Acéphale

Het vijfentwintigjarig huwelijk van mijn ouders was het laatste zetje. In de zomer van 1980  gingen we met het hele gezin naar Canada. Ik was vierentwintig jaar, het was de eerste keer dat ik vloog, Vancouver International Airport was het doel. Een week of vier, vijf waren we te gast bij nu eens de ene oom, dan weer de andere tante. Neven en nichten, die doorgaans een paar jaar jonger waren dan ik, maar al wel een rijbewijs hadden, lieten ons de highlights van British Columbia zien: Lake Louise, Fraser Canyon, Jasper National Park, Banff. Bij het ziekenhuis van Salmon Arm, waar mijn oma woonde, stelden we ons op voor een foto van de hele familie. We waren met meer dan honderd kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Ik ben naar zolder gelopen om de foto’s te halen die ik er maakte. Ik wil weten wat ik zag. Weidse snelwegen, een tankstation, een jongeman met lang haar en ontbloot bovenlijf zit langs de kant op het asfalt, leunt tegen een versleten rugzak, steekt zijn duim omhoog naar elke passerende personenauto, de bergen rondom, daarboven alle ruimte voor wolkenpartijen en de zon die schittert in de voorruiten van de auto’s. Daar hoort de stem bij van Gordon Lightfoot (1938): Sometimes I think it’s a shame / When I get feeling better, when I’m feeling no pain

Emy is midden dertig. Ze studeerde psychologie en literatuurwetenschappen. Johannes is haar geliefde, ze wonen in Rotterdam. Onderweg, tijdens het maken van een documentairefilm is ze verliefd geworden op de fixer, die A. wordt genoemd in het boek. Hij heeft een tatoeage van de Acéphale aan de binnenkant van zijn onderarm. Ik kijk naar A. alsof hij zojuist een wonder heeft verricht. ‘Bataille’, zeg ik hem, ‘daar heb ik mijn bachelorscriptie over geschreven. Bataille en gothic fictie.’. A. is al langer dan vijf jaar samen met Charlotte die zeven jaar jonger is. De film wordt gedraaid in Canada, Charlotte en A. wonen in Montréal, het boek heet Tekenen van het universum, het verslag van een obsessie. De schrijfster Emy Koopman (1985).

In de zomer van 2019 reist Emy met de trein van Edmonton naar Montréal. Ze leest door elkaar Surfacing van Margaret Atwood, Will Fergusons Why I hate Canadians, Love Medicine van Louise Erdrich en Annie Muktuk and Other Stories van Norma Dunning, uit haar oordopjes klinkt Björk. Canada is voor haar de first Nations, de Albertanen, de verschillen tussen de Québecois en de Anglo’s, oost en west en alles daartussen in. Vooral dat laatste. Canada is het land van radical centre, meedogenloze middelmaat die ook A. niet vreemd is, hoezeer hij het ook verafschuwt. Het tegendeel van wat Bataille voorstond. Het tegendeel van wat Emy voor ogen heeft.

Behalve een bibliotheek aan verborgen familieverhalen, is Canada voor mij Joni Mitchell (1943), die zingt: I drew a map of Canada / Oh, Canada / With your face sketched on it twice om verlies van haar geliefde voor te blijven, Complainte pour Ste Catherine van Kate & Anna McGarrigle dat in de jaren zeventig op geen feestje ontbrak en waarin het onder meer gaat over daklozen en hoge brandstofprijzen, Neil Young natuurlijk en later Rufus Wainwright (Princesse de la rue soit la bienvenue dans mon cœur brisé). Jacques Cartier noteerde het woord Canada halverwege de zestiende eeuw het eerst in een Europese taal; Kanata, Iroquois-Huron voor woonplaats.

De trein sukkelt voort over het eindeloze spoor. Saskatchewan, Manitoba, Ontario. Ineens, vanuit het niets, in dat schijnbaar lege groengouden veld, springt er een vosje uit een hol omhoog. Hij maakt een halve salto door de lucht en landt weer op zijn pootjes, triomfantelijk en moeiteloos.

O, als Emy dat eens kon.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Lege flessen

De hoofdpersoon en verteller van het verhaal ‘Verwachtingen’, het vierde in de bundel ‘Passagiers/achterblijvers’ van Thomas Heerma van Voss (1990), bezoekt zijn ouderlijk huis, omdat hij een afspraak met zijn moeder heeft, maar als hij daar is aangekomen, vindt hij niemand thuis. ‘Nog een keer roep ik je, harder nu. Maar overal in huis blijft het stil. Op de keukentafel ligt geen briefje.’ Kamer voor kamer doorzoekt hij en ondertussen komt de lezer allerlei over zijn jeugd en het huwelijk van zijn ouders te weten. Ligt het aan mij dat de woning in de Heinzestraat, Amsterdam Oud Zuid, langzaam verandert in een plaats delict?

Hans Achterhuis (1942) wijdt in zijn boek Met alle geweld een korte paragraaf aan huiselijk geweld. Daar is reden genoeg voor; van alle geweldslachtoffers komt slechts een vijfde om in een oorlogssituatie, een meerderheid van de slachtoffers van moord en doodslag overkomt dat in de familiekring. De cijfers van Achterhuis dateren van rond de laatste eeuwwisseling, de term huiselijk geweld is in de tweede helft van de vorige eeuw gemunt in feministische kringen, vier op de vijf slachtoffers zijn vrouwen. Achterhuis bespreekt huiselijk geweld in het hoofdstuk Sekse en geweld dat we vinden in deel vijf De strijd om erkenning.

Denk ik aan huiselijk geweld in de Nederlandse letteren, dan schiet me gelijk de familieroman Vallen is als vliegen van Manon Uphoff (1962) te binnen. Je moet even op adem komen als je Vallen is als vliegen uit hebt, besloot Coen Peppelenbos zijn recensie voor de literaire website Tzum. Dat was ook mijn ervaring.

De term huiselijk geweld mag dan pas een halve eeuw oud zijn, de praktijken zijn dat niet. Romans uit het naturalisme wrikten aan het taboe, brachten er spoortjes van aan het licht, zoals Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan van Louis Couperus (1863 – 1923) en Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants (1848 – 1923).

Of er in juridische zin sprake is van moord dan wel doodslag in laatstgenoemd boek, moet de schrijver maar uitmaken, hij heeft daarvoor gestudeerd. Wat vaststaat is dat Anna Termeer geboren Bloemendael is overleden met een aangesproken fles chloraal naast haar bed en dat haar echtgenoot en verteller van Een nagelaten bekentenis er de verantwoordelijkheid voor opeist. In dit huis heb ik Anna gedood en in dit huis zit ik nu te schrijven.

Dat gebrek aan erkenning een van de redenen voor het huiselijk geweld bij de Termeers was, zoals Achterhuis vermoedt, weten we van de heer des huizes die over zijn overleden vrouw opmerkt: Zij wilde zich vlekkeloos kunnen vinden, al moest zij de vervulling van vurige wensen daaraan opofferen; maar zij wilde ook aan die vlekkeloosheid het recht ontlenen op hen, die haar niet bewonderden, laatdunkend neer te zien.  En mijn bewondering – die nooit heel vurig was geweest – verflauwde nog, naarmate zij even meedogenloos bleek voor mijn zwakheden als blind voor mijn beetje goeds.

Dat komt niet meer goed.

Anderzijds is het niet heel waarschijnlijk dat Termeer zijn vrouw heeft vermoord. De man is wankelmoedig en tot weinig meer in staat dan tweehonderddertig bladzijden gelamenteer – in grootse stijl, dat wel – over zijn gebrek aan talent voor een bevredigend bestaan. De enige aanwijzing voor een onnatuurlijke dood van Anna is een niet opgeruimde fles in haar slaapkamer.

Daar waren er in de Heinzestraat vast ook wel een paar van.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Nog erger

Na verloop van tijd wandel ik weer tussen de huizen, kijk op de kerkklok en constateer dat er ruim een uur verstreken is sinds ik het dorp achter mij liet. Minister Cort van der Lindenstraat, Julianastraat, linksaf richting Kerkplein, dan hoor ik roepen. ‘Meneer, meneer, wil u de bal pakken?’ Het is waar de St Jozefschool stond, de basisschool waar ik leerde lezen en –‘eerst duidelijk, dan snel’ – schrijven. Het oude schoolgebouw heeft plaatsgemaakt voor woningen, daarachter is een nieuwe, kleinere school neergezet, maar het deel waarin de gymnastiekzaal is, staat er nog, net als een deel van de speelplaats, de fietsenstalling en het betegelde voetbalveldje. Daar, achter het hek, staat een groepje jongens te wijzen naar een bal tussen de struiken. Ik loop er naar toe en hoor een van hen zeggen: ‘… en hem aan ons geven’.

In de vroege jaren tachtig organiseerde de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) in samenwerking met het weekblad Vrij Nederland een serie lezingen in De Balie onder de titel De Brandende kwestie. Ik was erbij toen Cyrille Offermans (1945) zijn brandende kwestie mocht afsteken, die ging over de vele betekenissen van het woord romantiek. Hij citeerde Armand (1946 – 2015), destijds de beroemdste poète maudit van de lage landen: vrijheid is een volgetankte Mercedes, vrolijkheid, is een mooie zwoele chick, en verwijlde enige tijd bij dat veelbetekenende bijvoeglijk naamwoord volgetankte.

Offermans betoogde dat dat adjectief voor de meerderheid van de Mercedesrijders overbodig was; natuurlijk bevatte de tank van het voertuig voldoende brandstof om de weg op te gaan. Het tekende Armand als arme sloeber dat hij zich daar zorgen over maakte, uit dat woord volgetankte sprak verlangen dat nooit zou worden ingelost, waarmee ook de vrijheid voor de zanger van Ben ik te min voorgoed onbereikbaar was.

Iets dergelijks is aan de hand met de timide toevoeging die ik hoorde van achter het hek. En hem aan ons geven … Die krijgt alleen betekenis binnen een voorstelbaar, nee vanzelfsprekend, universum waarin ik de bal zou oppakken, hem onder mijn arm zou slaan, en ermee naar huis zou wandelen. Of dat ik een Zwitsers zakmes tevoorschijn zou halen om met de priem de bal lek te prikken en daarna mijn weg te vervolgen. Of nog erger.

Mooie woorden, voor wie zijn ze belangrijk? Heb je het breed genoeg, dan begrijp je, ze zo goed.

Ik kijk de knaapjes aan die zich verdringen achter het hek. Acht, negen, misschien tien jaar schat ik ze. De witte lijnen op de tegels hebben tijd tientallen generaties tot een balletje trappen verleid en al die tijd was er het roepen naar elkaar, het hek dat rammelde bij een doelpunt en het juichen dat daarbij hoorde tot het speelkwartier voorbij was.

Alsof er nooit iets kon veranderen.

Niet aan hun kant van het hek. Aan deze kant zijn, toen je even niet oplette, de oude mannen gekomen die het op je ballen hebben gemunt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Radio Riek

In mei 2021 bestelde ik bij Bol een babyfoon die prompt werd bezorgd. Het zendgedeelte deed ik in het stopcontact in de slaapkamer van mijn moeder, het ontvangstgedeelte in het stopcontact naast mijn bed. We noemden de nieuwverworven verbinding ‘radio Riek’, want dat is de voornaam van mijn moeder die in 1934 is geboren. Daarna was het wachten op signaal.

Meestentijds is er niets te horen. Het apparaat is, net als zendgemachtigde en luisteraar, in slaapstand, alleen een lichtje verraadt dat het is ingeschakeld. Rondom waart de nacht. Het suizen kan zomaar beginnen na een gerucht dat niemand heeft vernomen. Ik luister en vermoed een laatste echo van de oerknal, harmonie der sferen die plotseling aanzwelt en die ik vervolgens kan identificeren als het kabaal van een  vliegtuig, al was het maar omdat het op dat moment ook door mijn slaapkamer dendert. Dan klinkt de zware ademhaling van iemand in diepe slaap die plotseling wordt onderbroken door een hoestbui. Dan weer niets.

De pendule op de servieskast slaat het halfuur. Daar is het rammelen van de rollator die met een rukje over de drempel van de badkamer wordt geduwd en dat in de akoestiek van de betegelde ruimte van kleur verandert en zachter wordt. Enkele minuten later is er het geluid van het doorspoelen van het toilet, waarna het gerammel weer opdoemt, dit keer in omgekeerde volgorde – oppassen voor de drempel. Dan weer niets.

Af en toe spreekt radio Riek; daarvoor is hij aangeschaft. ‘Jan!, Jan!’, klinkt het. Ik spring uit bed, schiet in mijn slippers en snel de trap af. Dat mijn moeder in nood niet mijn naam roept maar de naam van mijn vader die in 1996 is overleden, vertedert me. Beneden tref ik haar zittend op de grond aan. Van bed gegleden toen ze op het randje wilde zitten, het evenwicht verloren na een te bruuske beweging met de rollator, een TIA kan ook, het zal allemaal wel, maar hoe komt ze nu weer overeind? De klok wijst een klein uur tussen één en twee. Het duurt nog zeker zes uur voor de thuiszorg komt om haar de dag in te helpen.

Tijdens mijn vakantie namen mijn zussen de zorg voor moeder en de wacht bij radio Riek waar. Toen ik weer terug was vertelden ze dat ook zij niet werden geroepen bij de naam die  hun moeder hun had gegeven. Riep mijn moeder mijn oudste zus, dan deed ze dat met ‘Janie’, mijn jongste zus werd geacht te reageren op ‘Nellie’,

De namen passen in een rijtje: Jan, Janie, Cor, Riek, Annie, Ria, To, Joop, Wil, Johan, Sylvia, Nellie en Peter. Ik ken dat rijtje sinds mijn jeugd; het zijn de namen van alle kinderen uit het ouderlijk huis van mijn moeder. De ooms en tantes die bij de namen horen ken ik nauwelijks. Het gezin is in de eerste helft van de jaren vijftig naar Canada geëmigreerd, alleen Riek bleef achter. Ze had al kennis aan Jan.

Mijn moeder zoekt in momenten van rampspoed haar toevlucht in de herinnering aan het grote gezin waarvan ze deel uitmaakte. Jan is dan niet mijn vader, maar haar oudste broer. Zoals mijn oudste zus Janie is, de oudste zus van Riek, en mijn jongste Nel, die ook haar jongste zus is.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Buiten schot

‘Techniek is beheerst geweld’, schrijft Cornelis Verhoeven (1928 – 2001) in zijn in 1991 verschenen opstel ‘IJzer en vuur’. Maar wat als het product van techniek een wapen is? Meer in het bijzonder een antieke Police Colt .38 subnosed met het serienummer 1444-667-8888…3277-99177…2215-567-4, zoals in de novelle ‘Het licht aan het einde van de loop’ van Martin Michael Driessen (1954)? En wat als we de wederwaardigheden van dit schiettuig rechtstreeks kunnen vernemen van de bijbehorende ammunitie, afkomstig uit de Mansfield Factory of een Winchester uit Illinois – daar wil ik vanaf zijn?

Dat het hier om hoogwaardige techniek gaat, wordt ons duidelijk als de kogel beschrijft wat het is om voor het eerst in het magazijn te glijden. Het voelt als thuiskomen. En dan te bedenken dat een Colt zes van deze geboortekanalen telt, volkomen identiek. Ik bevind me in een wonderwerk van menselijk vernuft, in een roterende tempel. Eenmaal thuis, is er het dubbele verlangen van te blijven en van de sensatie afgevuurd te worden; het moment dat de hamer mijn slaghoedje raakt.

Dit projectiel kent zichzelf goed genoeg om te weten dat het wapen alles is, de kogel niets. Dat het wapen, op zijn beurt, afhankelijk is van iemand die het ter hand neemt, ja zelfs dat de wereld beter af was zonder hen, maar in een volmaakte wereld zouden er misschien ook geen artsen en vertalers zijn.

Verhoeven formuleerde in 1973 vijfentwintig stellingen over geweld om het begrip los te weken uit de doel-middelketen waar het in was geklonken, om woorden te vinden voor het appel dat het doet op ons denken en om de mogelijkheid van de techniek als panacee tegen geweld te verkennen. De vijfde stelling luidt: Een middel wordt hierdoor gekenmerkt dat vóór het gebruik daarvan voorspelbaar is wat de uitwerking daarvan zal zijn. Gebruik van middelen veronderstelt een beheersing van de situatie. Van geweld is alleen achteraf te zeggen wat de uitwerking ervan is. Het is niet te programmeren en het is dus geen middel. Stelling achttien: Een geweer is een instrument om buiten schot te blijven, en stelling negentien: De techniek eindigt op het moment waarop het geweld begint.

Het spreekt dat de kogel die onze zegspersoon is, nog niet is afgeschoten, al was hij er een keer dichtbij. Het is een gruwelijke maar tevens verheffende ervaring. Geen tijd om over de eindigheid der dingen na te denken, want wijzelf zijn dat einde. En als het er dan toch eens van komt, dan graag voor een verdedigbaar doel. Ook een kogel heeft zijn moraal. Onder waarde afgevuurd te worden – vanuit een primitief sentiment, uit racistische haat, of in het kader van een stompzinnige criminele afrekening – is wel het laatste dat je als kogel wenst. Zes januari 2021 op Capitol Hill was hij niet van de partij en ook de dodelijke ontmoeting met de zesentwintigjarige Nederlandse commando Simmie Poetsema in Indianapolis afgelopen week liet hij aan zich voorbij gaan.

Het draait uit op Russisch roulette. Een man, een wapen en een kogel. Ik bevind me in vijfde positie, met andere woorden in een van de kamers die zich aan weerszijden van de loop bevinden, met vrij uitzicht op een gebruinde huid met grote poriën en blond haar dat beweegt in de wind. Niet langer is een geweer een instrument om buiten schot te blijven. Waar en wanneer eindigt hier techniek en begint geweld? Een dodelijk schot en een droge klik zijn allebei voorspelde uitwerkingen in het spel.

Van geweld is vooralsnog geen sprake.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vreemd genoeg

De opmerking van CPNB-directeur Eveline Aendekerk dat een boek als ‘Het bittere kruid’ van Marga Minco alle vooroordelen over het lezen bevestigt en het leesplezier van jonge lezers er vakkundig uitramt, was voor NRC-columnist en dichter Ellen Deckwitz (1982) aanleiding om te reageren met een stukje onder de titel ‘Weg met het leesplezier’. Ik ben het onmiddellijk met haar eens dat er meer redenen zijn om een boek te lezen dan plezier, maar vraag me niet die redenen te noemen. Voor je het weet wordt de literatuur opgezadeld met de taak betere mensen van ons te maken. En de literatuur heeft het al zo moeilijk.

Guisecourt heb ik niet kunnen vinden op de kaart, maar Reims wel en de Marne stroomt als vanouds door het Noord Franse land in de Seine. In Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje (1965), rijden Amélie en haar vader terug naar het kasteel dat ze toen de Grote Oorlog uitbrak, zijn ontvlucht. Het is augustus 1921. Vredig en zonnig trekt Frankrijk aan hen voorbij, gouden korenvelden, boomgaarden, een grijsblauw doezelende einder, zo nu en dan een dorp met een kerkje en boerderijen, zwaaiende mensen langs de kant van de weg, kinderen die roepend achter hun auto aan rennen. Laure, Amélies halfzus, is verdwenen en het vermoeden van Amélie dat zij stiekem is teruggegaan naar de plaatsen van haar jeugd, het golvende land aan de oevers van de Marne, blijkt juist. Eerst vindt ze haar hoed, daarna vissen Howard en Morris, de Engelse tweeling uit een hoofdstuk eerder, het levenloze lichaam van Laure uit de Marne.

Ik herken het landschap dat Daanje beschrijft, terwijl ik de bladzijden om sla in de tuin van de gîte waar ik een weekje verblijf. Al is Dieppe geen Reims en Guisecourt geen Canouville en ook al zijn we alweer een wereldoorlog en een pandemie verder. Het graan is geoogst, bleke koeien zoeken schaduw onder de bomen tegen de heuvels, kronkelende landwegen leiden naar dorpjes rondom een kerk en een kerkhof; daarachter het vermoeden van de zee, kiezelstranden en krijtrotsen.

Voor ons op tafel een pannetje mosselen in een saus van camembert, frites, witte wijn in een beslagen glas, dat fonkelt in de kleuren van de parasol waar de zon door schijnt. Een zoele bries voert het ruisen van de zee aan.

Of bij Duclair linksaf, de Seine langs, de brede lege stroom, statige huizen van twee eeuwen geleden, seminaries, buitenverblijven zoals de Flauberts er één hadden in Croisset bij Canteleu, waar de grote romans van Madame Bovary tot en met Bouvard en Pécuchet zijn geschreven en de kluizenaar van Croisset buiten in de tuin de zinnen declameerde die hij die dag had geschreven. Zelden meer dan tien.

Het gaat om lees- en dus levenservaring. Woorden maken gebeurtenissen behapbaar, schrijft Ellen Deckwitz. De woorden van Anjet Daanje brachten me thuis op de plaats waar ik me vreemd genoeg bevond. Na acht uur rijden was ik er mentaal nog niet gearriveerd.

In de vroege ochtend, als  het nog donker is, fluiten de uilen in de bomen, dat het klinkt door de open ramen in de stille nacht en zich te ruste legt in dromen die geen zich meer herinnert als het licht geworden is.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Tabla-improvisaties

Wij herkennen geweld wanneer dat zich voordoet. Zeker als wij het te verduren hebben, maar ook als wij degenen zijn die het toebrengen, al spreken we er dan misschien wat omzichtiger over. Dat we het herkennen, betekent nog niet dat elk van ons er hetzelfde onder verstaat. Het is een glibberig begrip, zegt ook Hans Achterhuis (1942) die in 2010 een monografie van bijna achthonderd pagina’s publiceerde met als titel ‘Met alle geweld’. Om het denken over geweld een zetje te geven, gaf de stichting SOS-kinderdorpen in een lespakket leerlingen van groep acht in 2004  de opdracht een nieuw Nederlands woord te bedenken voor het tegenovergestelde van geweld. Marco Chaudron uit Leiden suggereerde ‘revrie’, de samentrekking van respect en vriendschap.

In Gezien voorbijgezien: de stad, het vijfde deel van De Duivelsverzen van Salman Rushdie (1947), is Saladin Chamcha in een bok veranderd. Hoefjes, hoorns op zijn kop: het is de Duivel zelf. Hij heeft een schapenvacht omgeslagen en vervolgens ten einde raad aangeklopt bij huize Sjaandaar met de vraag of Mohammed Soefjaan een plaats voor hem heeft waar hij zijn hoofd kan neerleggen. Hind, Soefjaans vrouw, geeft hem haar ongeëvenaarde kippejakhni te drinken. Even later ligt hij op bed in een van de zolderkamers van het Londense pension, maar de verlangde rust blijft uit. Zijn hart misdroeg zich, begon te schoppen en te stotteren alsof ook dat een nieuwe, duivelse vorm wilde aannemen; de gecompliceerde onvoorspelbaarheid van een tabla-improvisatie in de plaats wilde stellen van het vanouds metronome ritme.

Cornelis Verhoeven (1928 – 2001) worstelt in zijn publicatie Tegen het geweld uit 1967 met hetzelfde probleem. Hij noemt geweld pure activiteit en zou daartegenover alleen de totale passiviteit willen stellen. Maar geweld treedt nog al eens op als middel om een doel te bereiken. Was het niet mogelijk om hetzelfde doel dan met een ander middel te verwezenlijken? Wie dat wil met totale passiviteit, kijkt in een  lege gereedschapskist. Vandaar dat Verhoeven de mogelijkheid van techniek oppert. Maar let op, het gaat hier om bijna ambachtelijke, zorgvuldig beredeneerde techniek die met uiterste terughoudendheid wordt betracht. Alleen zo kan het een alternatief zijn voor geweld, dat zich immers kenmerkt door onbezonnen kordaatheid en een oncontroleerbare uitkomst.

Wordt de vraag naar het tegenovergestelde van geweld aan volwassenen gesteld, dan klinkt al snel vrijheid van meningsuiting. Was de moord op Pim Fortuin en Theo van Gogh niet ook een aanslag was op het vrije woord? Het is waar dat gesprekken verstommen als de wapens spreken, en dat de onderhandelingstafel een vreedzamer plaats is om conflicten op te lossen dan het slagveld. Toch weten fractieleider Wilders van de PVV en minister Van der Wal van Natuur en Stikstof dat het vrije woord levensbedreigend kan zijn. Salman Rushdie, de geestelijk vader van Saladin Chamcha, moest deze week ervaren dat het niet bij dreiging blijft.

Een paar dagen later komt Lieke Marsman in het televisieprogramma Zomergasten te spreken over bovennatuurlijke kracht die haar iets van genade schenkt. Is dát misschien het tegenovergestelde van geweld?

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Voor goud

Toen mijn rector mij vroeg of ik een receptie wilde bij mijn afscheid, vroeg ik haar of ik daar even over mocht nadenken. Terwijl ik daarmee bezig was sprak de collega aardrijkskunde me aan op de gang en noemde het belang van het markeren van het einde van de ene levensfase en het begin van de andere. Zelf is hij vorig jaar met pensioen gegaan. Zijn afscheidsfeestje moest ik aan mij laten voorbijgaan; het was nauwelijks een maand na mijn hartoperatie. De rommel van het partijtje was nog niet opgeruimd of zijn ex leidinggevende vroeg hem de school uit de brand te helpen en nog een paar groepen les te geven.

Voor ik in Krommenie begon, had ik feestelijk, hoewel tegen mijn zin, afscheid genomen van mijn collega’s in Almere, waar ik veertien jaar had gewerkt. De zes jaren op mijn nieuwe school waren omgevlogen. Misschien wel omdat het er eigenlijk maar drie waren. Daarna volgden twee jaren van pandemiechaos waarin leerlingen meer niet dan wel op school waren en het me niet lukte namen en gezichten binnen een schooljaar te combineren. Het afgelopen schooljaar besteedde ik de meeste tijd en energie aan mijn herstel, terwijl ik mij afvroeg of ik nog wel leraar was. Waar zou zo’n markering nog vaste grond vinden? Ik berichtte mijn rector dat ik van een uitzwaaimoment afzag. Maar ze mocht me op de laatste dag van het schooljaar wel toespreken, als ze dat wilde.

De grote vakantie brak aan en ik probeerde te wennen aan de illusie dat er geen einde aan zou komen. Ondertussen verzamelde ik moed om mijn werkkamer op te ruimen. Vier dagen sjouwde ik met volle tassen tussen mijn werkplek thuis en de papierbak op de parkeerplaats van de supermarkt. Papier dat nooit meer nodig zal zijn. Was het dat ooit?

Op de NOS-site lees ik: Roeisters pleiten voor cultuurverandering. Hoofdpersoon is Layla Youssifou die de komende Europese Kampioenschappen in München met Roos de Jong voor goud gaat in de dubbeltwee roeien. In haar geboorteplaats Almere was ze zich nog niet bewust van de “redelijk witte omgeving” in de roeisport, maar toen ze voor haar studie verhuisde naar Delft werd het haar duidelijk. “Ik kreeg voor het eerst te maken met grapjes over dat ik gekleurd ben, dat vond ik een heel gekke gewaarwording.” Zo is het. Ze zat drie jaar bij me in de klas en deed in 2013 eindexamen.

Toen het stof was neergedaald en afgenomen, viel op mijn opgeruimde bureau een boek van Cornelis Verhoeven (1928 – 2001) open op de pagina waar de frase medisch geweld stond. Dat was waar ook. De vraag die bij me opkwam nadat ik mijn lichaam na de operatie had bekeken, wachtte al bijna een jaar op antwoord. Wat is dit voor geweld? Mijn vriendin snapte al die tijd niet waar ik me druk over maak.

De schrammen en krassen die nu op mijn lijf te zien zijn, zijn het gevolg van het snoeien van de gele roos. Ze was ons verkocht voor een rosa golden showers, een soort die langdurig en uitbundig bloeit, ook in halfschaduw. Maar dit exemplaar geeft geen bloemen maar lange stekelige loten die de ramen van de bovenburen bedreigen. Het moet er een van het soort zijn waarvan in Doornroosje sprake is, of waarvan men een kroon vlocht om Christus in zijn laatste dagen mee te martelen.

De roos – veelbezongen bloem van de liefde toch? – leent zich even gemakkelijk als geweldattribuut. Waarom de geneeskunde dan niet?

Geplaatst in bij de les, lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Geen kattenpis

Ik kan mij geen flaneer-fietspad langs de kust herinneren, en geen strand ook eigenlijk. We waren de stad uitgelopen, de Potemkintrappen af om naar de haven te zoeken, over de Zwarte zee uit te kijken, om de mogelijkheid te ontdekken om per boot de oversteek naar de Krim te maken. ‘Het weer is prachtig, het water rustig, de koffie Italiaans’, schrijft Michael Persson in de openingszinnen van zijn reportage over de oorlogseconomie in Одеса, afgelopen dinsdag in De Volkskrant. Wij liepen zestien jaar geleden een havenkantoortje binnen aan de kade waar een paar vissersboten lagen aangemeerd. Nee, van een geregelde veerdienst naar Севастополь of een van de andere havensteden op het schiereiland aan de overkant, hadden ze niet gehoord. We moesten naar een andere reismogelijkheid uitzien. We wierpen nog een  blik op de zee, die groot was en leeg en vrij van mijnen, die dag in juli.

Te laat. Natuurlijk waren we er te laat. Ruim een eeuw geleden kon de stad wedijveren met het mooiste dat de late Negentiende eeuw schonk aan Brussel, Parijs, Wenen en Boedapest. Gebouwen in neoklassieke stijl, passages, kariatiden tegen de gevels, stucwerk in pastelkleuren, geel, roze en wit, brede lanen onder kastanjebomen en platanen, pleinen met fonteinen, grands cafés en de verlichting van gaslantaarns als de schemer valt. Maar nu wij er zijn is het asfalt in de straten een patchwork van reparaties. De bomen van honderd jaar geleden spreiden hun kruinen royaal over de rijbaan, terwijl hun wortels het trottoir omwoelen. Je moet uitkijken waar je loopt om niet te zwikken. Het pleisterwerk van de gevels is gebladderd, kozijnen zijn verrot, de beelden vertonen barsten, sommige huizen zijn ingestort. Achter een gerestaureerde pui verrijst een wand met spiegelglas. Het is een shopping mall geworden.

In andere jaren had het hier vol gezeten met Oekraïners, Turken, Amerikanen, Arabieren, en ja, Russen, vervolgt Michael Persson zijn verhaal. Zo is het. Одеса was en is en blijft een trekpleister met banken, clubs en casino’s, terrassen onder parasols, schaars geklede toeristen in het seizoen en als het avond is geroezemoes van stemmen en het klikken van pumps op de ongelijke trottoirs onder de bomen.

In een klein stadspaleis van twee verdiepingen, halfrond, vierkante zuilen, stucwerk in terracottakleuren, is het Museum voor Oekraïense kunst gevestigd. Ik weet niet of Poesjkins afscheid van de zee door Ivan Aivazovsky en Ilya Repin , uit 1877 daar ook hangt. We zagen er een aantal afbeeldingen van de Russische dichter die, nadat hij op last van de Tsaar uit Sint Petersburg was verbannen, enige tijd in Одеса woonde. Van Aivazovski, die bij leven beëdigd schilder van de Russische marine was, hingen er een aantal adembenemende zeegezichten. Verder de nodige landschappen en genrestukjes. Uit de vele keren dat bloeiende seringen zijn afgebeeld, kun je afleiden hoe lang de winter duurt en wat het voorjaar teweeg brengt in het Oekraïense gemoed.

En overal de katten van Одеса. De magere katten in de verwaarloosde hof waar we een appartementje hebben gehuurd. Steeds als we terugkomen is er de niet te missen geur van kattenpis. De dikke kat die op het bureau van Natasja springt als ze een onderkomen voor ons boekt in Ялта. Het kantoortje heet Adam en Eva en voor dertig dollar kun je er kennismaken met een Oekraïense vrouw om mee te trouwen. Een portie haring behoort evenzeer tot de mogelijkheden. Onder de tafel strijkt een kat langs mijn been die daarna rustig naast de stoel gaat liggen. Als ik hier blijf staan kan ik ze in de verte zien aankomen, schrijft Armando (1929 – 2018) in Aantekeningen over de vijand.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Trekkerprotest

Vanuit Amsterdam berichtte oud-Volkskrant correspondent voor Zuidoost Azië Michel Maas (1954) dinsdag over de executie van vier tegenstanders van het militaire gezag in Myanmar. Kyaw Min Yu en Phyo Zea Thaw zijn opgehangen omdat ze de Antiterrorismewet zouden hebben overtreden, Hla Myo Aung en Aung Yhura Zaw omdat ze verantwoordelijk werden gehouden voor de moord op een informant van de militairen. Amnesty noemt het ‘een wanhoopsdaad van een bewind dat ook niet meer weet hoe het de bevolking anders nog tot zwijgen moet dwingen’. Volgens Maas is het land terug bij af: een paria van de wereld, net als toen generaal Ne Win in 1962 de grondwet buiten werking stelde en alle macht aan het leger trok, net als in 1990 toen de overwinning van de partij van Aung San Suu Kyi resulteerde in huisarrest voor de partijleidster in plaats van een meerderheid in de volksvertegenwoordiging, zoals ook de verkiezingen van november 2020 leidden tot een militaire coup op 1 februari 2021.

Myanmar, dat is Burmese Days van George Orwell (1903 – 1950), Mandalay, het gedicht van Rudyard Kipling (1865 – 1936) uit 1890, of nee, de Mandalay Song van Kurt Weill (1900 – 1950), Bertolt Brecht (1898 – 1956) en Elisabeth Hauptmann (1897 – 1973) uit de komedie Happy End uit 1929: Menschen sind das Schönste auf der Welt / Denn die sind zum Teufel wert ihr Gelt, over een hoerenkast aan de rand van de jungle, of toch de instrumentele versie van het Willem Breuker Kollektief (1974 – 2013) die later opdook in ster-reclameblokken, was het niet om kattenvoer te verkopen? Ramsey Nasr (1974) was er in 2009 voor een reportage die door Canvas is uitgezonden. Hij noteerde in zijn reisdagboek: Birmezen dragen hun leven met een sereniteit en een opgewektheid die mij stom slaat. In een graatmagere werkelijkheid die niet mag worden benoemd, nemen zij getallen tot zich, houden ze de geesten te vriend en worden ze geholpen door de kruiden langs de weg.

Wij waren er in 1998. In Hsipaw bezoeken we het paleisje van de prins van de Shan, dat sinds de prins is gearresteerd, wordt beheerd door zijn neef Sao Oo Kye en zijn vrouw Sao Sarm Hpong, mr. Donald en mrs. Fern voor toeristen. Ze hebben er een knus oppositiebolwerk van gemaakt. De Engelse villa hangt vol foto’s van de prins en zijn familie, overal liggen geschenken die uit solidariteit zijn achtergelaten; John Grisham-pockets en een exemplaar van Achter de façade, het kritische reisboek van Minka Nijhuis, Jan Donkers en Jan Banning met een voorwoord van Aung San Suu Kyi.

Tegen de schoorsteenmantel staan twee grote tractorbanden en ook de rest van het paleis is bezaaid met tractoronderdelen. Kort na de arrestatie van de prins is zijn tractor geconfisqueerd. Na veel moeite is mr. Donald erin geslaagd het voertuig terug te krijgen. Het ding was total loss; Dit doen ze niet alleen met machines, dit doen ze ook met mensen. Het herstel van de trekker gaat het bedrijfseconomisch belang verre te boven. Het is een zaak van nationaal belang.

Dat nationale belang kan op zijn beurt niet zonder vijand. De koloniale overheerser, de Japanse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, de militaire coupplegers; jaag ze weg en het land verbrokkelt langs etnische lijnen. Ewig nicht, steht der Mond über Dir, Mandalay.

Intussen staat vast dat de tractor als middel van verzet in Myanmar is uitgevonden.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen