Zingen

‘Meneer, weet u wel dat Sjoerd vandaag jarig is?’ Ik wist het niet. Vijftien jaar is hij geworden en hij zit in vier havo. Of ze al voor hem hebben gezongen. ‘Als jullie dat doen, ben ik gelijk weg’, zegt de jarige. Meer aanmoediging hebben we niet nodig; het ‘Lang zal hij leven’ wordt ingezet en het feestvarken neemt gelijk de benen, het lokaal uit en zoekt een heenkomen op een van de tafels die in het leshuis staan. Als het ‘Hiep, hiep, Hoera’ is verstomd waarschuw ik hem dat de kust veilig is en dat hij terug kan komen. Zodra hij binnen is, begint het zingen natuurlijk opnieuw.

Volgens het Koornetwerk Nederland zijn er in ons land 1.700.000 zingende mensen, amateurs en professionals, solisten en koorleden. Het netwerk heeft weet van tienduizend geregistreerde koren, maar het aantal wilde koren kent niemand precies. Toch verbleekt de Nederlandse koortraditie bij die van het Verenigd Koninkrijk. En het koorleven van de Britten staat op zijn beurt in geen verhouding tot dat van de Baltische staten en dan in het bijzonder Estland waar tijdens het jaarlijkse zangfeest üldlaulupidu de ene helft van de bevolking in grote stadions de andere helft toezingt. Is het waar dat de zanglust toeneemt naarmate men de magnetische noordpool nadert?

In de vroege jaren zestig van de zestiende eeuw rustten de Antwerpse kooplieden Jonghelinck, Hoefnagel en Hooftman drie schepen uit voor een expeditie naar het Noorden. Ze waren uit op walvisvlees, olie en traan en het ivoor van walrustanden, maar er was ook het gerucht dat men op zoek ging naar een Noordelijke doorvaartroute naar Azië. Drie jaar later keerde een van de drie schepen terug naar de Scheldestad. De opvarenden zagen er haveloos en vermagerd uit en keken met een lege blik om zich heen. Geen wist te vertellen wat er met de anderen was gebeurd. Het ruim was gevuld met walvisvlees en walrustanden en een ruime kooi die met een zwarte doek was bedekt toen hij op de wel gehesen werd. In de kooi huisde een monster, meer precies een moederdier met haar jong. Jeroen Olyslaegers (1967) doet er verslag van in zijn vorig jaar verschenen roman Wildevrouw.

Het vrouwdier en het kind vonden onderdak bij de beroemde kaartenmaker Abram Ortelius, maar zijn behuizing was bij nader inzien ongeschikt, waarna het gezelschap een kamer kreeg In de Engel op het Zand waar herbergier Beer de scepter zwaaide. Hij hield de wildevrouw en haar kind verborgen voor zijn gasten, maar lang kon dit niet duren. De Skraelingen maakten zelf hun aanwezigheid bekend door te zingen.

Ik noem het ‘gezang’ omdat ik er geen ander woord voor heb. Het klonk alsof het een duivel of een engel wilde bezweren. Woorden kon ik niet herkennen, het waren klanken die soms hoog gingen, soms heel diep, alsof een vrouwenstem die van een man werd en omgekeerd, of als een mens die verandert in een beest en omgekeerd.

Dat voor de jagers in het hoge noorden voor de jacht begint het visgerei net zo goed op orde moet zijn als het lied, wisten we al uit de tekst Neuriën op Nipissak van H.C. ten Berge (1938). Jeroom uit het boek van Olyslaeger, die op de noordpool blind is geworden, weet het ook: De wilden daar zingen tot het ijs kraakt, waardoor zij kunnen varen waar geen ander dat kan. Dat gezang was het laatste wat ik hoorde vooraleer ik mijn zicht verloor.

Op de afgelopen persconferentie deelde demissionair premier Rutte mee dat de terrassen langer open mogen en dat iedereen weer binnen en buiten mag sporten. Zingen, waar dan ook, wordt dringend ontraden. En een boek lenen mag ook niet.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Omama

Ze zit bij haar vader op schoot en de schroom van het begin is bijna verdwenen. Met haar linkerhand houdt ze een rode plastic doos vast met groene wieltjes. We weten allebei dat er onder het deksel een speelgoedpaard verborgen is. Ze zegt dat ze bijna drie jaar is en dat ze al snel jarig is. Daar hoort een gebaar bij van haar rechterhand; een, twee, drie vingers. Het gaat haar niet gemakkelijk af, maar haar vader helpt haar. Zo; een, twee, drie. Haar triomfantelijke blik is er niet minder om. En er is geen woord aan gelogen. Zestien mei is het zover. Mijn moeder vraagt wat ze voor haar verjaardag wil hebben. Daar hoeft ze niet lang over na te denken. Een kaart.

Toen mijn broer Hans overleed liet hij zijn vriendin achter en haar dochtertje van negen jaar. Het was een traditie geworden dat ze van woensdag op donderdag bij mijn moeder logeerde. Ik bracht haar de volgende ochtend naar school als ik naar het boekhoudkantoor ging waar ik werkte. Na de basisschool ging ze zelf naar het Montessori Lyceum. Of ze toen nog kwam logeren, weet ik niet meer, maar we bleven elkaar wel zien. Inmiddels zijn we bijna een kwart eeuw verder en heeft ze zelf twee dochters die ze trots aan mijn moeder heeft voorgesteld. De oudste spreekt mijn moeder, die ruim tachtig jaar ouder is dan zij, aan met omama.

Als ze op bezoek komt, met haar ouders of met haar grootouders, die maandag op de kinderen passen, maken we snel een werkplek voor haar klaar. Een tafeltje op kniehoogte met een stoeltje ervoor. De rode doos met de groene wieltjes waar het speelgoedpaard in zit. Een speelgoedserviesje, een wandelwagentje met een pop erin, een felgekleurde plastic auto, een vloerpuzzel, gekleurd papier en stiften en een boek van Dikkie Dik. Maar voor ze daarmee aan het werk gaat, kijkt ze eerst de kamer rond die haar vreemd bekend voorkomt en gaat ze met omama praten.

Wacht. Zei ze wel een kaart? En niet een taart, of een paard? Omama is doof en de articulatie van deze bijna driejarige is nog wel voor verbetering vatbaar. Wat vraagt een kleuter in de dop? Volgens Jan Hanlo (1912 – 1969) in het gedicht Wat zal ik voor je kopen, zoon? is dat Een wereldbol? misschien een wiel? / Misschien een bombazijnen bloes? / Of het profiel van Dante? Zelf dacht ik aan lego, een pop, een boek, een skippybal, vouwblaadjes of een schildersdoos en tekenpapier.

Maar het lieve kind heeft geen idee. Van de kinderen op de opvang kwam ze het niet te weten, daar mocht ze niet komen. De bibliotheek en de boekhandel waren gesloten, en niet een paar maanden, maar sinds mensenheugenis. Ze is daar nog nooit geweest. En ook niet in Artis, ja zelfs aan de Action heeft ze geen actieve herinnering. Er schijnt een verbinding te zijn tussen afbeeldingen die op het scherm van mama’s telefoon, op de i-pad of op de televisie verschijnen en voorwerpen die vermomd als pakje aan de voordeur worden bezorgd. De brievenbus is de kleine opening naar de echte wereld die voor ons verborgen blijft.

Haar verjaardagscadeau zal dus door de brievenbus tot haar komen. Een kaart. Het zal aan mijn leeftijd liggen dat me de tranen in de ogen springen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Zegge

In de stilte van de allerlaatste avondkloknacht praten Daan Heerma van Voss en Pieter van der Wielen over angst. Voor Heerma van Voss (1986), die er een boek over schreef, is dat een erfelijke kwestie die hij heeft kunnen herleiden tot een beroemde  voorvader, de etnomusicoloog Jaap Kunst (1891 – 1960) die in de vroege jaren twintig geluidsopnames verzamelde van traditionele Indische muziek, nadat hij in 1915 al eens een poging had gedaan om een voordracht van Louis Couperus in Groningen te vangen in notenschrift. Over angst gaat het dan niet meer, of het moest de vrees zijn van Kunst dat de oorspronkelijke Indische gamelanklanken zouden worden overwoekerd door gitaarmuziek en jazz uit de nieuwe wereld. Die vrees was misschien niet ongegrond, maar van de Tielman Brothers en Blue Diamonds had nog niemand gehoord en er loerden in de jaren van het interbellum wel andere nachtmerries.

Ik was de tuin ingelopen om de lange border kritisch in ogenschouw te nemen. De  zegge had vorig jaar uitbundig gebloeid en vervolgens de leefomgeving van de rode roos ingenomen. Het scheen de roos niet te deren. De takken rezen vol in blad uit een wolk van gras. Toch leek het me beter om de zegge terug te snoeien, de rode roos is al meer dan dertig jaar oud. Mijn vader heeft hem nog gezet, zij het niet op deze plaats. En nu ik beter keek zag ik tot in de wijde omgeving zaailingen zeggegras opschieten. Dat kon zo niet doorgaan.

In het pas verschenen Willem die Madoc maakte, probeert Nico Dros (1956) het raadsel van het meest virtuele verhaal uit de Nederlandse letterkunde, zoals Frits van Oostrom (1953) dat noemde, nog groter te maken. In de beroemde eerste regels van Van den vos Reynaerde maakt de schrijver van het dertiende-eeuwse dierenepos zich bekend als de auteur van een verhaal dat luistert naar de naam Madoc of Madocke. Die naam wijst op Keltische roots. Er figureert een Maduc in de verhalen over Walewein en Koning Arthur. Er is een zeevaarder bekend die ongeveer zo heet en die, ver voor Columbus, de kusten van Amerika heeft bezocht. Willems tijdgenoot Jacob van Maerlant (1230 – 1300) kent Madoc wel; hij prijst zijn Rijmbijbel aan met de waarschuwing: Want dit nes niet Madocs droem, No Reinaerts no Arturs boerden. En er is nog een verwijzing naar Madoc in het Diets, uit een tekst met de titel Die borchgrave van Couchi, waarin staat: Noch wanic, ridder, dat ghi doeft, Of dat ghi sijt in Madox drome. Als er in het Diets gesproken wordt over Madoc, dan is dat onder dekking van de nacht, in dromenland. Zoals het een tekst betaamt die het daglicht niet kan velen.

Ik ga terug om mijn laarzen aan te trekken en vul de groenbak met zaailingen, zevenblad, woekerende hop en klimop. Ik stuit op winde en brandnetel, waar ik de schop onder zet en handschoenen voor aan doe. Dan snoei ik de zegge terug en constateer dat het een gek gezicht is, die kale rozentakken die alleen aan de uiteinden in blad zijn geschoten.

Willem die Madoc maecte, / Daer hi dicke omme waecte, De dichter, wie hij ook zijn moge, laat er geen misverstand over bestaan dat de schrijver van de droomverhalen van Madoc, zelf de verleidingen van nachtgedachten heeft weerstaan. Willem is woke.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Kutboek

De kamer van Salomé Atabong in het jeugddetentiecentrum is anders dan die van de andere meiden. De muren zijn er wit, er hangen geen posters, er zijn geen kaartjes op de wanden geprikt. Ook de stereo ontbreekt; ze luistert geen muziek. Wel staan er tien oude en nieuwe boeken op het bureau die haar moeder voor haar heeft meegebracht en die door de leiding van het centrum zijn toegestaan. Waarop de boeken zijn gecontroleerd staat niet in ‘Confrontaties’, de eerste roman van Simone Atangana Bekono (1991) die vorig jaar september verscheen. Vreesde de bewaking opruiende gedachten, giftige taal, zou er gereedschap, een vijl, een ijzerzaag, in het boekblok verborgen zijn, of erger nog, drugs? Kan het boek zelf als wapen worden gebruikt? Aan papier kun je je lelijk snijden en er zijn boeken die zo zwaar zijn als een baksteen.

Salomé is een boekenwurm. Na de basisschool is ze naar het Sint-Odulfusgymnasium gegaan. Haar leraar Nederlands heeft haar het verschil uitgelegd tussen literatuur en lectuur. We moesten Van den vos Reynaerde lezen en dat ene boek van Piet Paaltjens. Iemand vroeg of The Lord of the Rings ook literatuur was en toen lachte mijn leraar Nederlands hem uit. Toen ze van haar moeder The old man and the sea had gekregen gooide ze het in de prullenbak; ze werd er somber van. Daarna bracht haar moeder nog een boek van Hella Haasse mee en een van Jan Wolkers. Het eerste boek heeft ze niet gelezen, als moeder vraagt wat ze van het tweede vond zegt haar dochter: Jan Wolkers is nasty.

Salomé gebruikt boeken om te vluchten. Als tante Céleste op bezoek komt is ze te verlegen om haar onder ogen te komen. Tante vindt haar nicht op zolder waar ze zit te lezen. In welk boek, vertelt het verhaal niet. Als ze misselijk is omdat ze in de shit zit, leest ze tot het misselijke gevoel weggaat en ook als ze in de jeugdgevangenis zit, troosten boeken haar: Ik probeer het leuk te houden met boeken. Met sigaretten roken op de luchtplek naast Marissa. Met de filmavonden. Met de paar opstootjes per maand …

Maar wàt leest ze dan? In gesprek met haar therapeut komt De Vreemdeling ter sprake: Meursault, hij had één ding verkeerd. Hij had de Arabier niet hoeven doden. Harry Potter, maar dat is al langer geleden. Druiven der Gramschap misschien van John Steinbeck. Een familie raakt hun boerderij kwijt. Ze trekken naar Californië om te werken. Heel tragisch. Prachtig.

Op haar eerste verlofdag mag Salomé met een begeleidster naar de bieb in de stad. De stilte in de leeszaal treft haar, ze ziet een rij Kruimeltjes staan, die ze herkent uit haar jeugd. Even later staat ze met een bundel van Vasalis in haar handen die haar moeder ook heeft. Ik blijf staan bij een boek met als omslag een stel koeien en een bewolkte lucht. Boven is het stil staat erop. Ze verlaat de bibliotheek zonder boek.

Op achttien oktober 2007 was ze belaagd door twee jongens uit haar klas. Ze viel met de fiets, er was een vechtpartij. Salomé belandde in de sloot met haar fiets. Kijk d’r liggen, lacht Salvatore en hij haalde zijn telefoon uit zijn zak en maakte een foto. Ik staarde naar de lucht en dacht aan mijn boeken die zich vol water zogen, letters van inkt die in grote zwarte druppels veranderden en oplosten in de drab.

Die natte boeken moeten de woede veroorzaakt hebben die een keten van gebeurtenissen in gang zette, die een voorlopig einde vonden in een gerechtelijk vonnis en een veroordeling.

Met de woede is het dan nog niet gedaan. Als ik in mijn kamer ben smijt ik de deur achter me dicht en pak mijn tube handcrème van de plank en smijt ‘m tegen de muur maar dat doet niks. Dan pak ik Harry Potter en Beloved en dat kutboek van Willem Frederik Hermans, ze bonken met hun kaft tegen de muur.

Ik vermoed dat het om De donkere kamer van Damocles gaat.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Kletskousen

De eerste vraag die ik stel als ik begin te lezen is: Wie spreekt hier? ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder die al decennia dood is. Ik ben intussen ouder dan zij is geworden. Ik bedoel. Bedoel ik iets?’ Nee, geen alwetende verteller. Iemand op leeftijd, iemand die twijfelt aan zijn bedoelingen zo te zien, iemand die zijn gedachten niet stuurt of de baas is maar erdoor wordt overvallen. In de inrichting waar hij verblijft wordt hij voor dement gehouden. Hij heeft blauwe staar en weet zelf ook wel dat hij niet meer alles ziet en hoort, dat is niet uitzonderlijk op zijn leeftijd. Maar aan zijn opmerkingsgave hoeft niemand te twijfelen en dement is hij ook niet. Busken, is de naam, de zeergeleerde Busken, emeritus hoogleraar cybernetica. Naar eigen zeggen dan toch.

We zijn wel wat gewend inmiddels, als het gaat om verhaalperspectief. De tijd van de obligate auctoriale verteller ligt ver achter ons. Hugo Claus (1929 – 2008) gebruikte Mon, Bennie, Ana, Jules, de moeder en Jim Braddok om het verhaal van De Metsiers te vertellen. Specht en zoon van Willem Jan Otten (1951) beleven we op gezag van een stuk schilderslinnen dat wordt opgespannen en verandert in een schilderij. Jan van Mersbergen (1971) laat een paard het woord voeren in De Ruiter en naarmate we vorderen in Ulysses van James Joyce (1882 – 1941) lijkt het er steeds meer op dat het de stad Dublin is waardoor de wederwaardigheden van Leopold Bloom op die gedenkwaardige zestiende juni van het jaar 1904 tot ons komen. Ondertussen kan niemand het verhaalperspectief zo geleidelijk van het ene naar het andere personage laten glijden als Marijke Schermer (1975).

Behalve Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers (1940) staat op de shortlist voor de aanstaande Libris Literatuurprijs ook Wij zijn licht  van Gerda Blees (1985). Dit werk was eerder al de favoriet van de Nederlandse boekverkopers en gaat over een sterfgeval in de woongemeenschap Klank en Liefde. Het boek telt vijfentwintig hoofdstukken en net zo veel vertelinstanties die zichzelf gelukkig in de eerste zin van elk hoofdstuk voorstellen: Wij zijn de nacht, begint het eerste hoofdstuk, Wij zijn licht het laatste. Daar tussenin nemen de buren, een pen, een sinaasappelgeur, de raadsvrouw, de slowjuicer, het verhaal, de twijfel, een vlinder, de ouders, het dagelijks brood, twee sigaretten en nog zo het een en ander meer het woord.

Heus, ik schrik niet van een personificatie. Dat ik nog voor het eerste bedrijf van Warenar van P.C. Hooft (1581 – 1647) wordt toegesproken door Mildheid en Gierigheid, aanvaard ik moeiteloos, en dat in de verhalen van Olivier B. Bommel de ambtenaar Dorknoper heet, is mij best. Maar voorwerpen als een cello, brood, sigaretten, een pen of een slowjuicer stel ik mij het liefst zwijgend voor. Als op een stilleven, zachtjes mijmerend over de vergankelijkheid, slechts aanwezig om de tijd zichtbaar maken. Als in een gedicht van Rutger Kopland (1934 – 2012) wat oude appels, grijze peterselie, / een dorre ui, een dode goudplevier,

Natuurlijk bieden vijfentwintig gezichtshoeken ons uitgebreide mogelijkheden veel, zo niet alles te weten te komen over het tragische verlies in de woongroep, zelfs al kiert er uiteindelijk nog het nodige tussen de verschillende verhalen. Toch groeide bij deze lezer de weerzin die ik ook voel als de zoveelste deskundige aanschuift bij de zoveelste talkshow. De buren en de raadsvrouw, de vlinder en de feiten, ze zien misschien andere dingen, maar ze praten allemaal hetzelfde.

In het negentiende hoofdstuk neemt een paar door moeder gebreide geitenwollen sokken het woord. Toen heb ik het boek even weggelegd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Terug naar Zwanenburg

Ik had al een paar uur geslapen toen ik, even voor twaalf uur, wakker werd. Een vliegtuig misschien, de luchtverkeersleiding weet van geen avondklok. Ik zette de radio aan, hoorde het staartje van Met het oog op morgen, het eerste nieuwsbulletin van de nieuwe dag en de begintune van het programma Nooit meer slapen. Pieter van der Wielen interviewde Matthijs van Boxsel (1957), de auteur van het pas verschenen boek De topografie van de domheid. Utrecht, dacht ik, de Domstad. Of Domburg op Walcheren. Dommelen, schoot me te binnen, onder de rook van Valkenswaard. Of Domrémy aan de Maas op de grens van Lotharingen, waar de maagd van Orléans geboren werd. Het vraaggesprek op de radio richtte de blik naar het Oosten, naar Kampen dat zijn naam heeft gegeven aan de Kamper Ui, verhalen van spreekwoordelijk geworden domheid. Om die te begrijpen moest men terug naar de tijd van de Hanze en daarvoor, de rivaliteit tussen steden als Zwolle en Kampen.

Van Boxsel benadrukte dat domheid niet gezien moest worden als gebrek aan intelligentie. Het was een zelfstandige eigenschap die van alles te maken had met de zintuigen. Dom was ook wel een ander woord voor doof en stom, maar het verlies van spraak en gehoor werd in voorkomende gevallen ook weer gecompenseerd door andere kwaliteiten; beeldend vermogen, ruimtelijk inzicht. Nee, het past ons niet neer te kijken op de domheid. Ze is onuitroeibaar en uiteindelijk wat alle mensen met elkaar verbindt. De waanzin is onze gemeenschappelijke geestelijke achtergrond, de enige echte bron van het gezond verstand, schreef Cornelis Verhoeven (1928 – 2001). De domheid is ongrijpbaar, nooit de uitkomst van een voornemen, ze verschijnt eerst als het te laat is.

In mijn halfslaap mijmerde ik over de vraag of mijn woonplaats Zwanenburg ook een plaatsje zou verdienen in de Topografie van de domheid. Ik groef in mijn gedachten naar verhalen over het dorp. Tevergeefs, er was niets in mijn geheugen dat in aanmerking kwam, tot me de naam van Bas Heijne (1957) te binnen schoot. Heijne was al eens omschreven als een boekenjongetje uit Zwanenburg. De romancier, essayist, columnist en P.C. Hooftprijswinnaar had vijf jaar geleden het verdriet van de Zwanenburgers om de sluiting van het zwembad in het begin van de jaren negentig,  gebruikt om de kloof die de burgers scheidt van het bestuur en de politiek te duiden.

Heijne is weliswaar in Nijmegen geboren, maar bracht zijn jeugd door in het dorp nabij Halfweg aan de noordwestelijke rand van de Haarlemmermeerpolder.  Een forenzenplaats, in een tijd waarin – verkondigde iedereen – helemaal niets gebeurde, zo beschreef Heijne Zwanenburg in een vraaggesprek met het dagblad Trouw dat ging over de tien geboden. Verderop in het interview verandert Zwanenburg van een plaats op de kaart van Noord Holland langzaam in een gemoedstoestand. Had Billy Joel zijn New York state of mind die – I don’t have any reasons / I’ve left them all behind – langs de domheid schampt, Bas Heijne koestert een andere, bitterzoete weemoed. Ik heb heel lang met een groot verlangen rondgelopen, kon wegdromen bij de gedachte aan al de openbaringen die mij nog ten deel zouden vallen. Tot die tijd zat ik in Zwanenburg, waar niets gebeurde, omringd door mensen die mij veelal weinig interesseerden. Mijn reactie daarop was geen opstandigheid, maar verdoving. Het is een gevaar dat bij mij altijd op de loer ligt: als ik mezelf niet kan realiseren, of me onbegrepen voel, verdoof ik mezelf of hoe zal ik het zeggen, maak ik mezelf ongevoelig voor dingen. Zodra het me tegenzit, of ik op onbegrip stuit, keer ik terug in die veilige maar claustrofobische cocon van mijn jeugd. Dan keer ik even terug naar Zwanenburg.

Verdoving, ongevoeligheid voor de dingen, onbegrip en desinteresse. De troost van de domheid precies op de plaats waar ik woon. Ik sliep met een tevreden glimlach weer in.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Lezen en schrijven

Woensdagmiddag was ik op De Nieuwe Ooster om afscheid te nemen van Hanneke Willemse, historicus, Spanjekenner, activist, anarchist, die 26 maart op eenenzeventigjarige leeftijd is overleden. Kanker maakte een einde aan een vriendschap van vijfendertig jaar.

Hanneke en ik ontmoetten elkaar voor de eerste keer in de tweede helft van de jaren tachtig. Hanneke en haar levensgezel Jan Groen waren op de uitgeverij om Hannekes afstudeerscriptie aan te bieden voor publicatie. Ik werkte daar destijds. We maakten van de scriptie een boekje met de titel De onvoltooide revolutie, burgeroorlog in een Spaans dorp. Dat dorp is Albalate de Cinca, waar anarcho-syndicalisten in de jaren dertig de landbouwgronden collectiviseerden, het verschil tussen bazen en knechten ophieven en welvaart voor velen organiseerden.

Hanneke bleef betrokken bij onze uitgeverij. Ze werd lid van de redactieraad, hielp mee nieuwe uitgaven te selecteren en die net zo lang te redigeren tot ze de kritische blik van onze lezers waard waren. Ik herinner me intensieve sessies om de Nederlandse vertaling van de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en het kamp Auschwitz van Eva Schloss en haar moeder indringend te verwoorden en sentimentaliteit voor te blijven.

Niet lang daarna ging Hanneke terug naar Albalate om de antwoorden te vinden op vragen die ze in het kader van haar promotieonderzoek had gesteld. Hanneke en ik stuurden elkaar elke week een brief.

Hanneke vroeg me om delen van haar proefschrift in wording te lezen en van commentaar te voorzien. Ik probeerde, nu eens verlegen, dan weer gretig aan haar verzoek te voldoen en keek vervolgens verlangend uit naar een volgende versie van het hoofdstuk. Ik geloof wel dat ik kan zeggen dat we konden lezen en schrijven met elkaar, Hanneke en ik.

Op twintig juni 1996 was het boek klaar. Gedeeld verleden, Herinneringen van anarcho-syndicalisten aan Albalate de Cinca, 1928 – 1938. De promotie vond plaats in de Aula van de Universiteit van Amsterdam aan het Spui. Ik was er van nabij getuige van.

Ook daarna hielden we elkaar op de hoogte van de boeken die we lazen en de teksten die we schreven. We zagen elkaar niet vaak, een keer of vier, vijf per jaar, maar elke ontmoeting was een gebeurtenis. Hanneke was een warme persoonlijkheid, die goed kon luisteren, scherpe vragen stellen kon, oprecht geïnteresseerd in de zaak en de persoon, nieuwsgierig, niet snel tevreden met het eerste antwoord. De ontmoetingen met Hanneke waren ook niet afgelopen als we elkaar gedag hadden gezoend en elk ons weegs gingen. Steevast volgden dan de nodige e-mails over en weer met aanvullingen, tekstfragmenten en leestips.

Een van onze laatste ontdekkingen was het werk van Lieke Marsman (1990). Hanneke had al kanker en Lieke Marsman publiceerde een sonnet waarin stond:

Je lijf is ziek, maar je wordt beter, het zal slijten. / Je zult stiller in het gras liggen en slanker, / uitgemergeld chic bezoek ontvangen. Maar kanker / heeft geen kalender, dus heb geduld.

We bewonderden haar klare taal en lazen verder. Marsman is onverdraagzaam voor sociale ongelijkheid en pepert dat ons met een even soepele als scherpe pen in. Haar gedichten  zijn muzikaal, soms grappig, altijd to the point en altijd betrokken.

Woensdag las ik het gedicht VERZET uit Marsmans pas verschenen bundel In mijn mand, waar in de regels staan: Ze zetten je het paradijs uit / wegens regels, zeggen ze. / Hoe konden regels ooit / een reden zijn? en dat besluit met de woorden: Ze zullen je vragen om / je vrijheid terug te kopen / met een schuld. / Zeg nee. Want nee / is ook een antwoord. / Verzet begint er mee. // Wat zul je aangeslagen, / maar nooit moegestreden zijn.

Daarna hebben ze Hannekes lichaam gecremeerd.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Bloemkolen

Al langer dan een jaar zijn mijn leerlingen een prooi van het slechtste onderwijs dat ik kan verzorgen. We mochten niet meer op school komen, omdat door jarenlange bezuinigingen en een besmettelijk virus ziekenhuizen de hulpvraag van doodzieke mensen niet konden beantwoorden. We hielden hulpeloos contact via het computerscherm. Dat duurde tot de zomervakantie. In augustus ging de school weer open, maar twee maanden later werden op last van de schoolleiding en de ggd besmette leerlingen, betrokken lesgroepen, ja complete jaarlagen naar huis gestuurd. Weer twee maanden later waren we terug bij af en was de school alleen toegankelijk voor de examenkandidaten, die, omdat dat beter was voor ons allemaal, tijdens de les in drie verschillende lokalen werden gestopt. Dat is niet helemaal waar. Als we per se wilden, mochten we ook de beginselen van het argumenteren oefenen in de gymzaal.

Maar deze week ontmoeten we elkaar in kleine groepjes en spreken we met elkaar over de acht boeken die we hebben gelezen. Zoals De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa (1967). Ilham en Thouraya, twee Marokkaans Nederlandse meiden smokkelen een Marokkaanse jongen naar Europa. Ze kunnen het geld goed gebruiken, maar ze gunnen Murat Idrissi ook de kans om de armoede te ontvluchten en het geluk te vinden in Europa. Murat overlijdt op de veerpont tussen Tanger en Algeciras, gestikt in de uitsparing voor het reservewiel in de achterbak van de auto, waar hij zich hield verborgen.

Voor me zitten Kaoutar en Claudia. Het vluchtverhaal van Murat Idrissi gaat naadloos over in dat van Kaoutars vader. Ook hij had zich, achttien jaar was hij, verstopt in een auto onderweg van Marokko naar Spanje. Hij kwam na veel avonturen in Noord Holland terecht, voorzag in zijn levensonderhoud door op het land te werken. Bloemkolen, zegt Kaoutar. Het duurde bijna tien jaren voor hij de benodigde papieren had om een bestaan op te bouwen in Nederland. Toen hij tweeëndertig jaar oud was, trouwde hij. Kaoutar is zijn oudste dochter.

Daarna komen we over Fabriekskinderen te spreken, de tranentrekkende gamechanger in het debat over kinderarbeid van de Betuwse schilder en voordrachtskunstenaar Jan Jacob Cremer (1827 – 1880). Zou in onze tijd een boek of een verhaal ervoor kunnen zorgen dat er een einde komt aan bij voorbeeld racisme en ongelijkheid, wil ik weten. Kaoutar is stellig met haar antwoord. Een verhaal maakt geen einde aan racisme, want het zit in ons allemaal. Zij probeert in het dagelijks leven, als vertegenwoordigster van haar bevolkingsgroep en geloofsgemeenschap, het goede te doen. Ik schrik van die uitspraak en vraag Claudia of ze ook vertegenwoordigster is van iets of iemand. Nee, zegt ze, en ze denkt na. Brengt naar voren dat ze half Italiaans en half Nederlands is en zegt nog eens nee. Zwijgt en zegt of toch, een vertegenwoordigster van de  jongeren. Als ze iemand met een rollator ziet, groet ze die bijvoorbeeld vriendelijk en vraagt of ze kan helpen.

Nog even over De dood van Murat Idrissi. Hebben Ilham en Thouraya een fout gemaakt? Claudia vindt van wel. Ze zijn niet schuldig aan de dood van Murat, maar de operatie was, hartje zomer, in een gloeiend hete auto, in de verzengende hitte van Marokko en Spanje, gedoemd te mislukken. Ook Kaoutar is van mening dat Ilham en Thouraya niet goed hebben nagedacht. Maar om een andere reden dan haar klasgenoot. Ze zegt dit is geen werk dat vrouwen moeten doen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Naar Hoorn

Volgende week beginnen mijn leerlingen van vijf havo en ik met de mondelinge schoolexamens letterkunde. Haastig voegen ze de laatste titels toe op de lijst van acht boeken die tijdens het examen zullen worden besproken. Men volgt de impuls om op het laatste moment De Aanslag van Harry Mulisch toch maar te vervangen door Het bittere kruid van Marga Minco. Gaat ook over de oorlog, toch? En is veel dunner. Wie al was begonnen in het Boekenweekgeschenk uit 1993 van Willem Frederik Hermans; In de mist van het schimmenrijk, geeft  na de eerste pogingen op, en zet in plaats daarvan Pizzamaffia van Khalid Boudou op zijn lijst. Als de lijsten tot rust zijn gekomen peil ik de oogst en stel vast dat Tim Krabbé de meest gelezen auteur is, maar ook dat voor het eerst in mijn onderwijsloopbaan geen van de kandidaten Turks Fruit van Jan Wolkers heeft gelezen.

Tussen Couperus’ Noodlot en De dood van Murat Idrissi van Tommy Wieringa, tref ik ineens Een Hollands drama aan. Een auteur wordt niet genoemd. Geeft niet, komt nog wel. Ik grijp in elk geval de kans aan om deze klassieker uit 1935 van Arthur van Schendel (1874 – 1946) te herlezen. Waar gaat het over? De botsing van de wereld van Gerbrand Werendonk met die van zijn neef Floris Berkenrode, over schuld natuurlijk in alle betekenissen van dat woord, over voorzienigheid en lotsbestemming, over opvoeding en ongelijkheid, dat waar men woont iets doet met wie men is en over Haarlem. Gerbrand achtte het nietig verschil of men zijn brood verdiende in een winkel of op een kantoor, en eigenlijk vond hij het niet goed dat Agnete, een dochter uit den bescheiden stand, nu mevrouw genoemd werd. Maar dat moest zo tegenwoordig. De een in de Grote Houtstraat liet zich mijnheer noemen, de ander in de Gierstraat maakte geen aanspraak op meer dan zijn achternaam, beiden tabaksverkopers, het verschil alleen in het geld in de winkellade, meer of minder.

Als Floris voor het eerst van huis wegloopt, weet hij geen andere bestemming dan een vaag bekende oom in Hoorn. In Beverwijk vraagt hij de weg en krijgt te horen dat hij dan met de trein moet. Daarvoor heeft Floris het geld niet en hij loopt verder. Nog dezelfde avond is hij in Hoorn.

Dat wandelen heeft Floris van geen vreemde. Arthur van Schendel liep ook al eens naar Hoorn. In zijn Jeugdherinneringen doet hij er verslag van. Een andere wandeling was naar Laren, waar ik dacht dat Johan, die voor militaire oefening was opgeroepen, zich in het kamp bevond, maar aangezien hij er niet was liep ik terug en van Amsterdam naar Hoorn, waar ik hem in de kazerne vond.

Het duurt even voor de lezer weet wanneer een en ander zich afspeelt. Niet in de jaren kort voorafgaand aan de verschijningsdatum van het boek. De geboortedatum van Gerbrand Werendonk staat op de eerste pagina; 19 januari 1835, honderd jaar eerder. Wanneer zijn neef Floris het levenslicht ziet, wordt niet met zoveel woorden vermeld. Er rijden wel treinen, maar er is geen elektrisch licht, de Haarlemse straten zijn ’s avonds donker en leeg. Aan de klokken van de Bavo weet men hoe laat het is.

Pas in de laatste hoofdstukken krijgt de lezer weer vat op de tijd. Floris verbrast het geld dat hij uit de kas van zijn oom heeft genomen op de wereldtentoonstelling die op dat moment in Amsterdam wordt gehouden. Dat moet de late zomer van 1895 zijn geweest.

Ik zal volgende week eens informeren of mijn leerling tot eenzelfde conclusie is gekomen.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Haar

De opdracht gedocumenteerd schrijven voor de leerlingen van vier havo gaat dit jaar over ‘beeldvorming en sociale media’, en dat is moeilijk genoeg. Het begon met het idee om dat thema centraal te stellen op het jaarlijkse tribunaal van onze school, een dag lang verdieping en debat over een actueel maatschappelijk onderwerp waaraan alle leerlingen meedoen, maar omdat onze gezondheidszorg al een jaar lang niet in staat is soelaas te bieden in de Covidepidemie, gebood de minister van Onderwijs de scholen goeddeels te sluiten. Nu moet ik via wankele wifi-verbindingen en incidenteel contact op school de intuïties van mijn leerlingen wakker kussen over influencing via instagram, het belang van selfies en de zoete dwang van facebook, whatsapp en snapchat.

In haar column in de Volkskrant van afgelopen dinsdag, bespreekt Aleid Truijens (1955) het eerder deze maand verschenen rapport van de Inspectie voor het Onderwijs over schrijfvaardigheid van leerlingen in het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs. Het onderzoek van de inspectie vond plaats in de jaren 2018 en 2019 en waar dat mogelijk was, zijn de resultaten vergeleken met die van 2009. De belangrijkste conclusie was dat een kwart van de leerlingen uit groep acht de basisvaardigheden van het schrijven niet beheerst en dat dat in 2009 ook al zo was.

In haar column brengt Truijens een paradoxale bevinding uit het rapport onder de aandacht; op scholen die geen schoolboek gebruiken in hun schrijfonderwijs, maar hun eigen methoden en middelen ontwikkelen en kiezen, leren de jongens en meisjes beter schrijven. Onderzoeker Eric Besselink kijkt er niet van op: Waar leerkrachten zelf veel inbrengen, kunnen ze ook makkelijker aansluiten bij de actualiteit en interesses van kinderen. Dan is het veel makkelijker om logische lijntjes te leggen. Het verbaast mij niet. Is het dan geen zaak om te erkennen dat klassikaal schrijfonderwijs maar beperkt effect heeft en dat leerlingen de grootste vooruitgang boeken na een-op-een contact met hun docent? Zodra dat weer mag dan toch.

Lynn heeft stiekem het lokaal verlaten en kijkt me op de gang van boven haar mondkapje schuldbewust aan. Bent u naar de kapper geweest?, vraagt ze, en ik probeer het gesprek snel naar het onderwerp van de opdracht gedocumenteerd schrijven te leiden. Of ze zich wel eens heeft afgevraagd hoe het komt dat kale mannen wel gezag kunnen uitstralen, maar dat dat vrouwen met een kaal hoofd niet lukt. Of dat je als muzikant haren moet hebben als Beethoven, Amy Winehouse of Jimi Hendrix, maar als presentatrice van een talkshow alleen maar kunt kiezen uit halflang, blond en los? Zou ze niet over haar willen schrijven? En mij dan snel een eerste proeve sturen?

In een grijs verleden leerden generaties scholieren schrijven via het vertalen van teksten. Niet alleen uit het Duits, Frans en Engels, maar ook uit het Latijn en Grieks. Daar klonk het humanistische adagium in door van translatio, imitatio, aemulatio. Door vertalen en navolgen kunnen onze teksten beter worden dan die van onze voorgangers. Niña Weijers  noemt Frans Kellendonk  als haar grote voorbeeld, Kellendonk had grote bewondering voor Joost van den Vondel. Sylvia Witteman is columniste geworden door Simon Carmiggelt te lezen. Geert Mak maakt er geen geheim van dat hij is beïnvloed door Koos van Zomeren. In de stem van Renate Rubinstein resoneert die van Carry van Bruggen. Marieke Lucas Rijneveld koestert de echo van Jan Wolkers in haar proza.

Want lezen helpt ook.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen