk met Lianne doet Ilse schoolexamen. Zij vraagt het woord op de andere helft van het computerscherm. Ze heeft de titel van Alma Mathijsens boek gevonden in een boek dat zij gelezen heeft: Dorst van Esther Gerritsen (1972). De doodzieke Elisabeth ontmoet in dat boek haar ex Wilbert en dan ontspint zich de volgende dialoog: ‘Hé’, zegt ze. ‘Hé’, zegt hij. ‘Mijn hond.’ Hij zwijgt. ‘Jij bent mijn hond.’ ‘Ik wil geen hond zijn.’ … ‘Ik wil geen hond zijn.’ ‘Ik hoor je.’ ‘O.’

Meer kunnen we er eigenlijk niet over zeggen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Zuur

Ik sta met de shampoo in mijn hand onder de douche, als ik merk dat het water koud wordt. Snel afspoelen dan maar, en drogen. Mijn haren was ik morgen wel. Ik loop terug de slaapkamer in om mij aan te kleden. ‘Geen wifi’, hoor ik van het kussen naast het mijne. Ik zie dat het venstertje van de wekkerradio donker is. Als laatste controle druk ik het lichtknopje in. Geen stroom. Ik weet in de werkkamer nog een oud Nokiatoestelletje te liggen aan een al even oude oplader. Ik draai het storingsnummer, meld aan een vrouwenstem postcode en huisnummer. Dezelfde stem deelt per ommegaande mee dat er zich in mijn postcodegebied helaas een storing heeft voorgedaan, die waarschijnlijk om half elf is verholpen.

Beneden zet ik grote pan water op voor de afwas en een steelpannetje voor de oploskoffie. Lucifer, afwasteiltje. De zon komt stralend op achter het open keukenraam, waaruit ik warempel zie dat het buitenlampje van de overburen van nummer 42 boven de voordeur brandt. Dan loop ik binnen bij mijn moeder, die naast mij woont. Daar is het stil. Als ik op een lichtknopje druk, gebeurt er niets. Het is te vroeg voor conclusies.

Achter de tuindeuren ontploft de lente. Ik loop de tuin in en ervaar een stilte die me terugbrengt naar de vroege jaren zestig. Het zingen van de merels, het mechanische geluid van roepende koolmeesjes, een duif die koert. Heel in de verte een vermoeden van geronk van een vliegtuig. Mijn bede om een pandemie zonder internet van twee weken geleden was verhoord. Niet thuis werken, geen nieuwsberichten op het scherm, verlost van outlook, magister, office 365-teams.

In huis hangt een zure lucht. Gisteren hebben we de fijngemaakte bloemkoolroosjes en de versnipperde winterwortel in zout water gezet, die staan nu uit te druipen in een vergiet. Ik hoor het keukenmes op de plank. Augurkjes snijden, en zilveruitjes. Op het ene gas staat een pan witte wijnazijn te koken, op een ander warmt een roux op een laag pitje. De pot met geelwortel en de mosterd zijn niet ver. We maken piccalilly. Sinds die van Crosse and Blackwell (Est. 1706) uit de schappen is verdwenen, is er alleen nog zoetzure piccalilly te koop en wij houden van zure. Een royale lik over de stamppot raapstelen met spekjes en braadworst is onbetaalbaar.

Door het keukenraam komt geroezemoes tot me. De buren van nummer vijfentwintig, vijfendertig en negenendertig hebben zich verzameld voor nummer drieëndertig. En ook die van de overkant van nummer vierenveertig heeft zich bij het gezelschap gevoegd. Indachtig de adviezen van onze premier houdt iedereen anderhalve meter afstand. Zo is een cirkel ontstaan die begint in de voortuin, uitzwaait over het trottoir tot bijna de helft van de rijbaan en weer terug. Dezelfde premier zou het een intelligent buurtoverleg noemen.

Veel wijzer worden we er ondertussen niet van. Er lopen drie mannen met gele hesjes door de straat die nu eens stilstaan en op het scherm van hun telefoon kijken en dan weer de tegels van de stoep aan een nader onderzoek onderwerpen, al gaat het natuurlijk om de wirwar van leidingen en kabels daaronder. Een van hen staat ons te woord. Eerst moet de oorzaak van de storing gevonden worden, dan kan de straat worden opengemaakt. Het is niet in een uurtje gefikst, luidt de prognose van de medewerker van het netbeheer.

Dankbaar keer ik terug naar mijn piccalilly.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Houtje-touwtje

Ik druk op het lichtknopje in mijn werkkamer en het licht gaat aan. Daarna schakel ik mijn pc in en het licht gaat uit. De computer begint zacht te zoemen. Het scherm licht op, ik zoek een krukje dat hoog genoeg is om naar de plafonnière te klimmen, de kap te verwijderen en de lamp los te draaien. De thuiswerkende docent, denk ik, is niet alleen thuiswerkende docent. Hij is nu even de thuiswerkende conciërge. En als ik terug ben van de speciaalzaak in elektronische artikelen en mijn klassen uitnodig voor de aankomende les op afstand, ben ik het thuiswerkende hulpje van de roostermaker. Toen een dag eerder het wachtwoordprogramma van mijn pc kuren kreeg en mij de toegang tot mijn bestanden ontzegde, was ik een dag lang thuiswerkend systeembeheerder. Ik liep door verlaten straten met mijn pc in mijn tas naar de werkplaats van het plaatselijke pc-dépot en dacht aan de woorden van de premier van het land. Democratisch, volwassen, trots.

Lana en Martin verschijnen op mijn scherm. Eindexamenkandidaten uit vijf havo die nog niet bekomen zijn van de schok dat het centraal schriftelijk eindexamen dit jaar niet doorgaat. Anderen doen het voorkomen dat ik mijn diploma gratis bij een pakje boter krijg, zegt Lana, terwijl ik net als iedereen vijf jaar op school heb gezeten. Ik geef haar groot gelijk. Martin neemt het wat luchtiger op. Ja, je gaat niet naar school, maar voor de rest is alles eigenlijk precies hetzelfde. Hij leefde al langer voornamelijk in een digitale wereld. Lana is het niet met hem eens, dus ik vraag welke feestjes zij de afgelopen week al heeft gemist. Daar brandt ze los: Dat feest in Zaandam waarop ze zich verheugd had, de aanstaande Koningsdag is van haar gestolen en ze zou maandag afrijden en haar rijbewijs halen. Gaat ook niet door. Voor haar gelden de woorden uit On the beach die Neil Young (1945) in 1974 op muziek zette: I need a crowd of people / But I can’t face them day-to-day.

De afdelingsleider heeft een digitale hang-out afgekondigd. Hij wil ons zien en nodigt ons uit om vanmiddag om twee uur de neus aan het venster van onze laptop te drukken. Een voor een verschijnen de hoofden van de collega’s die ik al anderhalve week niet gezien heb. Hoe het met me gaat, wil mijn leidinggevende weten. Ik heb grote moeite om mijzelf serieus te nemen, antwoord ik. De collega aardrijkskunde roept: maar volgens mij had je dat al. Ik licht mijn antwoord toe met het argument dat het mij zwaar valt om houtje-touwtjelessen te geven die er alleen toe leiden dat mijn leerlingen nog meer aan het scherm geplakt zitten. De collega aardrijkskunde valt me bij. Van de collega economie komt de oproep aan ons allen om op te houden met het geven van huiswerkopdrachten. Daar worden die kinderen stapelgek van.

Een dag later verschijnt er een stukje van hoogleraar fonologie Marc van Oostendorp op www.neerlandistiek.nl . Ook in het academisch onderwijs is het niet pluis:  Ik ken verhalen over stellen van jonge universitair docenten, met kleine kinderen in een flatje, die geacht worden van daaruit nu allebei online colleges voor te bereiden voor groepen van 120 studenten.  Van Oostendorp spreekt van business worse than usual.

’s Middags neem ik mijn eerste mondeling schoolexamen op afstand af. Kirsten heeft het over Sonny Boy. Ze prijst de schrijfster Annejet van der Zijl (1962) die erin is geslaagd een stem te geven aan gewone mensen als Waldemar Nods en Rika van der Lans in de ongewone tijd van de Tweede Wereldoorlog en de jaren ervoor.

Het nieuwste album van Neil Young heet Colorado. In het vierde nummer zingt de oude bard, won’t somebody help me lose my mind. Ik schenk mij zelf een glas wijn in en mompel: wie doen dat niet, Neil. Wie niet.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Volledige eensgezindheid

Zondag vijftien maart nam de regering het besluit om tot zes april alle scholen te sluiten. Met deze maatregel hoopt zij het aantal besmettingen met het coronavirus te verkleinen. Onze gezondheid staat op de eerste, de tweede en de derde plaats; was het minister Hugo de Jonge die dat zei? Een dag later nodigde onze rector ons op school uit om voorstellen te doen voor continuering van onze lessen onder andere omstandigheden. Makkelijk zat, dacht ik; in de studiewijzer is het programma van de tienwekelijkse periode omschreven en werk uitwisselen kan eenvoudig via de berichtenfaciliteit van het leerlingenvolgsysteem Magister. Ik rekende erop dat ik de komende anderhalve week niets van mijn leerlingen zou horen en dat er dan een mailtje zou binnenkomen met de vraag: ‘wat moeten we doen?’.

En eigenlijk leek me dat ook maar het beste. Na de hamsterdagen was er een slagveld achtergebleven in de supermarkten. Toiletpapier, handzeep, bloem, aardappelen, eieren, verzorgingsmiddelen waren niet meer te krijgen, zelfs de vakken voor de verse vleesproducten waren leeg. Er zouden veel scholierenhanden nodig zijn om de tekorten aan te zuiveren en de lege schappen te vullen.

Zo ging het niet. Al op dinsdag bezweek Magister onder de drukte en toen het programma weer in de lucht was, herkende Magister mijn toegangscode niet meer. De schoolleiding stuurde ondertussen een opgetogen bericht dat ze eruit waren. Vanaf donderdag 19 maart zouden we onderwijs op afstand gaan verzorgen volgens een aangepast rooster. Ik pakte de telefoon, belde mijn vriendin om te zeggen dat ze stapelgek waren geworden en ging de tuin in om de groenteperken klaar te maken.

De Catalaanse schrijver Joseph Pla (1897 – 1981) noteert op 14 maart 1918 in zijn dagboek: Eindelijk is het nu dan een genot om in Catalonië te leven. Er heerst volledige eensgezindheid. Iedereen is het met elkaar eens. Onvermijdelijk hebben we allemaal griep gehad, hebben we griep of zullen we griep krijgen. Pla gebruikt de uitbraak van de Spaanse griep om op zoek te gaan naar zijn wortels; het boerenbestaan aan de Empordaneze kust nabij Barcelona. Ik las het en werd bevangen door een groot verlangen naar een pandemie zonder internet.

Vijf dagen later wilde Magister mij weer ontvangen en was ik erin geslaagd mijn lesgroepen te transformeren in een chatcommunity.  Ik nam een schoon overhemd uit de kast voor mijn eerste onderwijs-op-afstandcontact en trok een colbert aan. Mijn leerlingen waren het er roerend over eens dat ze al een hele week niets bijzonders hadden gedaan. Gamen, netflix, slapen, alleen Giel, die ik in de klas nog niet op enige activiteit heb kunnen betrappen, had een straatje gelegd. Wacht even, zegt hij en even later zie ik een filmpje van het resultaat van zijn stratenmakerswerk op mijn scherm. De opdracht gedocumenteerd schrijven die eind van de maand moet worden ingeleverd, is bijgezet in het hersendeel boze herinneringen uit een ver verleden.

Dat onderwijs op afstand ook zijn problemen heeft, lees ik in de mail van een collega:Vandaag was er een leerling die gedurende de hele tijd andere leerlingen eruit gooide en ook mij tot 2 keer toe. Dit is niet te doen zo. Herkenbaar. Mijn leerlingen hebben inmiddels ook ontdekt hoe zij, zonder dat ik het merk, mijn microfoon uit kunnen zetten.

Dan zoek ik mijn verwassen t-shirt weer op, trek een flanellen houthakkershemd aan en zaai een regel pluksla, rucola, raapstelen, die men ook wel keeltjes noemt.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | 2 reacties

Ter zake

Gepaste afstand houden van elkaar, dat is volgens oud-minister Bruins van volksgezondheid zo’n anderhalve meter. Ook bij het boodschappen doen, waar het meisje van de kassa met haar latex handschoentjes plotseling gevaarlijk dichtbij komt. Maar gelukkig is daar de tuin. De vijg moet worden gesnoeid, het klimop langs de afrasteringen geknipt, de plantenresten van het voorbije seizoen weggeruimd en de aarde gespit. De dode buxusstruiken kan ik rooien en tussen de wortels van de roos is een hopscheut aangewaaid die de afgelopen zomer zijn hele omgeving heeft overwoekerd. Ik zet de schep eronder en ontvlecht de beide planten. De hop gaat op de afvalhoop. En al die tijd is er niemand te zien.

Er heerst zoveel griep dat men de universiteit heeft moeten sluiten. is de eerste zin van het dagboek dat de Catalaanse schrijver Joseph Pla (1897 – 1981) in 1965 aan het redigeren is. H.M. van den Brink (1956) meldt het in zijn nieuwste roman Aurora schrijft. Het dagboek beslaat de jaren 1918 en 1919 als de schrijver eenentwintig jaar is. De griep waarvan sprake is, moet de Spaanse griep zijn die wereldwijd misschien wel honderd miljoen slachtoffers eiste en die ook Guillaume Apollinaire en Max Weber fataal werd.

Aurora schrijft gaat over schrijven. Tijdens de oorlogsjaren waren Pla en zij geliefden en onderhield hij haar. Toen ze in 1947 naar Buenos Aires was vertrokken, betaalde hij haar voor haar brieven. Ook al staan er spel- en stijlfouten in haar teksten en bevatten ze de huiveringwekkendste clichés. En ook al zouden ze wel wat langer en meer ter zake mogen zijn.

Pardon. Ter zake?

Ze schrijft over de prijs van de aardappelen, de barsten in de tegels van haar keuken, of over het weer en vervolgt met een beschrijving van haar dijen, het dunne kanten hemd over haar borsten, van haar kut.

Uit het land van Pla komt een e-mailbericht binnen van mijn goede vriendin Ana. Ze is opgesloten in Las Negras aan de Andalusische kust. Samenscholing van meer dan één persoon verboden. De politie en het leger houden toezicht. Voor de aller-noodzakelijkste dagschotel van Antonio mag ik wel even de deur uit. 

De supermarkt en de apotheek zijn open, dat is in Nederland niet anders. Maar de stellingen zijn leeg. Geen toiletpapier, geen boter of melk, geen aardappelen, de laatste eieren, geen bloem, geen handzeep, een scholier vult een vak met pasta. Ik verlaat de winkel met twee flessen pinot grigio en twee Westmalle tripel.

Aurora schrijft gaat over schrijven, over liefde en over eten. Pla vaart nu uit tegen blikgroenten in het algemeen en voorgekookte gifgroene erwten in het bijzonder. Erwten horen klein te zijn, niet helemaal rond, niet hard maar zacht, zoet zonder dat het opdringerig is en eerder grijs dan van dat metalig glanzende groen. Verder heeft Pla een bloedhekel aan kookboekenschrijvers en helemaal aan wijnschrijvers die een taaltje bezigden dat soms geheel uit bizarre vergelijkingen bestond, des te pornografischer wanneer ze meer hun best deden.

Toch zou hij best een filosofisch werk over eten en seks op zijn naam willen hebben. Maar dan vreest Pla dat het uiteindelijk toch een beschouwing over honger en begeerte zou blijken te zijn.

Aan de rand van mijn blik muist een winterkoninkje voorbij, landt op de vlonder bij het water en schicht het klimop in. Vlak voor mijn neus kruipt een bruine kikker over de net omgedraaide aarde. Pas op meisje, voeg ik haar toe. Al is er geen reiger te bekennen.

Ana heeft een pan linzensoep beloofd, maar twijfelt nu aan wie. Voor wie dan ook, schrijft ze en besluit met Liefs uit een dorp zonder leven.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen