Van alles en nog wat

Boven mijn eettafel hangt een plafonnière. De glazen schaal is met klemmen aan het armatuur bevestigd, zodat tussen het plafond en de lamp een kier is ontstaan. Als de lamp aan is kun je van onderaf in het glas tientallen dode vliegen zien liggen. Ze zijn op het licht afgekomen en hebben de weg terug niet meer gevonden. De tafelverlichting is een vliegenval gebleken. Ik laat hem liever uit. Vrijdag na het eindexamen Nederlands is een sombere dag. Ik haal de staande leeslamp uit de studeerkamer en richt die op tafel, waar het werk van mijn twee examenklassen al klaar ligt.

Dodelijk saai, noemde Marc van Oostendorp (hoogleraar Nederlandse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit) het examen op de vaksite www.neerlandistiek.nl waarvan hij de drijvende kracht is, en vooral: dat het een gortdroge verhouding tot het geschreven woord vereist. In de wereld van het examen Nederlands is elke tekst een met woorden gestoffeerd argumentatieschema, schrijft Van Oostendorp, en in de vierde tekst van het examen botst die wereld op de wereld van de stijl. Auteur Rosanne Hertzberger gebruikt in tekst vier ironie en hyperbolen om haar standpunt kracht bij te zetten. Dat is voor de examenmakers het moment om het onderwerp drogredenen in te brengen.

Een sombere dag, maar koud was het niet. Door de open tuindeuren hoorde ik mussen kwetteren op het plaatsje en er krasten een koppel eksters in de Gleditia. Ik was nog niet klaar met het schoonmaken van de border in de voortuin; het zevenblad kwam in bloei, heermoes schoot op waar je maar keek en ik wilde de resten van de uitgebloeide tulpen en blue bells wegknippen om ruimte te geven aan de stokrozen die her en der opkwamen. Ik was er woensdag mee begonnen, anderhalf uur op mijn hurken en op mijn knieën en ik had weer geen insect gezien.

In alinea 2 wordt beargumenteerd dat onze maatschappij geobsedeerd is door voedsel. Een kritisch lezer zou in deze argumentatie vooral een bepaald type drogreden kunnen zien. Welk type drogreden is dat?

In Nijmegen ontploft Van Oostendorp: Wat een laffe manier van de zaken voorstellen in een eindexamen is dat! Die anonieme kritische lezer zou van alles en nog wat voor een drogreden aan kunnen zien (…) En dan? Waarom wordt er niet gevraagd naar wat de drogreden is in plaats van wat die “kritische lezer” denkt dat het is? 

Slakjes waren er en regenwormen. Er was een merel die me bij het wroeten in de aarde nauwlettend op de vingers keek en die de rest van de dag in de weer was met de berg tuinafval die achter op het pad. ’s Avonds hoorde ik hem zingen op de nok van het dak. Hij groef naar grondstof voor zijn serenade, dacht ik en ik vroeg me af wat hij zag dat ik niet zag.

Tijdens een van de laatste lessen voor het examen hadden we het verschijnsel drogredenen nog eens doorgenomen. Er waren kandidaten die volhielden dat ze er nog nooit van hadden gehoord. Stel je tijdens het examen voor dat de tekst die je leest speciaal voor jou geschreven is, drukte ik mijn leerlingen op het hart, in een laatste poging duidelijk te maken dat het met ons vak toch vooral om communicatie is te doen.

Waarom moet je je als kandidaat inleven in de een of andere anonymus?, besluit Van Oostendorp zijn tirade.

Maar boven de vijver in de achtertuin draait op dat moment een glazenmaker zijn rondjes.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Het staat er nog steeds

Er stond een foto in de krant. Vier mannen zitten om een vierkante tafel. Er ligt een geruit (of moet je geblokt zeggen?) tafelkleed op. Het licht op de foto valt door een groot raam dat met een horizontale beweging tot op een ruime kier is opengeschoven. Aan de buitenkant van het raam  is traliewerk aangebracht van betongaas (lijkt het wel) met grote mazen. Een duif zou er gemakkelijk door naar binnen kunnen. In het rechterraam, dat niet is opengeschoven,  zit een diagonale barst die met breed doorzichtig plakband  provisorisch is gerepareerd. Daarachter een vlakte en bergen in de verte. Ze zitten op plastic tuinstoelen. ‘Mannen uit het dorp spelen domino. Uit het raam is de Vjosa te zien’, staat er onder de foto.

De Vjosa ontspringt in het noord-Griekse Pindusgebergte en baant zich daarna volledig vrij 272 kilometer lang een weg naar de Adriatische zee. Bij hevige regenval kan de rivier meer dan twee kilometer breed worden. De aanleiding voor de publicatie in de Volkskrant van 15 mei is de actuele interesse van energiebedrijven in de damloze rivier. De ondernemers zien de rivier als  een soort ongebruikt stopcontact waarmee ze straks de hele EU van groene stroom kunnen voorzien.

Demir Murati (54) ziet dat anders. Hij heeft zesduizend vierkante meter landbouwgrond en een huis dat zijn opa in 1920 heeft gebouwd. Maar als de dam komt staat alles onder water; van de school van zijn kinderen tot het graf van zijn ouders en de olijfbomen op het land.

Willem van Toorn (1935) heeft daarover geschreven in een cyclus van elf gedichten die Het stuwmeer heet en in 2004 uitkwam. Het begint met een ontmoeting in een zuidelijk land: Er staat een man in de zon / aan de rand van een blauw meer. / Zo eenvoudig als het begon / schrijf ik het hier neer. / De verteller en de man groeten elkaar en gaan huns weegs. Maar de volgende dagen is de man weer bij het blauwe meer, net als de verteller en dan komt het tot een gesprek. ‘Het is er nu vijf jaar,’ / zegt hij. ‘Ons huis stond daar / beneden aan de rivier. / Toen is de dam gesloten / en steeg het water tot hier. // Ik moet dus niet tegen u zeggen / stond, want het staat er nog steeds, / natuurlijk. Het pad tussen de twee heggen / naar de voordeur, de boomgaard, wie weet // de stenen bank op de oever / waar mijn grootvader vredig dood / bleef in de avondzon. // Nu zwemmen er alleen / vissen dwars doorheen.’//

De Volkskrant merkt op dat waterkrachtcentrales niet zo duurzaam zijn als wordt aangenomen. Een studie van de Universiteit van Oxford uit 2014 toonde aan dat veel grote dammen op den duur meer geld kosten dan ze opleveren. De Vjosa stroomt door beschermde natuurgebieden en door parken die gelden als Unesco Werelderfgoed. De geplande Balkandammen bedreigen de biodiversiteit; vogels, vissen, weekdieren en de laatste vijftig Balkanlynxen.

De verteller van Het stuwmeer daalt af naar het huis van de man: de hoge keuken, de mooie kamer / voor zondag en visite, het behang / met rozen doorgeplakt over / de zoldering, en naarmate men verder leest, wordt het meer het dodenrijk waar de verteller zijn ouders weerziet, herinneringen ophaalt met zijn oudste vriend W., terugdenkt aan een verlaten geliefde, een bustocht maakt door het gehavende gebied tussen Mostar en Sarajevo. Tot er geen verschil meer is tussen de verteller, de man en zijn grootvader.

Een rivier. Op de groene oever / een man op een stenen bank. / Hij zet zijn hoed af en strijkt / met zijn hand over zijn ogen / en wacht tot het water weer stijgt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Pure ellende

Dorine Schoon (1984) is hoboïste die op freelancebasis speelt in diverse orkesten en ensembles in binnen- en buitenland. Daarmee verdient ze € 132 bruto per concert en € 89 per repetitie. Deze bedragen zijn in 2009 vastgesteld en sinds die tijd niet veranderd. Sinds 2011 is er twintig procent bezuinigd op cultuur. Dat was volgens staatssecretaris Halbe Zijlstra (vvd) nodig om een cultuuromslag tot stand te brengen; de kunsten moeten ondernemender worden. Het is wrang om te zien dat juist de ondernemende kunstenaars het eerste de dupe worden van Zijlstra’s omwenteling. Dorine Schoon presenteerde afgelopen maandag in Utrecht het Platform voor freelance musici om de krachten te bundelen voor eerlijk werk voor een eerlijk loon.

De helicon van de Nederlandse poëzie vlak na de oorlog heette Amsterdam. Hans Andreus (1926 – 1977), Jan Elburg (1919 – 1992) en Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) woonden er, net als Remco Campert (1929) en Bert Schierbeek (1918 – 1996). Jan Hanlo (1912 – 1996) was er docent Engels en Vasalis (1909 – 1998) hield er tot 1951 praktijk. De belangrijkste literaire uitgeverijen waren er gevestigd en café Eijlders was het bruisend middelpunt van het culturele leven. Adriaan Roland Holst (1888 – 1976) woonde natuurlijk in Bergen, Gerrit Achterberg (1905 – 1962) in Hoonte , gemeente Neede, Pierre Kemp (1886 – 1967) in Maastricht en Leo Vroman (1915 – 2014) in New York, maar die feiten doen niets af aan de status van Amsterdam als zangberg.

De accumulatie van poëtisch kapitaal in de hoofdstad betekende niet automatisch dat de dichters zich wentelden in weelde. De chaos van de eerste naoorlogse jaren speelde daar een rol in, evenals de papierschaarste. Daar kwam bij dat de gevestigde letterheren en –dames niet zaten te wachten op de kleine mooie ritselende revolutie van de dichters die zich de vijftigers noemden. Kouwenaar en Elburg verdienden een schamel loon in de journalistiek, Andreus en Schierbeek deden redactiewerk, Remco Campert leefde, als altijd, van de wind en Lucebert (1924 – 1994) verdiende soms een paar gulden als illustrator. Eén  bundel had Lucebert in 1949 gepubliceerd, maar meer dan een paar honderd gulden had hem dat niet opgeleverd. In arren moede richt hij zich tot zijn uitgever: Allerlei nood & onweer voltrekt zich over mij, maar het is om je gek te lachten dat een mens zoals ik maar niet nat worden kan. Je wist nog niet dat ik vader ben, wist je het? en dat de moeder van mijn kind nu evenals ik financieel volledig aan de grond zit omringd door dreigende schuldeisers waaronder de huisarts die moeder & kind het huis uit wil zetten (…).

Lucebert slaagt erin € 150 van zijn uitgever te lenen en krijgt de toezegging van een paar illustratieopdrachten. Al met al is het geen basis voor een solide gezinsleven. In oktober 1952 zijn moeder en kind bij haar ouders ingetrokken en staat Lucebert weer op straat. Hij schrijft: op vele plaatsen kan ik verwaaid wonen / want verdwaald is de waarheid en / verdwaasd is de waarheid / zo kan ik dorst drinken zingen en zijn / een stem voor vele stemmen / gezaaid en aan de lange wind geschonken

Hij kan zolang slapen bij Remco Campert die daar later in een gedicht op terugkeek: Het levenslicht zag ik in Den Haag / maar in Amsterdam, Van Eeghenlaan zeven, / te midden van dichters (Luceberts schaterlach, / Schierbeeks hikkende Boek Ik), / zagen mijn wóórden het licht / dat me niet meer verliet, trouw / door dik en dunner dan dik

13 april is Cees Tol (1947) overleden. Hij was de oprichter van de popgroep BZN en de aartsvader van de palingsound (volgens Peter de Waard van de Volkskrant). Zijn kwaliteiten als componist, gitarist en saxofonist ten spijt, moest Tol in de beginjaren van de band op een houtje bijten. Op een gegeven moment had ik nog geen achthonderd gulden in de maand om van rond te komen. Ik liep met oude troep aan mijn lijf en m’n jassen verdienden dat woord niet. Zo’n rotzooi droeg ik. We zagen het echt niet meer zitten. De bedelaarsstaf kwam al dichter en dichter bij. Ik ging uit pure ellende muzieklessen geven op een mavo in Edam.

Tot in 1976 de single Mon amour uitkwam.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Picknick

Honderd dagen duurde de middelbare schoolcarrière van Silvio Alberto (Tip) Marugg (1923 – 2006).Hij herinnert zich een kwart eeuw later: ‘Het was in het jaar 1942 (geloof ik) dat ik naar de hbs of beter gezegd de ams (Algemene Middelbare School) ging, doch die een maand of drie later weer verliet, niet met een einddiploma, maar met een oproepingskaart voor militaire dienst in mijn zak.’. De schrijver van ‘Weekendpelgrimage’, ‘In de straten van Tepalka’ en ‘De morgen loeit weer aan’ betrad het land der letteren niet via de poort van het Stuyvesant ( ‘Suffisant’) College;  Willemstad in oorlogstijd was de voedingsbodem voor zijn ontluikende literaire talent. Kaki en witte uniformen van de militairen, grauwgroene jeeps, weapon carriers en trucks, een enorme vlammenkolom voor de kust van een getorpedeerde kanonneerboot en ’s avonds een verduisterde stad vol duister vertier.

Hij heeft het gemeen met zijn generatiegenoten op het Europese vasteland. Hermans, Mulisch en Reve (Van het Reve en ik schelen nauwelijks veertig uur van elkaar in geboorte-uur. De Heer moet wel erg toornig zijn geweest in de maand december van dat verschrikkelijke jaar.) fundeerden hun schrijverschap, net als hij, op hun oorlogservaringen. Dat de verhalenmachine die de Tweede Wereldoorlog ook was, nog energiek napruttelt, bewijzen Sonny Boy van Annejet van der Zijl, de Joden in de kelder van de familie Mulder in De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld de bommenneef uit En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra en de zoektocht van Albert Steinberg naar zijn grootvader die eindigt in Sobibor uit Leviathan of het hart in de steen van Max Pam.

Marugg heeft zijn diensttijd kunnen navertellen: Vijf jaar lang duurde de picknick. Wachtlopen: Suffisant, Caracasbaai, Bullenbaai, het Waterfort, de Shell-raffinaderij, het detentiekamp voor Duitsers en nazisympathisanten op Bonaire. ’s Avonds was er de bioscoopvoorstelling in de kantine of de studie voor het officiersexamen en toen het allemaal achter de rug was ontving hij een penning aan een lint met de beeltenis van de koningin en daaromheen de tekst: voor krijgsverrichtingen. Het is mij nooit duidelijk geworden waarop dit laatste sloeg. Ik heb nog nimmer een pafferik menens horen afvuren.

Marugg maakte in de kazerne kennis met de essayist Luis Daal (1919 – 1997) en de dichter Marcel de Bruin (1917 – 1974) (de een stijfkoppig, ietsje hoogmoedig en met een ergerlijk gevoel voor zindelijkheid, de ander Surinaams-verwaand en continu in vuur gerakend, maar allebei van een grote liefde voor de belletrie bezeten) en met een Arubaanse onderwijzer wiens naam hem is ontschoten. Op een of andere wijze slaagden de mannen erin hetzelfde wachtrooster toebedeeld te krijgen. Dan zaten wij buiten op de stoep van het wachtgebouw te pitsen, elk met een kantinebeker slappe sloerie in de ene hand en in de andere een opgepiept broodje, en bespraken de laatste romans die wij gelezen hadden of scholden op de povere inventaris van de plaatselijke boekwinkels of verguisden de een of andere wereldvermaarde auteur om zijn onoprecht geschrijf of raasden tegen de boekrecensent van Time Magazine of deden de Arubaanse onderwijzer de dampen aan met pornografische verhalen.

Tijdens de oorlog werd ook het blad De Stoep opgericht. Het bedoelde een verzamelpunt te zijn voor Nederlandse schrijvers in den vreemde en het wilde een opstapje (vandaar de naam) zijn voor beginnend literair talent. Achteraf bleek dat het blad ook een functie heeft gehad in de verzelfstandiging van het Nederlands als literaire taal op te Antillen ten opzichte van het alomtegenwoordige Spaans. Marugg herinnert zich zijn debuut: Pierre Lauffer publiceerde daarin gedichten die mij destijds levend en louterend leken, maar later sentimenteel voorkwamen; Charles Corsen ontleedde zijn onthutste ziel in wilde surrealistische kreten; Oda Blinder schreef wenend-zangerige verzen over de meest reine liefde, de onbeantwoorde; zelf ontpopte ik mij ook als verssmeder en Cola Debrot brandmerkte prompt mijn prijsproducten als ‘Gehirnpoesie’.

Een schrijver was geboren.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Elders onderdak

‘Meneer, u was een held!’ Het is een zoele zomeravond in april en ik loop het schoolplein af. In de tas aan mijn schouder zit de mondharmonica waarmee ik heb opgetreden op het open podium, samen met de collega’s muziek, natuurkunde, geschiedenis, biologie, mijn rector (op basgitaar) en Joeri Wagemans op drums. Het liedje dat we speelden, maalt nog door mijn hoofd. Dan hoor ik: ‘Meneer, u heeft talent.’ Ik herken in het donker een paar leerlingen uit vier havo, en antwoord: ‘talent, jongens, daar ben ik veel te oud voor’. ‘Nee, meneer, je bent nooit te oud voor talent.’ Ik weerspreek hen niet en bedank hen voor de aandacht en loop door naar het station.

Voortaan moesten we elders onderdak zien te vinden. In de choreografie van het schoolplein, bijvoorbeeld, waar we steeds nieuwe poses en omtrekkende bewegingen uitproberen, maar vooral in de muziek die onze nederlagen van klanken voorziet en ons af en toe een paar woorden cadeau doet – so lonely – waarin we ons menen te herkennen. Ik lees het in Rivieren keren nooit terug, de nieuwe roman van Joke Hermsen. Snel keer ik het boek om en ik zie het geboortejaar van de schrijfster. 1961, zie je wel, denk ik. So lonely is de derde single van The Police, uitgekomen in 1978. Joke Hermsen was toen zestien. Bijna zeventien.

Bij ons kwam de eerste pick-up in huis in 1970. Mijn eerste langspeelplaat was Empty rooms van John Mayall (1933). De bandleider had al een ruime staat van dienst als bluesmuzikant en scout van gitaartalenten als Eric Clapton, Peter Green en Mick Taylor. Een jaar eerder had hij zijn grootste hit met Room to move. De mondharmonicasolo in dat nummer maakte dat ik voortaan anders keek naar het instrument waarop ik sinds mijn achtste liedjes van de radio probeerde mee te spelen.

Mijn broer was bijna twee jaar jonger en las in de bibliotheek muziekkrant Oor. Hij draaide het volume wat hoger toen Virginia plain op de radio was. Van New Wave had nog nooit iemand gehoord, David Bowie was niet meer dan een gerucht, op The Talking heads moesten we nog vijf jaar wachten. De akkoorden klonken ons bekend in de oren, maar de nerveuze en weinig toonvaste zang, de hoekige gitaarsoli, het hoge geluid van de hobo en de onnavolgbare synthesizergeluiden lieten ons na het abrupte einde van het lied in opgewonden verwarring achter. Ik was zestien, bijna zeventien. De eerste LP die mijn broer binnen bracht was Roxy Music, het debuutalbum van de gelijknamige band.

Een jaar later was de liefde voor Roxy Music bekoeld. Brian Eno (1948) had de band verlaten en onder aanvoering van zanger Brian Ferry (1945) koos de band voor makkelijker in het gehoor liggende liedjes waarmee de danszalen veroverd konden worden. Daar hoorde ook een song bij die ik onder de titel Let´s work together kende van de Amerikaanse bluesband Canned Heat. In 1976 bracht Brian Ferry Let´s stick together uit. Wilbert Harrison (1929 – 1994), die het nummer in het begin van de jaren zestig componeerde, had beide versies al eerder op de plaat gezet.

Wij waren het eerste optreden na de pauze. Onder het geroezemoes in de aula en het geluid van voeten op zoek naar stoelen, controleerden mijn collega´s het geluid van hun gitaar. Ik had mijn harmonica doorgespoeld en opgewarmd. Achter me hoorde ik vier droge tikken van hout op hout terwijl ik mijn bluesharp tegen de microfoon plaatste en blies zoals Wilbert Harrison ons dat geleerd had.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Uitgelezen

Twaalf april verscheen in de Volkskrant een oproep van Taede Smedes aan zijn mederecensenten om geen boeken meer te bespreken van uitgeverijen die zich bedienen van nieuwe technieken als ‘printing on demand’, nauwelijks iets doen aan redactie of auteursbegeleiding en die het risico voor de uitgave vooral bij de auteur leggen. Smedes was een keer te vaak uitgescholden door schrijvers van uitgeverijen als Aspekt, Boekscout en andere internetuitgeverijen en hij was het zat. De weken daarna werd duidelijk dat niet iedereen het met hem eens was.

Afgelopen maandag reageerde vanuit Valencia filosoof, econoom en publicist Paul ter Heyne. Hij wijst erop dat de gevestigde uitgeverijen sinds de driedubbele crisis in het boekenvak (afname van de leestijd, opkomst van e-book en internetverkopen en de bankencrisis) erg voorzichtig zijn geworden. Maar, vervolgt hij, ook onder beter gesternte slaagden topauteurs als J.K. – Harry Potter – Rowling en James Joyce er pas na vele pogingen in hun boek uitgegeven te krijgen. Omgekeerd is het zo dat er ook ‘slechte’ boeken voorkomen in het aanbod van de traditionele uitgeverijen. Een aanwijzing hiervoor is trouwens dat de Nederlander de laatste jaren steeds minder vaak een boek helemaal uitleest, schrijft Ter Heyne.

Ik keek op uit mijn krant en liet mijn oog dwalen langs de stapel boeken die met bladwijzers hun tong naar mij uitstaken. Leo Tolstoj, Oorlog en vrede, ik ben gevorderd tot pagina 632; nog een kleine duizend te gaan, Ton Lemaire, Onder dieren, pagina 96, Johann Wolfgang Goethe, Wilhelm Meisters leerjaren, de vakantie op Corsica was te kort, ik ben op iets meer dan een derde blijven steken, De brieven, van Frans Kellendonk, iets meer dan honderd pagina’s gelezen. Toch zou ik van geen van deze boeken willen beweren dat ik ze niet heb uitgelezen; ik ben er nog in bezig. Ook zou ik niet willen beweren dat de boeken die ik nog niet heb uitgelezen, slechte boeken zijn. Sterker nog, het zijn de beste boeken waarin ik niet uitgelezen raak.

Ter Heyne baseert zich op onderzoek van de Stichting Marktonderzoek Boekenvak. Enquêteurs vroegen de Nederlandse bevolking wanneer de laatste keer was dat ze een boek hebben uitgelezen. Terwijl dat in 2013 voor 46% van de Nederlanders ongeveer een week geleden was, gaat het in 2015 om 42%. Andersom groeide de groep voor wie het drie maanden geleden of langer is dat ze een boek hebben uitgelezen van 13% naar 16%.

Naar mijn idee liggen de percentages dicht genoeg bij elkaar om de conclusie te rechtvaardigen dat er nagenoeg niets is veranderd. Daarbij is het zo dat het ene genre zich beter leent tot het lezen van kaft tot kaft (romans, thrillers, fantasy) dan het andere (poëzie, kookboeken, de bijbel). Ik zou niet weten wat je hebt aan het gegeven dat iemand een boek heeft uitgelezen.

Mijn e-reader houdt het allemaal nauwkeurig voor mij bij. Ik heb 91% van mijn bibliotheek, dat is 51 boeken, uitgelezen. Nu ja, bladzijden omgeslagen. De e-reader moest eens weten.

Zonder dat ik erom vraag, zegt kandidaat S. tijdens het mondeling schoolexamen letterkunde dat hij Thirza van Arnon Grunberg (1971) en Bonita Avenue van Peter Buwalda (1971) niet helemaal heeft gelezen. Ik kan niet doen of ik het niet heb gehoord en zeg dat ik hem dan geen voldoende kan geven. Daarop begint hij te vertellen wat hij heeft gelezen, slaat geen detail over en stokt waar het nog niet is afgelopen.

En dan zijn er nog de boeken waarin ik nog niet eens begonnen ben.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

W. zegt de woorden

Voordat Otto Pardoen in opdracht van Lara van der Zouw de bewoners van het Franse plattelandsgehucht A. inspint in zijn verhalen, bezocht hij een poëtische performance die Lara (interactiekunstenares) had georganiseerd. Plaats van handeling was de foyer van kunstencentrum De Corridor in het nieuwe stadshart van Almere. De hoofdrol was voor een gehandicapte jongen met een Poolse naam die zich voortbewoog in een elektrische rolstoel met links en rechts ijzeren stangen. Aan de uiteinden daarvan waren grijphandjes gemonteerd. De nieuwe roman van Henry Sepers (1955), De aanwezigheid van Lara, spreekt van de ziekte van Duchenne en voegt eraan toe dat de jonge performancekunstenaar rond zijn dertigste zal overlijden aan een kapotte hartspier.

Ik las het en viel elf jaar terug in de tijd naar mijn oude school in de nieuwe polder. Daar had zich in een paar jaar tijds een traditie gevestigd van voorstellingen van poëzie en performances door leerlingen van de hoogste klassen van het havo en vwo onder de inspirerende leiding van mijn collega Willem Broens (1947). De langzame windhoos heette het evenement, en voor de editie van 2007, die op 15 maart plaatsvond, had Broens de hulp ingeroepen van Karlijn Groet en Henry Sepers, beiden collega’s op school en beiden met een kleine staat van dienst in de grote wereld van de poëzie.

Ik zat in de aula en noteerde voor het personeelsblad: Als er muziek van Edgar Varèse klinkt gaat aan de zijkant van het toneel het gordijn open en rolt W. naar de rand van het podium. Hij heeft teksten gekozen van Fred Delfgauw en Judith Herzberg, maar het lijkt of hij in dialoog is met de mechanische arm van zijn rolstoel. De arm danst, de arm wordt een vogel, de arm raapt de bloemen van de narcissen op die door de honden van de stelen zijn gelopen. Kijk, de arm wordt een zwaan, en W. zegt de woorden.

Als Otto Pardoen naar de foyer loopt hoort hij de muziek. Het was zijn muziek. Van opwinding ging hij sneller lopen. Varèse. Density. Terwijl Pardoen aarzelt waar hij zal gaan staan om wat er komen zou in ogenschouw te nemen, zwelt de muziek aan en opent Lara met een zwaai de glazen deuren. Cheslaw reed op volle snelheid de foyer binnen. Iemand moest hem een flinke duw hebben gegeven. Aan het eind, vlak bij waar Otto stond, draaide hij zich als een rolstoelbasketballer in vliegende vaart om. Cheslaws hoofd hing half op zijn rechterschouder, zoals altijd, want ook zijn nekspieren waren aangetast. Maar om zijn mond speelde een glimlach en zijn blik was krachtig.

Een flinke duw had W. niet nodig. Als hij driftig was, joeg hij personeel en klasgenoten de schrik op het lijf met een plotselinge acceleratie van zijn stoel. Aan zijn stuurmanskunst en reactievermogen mankeerde niets.

Cheslaw begint te spreken en tegelijk komt de linkerarm van zijn stoel omhoog. In het begin merkte je het niet eens. Langzaam maar zeker ging het sneller. Misschien kwam het door de muziek, maar de prothese bewoog met de gratie van een Balinese danseres. Iedereen keek doodstil toe. Bij de woorden ‘kwaad gesnater’ ging het bekje wijd open. De grijper bereikte de hoogste stand, en draaide naar links en rechts, als een vogelkopje.

Cheslaw draagt een gedicht voor van Johan Andreas dèr Mouw (1863 – 1919), W. las ‘Voorjaar’ van Judith Herzberg (1934): Kan het niet vaker zo raar voorjaars- / achtig, wordend / warmer, voller / wordend groener zijn? / Ja dat kan vaker. / Het is al veel vaker dan vroeger. //

In het vervolg van De aanwezigheid van Lara dreigt een spiegelend en zwart meer. Als in Oeroeg.

Elf jaar. W. is nu bijna achtentwintig jaar. Hoe zou het met hem zijn?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | 1 reactie

Van een ander

Ik schreef dat de ik-persoon uit ‘Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken’ van Arjen van Veelen (1980), vriendschap sloot met Tomas, die een paar jaar ouder  was en uit West Vlaanderen kwam. Twee voorwaarden stelde Tomas vooraf: ‘Hij wilde verder niks van me. Behalve dat ik ook zou schrijven en dat ik beloofde geen leraar te worden. ‘Anders maak ik het uit.’. Het nieuwe boek van Henry Sepers (1955) heet ‘De aanwezigheid van Lara’. De hoofdpersoon Otto Pardoen laat zich door Lara van der Zouw, een kunstenares op wie hij verliefd is, naar de afgelegen vlek A. op het Franse platteland sturen. In de brief die Lara aan Otto samen met een door haar samengestelde gids laat lezen, staat: ‘ Zie deze gids als een hulpmiddel, een aanzet: hier en daar wat korte, onaffe zinnetjes’ en ‘Ga vooral niet op zoek naar de waarheid Otto. Laat je verbeelding het werk doen!’

Voordat donderdag het eerste uur begint, zet ik de tafels en stoelen in het gelid. Ik schakel de beamer aan en projecteer een verdragstekst, een fragment van de column Alziend oog van Aleid Truijens (1955) en een link naar het forum van www.ouders.nl op het bord. Ik zal de leerlingen van vier havo zo dadelijk vragen deze drie bronnen te gebruiken in een korte overtuigende tekst over de vraag of het leerlingvolgsysteem Magister (Truijens noemt het een schools sleepnet) op gespannen voet staat met hun privacy.

Het hoofdpersonage uit Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is gaan schrijven; het boek is er het resultaat van. Otto Pardoen heeft zijn laptop open geklapt op de ruwe houten tafel die op het kleine terras achter de openslaande deuren staat. Daar kun je in de vroege ochtend een paar uren in de schaduw werken. Als ik klaar ben met mijn uitleg aan vier havo, is het onwennig stil, tot iemand uitbrengt meneer, ik weet niet wat ik nu moet doen en een paar anderen besluiten hun waterflesje te gaan vullen.

Ik  verkeer in de gelukkige omstandigheid dat ik lid ben van een zangkoor waarvoor onze dirigent de meeste muziek schrijft. Hij houdt rekening met onze beperkingen en verrast ons keer op keer met koorrepertoire dat nog nooit geklonken heeft. Omdat ik leraar Nederlands ben, mag ik voorstellen doen voor de teksten die we zullen zingen. Voor het korte programma dat we vier mei aanstaande in de Amsterdamse Amstelkerk zullen presenteren, selecteerde ik een kwatrijn van Leo Vroman (1915 – 2014), dat Al die doden  heet: We zagen ze als het ware / daarnet nog in levenden lijve / (vergeleken bij al die jaren / dat ze nog dood moeten blijven). // Onder het oefenen komt de vraag op hoe serieus deze regels bedoeld zijn en van mij wordt het antwoord verwacht. Zo serieus als een zevenennegentigjarige kan zijn, zeg ik. Maar ik had me vergist, want het gedicht is van 17 juli 2012 en toen was Vroman 96.

Onderweg naar Q-Factory, waar we na de repetitie wat drinken, vraagt collega-bas Ruud (leraar geschiedenis in ruste) waarom Vroman tot op hoge leeftijd over dood en oorlog bleef schrijven.

Ja, waarom. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was Vroman zeven jaar lang van zijn verloofde gescheiden, hij vluchtte via Engeland en Zuid-Afrika naar Indië, waar hij in de kampen werd opgesloten. Drie keer was hij bijna dood. Dat zijn ervaringen die zijn persoon hebben gevormd. Als bioloog stond hij dagelijks met zijn neus op de geheimen van leven en dood. De vriendjes van zijn dochters werden opgeroepen voor de oorlog in Vietnam. Het allereerste gedicht dat hij publiceerde heet Mijn pop gaat dood.

En ik realiseer me dat het met het schrijven van mijn leerlingen niets wordt zolang het van een ander moet.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Troosteloos tankstation

Raymond Lemorne is een nauwgezet man. Als de scheikundeleraar Saskia Ehlvest ontvoert en vermoordt heeft hij alles tot in de puntjes geregeld. Het tankstation langs de weg naar Dijon, de auto en de aanhanger, de mitella voor zijn zogenaamd gebroken arm, een pistool voor onvoorziene gebeurtenissen en een fles chloroform waarvan hij de formule, CHLC3  uit zijn hoofd kent. In zijn huisje op het Franse platteland heeft hij de verschillende scenario’s doorgenomen en geoefend om overal op voorbereid te zijn. Al kon hij niet vermoeden dat de sleutelhanger met de initiaal R aan zijn autosleutel die hij die ochtend bij zich stak, later op de dag nog zo’n belangrijke rol zou spelen.

De studiedag op school van 23 februari moest ik missen, maar gelukkig mailde onze rector deze week een memo met de resultaten. ’s Ochtends was er een aantal leerlingen uitgenodigd om met de docenten van gedachten te wisselen over de ideale les. Tot een sluitende definitie kwam het niet, maar er werden wel elementen genoemd die zouden helpen. Goede sfeer, variatie, duidelijke doelen en humor van de docent, kwamen langs, actualiteit, zelf ontdekken en afwisseling van theorie en praktijk zijn belangrijk en onder het kopje een les om niet te vergeten noemden onze leerlingen rappen bij Frans, dat je er vier keer bent uitgestuurd of toen de leraar spontaan iets heel anders ging doen. De rector trok uit dat alles de conclusie dat de rol van de docent belangrijk is.

We doen Lemorne tekort als we beweren dat hij een ultieme slechterik is. In zijn jonge jaren heeft hij een meisje van de verdrinkingsdood gered. Over zijn lessen scheikunde zijn mij geen klachten bekend en in zijn omgang met Saskia Ehlvest en haar vriend Rex Hofman is hij respectvol, hoffelijk en betrouwbaar. Het is een man die zichzelf weet uit te dagen en die vervolgens nietsontziend de doelen nastreeft die hij zichzelf heeft gesteld.

In de roman Aantekeningen voor het verplaatsen van obelisken roept de auteur Arjen van Veelen (1980) herinneringen op aan zijn ontmoetingen met de jong overleden schrijver Thomas Blondeau (1978 – 2013). Ze zijn allebei geïnteresseerd in literatuur en klassieke talen, ze studeren allebei in Leiden, maar Tomas (in het boek zonder H) is Van Veelen in eruditie de meerdere. Tegen twaalven waren we meestal alleen in het café met de oude barvrouw, wier man dan al boven was gaan slapen. En dan keek hij rond in de schemering en citeerde hij een schrijver die had gezegd dat Parijs kan aanvoelen als een troosteloos tankstation en een troosteloos tankstation als Parijs, afhankelijk met wie je er bent. En tegen sluitingstijd fluisterde hij: ‘It’s all happening!’ tegen de sanseveria’s. Van Veelen noteert de uitspraken van Tomas in een schriftje.

De twee besluiten tot een vriendschap, die wat Tomas aanging, gebonden was aan twee simpele voorwaarden: Hij wilde verder niks van me. Behalve dat ik ook zou schrijven en dat ik beloofde geen leraar te worden. ‘Anders maak ik het uit.’

Tijdens het mondeling schoolexamen van vijf havo, vraag ik een kandidaat die Het gouden ei van Tim Krabbé (1943) op zijn lijst heeft staan hoe hij de persoon Lemorne zou omschrijven, of, anders gezegd, zou hij een vriend van je kunnen worden?

Kandidaat denkt even na en zegt: Nee. Het is een leraar.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Wat er niet is

Vijf leerlingen hadden ervoor gekozen op de vierde dag van de reis naar Berlijn het Joods museum te bezoeken. We zijn te vroeg. Het museum gaat pas om tien uur open. We hebben trouwens geen haast, er is voldoende tijd om een bezoek te brengen aan Die Hackeschen Höfe; een stuk of acht met elkaar verbonden hofjes achter een monumentale art nouveaugevel aan de Rosenthaler Straße. Even later zitten we achter een latte macchiato, thee, warme chocolademelk of espresso te kijken hoe het buiten is gaan sneeuwen.

Ik vraag waarom ze voor het Joods museum hebben gekozen. De een antwoord gefascineerd te zijn door de Tweede Wereldoorlog. Ze heeft Sonny Boy van Annejet van der Zijl (1962) gelezen en gehuiverd bij de deportatie van Waldy’s ouders. Dat komt door mijn vriend, zegt een ander, zijn kamer staat vol met spullen uit de oorlog. Hij doet ook mee met re-enactments. Ze duikt in haar telefoontje en laat me even later een zwart-witfoto zien van een jongeman in een nazi-uniform in een bos. Keurig gewassen, gekapt en geschoren, dat wel. Dus jij beschouwt het lot van de Joodse mensen vanuit de kant van de daders?, informeer ik. Nee, antwoordt ze, helemaal niet.

Musea zijn rare dingen. Ze doen hun uiterste best iets tevoorschijn te brengen wat er ooit was, wat er nog is maar niet hier, of wat misschien nog kan komen. Schoonheid, de geschiedenis van Amsterdam, de Egyptische beschaving van vijfduizend jaar geleden, Vincent van Gogh, vooruit, ik maak een uitzondering voor het Tassenmuseum. Doorgaans maken musea gebruik van een veelheid aan voorwerpen, snuisterijen, gereedschappen, machines, afbeeldingen en modellen die niet om zichzelf zijn tentoongesteld, maar verwijzen naar wat er niet is of om een herinnering op te roepen of te verlevendigen.

Zo’n museum is het Joods museum in Berlijn niet. Er is niets te zien, waarschuw ik mijn leerlingen. Er wordt leegte tentoongesteld. Niet dat ik al ooit in het museum was, maar ik had op de onvolprezen www.berlijn-blog.nl van Marjolein van der Kolk gelezen dat de architect Daniel Libeskind (1965)  verschillende open ruimtes heeft ingevoegd (zogenaamde ‘voids’) die symbool staan voor de leegte die de deportatie van Joden achterliet in de maatschappij. Het woord void heb ik even opgezocht en ik vond de betekenissen leegte, lege (holle) ruimte, nietig en ongeldig. We doen er goed aan het museum te betreden met de verwachting van een bouwkundige stellingname, een kunstwerk om de leegte concreet te maken. Want leegte kun je pas voelen of ervaren als die op een of andere wijze is omlijst.

We betreden het museum via een kleine draaideur in de gevel van een negentiende-eeuws, in classicistische stijl uitgevoerd gebouw en stuiten op een lange rij bezoekers die wachten op hun beurt om hun tassen door het röntgenapparaat te laten gaan en zelf het detectiepoortje te passeren. We bereiken de nieuwbouw binnendoor, zonder dat we het exterieur nog hebben gezien.

Een donkere trap omlaag, een witte gang die licht omhoog gaat en doodloopt op een zwart vierkant. We komen dichterbij en zien dat er een zware deur in is. Als we die open doen en de ruimte daarachter betreden, overvalt ons de duisternis en worden we aangeraakt door een grafkoude bries. Als onze ogen aan het duister zijn gewend zien we tientallen meters boven ons in een van de drie hoeken een spleet waardoor daglicht naar binnen valt, en vandaar klinken ook (van ver en niet hard) geluiden van buiten. De dichtvallende deur dreunt nog na in de hoge betonnen ruimte als ik me realiseer dat Leo Vroman (1915 – 2014) hierover schreef in zijn lange gedicht Inleiding tot een leegte.

Als de nacht de spelonken dan volgiet / van je geopend gezicht, / wie weet was dat laatste licht niet / van de laatste verdwaalde man / de hallen van het laatste gericht / verlatend, een donkere straat in, / door de grond vallend, en je sterft! //

We maken dat we wegkomen.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen