Krijtbord, bromvlieg

Pastorale, dat is de naam van de zesde symfonie van Beethoven. Dan denk je aan Granida en Daifilo, het schilderij van Gerard van Honthorst in het Centraal Museum in Utrecht, aan Pieter Corneliszoon Hooft. Lieflijke landschappen, herders en herderinnen die elkander beminnen. ‘Dicht- of prozastuk waarin het herdersleven bezongen of beschreven wordt.’, volgens de twaalfde herziene druk van de Van Dale uit 1992. Pastorale is ook de naam van de nieuwste roman van Stefan Enter (1973). Er komt geen herder in voor, liefdesavonturen in de open lucht staan er niet in, al wordt vanuit de mand van een luchtballon wel een naakte jongeman op de grond waargenomen.

Het boek begint en eindigt in een klaslokaal: Zijn aandacht zwenkte – via de formules op het krijtbord, de reikende vinger van een jongen links vooraan – en kwam tot stilstand bij de uit zonlicht gegoten vensterbank naast hem, waar een bromvlieg zich woedend stukvloog op het raam. De waarnemingen zijn van Oscar de Vree uit de voorexamenklas op een van de laatste dagen van het schooljaar. In het laatste hoofdstuk staat: In het condensgeultje lag een bromvlieg, gestorven van verveling. De twee hoofdstukken vormen de lijst om een eindeloze zomer. We volgen het gezin De Vree; vader, een figuur op de achtergrond van wie we tot ver over de helft van het boek alleen verwaaide pianoklanken horen – Chopin, Haydn –  moeder, die druk is met de voorbereidingen van de open tuinendag, terwijl ze al haar tijd nodig heeft om bezoeken af te leggen voor de kerkgemeente aan hulpbehoevenden, dochter Louise, tweedejaars student Engels, terug uit Amsterdam omdat zij en haar minnaar het hele studiebudget, inclusief het collegegeld voor het komende jaar, erdoor hebben gejaagd. Ze is van haar geloof gevallen en weet nog niet hoe ze haar ouders zal vertellen dat ze heeft besloten met haar studie te stoppen. En Oscar, die zich verheugt op de terugkeer van zijn oudere zus en de zomervakantie.

Plaats van handeling is Brevendal, een middelgrote plaats in het midden van het land in de biblebelt, waar de familie De Vree al generaties lang een woning bezit met daaromheen de bloemenhof en de moestuin, een grote boomgaard met walnotenbomen en een bosrand tot aan de beek waar een oude roeiboot ligt afgemeerd. Toegegeven, de idyllische omgeving aan de noordwestelijke Veluwezoom die het decor vormt van dit verhaal, rechtvaardigt dan toch het gebruik van de titel Pastorale.

In de bespreking die Tzumcast wijdt aan Pastorale, wordt het een coming-of-age-verhaal genoemd. Maar het paradijs van de jeugd staat onder druk. Voor wie zijn of haar bedenkingen heeft bij het reformatorisch doen en denken, is geen plaats in Brevendal. De ouders overwegen het familiehuis te verkopen nu de nieuwbouw oprukt en het steeds onwaarschijnlijker wordt dat een van de kinderen in de biblebelt zal blijven. Oscar maakt kennis met het bekrompen wereldbeeld van zijn leeftijdgenoten. Dat hij vriendschap heeft gesloten met Jonkie Matupessy, een Ambonese klasgenoot, en dat hij het opneemt voor diens oudere zus Dona als die een hoer wordt genoemd, levert hem een blauw oog op.

Het boek ademt een tijdloos landerige zomersfeer waarbij je bijna zou vergeten te vragen waar vader De Vree zijn geld mee verdient (staat niet in het boek) of wanneer dit aardse paradijs heeft bestaan.

Krijtbord, Ambonezen, bromvlieg, dat klinkt als het staartje van de vorige eeuw. In hoofdstuk een komt een agent van politie de klas vertellen van de treinkaping door leden van de RMS, nu bijna tien jaar geleden. En dat er weer wat broeit. In hoofdstuk twee van het laatste deel leren we dat de traditie van de ballonfiësta in Brevendal dateert van 1982 en dat dit jaar de vierde editie plaatsvindt. We schrijven 1986.

Op 26 april van dat jaar ontplofte ten zuiden van Kiev de kerncentrale van Tsjernobyl. De radioactieve wolk die daarbij vrijkwam, dreef de weken daarna westwaarts. Daar moest ik aan denken terwijl ik over de moestuin las van de familie De Vree.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Dramatoestel

De les is al tien minuten bezig als de deur open gaat en twee leerlingen – één de jas nog aan – binnen komen. Ik kijk op van het boek waaruit we aan het werk zijn, zeg ‘goedemorgen’ en vraag naar het briefje met de reden van hun late entree en het verzoek van de conciërge om hen alsnog toe te laten tot de les. ‘Maar meneer,’ hoor ik gelijk en daarna twee stemmen door elkaar waarin ik flarden hoor als: ‘de wind’, ‘haast niet tegenop fietsen’, en ‘bijna in de sloot beland’. ‘Wat vervelend voor je’, reageer ik en ik vraag: ‘maar willen jullie nu dan even een briefje halen?’ Nog napruttelend verlaten ze het lokaal.

Storm Ciara, die het afgelopen weekend langs de kust raasde, trok ook een spoor in het dagelijks leven van mijn school in Noord Holland. Een aantal collega’s zat in het vliegtuig uit Madrid dat na een aantal vergeefse landingspogingen op Schiphol, terug koers zette naar Spanje. NH-nieuws sprak een eenenvijftigjarige man uit Zaandam die lesgeeft op een school in Krommenie, die verklaarde: Ik verstond alleen: no panic, no panic. Maar er was wel paniek: er waren dames echt hysterisch aan het gillen en er werd onwijs veel gekotst. Echt een dramatoestel. In de app-groepen op school deed de quote van de afdelingsleider en de foto van hem die erbij was geplaatst razendsnel de ronde. Collega’s improviseerden ondertussen de voorbereiding van de leerlingbesprekingen die we later in middag, dus zonder voorzitter, zouden voeren.

In de namiddag van 28 maart 2000 werd Fort Worth, Texas, getroffen door een tornado. Leo Vroman (1915 – 2014) woonde er met zijn vrouw Tineke in een wooncomplex voor ouderen. Hij was getuige van de windhoos en deed er verslag van in een gedicht dat hij De Gebeurtenis noemde. Het verscheen een jaar later in een bundel met dezelfde naam. Er is nog iets donkerders te zien / wacht wacht achter het Cashgebouw, / waar zware regenvlagen / naar rechts met vliegtuigvaart, / langs jagen / en helemaal naar links / de flank uit / een dikke waterstraal / spuit, / daar staat een harige mammoetpoot / die zich langzaam vergroot. /

‘Dat is een tornado’ zegt Tineke.

Ze brengen zich snel in veiligheid, weg van de ramen, op de benedenverdieping van het gebouw. De volgende dag durven ze even te kijken in hun appartement. Het is er redelijk van afgekomen. Wel is de buitenste laag glas van de pui naar het balkon versplinterd, de binnenste is gelukkig nog heel. Op acht april schrijft Vroman: Ik hoorde gisteren dat / de sterrenbarsten in onze ramen / niet van onze vliegende tuinstoelen kwamen / maar door het luchtledige, want daar is / de tornado om bekend, en ook / dat het niet waar is.

Op het omslag van de bundel is door de versplinterde pui de omgeving te zien in de regen. Druppels op het gebroken glas, de lichten van de lantaarns langs de weg die zijn vervormd tot felle sterren. Verderop hoogbouw in duisternis gehuld. Vroman heeft de foto zelf gemaakt.

Na de les lees ik de briefjes, die ondertussen toch zijn ingeleverd. Bij reden te laat staat bij de een dokter, bij de ander tandarts, want, net als in de oorlog en in ons virtuele gedrag, is in de storm de waarheid het eerste slachtoffer.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Partners

Op een bureautafel liggen 22 vuurwapens, 3 nepvuurwapens, 53 luchtdrukwapens, 16 alarmpistolen 1,5 kilo munitie 71 messen, 10 boksbeugels, 12 zwaarden, 5 tasers, 3 ploertendoders en 2 granaten. De camera zwenkt er langzaam aan voorbij tot een politieman in beeld verschijnt die uitlegt dat het de opbrengst is van de wapeninleveractie die het bewoners uit de regio mogelijk maakte van hun wapens af te komen, zonder daarvoor boete of gevangenisstraf te riskeren. Volgens de teamchef blijkt uit het succes van de actie dat er draagvlak is in de maatschappij voor het aanpakken van het probleem van het wapenbezit. ‘Maar we zijn er nog niet’, voegt hij daaraan toe en hij kondigt een maatschappelijk offensief aan tegen wapens, ‘samen met onze partners zoals horecagelegenheden, scholen, openbaar vervoer en ouders’.

Een smalle steeg in stedelijk gebied. Te smal voor twee jongens die elkaar tegemoet lopen. Dat de een niet voor de ander opzij zal gaan, is te voorspellen. Een uitdagend gebaar, een minachtende blik en dan die plotselinge uithaal, een doffe klap die naklinkt tegen de harde muren. Het volgende shot is gemaakt door een cameraman die op zijn rug op de straat ligt. Hoog erboven de bewolkte hemel, de muren van de bebouwing aan weerszijden naderen elkaar in perspectief. Muziek zwelt aan en de vuistslagen die het slachtoffer moet incasseren lijken de camera te raken en treffen de toeschouwer recht in het gezicht.

De cursusleidster complimenteert de makers van het één minuut durende filmpje met de vondst van de locatie, de opgebouwde spanning, de strakke montage en het doeltreffende camerastandpunt. De makers, leerlingen van vier havo die voor het vak culturele en kunstzinnige vorming (ckv) een workshop volgen in EYE, nemen de complimenten met gepaste trots in ontvangst. Van de drie thema’s; strijd, magie en slapstick, was het eerste verreweg het populairst om uit te werken in een minirolprent.

Geweld is nooit ver weg en dat de moderne mens of de beschaafde samenleving het geweld kan uitbannen is een illusie. Twee wereldoorlogen en een Volkerenbond later, kunnen we er niet omheen dat geweld dat we doorgaans met alle macht proberen te onderdrukken, om de zoveel tijd een uitweg zoekt in wat George Bataille (1897 – 1962) glorieuze verspilling noemde.  Het lijkt erop dat er nu een tijdperk is aangebroken waarin het geweld vooral de andere dieren en onze leefomgeving treft.

Dan is het beter dat het een uitlaat vindt in de games die we spelen of de boeken die we lezen. Het Diner van Herman Koch (1953), Het gouden ei van Tim Krabbé (1943), er is pas spanning als er iemand door geweld om het leven is gekomen. Uit Het Gym van Karin Amatmoekrim (1976) leren we dat een knietje in het kruis van een klasgenoot al voldoende is.

Dinsdagochtend eerste uur. Niels houdt de kleine novelle De vrouw met de parasol van A. Alberts (1911 – 1976) vast alsof het een te lang gebruikt vaatdoekje is. Hij heeft het boekje gekozen omdat het zo dun was, maar de lucht van het inmiddels verzuurde papier staat hem tegen en de lotgevallen van Pieter en Aafje boeien hem niet. Aan de eerste dode in het verhaal is hij nog niet toe gekomen.

In de hal van het schoolgebouw maken politiemensen, bijgestaan door de conciërge, een voor een de kluisjes van alle leerlingen open en onderwerpen die aan een onaangekondigde controle.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Iris’ ogen

De Volkskrant berichtte dinsdag over de opvallendste noodplannen om het lerarentekort in de grote steden mee te lijf te gaan. Hogere salarissen voor leraren die in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag werken, daar is het leven immers duurder. Een bonus voor leerkrachten die lesgeven aan achterstandsleerlingen – kan een prikkel perverser? – muzikanten en kunstenaars ronselen voor handarbeid en muziek op vrijdag, om zo twee vliegen in een klap te slaan:  een vierdaagse werkweek voor de juf en de meester en een vijfdaagse schoolweek voor de leerlingen. Docenten extra betalen om zij-instromers op te leiden, kleine scholen opheffen, groepen samenvoegen tot grotere klassen.

Was er ook goed nieuws? Jawel, Fenne heeft een 8.6 gekregen voor de opdracht gedocumenteerd schrijven. Terwijl ik mij nog door de stapel nakijkwerk worstelde, vertelde ze al er een goed gevoel over te hebben. Dat mocht ook wel, want het vorige schoolexamen spellen en formuleren had haar een dikke onvoldoende opgeleverd. Fenne kampt met dyslexie, de letters in de regel verschijnen aan haar als dansende duiveltjes die maar niet in de rij willen lopen.

Ze nam haar werk stralend van trots in ontvangst. Telde het cijfer voor deze opdracht niet twee keer mee? Als ze over een maand voor haar mondeling examen letterkunde een ruime voldoende haalt, kan ze met een afgeronde zeven aan het centraal schriftelijk examen beginnen.

Toen ik haar een dag later weer zag, heb ik toch maar even gevraagd hoe dat zit met iemand die dyslectisch is; de ene keer haal je nog geen vier, de andere keer bijna een negen. Iris had naast haar gezeten in het computerlokaal toen ze de opdracht maakte. Toen zij zag dat Fenne klaar was en haar werk wilde inleveren, had ze haar klasgenoot streng aangekeken en haar toegefluisterd: je moet het nakijken. Daar had Fenne weinig zin in, ze had al tweeënhalf uur gezwoegd, ze was er eerlijk gezegd wel klaar mee. Maar de priemende blik van Iris kon ze onmogelijk negeren.

Ze vroeg de surveillant om een print van haar werk en begon te lezen. Al gelijk zag ze vier, vijf fouten en een aantal formuleringen die heus beter konden. Ze opende het document opnieuw en begon te verbeteren. Op de tweede print was het weer raak. Dat ze al die keren over die spelfouten had heengekeken! Bij de derde print kreeg ze de smaak helemaal te pakken. Ik geloof dat ik de surveillant wel vier keer heb gevraagd mijn werk uit te draaien, besluit ze haar verhaal.

Ja, dat … je werk net zo lang overlezen tot er geen fout meer in staat en het dan liefst een nachtje laten liggen, zodat je er de volgende ochtend met een frisse blik opnieuw naar kunt kijken. Eigenlijk zouden we de opdracht in tweeën moeten knippen, met in elk geval een nacht ertussen. En heel veel lezen, zodat je goed voorbereid op het mondeling examen letterkunde verschijnt. En daarna blijven lezen, tot het examen en daarna de langste vakantie van je leven.

Maar ze is al over de e-reader gebogen die ze van haar oma te leen heeft om de boeken te selecteren waarover ze het tijdens het mondeling wil hebben.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Verbouwing

Het was dinsdag 21 januari en in de Volkskrant stond een essay van Oscar van Gelderen die zich de vraag stelt hoe het komt dat kamptrauma’s doorwerken in volgende generaties. Het is dit jaar vijfenzeventig jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog, deze week herdenken we dat het kamp Auschwitz op 27 januari 1945 door het Russische Rode Leger werd bevrijd. Voor de school stopten in alle vroegte twee bussen. Alle leerlingen van de drie havo- en drie atheneumklassen stapten in voor een excursie naar het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Van Gelderen citeert uit een essay van Herman Musaph, die tijdens de oorlog was ondergedoken. Musaph presenteert daarin vier overlevingsstrategieën voor mensen met een oorlogstrauma: 1) extreem actief zijn om te bewijzen dat het leven zin heeft, 2) extreem passief zijn om te bewijzen dat de leuze Arbeit macht frei een leugen is, 3) zich aanpassen aan de maatschappij en de vooroorlogse identiteit afleggen en 4) sociaal isolement om de vijand, die de wereld is, op afstand te houden. Er zijn kortere manieren om te zeggen dat we mensen wel uit de oorlog kunnen halen, maar de oorlog niet uit mensen.

We hadden in de filmzaal de inleidende documentaire gezien over Nederlanders die in de oorlog meeliepen met de bezetter, mensen die hun gedrag aanpasten en zij die in verzet kwamen en daarna waren we rondgeleid door het museum en door de plantagebuurt; naar de Hollandse Schouwburg en het Auschwitzmonument. Ik kwam met de vrijwilligsters te spreken die de rondleidingen verzorgden. Onafhankelijk van elkaar vertelden ze dat volgend jaar, mogelijk al dit jaar, het Verzetsmuseum grondig verbouwd gaat worden en dat ook de Hollandse Schouwburg zeker drie jaar dicht gaat voor een verbouwing waarbij de wand met de namen van alle mensen die vanuit de schouwburg naar de kampen in het Oosten zijn gevoerd, verwijderd zal worden.

Dan is het tijd om In plaats van ideologie uit de boekenkast te pakken van Menachem S. Arnoni (1922 – 1985), dat in 1972 in een vertaling van Louis Ferron (die toen nog niet de schrijver was van De Gallische ziekte, De keisnijder van Fichtenwald en Plicht). Arnoni heeft Auschwitz overleefd en de veertig jaren die hem nog restten, besteed aan het ontmaskeren van leugens. Dat deed hij met verschillende eenmanstijdschriften vanuit Israël, de Verenigde Staten en Nederland.

Zijn opstel Het narcisme van de geschiedenis opent met de constatering dat het woord geschiedenis wordt gebruikt voor het verleden en voor dat deel van het verleden dat het herinneren waard is. Negen pagina’s verder komt hij tot de kern: steeds als we geen betere, geen rationelere reden hebben om onze daden te rechtvaardigen, roepen we de ‘geschiedenis’ te hulp. Teneinde de ‘geschiedenis’ haar rechtvaardigende werk te laten doen, houden we een eeuwigdurend proces van her-autorisering op gang. Evenals dat voor iedere objectieve norm opgaat, is de geschiedenis waar in de zin waarin iedere leugen waar is: beide zeggen ons niets over de feiten die zijn voorgevallen, maar over de leugens die verteld worden.

Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de goede bedoelingen van hen die het proces van her-autorisering van het Verzetsmuseum en de Hollandse Schouwburg leiden, zoals ik er ook op vertrouw dat toekomstige leerlingen van de derde klas havo en atheneum over een jaar of wat weer welkom zijn om indringend te ervaren wat de Tweede Wereldoorlog was.

Tegelijkertijd ben ik blij dat er aan de tekst van M.S. Arnoni dan geen tittel of jota veranderd is en dat er nog steeds staat dat de vrije mens zich niet houdt aan eden die hij nooit gezworen heeft, dat hij en zij alleen zijn best doet om in zijn relaties met anderen eerlijkheid en billijkheid op de allereerste plaats te stellen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Ekster

‘Fijn, dat u er al zo vroeg bent!’ Donderdagochtend kwart over acht steek ik de sleutel in het slot en open het lokaal voor de leerlingen van vijf havo. Het is schoolexamenweek, de eindexamenkandidaten zullen zich buigen over het schoolexamen biologie. Voor elk van hen is een tafeltje gedekt met een kaartje met hun naam en examennummer en het naslagwerk voor de natte vakken BINAS. ‘Kutplaats’, roept Chris uit, die me net nog zo spontaan verwelkomde. Vorig jaar had ze dezelfde plaats toegewezen gekregen. Het examen was op een fiasco uitgelopen. Ze doet het dit jaar voor de tweede keer.

De stormachtige wind had plaats gemaakt voor regen en toen die was opgehouden was de hemel schoon. De maan in het laatste kwartier beklom de oostelijke hemel waartegen in de vroege duisternis verschillende sterren opgloeiden die weerspiegelden in de plassen op straat.

De volgende ochtend waren de straten opgedroogd. Een oranje gloed kondigde de zonsopgang aan. Ik deelde blaadjes uit en zes pagina’s met opgaven. Stipt om half negen bogen drieëntwintig hoofden zich over de vraagstukken (rozen, padden, insecten), toen was alleen het gekras van pennen op papier te horen.

Ik liet mijn blik dwalen over de kleine cour bij de hoofdingang, de fietsenstalling aan de overkant van de straat, elf, twaalf beslagen windschermen op de scooters achter het hek, daarachter de vaart en de rotonde waaromheen het verkeer zijn rondjes reed, de lijnbus naar het station van Zaandam, de sirene van een politieauto in tegenovergestelde richting.

Ongemerkt werden de schaduwen buiten korter, tot ineens de zon weerkaatste in een van de ramen van de bovenverdieping van de huizen naast de school. Vreemd licht scheen het lokaal in. Het werd door niemand opgemerkt. Iemand hoestte in de mouw van haar sweater, links en rechts haalde men een verkouden neus op zo dat niemand het hoorde.

Januari wees nu koud / vries de knoppen in het hout dichtte Chris J. van Geel (1917 – 1971) in een Kinderrijm. Het blijft een wensdroom. Diepblauw is de hemel, en als ik het raam op een kier zet, word ik een bries gewaar die me aan het voorjaar doet denken. Ik spits mijn oren om, van waar dan ook, de roep van een koolmeesje te horen, of de nog ongeoefende zang van de merel.

Niets.

Hoog in de lucht gaat een vliegtuig. Het heeft de polderbaan in het vizier, waar het op aan koerst met onrustig ronken. Schiphol mag pas groeien als stikstofuitstoot daalt, stond er in het ochtendblad. Ik volg met mijn ogen de onzichtbare deeltjes van hoog in de lucht tot helemaal beneden op de aarde en denk aan de Lente van Cees Nooteboom (1933): Iets vreet de aarde van binnen, / iets graaft, klopt, wil, groeit / tegen de gesloten deur van de grond. /

Het kaartje met de naam en het examennummer van Chris valt van haar tafel. Hoog in de boom, buiten, landt een ekster en begint ons schaterend uit te lachen: Niemand die mij ziet / terwijl de wereld onder mij vervalt / en onherroepelijk vergaat.// , want ook deze vogel weet van de cyclus O de aarde van H.C. ten Berge.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Steeds opnieuw

Er is niet veel tijd meer. Over vijf dagen is het schoolexamen gedocumenteerd schrijven, vandaag is de laatste les voordat volgende week de examenweek begint. Nog voor de bel gegaan is, hebben mijn leerlingen het scherm van hun laptop omhoog geklapt, is hun tafelblad bezaaid met documenten, zijn hun ogen gefocust op het invulformulier van het schrijfplan waarvan vakje voor vakje zorgvuldig wordt volgeschreven. Daar gaat al een vinger omhoog: ‘Meneer, wat is beter denkt u, een beschouwing of een betoog?

Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en verleiding van ‘de media’ een plaats geven. Dat heeft u goed gezegd, meneer Ten Berge (1938) , maar woensdag is het schoolexamen al, verstaat u wel, woensdag! En als de tekst nu nog over onverschillig wat mocht gaan, .. maar nee. Een taalkundig onderwerp wordt gevraagd.

En dus verdiepen we ons in de veranderingen in de voornamen die jonge ouders hun kindjes gaven de afgelopen honderd jaar, we stellen ons de vraag of er verschillen zijn tussen het taalgebruik van vrouwen en mannen. Helpen de uitspraken van Johan Cruijff om zelf beter te gaan voetballen? Of om het spelletje beter te begrijpen? Wat is het geheim achter het succes van Jip-en-Janneketaal? En waarom irriteert het ons als overheden op die manier met ons communiceren? Zijn dierentalen echte talen? Is de toenemende invloed van de Engelse taal een bedreiging voor het Nederlands? Straattaal, taalcodes op sociale media, taalverwerving en wolfskinderen, het kan niet op.

Als we het zelf niet meer weten, vragen we het onze ouders. Die werken bij de politie of in de zorg en die hebben de nodige ervaring met vakjargon en stroeve communicatie met de burger of een patiënt. Hoe komt het toch dat we na het gesprek met de specialist in het ziekenhuis pas weten wat we hadden willen vragen? Valt er eigenlijk wel te praten met een politieman in functie?

Teksten komen niet af uit de lucht gevallen, schrijft Kristien Hemmerechts (1955) in haar boek Schrijven. Kun je dat leren? Het is al te waar, mevrouw.

Ik ga het hebben over mannen- en vrouwentaal. Persoonlijk denk ik dat mannen onderling minder gedetailleerd praten over verschillende onderwerpen dan vrouwen. Ook denk ik dat mannen er wat luchtiger over praten dan vrouwen, vrouwen nemen het vaker serieus en blijven dan langer op een bepaald onderwerp hangen. Voor me zit Evy die een vracht aan onderzoeken over het onderwerp heeft doorgeploegd, en die in het middenstuk van haar tekst heeft samengevat en gepresenteerd. Maar naar de opening van haar artikel zitten we allebei een beetje beteuterd te kijken. Ik adviseer haar te onderzoeken op welke vragen de romp van haar tekst antwoord geeft, en met die vragen een nieuwe inleiding te schrijven.

Steeds meer bedrijven praten over chiefs, workshops of deep dive sessies. Vroeger belde je iemand, met je telefoon. Tegenwoordig ‘’ga je een call in’’. Het is bewezen dat veel mensen niet begrijpen waar deze woorden overgaan., schrijft Sabrine. Ik schrijf in de kantlijn: waar is dat bewijs, vertel ons erover.

Zo kan het gebeuren dat je aan het einde van een zin ineens niets meer weet te schrijven, terwijl je er zeker van bent dat de tekst nog niet af is. Het overkwam Thera, die toen maar afsloot met: Niemand heeft invloed op een ander ouder de naamgeving van zijn of haar kind als gevolg dat er zoveel mogelijke unieke namen mogelijk zijn zolang ouders er zelf voor kiezen.

H.C. ten Berge weet er alles van. Hij schrijft: Begin en begin steeds opnieuw. Het geschrevene is je beloning.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Schroefje

Gilles Speksneijder had oudejaarsavond doorgebracht bij zijn broer Kees-Jan. Behalve de broers, waren ook Madelief, Gilles´vrouw, Melanie, een kraakwacht die ze zolang te logeren hadden, aanwezig in de gerieflijke woning in de historische binnenstad, en natuurlijk Liza, de echtgenote van Kees-Jan. Toen ze, ruim over enen, terug naar huis wilden, overviel de kou Gilles.  Halfdronken schoot hij met zijn voet van de trapper en belandde onzacht op de oprit van zijn broer. Het kostte enige tijd om hem weer in het zadel te helpen. Toen net buiten de middeleeuwse omwalling het fietspad onaangekondigd veranderde in een zandbak met losliggende stoeptegels, was het Madelief die de macht over haar stuur kwijt raakte en tegen de grond smakte. Pas tegen drieën waren ze thuis.

De vlucht van Gilles Speksneijder van M.M. Schoenmakers (1949) bestrijkt een periode van ongeveer zestien maanden. De dozen waarin de kerstspullen hebben gezeten staan nog her en der verspreid op de grond, als Gilles’oog valt op een schroefje.  De narcissen hebben voor de tweede keer in bloei gestaan als Gilles in danig toegetakelde staat wordt teruggevonden op de stoep van zijn flat. ‘Welke dag is ‘t?’ Zelfs fluisteren deed pijn.

Speksneijder doet al een jaar of twaalf hetzelfde kantoorwerk als hij door Koert Schoonhoven wordt gevraagd om zijn assistent te worden. Het kantoor gaat verhuizen, Schoonhoven coördineert de klus. Daar kan hij wel wat hulp bij gebruiken, notuleren, agendabeheer, dat soort zaken. Speksneijder heeft zijn reserves, Madelief ziet er niet veel in. Van zijn collega Storken hoort Speksneijder dat de van buiten aangetrokken Gert Jan Graafsma geen verhuisspecialist is, maar transitiemedewerker. Het laat zich aanzien dat niet alleen de fysieke ruimte flink wordt opgeschud, maar ook het personeelsbestand. Speksneijder besluit op de uitnodiging van Schoonhoven in te gaan.

Ondertussen is daar dat schroefje. Een paddestoeltje met een ragfijn spiralende groef en een bolronde, aan een zijde wat afgesleten hoed en een dunne, nauwelijks zichtbare sleuf om de schroevendraaier in te zetten. Gilles is ervan overtuigd dat het afkomstig is uit een keukenapparaat, losgetrild, mogelijk in de fabriek niet goed aangedraaid. Voor zich zag hij een losgeraakt afdekplaatje, een doorgesneden draad, de vonk van de kortsluiting, een draad die vlam vatte, iets kleins dat naar iets groots voerde.

Speksneijder zit erbij als in vergadering het Programma van Eisen wordt doorgesproken. Hij notuleert de woorden van Directeur Van der Keyl die zegt dat hij voor inspraak en overleg weinig tot geen mogelijkheden ziet, de reactie van manager Diensten Houdijk die opmerkt dat daarvoor weinig begrip zal zijn, en het slotwoord van de Directeur: Sommige ontwikkelingen zijn er om te ondergaan.

Een paar maanden later zit Schoonhoven overspannen thuis en ligt Storken in het ziekenhuis, in elkaar geslagen door een paar opgeschoten jongens toen hij het opnam voor een oude man.

Vanaf dat moment is het aan Speksneijder om te beslissen over stompe deuren, neuslatten en dilatatievoegen. Dat de verhuizing kort na de jaarwisseling zijn beslag kan krijgen, mag een wonder heten. Na een van de laatste vergaderingen vraagt Van der Keyl hem nog even na te blijven. Het oude pand moet bezemschoon worden opgeleverd en hij heeft niemand die dat beter kan. Je bent in elk geval weer voor een paar maanden onder de pannen, Speksneijder. Ik denk ook aan een bonus., besluit de directeur het gesprek.

Als Speksneijder zijn verhuisdozen ingepakt heeft, kijkt hij vertwijfeld rond en vraagt: Wat moet ik op de verhuisstickers zetten?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Mieters

Stuttgart – Sottens – Prague – Paris – Luxembourg – Beromunst. – Sarre – Strasbourg, voor wie vóór 1960 geboren is, waren het zenders voordat het plaatsen waren. Geen namen in de atlas, en al helemaal niet op borden boven de snelweg, maar codes op de zenderschaal van de buizenradio van het merk Erres, Grundig, of in het geval van Van Morrison (1945, vier vermeldingen in de top 2000) Telefunken: ‘Telefunken, Telefunken / And I’m searching for Luxembourg, Luxembourg, / Athlone, Budapest, AFN, / Hilversum, Helvetia / In the days before rock ‘n’ roll’.

Ewout Meyster is zeventien, bijna achttien, en de hoofdpersoon van De Hoogstapelaar, de roman van Wessel te Gussinklo (1941) die in februari van dit jaar is verschenen. Het is 1958, nadat hij twee keer op het gymnasium is blijven zitten, heeft hij de middelbare school de rug toegekeerd. Zelfs het internaat wilde hem daarna niet meer hebben. Braaf zitten, braaf luisteren – en over niets ging het daar, niets wezenlijks (de mensheid, het leven, het menselijk lot; en hoe te leven terwijl alles verloren ging. Over dat soort zaken. Dingen van belang.)

Niet dat het een domme jongen was. Hij las Vestdijk , Couperus, Bordewijk, Ter Braak, Du Perron, Van Schendel. Ze stonden langs de wanden van zijn kamertje. En Nietzsche, Schopenhauer, Camus en Sartre. Van de laatste had hij zich met een woordenboek door Lêtre et le néant heen proberen te worstelen. Ver was hij niet gekomen, maar de bevestiging van het idee in een vijandige wereld te zijn geworpen had hem diep geraakt en de opdracht werk te maken van zijn persoonlijkheid had hij van harte omhelsd. Ewout zou zich tonen aan de wereld.

Een pakje Caballero, een doosje lucifers en een cola waren daarbij belangrijke attributen. Fats Domino (één vermelding in de top 2000), Harry Belafonte en Little Richard (geen vermeldingen in de lijst der lijsten) en Elvis Presley (zestien vermeldingen) zorgden voor de muzikale omlijsting van zijn missie. Maar niet alleen de muziek van de eerste commerciële radiozender inspireerde hem: Zo moest je proberen te praten, zoals bij Radio Luxembourg, die Amerikaanse stemmen – zo praten, zo langzaam en krachtig.

Omringd door zijn vrienden toonde hij zich in de Jazzkelder aan de Utrechtse werf, in de Espressobar, De Bolle,  in het café van Harrie op de Brug waar pooiers kwamen en marktlui en waar je woorden hoorde als ‘Geeltje’ en ‘Wijven’.  Zo moest je zijn, indruk moest je maken, schrikwekkend en onverschillig moest je zijn.

Zo was het niet altijd geweest. Toen hij jonger was, vijftien, bijna zestien, had hij gemeend dat het erom ging populair te zijn. Te zorgen dat je met iedereen bevriend was, dat ze om jouw grappen lachten. En hij had de zijne zorgvuldig voorbereid en de gebaren die erbij hoorden had hij voor zich gezien. Leuke dingen moesten er worden gedaan. Een hondendrol meenemen en voor het schoolbord leggen, kon je lachen met die leraar. ‘En dan zingen we met z’n allen als ik de veter van de leraar aansteek “Bij het kampvuur in de prairie”’. Want leraren pesten, dwars en opstandig zijn, ook dan was je belangrijk en werd je populair.

Er is in een halve eeuw niet veel veranderd, al zegt haast niemand meer ‘geeltje’ en ‘wijven’. We schelden nu met onze mobieltjes. Die verbieden in de klas; ik moet er niet aan denken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Later wel

Ze waren onze afdelingsleidster al opgevallen. Twee opgeschoten jongens, te oud om bij ons op school te zijn, te jong misschien om bij een schoonmaakbedrijf te werken, niet gekleed voor het aanstaande kerstgala. Ze hield ze in de gaten. Volgens de conciërge hoorden ze bij de pasfotocabine die als een van de attracties van het feest vanavond in de aula was neergezet. ‘Vage types’?, zo had ze hen nog niet bekeken. Bij de aanvang van het evenement ontvingen de collega’s Buitenhuis, Scholten, Van ’t Hull en ik onze leerlingen, terwijl ook de jongens van de cabine passeerden. Ze spraken ons aan, informeerden naar de leeftijd van de aanstaande eindexamenkandidaten. ‘Dat deugt niet’, concludeerde Van ’t Hull, zodra ze  verdwenen waren.

Het kerstgala duurt goedbeschouwd nauwelijks tweeënhalf uur. Het is zaak zo laat mogelijk binnen te komen, vlak voor half negen als de deuren dicht gaan, en zodra het kan op weg te gaan naar de after party die tot in de kleine uren zal doorgaan. Wat is dan de urgentie om deze donderdagavond strak in het pak, dan wel hooggehakt en in een splinternieuw galajurkje op school te verschijnen? Het antwoord is: de foto. Vergeet de DJ., ook de band van leerlingen en ex-leerlingen, die voor aanvang staat in te spelen, blijft ongenoemd. Ze willen met hun jaargenoten en ook met hun docenten op de foto, als herinnering voor later.

Zo hebben ze het gezegd tegen collega Sijtsema, die geschiedenis geeft, en ik heb gezegd dat ik het bizar vind dat zeventienjarigen anticiperen op nostalgie en we hebben het hoofd geschud.

Maar misschien is het niet zo vreemd. Het idee dat ons leven een verhaal is dat we aan elkaar vertellen, komt en gaat, schrijft John Berger (1926 – 2017) in And our faces, my heart, brief as photos uit 1984. Dat dat verhaal anno 2019 met beelden wordt verteld, hoeft ons niet te verbazen. Van dat verhaal, schrijft Berger, zijn we de auteur en de personages. Als auteur hebben we de macht om het geheel te overzien, maar zodra het verhaal is begonnen, zijn het de personages die aan de touwtjes trekken. Wat auteur en personage scheidt is niet kennis of macht, maar tijd.

Op de foto gaan is het verlangen van het personage dat wij zijn naar dat andere deel van onszelf; de auteur die ons tot leven roept. Berger schrijft: wie onze verhalen leest, of ernaar luistert, ziet alles als door een lens. Deze lens is het geheim van de vertelling, hij wordt in elk verhaal opnieuw geslepen om het tijdelijke en het eeuwige tot elkaar te brengen.

Djoeke van ’t Hull is de hoofdpersoon van Chalet 152, de nieuwe roman van Anton Valens (1964). Hij brengt een winter door in vakantiepark ’t Ezeltje, schildert er de lantaarnpalen, neemt deel aan een stiltemeditatie in een duinkom aan zee, wordt verliefd op de grillige kunstenares Audrey d’Audretch en blijft achter met een gevoel van leegte, lege opluchting, een leeg verdriet, een niksverdriet – echt snikken kan hij niet, paf staan en sip kijken daarentegen als de beste. Zijn pogingen om een en ander op papier te zetten, er een verhaal van te maken, lopen op niets uit: fragmenten van fragmenten van fragmenten, onafgemaakte zinnen, doorgekraste zinnen, losse incompetente woorden waaraan lettergrepen ontbreken, want dat komt later wel, maar hij is vergeten wat hij bedoelde met ‘marh’ of ‘r-g-hukt’.

Als mijn zintuigen gewend zijn aan het donker, de dreunende beat, de lichteffecten die bij de show van de DJ horen en de vochtige warmte van krioelende lichamen, zie ik hen in drommen wachten voor de foto en in de rij staan bij de fotocabine. Het is begonnen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen