Kletskousen

De eerste vraag die ik stel als ik begin te lezen is: Wie spreekt hier? ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder die al decennia dood is. Ik ben intussen ouder dan zij is geworden. Ik bedoel. Bedoel ik iets?’ Nee, geen alwetende verteller. Iemand op leeftijd, iemand die twijfelt aan zijn bedoelingen zo te zien, iemand die zijn gedachten niet stuurt of de baas is maar erdoor wordt overvallen. In de inrichting waar hij verblijft wordt hij voor dement gehouden. Hij heeft blauwe staar en weet zelf ook wel dat hij niet meer alles ziet en hoort, dat is niet uitzonderlijk op zijn leeftijd. Maar aan zijn opmerkingsgave hoeft niemand te twijfelen en dement is hij ook niet. Busken, is de naam, de zeergeleerde Busken, emeritus hoogleraar cybernetica. Naar eigen zeggen dan toch.

We zijn wel wat gewend inmiddels, als het gaat om verhaalperspectief. De tijd van de obligate auctoriale verteller ligt ver achter ons. Hugo Claus (1929 – 2008) gebruikte Mon, Bennie, Ana, Jules, de moeder en Jim Braddok om het verhaal van De Metsiers te vertellen. Specht en zoon van Willem Jan Otten (1951) beleven we op gezag van een stuk schilderslinnen dat wordt opgespannen en verandert in een schilderij. Jan van Mersbergen (1971) laat een paard het woord voeren in De Ruiter en naarmate we vorderen in Ulysses van James Joyce (1882 – 1941) lijkt het er steeds meer op dat het de stad Dublin is waardoor de wederwaardigheden van Leopold Bloom op die gedenkwaardige zestiende juni van het jaar 1904 tot ons komen. Ondertussen kan niemand het verhaalperspectief zo geleidelijk van het ene naar het andere personage laten glijden als Marijke Schermer (1975).

Behalve Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers (1940) staat op de shortlist voor de aanstaande Libris Literatuurprijs ook Wij zijn licht  van Gerda Blees (1985). Dit werk was eerder al de favoriet van de Nederlandse boekverkopers en gaat over een sterfgeval in de woongemeenschap Klank en Liefde. Het boek telt vijfentwintig hoofdstukken en net zo veel vertelinstanties die zichzelf gelukkig in de eerste zin van elk hoofdstuk voorstellen: Wij zijn de nacht, begint het eerste hoofdstuk, Wij zijn licht het laatste. Daar tussenin nemen de buren, een pen, een sinaasappelgeur, de raadsvrouw, de slowjuicer, het verhaal, de twijfel, een vlinder, de ouders, het dagelijks brood, twee sigaretten en nog zo het een en ander meer het woord.

Heus, ik schrik niet van een personificatie. Dat ik nog voor het eerste bedrijf van Warenar van P.C. Hooft (1581 – 1647) wordt toegesproken door Mildheid en Gierigheid, aanvaard ik moeiteloos, en dat in de verhalen van Olivier B. Bommel de ambtenaar Dorknoper heet, is mij best. Maar voorwerpen als een cello, brood, sigaretten, een pen of een slowjuicer stel ik mij het liefst zwijgend voor. Als op een stilleven, zachtjes mijmerend over de vergankelijkheid, slechts aanwezig om de tijd zichtbaar maken. Als in een gedicht van Rutger Kopland (1934 – 2012) wat oude appels, grijze peterselie, / een dorre ui, een dode goudplevier,

Natuurlijk bieden vijfentwintig gezichtshoeken ons uitgebreide mogelijkheden veel, zo niet alles te weten te komen over het tragische verlies in de woongroep, zelfs al kiert er uiteindelijk nog het nodige tussen de verschillende verhalen. Toch groeide bij deze lezer de weerzin die ik ook voel als de zoveelste deskundige aanschuift bij de zoveelste talkshow. De buren en de raadsvrouw, de vlinder en de feiten, ze zien misschien andere dingen, maar ze praten allemaal hetzelfde.

In het negentiende hoofdstuk neemt een paar door moeder gebreide geitenwollen sokken het woord. Toen heb ik het boek even weggelegd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Terug naar Zwanenburg

Ik had al een paar uur geslapen toen ik, even voor twaalf uur, wakker werd. Een vliegtuig misschien, de luchtverkeersleiding weet van geen avondklok. Ik zette de radio aan, hoorde het staartje van Met het oog op morgen, het eerste nieuwsbulletin van de nieuwe dag en de begintune van het programma Nooit meer slapen. Pieter van der Wielen interviewde Matthijs van Boxsel (1957), de auteur van het pas verschenen boek De topografie van de domheid. Utrecht, dacht ik, de Domstad. Of Domburg op Walcheren. Dommelen, schoot me te binnen, onder de rook van Valkenswaard. Of Domrémy aan de Maas op de grens van Lotharingen, waar de maagd van Orléans geboren werd. Het vraaggesprek op de radio richtte de blik naar het Oosten, naar Kampen dat zijn naam heeft gegeven aan de Kamper Ui, verhalen van spreekwoordelijk geworden domheid. Om die te begrijpen moest men terug naar de tijd van de Hanze en daarvoor, de rivaliteit tussen steden als Zwolle en Kampen.

Van Boxsel benadrukte dat domheid niet gezien moest worden als gebrek aan intelligentie. Het was een zelfstandige eigenschap die van alles te maken had met de zintuigen. Dom was ook wel een ander woord voor doof en stom, maar het verlies van spraak en gehoor werd in voorkomende gevallen ook weer gecompenseerd door andere kwaliteiten; beeldend vermogen, ruimtelijk inzicht. Nee, het past ons niet neer te kijken op de domheid. Ze is onuitroeibaar en uiteindelijk wat alle mensen met elkaar verbindt. De waanzin is onze gemeenschappelijke geestelijke achtergrond, de enige echte bron van het gezond verstand, schreef Cornelis Verhoeven (1928 – 2001). De domheid is ongrijpbaar, nooit de uitkomst van een voornemen, ze verschijnt eerst als het te laat is.

In mijn halfslaap mijmerde ik over de vraag of mijn woonplaats Zwanenburg ook een plaatsje zou verdienen in de Topografie van de domheid. Ik groef in mijn gedachten naar verhalen over het dorp. Tevergeefs, er was niets in mijn geheugen dat in aanmerking kwam, tot me de naam van Bas Heijne (1957) te binnen schoot. Heijne was al eens omschreven als een boekenjongetje uit Zwanenburg. De romancier, essayist, columnist en P.C. Hooftprijswinnaar had vijf jaar geleden het verdriet van de Zwanenburgers om de sluiting van het zwembad in het begin van de jaren negentig,  gebruikt om de kloof die de burgers scheidt van het bestuur en de politiek te duiden.

Heijne is weliswaar in Nijmegen geboren, maar bracht zijn jeugd door in het dorp nabij Halfweg aan de noordwestelijke rand van de Haarlemmermeerpolder.  Een forenzenplaats, in een tijd waarin – verkondigde iedereen – helemaal niets gebeurde, zo beschreef Heijne Zwanenburg in een vraaggesprek met het dagblad Trouw dat ging over de tien geboden. Verderop in het interview verandert Zwanenburg van een plaats op de kaart van Noord Holland langzaam in een gemoedstoestand. Had Billy Joel zijn New York state of mind die – I don’t have any reasons / I’ve left them all behind – langs de domheid schampt, Bas Heijne koestert een andere, bitterzoete weemoed. Ik heb heel lang met een groot verlangen rondgelopen, kon wegdromen bij de gedachte aan al de openbaringen die mij nog ten deel zouden vallen. Tot die tijd zat ik in Zwanenburg, waar niets gebeurde, omringd door mensen die mij veelal weinig interesseerden. Mijn reactie daarop was geen opstandigheid, maar verdoving. Het is een gevaar dat bij mij altijd op de loer ligt: als ik mezelf niet kan realiseren, of me onbegrepen voel, verdoof ik mezelf of hoe zal ik het zeggen, maak ik mezelf ongevoelig voor dingen. Zodra het me tegenzit, of ik op onbegrip stuit, keer ik terug in die veilige maar claustrofobische cocon van mijn jeugd. Dan keer ik even terug naar Zwanenburg.

Verdoving, ongevoeligheid voor de dingen, onbegrip en desinteresse. De troost van de domheid precies op de plaats waar ik woon. Ik sliep met een tevreden glimlach weer in.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Lezen en schrijven

Woensdagmiddag was ik op De Nieuwe Ooster om afscheid te nemen van Hanneke Willemse, historicus, Spanjekenner, activist, anarchist, die 26 maart op eenenzeventigjarige leeftijd is overleden. Kanker maakte een einde aan een vriendschap van vijfendertig jaar.

Hanneke en ik ontmoetten elkaar voor de eerste keer in de tweede helft van de jaren tachtig. Hanneke en haar levensgezel Jan Groen waren op de uitgeverij om Hannekes afstudeerscriptie aan te bieden voor publicatie. Ik werkte daar destijds. We maakten van de scriptie een boekje met de titel De onvoltooide revolutie, burgeroorlog in een Spaans dorp. Dat dorp is Albalate de Cinca, waar anarcho-syndicalisten in de jaren dertig de landbouwgronden collectiviseerden, het verschil tussen bazen en knechten ophieven en welvaart voor velen organiseerden.

Hanneke bleef betrokken bij onze uitgeverij. Ze werd lid van de redactieraad, hielp mee nieuwe uitgaven te selecteren en die net zo lang te redigeren tot ze de kritische blik van onze lezers waard waren. Ik herinner me intensieve sessies om de Nederlandse vertaling van de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en het kamp Auschwitz van Eva Schloss en haar moeder indringend te verwoorden en sentimentaliteit voor te blijven.

Niet lang daarna ging Hanneke terug naar Albalate om de antwoorden te vinden op vragen die ze in het kader van haar promotieonderzoek had gesteld. Hanneke en ik stuurden elkaar elke week een brief.

Hanneke vroeg me om delen van haar proefschrift in wording te lezen en van commentaar te voorzien. Ik probeerde, nu eens verlegen, dan weer gretig aan haar verzoek te voldoen en keek vervolgens verlangend uit naar een volgende versie van het hoofdstuk. Ik geloof wel dat ik kan zeggen dat we konden lezen en schrijven met elkaar, Hanneke en ik.

Op twintig juni 1996 was het boek klaar. Gedeeld verleden, Herinneringen van anarcho-syndicalisten aan Albalate de Cinca, 1928 – 1938. De promotie vond plaats in de Aula van de Universiteit van Amsterdam aan het Spui. Ik was er van nabij getuige van.

Ook daarna hielden we elkaar op de hoogte van de boeken die we lazen en de teksten die we schreven. We zagen elkaar niet vaak, een keer of vier, vijf per jaar, maar elke ontmoeting was een gebeurtenis. Hanneke was een warme persoonlijkheid, die goed kon luisteren, scherpe vragen stellen kon, oprecht geïnteresseerd in de zaak en de persoon, nieuwsgierig, niet snel tevreden met het eerste antwoord. De ontmoetingen met Hanneke waren ook niet afgelopen als we elkaar gedag hadden gezoend en elk ons weegs gingen. Steevast volgden dan de nodige e-mails over en weer met aanvullingen, tekstfragmenten en leestips.

Een van onze laatste ontdekkingen was het werk van Lieke Marsman (1990). Hanneke had al kanker en Lieke Marsman publiceerde een sonnet waarin stond:

Je lijf is ziek, maar je wordt beter, het zal slijten. / Je zult stiller in het gras liggen en slanker, / uitgemergeld chic bezoek ontvangen. Maar kanker / heeft geen kalender, dus heb geduld.

We bewonderden haar klare taal en lazen verder. Marsman is onverdraagzaam voor sociale ongelijkheid en pepert dat ons met een even soepele als scherpe pen in. Haar gedichten  zijn muzikaal, soms grappig, altijd to the point en altijd betrokken.

Woensdag las ik het gedicht VERZET uit Marsmans pas verschenen bundel In mijn mand, waar in de regels staan: Ze zetten je het paradijs uit / wegens regels, zeggen ze. / Hoe konden regels ooit / een reden zijn? en dat besluit met de woorden: Ze zullen je vragen om / je vrijheid terug te kopen / met een schuld. / Zeg nee. Want nee / is ook een antwoord. / Verzet begint er mee. // Wat zul je aangeslagen, / maar nooit moegestreden zijn.

Daarna hebben ze Hannekes lichaam gecremeerd.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Bloemkolen

Al langer dan een jaar zijn mijn leerlingen een prooi van het slechtste onderwijs dat ik kan verzorgen. We mochten niet meer op school komen, omdat door jarenlange bezuinigingen en een besmettelijk virus ziekenhuizen de hulpvraag van doodzieke mensen niet konden beantwoorden. We hielden hulpeloos contact via het computerscherm. Dat duurde tot de zomervakantie. In augustus ging de school weer open, maar twee maanden later werden op last van de schoolleiding en de ggd besmette leerlingen, betrokken lesgroepen, ja complete jaarlagen naar huis gestuurd. Weer twee maanden later waren we terug bij af en was de school alleen toegankelijk voor de examenkandidaten, die, omdat dat beter was voor ons allemaal, tijdens de les in drie verschillende lokalen werden gestopt. Dat is niet helemaal waar. Als we per se wilden, mochten we ook de beginselen van het argumenteren oefenen in de gymzaal.

Maar deze week ontmoeten we elkaar in kleine groepjes en spreken we met elkaar over de acht boeken die we hebben gelezen. Zoals De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa (1967). Ilham en Thouraya, twee Marokkaans Nederlandse meiden smokkelen een Marokkaanse jongen naar Europa. Ze kunnen het geld goed gebruiken, maar ze gunnen Murat Idrissi ook de kans om de armoede te ontvluchten en het geluk te vinden in Europa. Murat overlijdt op de veerpont tussen Tanger en Algeciras, gestikt in de uitsparing voor het reservewiel in de achterbak van de auto, waar hij zich hield verborgen.

Voor me zitten Kaoutar en Claudia. Het vluchtverhaal van Murat Idrissi gaat naadloos over in dat van Kaoutars vader. Ook hij had zich, achttien jaar was hij, verstopt in een auto onderweg van Marokko naar Spanje. Hij kwam na veel avonturen in Noord Holland terecht, voorzag in zijn levensonderhoud door op het land te werken. Bloemkolen, zegt Kaoutar. Het duurde bijna tien jaren voor hij de benodigde papieren had om een bestaan op te bouwen in Nederland. Toen hij tweeëndertig jaar oud was, trouwde hij. Kaoutar is zijn oudste dochter.

Daarna komen we over Fabriekskinderen te spreken, de tranentrekkende gamechanger in het debat over kinderarbeid van de Betuwse schilder en voordrachtskunstenaar Jan Jacob Cremer (1827 – 1880). Zou in onze tijd een boek of een verhaal ervoor kunnen zorgen dat er een einde komt aan bij voorbeeld racisme en ongelijkheid, wil ik weten. Kaoutar is stellig met haar antwoord. Een verhaal maakt geen einde aan racisme, want het zit in ons allemaal. Zij probeert in het dagelijks leven, als vertegenwoordigster van haar bevolkingsgroep en geloofsgemeenschap, het goede te doen. Ik schrik van die uitspraak en vraag Claudia of ze ook vertegenwoordigster is van iets of iemand. Nee, zegt ze, en ze denkt na. Brengt naar voren dat ze half Italiaans en half Nederlands is en zegt nog eens nee. Zwijgt en zegt of toch, een vertegenwoordigster van de  jongeren. Als ze iemand met een rollator ziet, groet ze die bijvoorbeeld vriendelijk en vraagt of ze kan helpen.

Nog even over De dood van Murat Idrissi. Hebben Ilham en Thouraya een fout gemaakt? Claudia vindt van wel. Ze zijn niet schuldig aan de dood van Murat, maar de operatie was, hartje zomer, in een gloeiend hete auto, in de verzengende hitte van Marokko en Spanje, gedoemd te mislukken. Ook Kaoutar is van mening dat Ilham en Thouraya niet goed hebben nagedacht. Maar om een andere reden dan haar klasgenoot. Ze zegt dit is geen werk dat vrouwen moeten doen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Naar Hoorn

Volgende week beginnen mijn leerlingen van vijf havo en ik met de mondelinge schoolexamens letterkunde. Haastig voegen ze de laatste titels toe op de lijst van acht boeken die tijdens het examen zullen worden besproken. Men volgt de impuls om op het laatste moment De Aanslag van Harry Mulisch toch maar te vervangen door Het bittere kruid van Marga Minco. Gaat ook over de oorlog, toch? En is veel dunner. Wie al was begonnen in het Boekenweekgeschenk uit 1993 van Willem Frederik Hermans; In de mist van het schimmenrijk, geeft  na de eerste pogingen op, en zet in plaats daarvan Pizzamaffia van Khalid Boudou op zijn lijst. Als de lijsten tot rust zijn gekomen peil ik de oogst en stel vast dat Tim Krabbé de meest gelezen auteur is, maar ook dat voor het eerst in mijn onderwijsloopbaan geen van de kandidaten Turks Fruit van Jan Wolkers heeft gelezen.

Tussen Couperus’ Noodlot en De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa, tref ik ineens Een Hollands drama aan. Een auteur wordt niet genoemd. Geeft niet, komt nog wel. Ik grijp in elk geval de kans aan om deze klassieker uit 1935 van Arthur van Schendel (1874 – 1946) te herlezen. Waar gaat het over? De botsing van de wereld van Gerbrand Werendonk met die van zijn neef Floris Berkenrode, over schuld natuurlijk in alle betekenissen van dat woord, over voorzienigheid en lotsbestemming, over opvoeding en ongelijkheid, dat waar men woont iets doet met wie men is en over Haarlem. Gerbrand achtte het nietig verschil of men zijn brood verdiende in een winkel of op een kantoor, en eigenlijk vond hij het niet goed dat Agnete, een dochter uit den bescheiden stand, nu mevrouw genoemd werd. Maar dat moest zo tegenwoordig. De een in de Grote Houtstraat liet zich mijnheer noemen, de ander in de Gierstraat maakte geen aanspraak op meer dan zijn achternaam, beiden tabaksverkopers, het verschil alleen in het geld in de winkellade, meer of minder.

Als Floris voor het eerst van huis wegloopt, weet hij geen andere bestemming dan een vaag bekende oom in Hoorn. In Beverwijk vraagt hij de weg en krijgt te horen dat hij dan met de trein moet. Daarvoor heeft Floris het geld niet en hij loopt verder. Nog dezelfde avond is hij in Hoorn.

Dat wandelen heeft Floris van geen vreemde. Arthur van Schendel liep ook al eens naar Hoorn. In zijn Jeugdherinneringen doet hij er verslag van. Een andere wandeling was naar Laren, waar ik dacht dat Johan, die voor militaire oefening was opgeroepen, zich in het kamp bevond, maar aangezien hij er niet was liep ik terug en van Amsterdam naar Hoorn, waar ik hem in de kazerne vond.

Het duurt even voor de lezer weet wanneer een en ander zich afspeelt. Niet in de jaren kort voorafgaand aan de verschijningsdatum van het boek. De geboortedatum van Gerbrand Werendonk staat op de eerste pagina; 19 januari 1835, honderd jaar eerder. Wanneer zijn neef Floris het levenslicht ziet, wordt niet met zoveel woorden vermeld. Er rijden wel treinen, maar er is geen elektrisch licht, de Haarlemse straten zijn ’s avonds donker en leeg. Aan de klokken van de Bavo weet men hoe laat het is.

Pas in de laatste hoofdstukken krijgt de lezer weer vat op de tijd. Floris verbrast het geld dat hij uit de kas van zijn oom heeft genomen op de wereldtentoonstelling die op dat moment in Amsterdam wordt gehouden. Dat moet de late zomer van 1895 zijn geweest.

Ik zal volgende week eens informeren of mijn leerling tot eenzelfde conclusie is gekomen.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Haar

De opdracht gedocumenteerd schrijven voor de leerlingen van vier havo gaat dit jaar over ‘beeldvorming en sociale media’, en dat is moeilijk genoeg. Het begon met het idee om dat thema centraal te stellen op het jaarlijkse tribunaal van onze school, een dag lang verdieping en debat over een actueel maatschappelijk onderwerp waaraan alle leerlingen meedoen, maar omdat onze gezondheidszorg al een jaar lang niet in staat is soelaas te bieden in de Covidepidemie, gebood de minister van Onderwijs de scholen goeddeels te sluiten. Nu moet ik via wankele wifi-verbindingen en incidenteel contact op school de intuïties van mijn leerlingen wakker kussen over influencing via instagram, het belang van selfies en de zoete dwang van facebook, whatsapp en snapchat.

In haar column in de Volkskrant van afgelopen dinsdag, bespreekt Aleid Truijens (1955) het eerder deze maand verschenen rapport van de Inspectie voor het Onderwijs over schrijfvaardigheid van leerlingen in het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs. Het onderzoek van de inspectie vond plaats in de jaren 2018 en 2019 en waar dat mogelijk was, zijn de resultaten vergeleken met die van 2009. De belangrijkste conclusie was dat een kwart van de leerlingen uit groep acht de basisvaardigheden van het schrijven niet beheerst en dat dat in 2009 ook al zo was.

In haar column brengt Truijens een paradoxale bevinding uit het rapport onder de aandacht; op scholen die geen schoolboek gebruiken in hun schrijfonderwijs, maar hun eigen methoden en middelen ontwikkelen en kiezen, leren de jongens en meisjes beter schrijven. Onderzoeker Eric Besselink kijkt er niet van op: Waar leerkrachten zelf veel inbrengen, kunnen ze ook makkelijker aansluiten bij de actualiteit en interesses van kinderen. Dan is het veel makkelijker om logische lijntjes te leggen. Het verbaast mij niet. Is het dan geen zaak om te erkennen dat klassikaal schrijfonderwijs maar beperkt effect heeft en dat leerlingen de grootste vooruitgang boeken na een-op-een contact met hun docent? Zodra dat weer mag dan toch.

Lynn heeft stiekem het lokaal verlaten en kijkt me op de gang van boven haar mondkapje schuldbewust aan. Bent u naar de kapper geweest?, vraagt ze, en ik probeer het gesprek snel naar het onderwerp van de opdracht gedocumenteerd schrijven te leiden. Of ze zich wel eens heeft afgevraagd hoe het komt dat kale mannen wel gezag kunnen uitstralen, maar dat dat vrouwen met een kaal hoofd niet lukt. Of dat je als muzikant haren moet hebben als Beethoven, Amy Winehouse of Jimi Hendrix, maar als presentatrice van een talkshow alleen maar kunt kiezen uit halflang, blond en los? Zou ze niet over haar willen schrijven? En mij dan snel een eerste proeve sturen?

In een grijs verleden leerden generaties scholieren schrijven via het vertalen van teksten. Niet alleen uit het Duits, Frans en Engels, maar ook uit het Latijn en Grieks. Daar klonk het humanistische adagium in door van translatio, imitatio, aemulatio. Door vertalen en navolgen kunnen onze teksten beter worden dan die van onze voorgangers. Niña Weijers  noemt Frans Kellendonk  als haar grote voorbeeld, Kellendonk had grote bewondering voor Joost van den Vondel. Sylvia Witteman is columniste geworden door Simon Carmiggelt te lezen. Geert Mak maakt er geen geheim van dat hij is beïnvloed door Koos van Zomeren. In de stem van Renate Rubinstein resoneert die van Carry van Bruggen. Marieke Lucas Rijneveld koestert de echo van Jan Wolkers in haar proza.

Want lezen helpt ook.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Annabel

De leerlingen van zes vwo van wie ik mentor was, hadden met elkaar afgesproken iets geks te doen als de schoolfotograaf zou komen. Dus staat Tom op de foto met een grote speen om zijn nek, is Jasmijn gesluierd vereeuwigd en Dymphe met een krans van rozen in het haar. Op de achterste rij staat Glenn met een kersttrui aan (het is nochtans oktober), vlak daarvoor Aashna met een steenrode sari. Zesentwintig kandidaten op weg naar hun examen. Er staan er drieëntwintig op de foto. Iris, Zoë en Annabel ontbreken. Het vreemde is dat Iris wel is afgebeeld op het groepsportret dat van alle vwo-kandidaten werd geschoten op dezelfde dag. Op de pagina met uitspraken van en over elkaar in het jaarboekje, dat alle geslaagde kandidaten bij hun diploma kregen, staat bij Iris: ‘Oh, sorry Iris, ik had je even over het hoofd gezien’. Ze was inderdaad de kleinste van de klas, zou ze achter iemands rug zijn weggekropen?

Zoë en Annabel, dat was een ander verhaal. Ze waren allebei verlegen, sociaal contact ging hun niet makkelijk af, ze hadden daar hulp voor gezocht, dat verklaarde ook menigmaal hun absentie in de lessen. Zoë was er wel toen we met de klas naar de pannenkoekenboot in Haven waren. Daar zit ze met Iris aan een tafeltje aan dek achter een glas limonade. Als ik door het jaarboekje blader zie ik dat ze ook van de partij was tijdens de examenstunt in het voorjaar van 2016. Van Annabel ontbreekt elk spoor; in het jaarboekje staat van haar alleen een pasfotootje.

Nee, er is nog een spoor van haar. Drie vriendinnen hebben haar met een citaat vereerd. Got a heart as loud as lions, so why let your voice be tamed.

Maar weinigen hoorden ooit haar stem. Ze maakte zich onzichtbaar in de klas, werd haar gevraagd om een antwoord, dan klonk dat in het kortste zinnetje met het kleinste volume. Het was duidelijk dat zij de opdracht tot het houden van een mondelinge voordracht voor de klas niet zou volbrengen. Maar het was wel een noodzakelijke opgave om te kunnen slagen. We zijn overeengekomen dat Annabel haar voordracht thuis mocht doen en zou opnemen. Ik zou mijn beoordeling baseren op het filmpje. Ik waardeerde haar toespraak met een zeven.

Ik weet niet meer waar haar speech over ging, maar het zou me niet verbazen als het onderwerp met voedsel en gezondheid te maken had. Haar opdracht gedocumenteerd schrijven ging over genetisch gemodificeerd voedsel. Ze besloot haar doortimmerde betoog met de woorden: De eindeloze mogelijkheden van de technologie mogen niet worden gebruikt als rechtvaardiging om het milieu in een gigantisch genetisch experiment te veranderen. De alarmbellen rinkelen, het is tijd om deze levensbedreigende proef stop te zetten! In haar schrijven was meer kracht dan in haar spreken.

Een week geleden zag ik haar overlijdensadvertentie in de Volkskrant. Annabel was negentien februari in Baarn overleden. Losgelaten in liefde en vertrouwen in de woorden van haar ouders. Zij omschrijven hun dochter als stralend, puur en kwetsbaar, zodat ik alle reden heb om te veronderstellen dat het om dezelfde Annabel gaat die nog maar zo kort geleden bij mij in de klas zat.

C’est dur de mourir au printemps, zong Jacques Brel (1929 – 1978). Annabel kan het.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Zwart gat

Op zaterdagmiddag was het gaan sneeuwen nadat de vorst was ingevallen. ’s Nachts was het  niet opgehouden en een aanhoudende wind woei de witte massa door de kieren van de ramen en op hopen en duinen die de deur barricadeerden. Ook de hele zondag viel de sneeuw. Toen maandag de zon was gaan schijnen, zag ik hoe op de toegevroren vijver in de smetteloos witte tuin, de gele kwikstaart landde op de plaats waar hij het wortelgestel van de waterlelie wist. Er was niets van terug te vinden. De afdrukjes die overbleven toen het dier was weggevlogen, duidden op een omtrekkende beweging, een tevergeefs zoeken met de snavel, sporen die nergens begonnen waren en nergens naar toe zouden gaan.

Later die week reed er een sneeuwschuiver door de laan die een volle laadbak onder de boom kieperde en daarmee de boomspiegel bedolf waarin ik narcissen wist te staan, ik had de bollen in het najaar zelf geplant. Een paar dagen geleden had ik tevreden vastgesteld dat ze al in knop stonden. Ik keek naar de sneeuwhoop van meer dan een meter hoog en kreunde met de tere blaadjes onder het gewicht van deze massieve kou. Er was alleen de troost van te weten dat de planten toch niet zouden bevriezen.

Op mijn verjaardag begon de lente. Ik moest denken aan het kleine gedicht Lente en ouderdom van C. Buddingh’ (1918 – 1985), waarvan de laatste regels luiden: hoe ouder je wordt, hoe vroeger / je meent de lente te zien komen. Maar deze lente was onmiskenbaar. Vijftien graden, volop zon, het gazon van een lichtgevend groen. Ik loop de tuin in met een boomzaag op een steel van een meter of drie. De afgelopen zomer hingen de takken van de Gleditsia tot op de grond. In de wijde omtrek van de stam van de boom bleef de grond kaal. Dat zou me niet weer gebeuren. Ik snoeide vier stevige takken weg die omlaag waren gegroeid. Ze vielen krakend voor mijn voeten. De rest van de middag verwerkte ik ze tot evenzovele takkenbossen die ik zolang op het plaatsje legde. In de lijsterbes zocht een heggemus de juiste golflengte voor zijn gefluit. Daarna was het of er niets was gebeurd.

Om me heen overal groepen sneeuwklokjes en als ik de uitgebloeide en kapotgevroren resten van de phloxen, siergrassen, hemelsleutel, rudbeckia, daglelies, dahlia’s, inula, en zonnebloemen wegneem, bij de grond afbreek en bijeen gaar, ontdek ik er steeds meer. Sneeuwklokjes, blinkt, / Sneeuwklokjes, zingt, / Sneeuwklokjes, luidt op den winterschen akker, / Lente met duizende bloemekens wakker!, dicht P.A. de Genestet (1829 – 1861).

Maar in de kale borders vallen nu ook de buxusstruikjes op die ten prooi zijn gevallen aan de buxusmot (Cydalima perspectalis). Zowel de vlinderstichting als tuineigenaren zijn er duidelijk over dat het verwijderen van de buxus de effectiefste manier is om de mot te bestrijden. Ik had er het afgelopen jaar de moed niet voor. Maar nu …

Ik ben even later terug met een spade en een zaag en begin te graven, te wrikken, te trekken, te zagen en te hakken, net zo lang tot de wortelstronk loskomt en de aarde verlaat.

Ik kijk in een zwart gat waarin wormen krioelen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | 1 reactie

In woord dan wel decreet

Wat is het geheim van een goed feest? In elk geval dat er na afloop veel en veel verschillende verhalen over de ronde doen. We waren er allemaal bij en elk van ons heeft iets anders meegemaakt. Dat is ook precies de reden dat wielrennen, meer nog dan sport, een verhalenmachine is. Het verhaal van de dag van de renner die in de kopgroep reed, is anders dan dat van de ploeg die de slag had gemist en van hun ploegleider op kop van het peloton moeten sleuren. En dat verhaal verschilt weer van de coureur die peuzelend en pedalerend volgt in de buik van de grote groep. En voor allen gelden de woorden van Martin Bril (1959 – 2009) ‘Je mist meer dan je meemaakt’.

In dit opzicht is de pandemie die nu al een jaar vaardig is over de bewoonde wereld vergelijkbaar met een koers of een feest. Tik corona en dagboek in de balk van Google en in 0.61 seconde zet de zoekmachine een miljoen twintig duizend resultaten op een rijtje. www.coronagedicht.nl verzamelt gedichten in het Nederlands over de rare tijd. Het aantal gedichten is hard op weg naar de duizend. En dan moet de derde golf nog komen. Ingmar Heytze (1970) constateerde op 23 mei 2020 al dat negentig procent van de verzamelde coronagedichten rotzooi is, maar had ook vijf tips voor de dichters die het toch niet konden laten om over het virus te schrijven.

Zelf had Heytze op dat moment al vijf coronagedichten gepubliceerd, voorgelezen in het radioprogramma Met het oog op morgen of het praatprogramma 1 vandaag. Sluit de voordeur. Zet de tuindeur open, voel de zon op je gezicht. / Denk voor je uit wat niemand hardop durft te zeggen: / wij zijn een virus dat een virus heeft gekregen., luidt de slotstrofe van VOGELS, VISSEN.

Ik meed vanaf het eerste moment de talkshows en mediaforums, las uiterst selectief de berichten over het virus in de krant, concentreerde me tijdens persconferenties uit alle macht op de gebaren van Irma Sluis, bang als ik was van woede te barsten bij de aanblik van de uitgestreken smoel van de premier van alle Nederlanders, het zelfingenomen toontje van onze minister van volksgezondheid, sport en welzijn. Het was dichter des vaderlands Lieke Marsman (1990) die me in haar onlangs verschenen bundel In mijn mand bijpraatte over het gevecht met het virus. Het gedicht heet VERLATE KAMERVRAGEN en eindig met de regels we dachten / dat liefde / het belangrijkste / in het leven was, blijkt / dat in leven blijven / het belangrijkste / in het leven is / is de minister bekend / met deze berichten / en bereid / om ze te bevestigen / in woord / dan wel decreet?

Marsman maakte het gedicht voor het project Besmette stad van de Vlaamse website deburen.eu. Zij wees deze week via haar twitteraccount op de bijdrage van Ilja Leonard Pfeiffer (1968) aan het project. Vooruit, een paar regels dan: Maar het virus kwam. / En toen het alle ziekenhuizen overnam, / patiënten stikten op een stretcher naast de deur / bij een gebrek aan medici en alles, geur / van dood uit nieuwsberichten walmde, virologen / verschenen met hun niet voldoende afgebogen / grafieken en exponentieel in aantal groeiden, / toen Facebook werd besmet en Twitter zich bemoeide / met prognostiek, besmettingsgraad en interventies, / de koorts uitbrak in talkshows en de consequenties / zich naar een middeleeuws scenario ontvouwden, / toen was het echt.

In al die tijd de eerste coronatekst die me iets doet, schreef Lieke Marsman erbij. Ja, denk ik, ja.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | 1 reactie

Spreekwoordelijk onleesbaar

Het literaire weblog Tzum maakte me attent op een opmerkelijk initiatief aan de faculteit geneeskunde van de Nijmeegse Radbouduniversiteit. Daar hebben arts-docent Remco Haringhuizen en educatiemedewerker en programmamaker Marjolein Hordijk een nieuw geneeskundevak geïnitieerd. Het eerste college vond drie februari plaats. Het vak is een onderdeel van de minor ‘Kwetsbare groepen’ en het doel van het vak is om het empathisch vermogen van de studenten op te krikken door middel van het lezen van Nederlandstalige literatuur. Op de leeslijst prijken titels van Jaap Robben (1984), Gerda Blees (1985), Hanna Bervoets (1984) en Henk van Straten (1980). Hordijk: ‘Oudere, mannelijke schrijvers doen het minder goed, blijkt uit onderzoek. Ik werk daarom veel met moderne, vlotte Nederlandse auteurs.’.

Of artsen lezers zijn, weet ik niet. Wel weet ik dat er nogal wat artsen zijn die schrijven. Anton Tsjechov, bij voorbeeld, Sir Arthur Conan Doyle, die in het personage John H. Watson een treffend alter ego schiep, Gottfried Benn, die zichzelf niet kon voorstellen zonder de kennis van geneeskunde en biologie omdat deze hem een koudheid van het denken, nuchterheid, een laatste scherpheid van begrippen, het opschorten van alle oordelen, onverbiddelijk geleerd hadden. Louis Ferdinand Céline, pacifist, stilistisch vernieuwer, antisemiet, zag het belang van goede ventilatie al ver voor de huidige pandemie: in huis worden de mensen ziek.

Oudere mannelijke schrijvers, inderdaad, maar is dat in het Nederlandse taalgebied anders? Frida Balk-Smit Duyzentkunst, hoogleraar in de taalkunde van het hedendaags Nederlands, publiceerde in 1986 een bloemlezing van vijftien dokters op schrijversvoeten in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Het handschrift van dokters is spreekwoordelijk onleesbaar, maar bij wijze van genoegdoening treffen we bij deze beroepsgroep een aantal belangrijke dichters en schrijvers aan, begint ze haar bijdrage en daarna presenteert ze in chronologische volgorde Jan Pieter Heije, Arnold Aletrino, Frederik van Eeden, Jan Slauerhoff, Simon Vestdijk, Cola Debrot, Belcampo, Luc Tournier, M. Vasalis, Willem Brakman, Kees Winkler, Rutger Kopland, Hilbert Kuik, Toon Tellegen en Frank Koenegracht. Toch niet allemaal oudere mannelijke schrijvers op het moment dat de bloemlezing verscheen

Ik weet niet of het lezen van verhalend proza iemand empathisch kan maken. De klassieke boekenwurm staat doorgaans niet bekend om zijn of haar sociale vaardigheden. Koudheid van denken en het opschorten van alle oordelen zijn niet de kortste weg naar warm menselijk contact. Aan de auteur van De dokter en het lichte meisje danken we in elk geval een roman over psoriasis (Het glinsterend pantser) Vasalis (1909 – 1998) schreef De idioot in het bad en Rutger Kopland (1934 – 2012) over de tijd dat hij nog rookte: Het verlangen naar een sigaret is / het verlangen zelf.

En na 1986? Jan Kal schreef meer dan duizend sonnetten, maar heeft zijn studie geneeskunde nooit afgemaakt. Miquel Bulnes (1976) publiceerde Het bloed in onze aderen, geen medische verhandeling over hart-en-vaatziekten, maar een bloedstollende roman over Spanje in de aanloop naar de burgeroorlog. Bulnes tekende ook voor de medische thrillers Zorg, Lab en Attaque. Volgende maand verschijnt van hem Monstrum. Kirtie Ramdas (1980) publiceerde in 2019 Diya, een eigentijds verhaal over het opgroeien tussen twee culturen. Behalve arts en auteur is ze ook programmamaker, presentatrice voor tv en radio, voice-over, showhost, fotomodel en actrice.

Personages uit een boek zouden zomaar eens in een spreekuur kunnen verschijnen, zegt Haringhuizen.

Dan kun je maar beter je leeswerk op orde hebben.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen