Winterbode

De ooievaar die door het raam is gevlogen van het huis dat staat op de grens van Halfweg en Osdorp, is nep. Het exemplaar dat een paar kilometer verderop door het ruige weiland beent is van vlees en bloed en witte en zwarte veren. Een week of twee geleden zag ik hem voor het eerst en geloofde mijn ogen niet. Grijs weer, grijze nevel over de velden. Een blauwe reiger, toch? Het westelijkste stukje van Amsterdam West, voorbij de Joris van den Berghweg. Zeven dagen later, een vrijdag, zie ik hem foerageren op een van de velden van sportpark de Eendracht. De mannen van groenvoorziening knotten de wilgen. Als een paar dagen later de afgezaagde taken nog in hopen langs de kant van de sloot liggen, stappen er zelfs twee door het gras aan de andere kant van het water. Regenwurmen, rivierkreeftjes, een mol die zijn blinde hoofd boven het maailand uitsteekt, een muis misschien. Zolang ik hier kom, zag ik er geen, en nu zijn hier ooievaars als winterbode.

Harry ter Balkt (1938 – 2015) zag hem in de zomer: toen de lis bloeide en ooit / de vlonder over de sloot / het klapwieken van de ooievaar vernam. Zo staat het in het gedicht Sidderende bliksemflitsen uit de bundel Vliegtuigmagneet. Was de ooievaar geen lentebode? Jawel, tot 1970 begon het voorjaar niet voordat de ooievaars uit Afrika waren teruggekeerd en hun hoge nesten weer hadden ingenomen. Koos van Zomeren (1946) doet in Nog in morgens gemeten verslag van een bezoek aan de luxueus verbouwde boerderij van Kees Vos. Hij is verkeersvlieger geweest en heeft destijds, toen hij zich hier vestigde, de voortuin ingericht als fokstation voor ooievaars. Dat moet in de jaren zeventig zijn geweest. Ooievaars kwamen in Nederland nog nauwelijks voor. Met een fokprogramma is de vogel voor ons land gered, maar sinds die tijd kiest menige vogel er in het najaar voor te blijven waar hij is.

Ooievaars in Amsterdam, die zoek je in Artis. Er zijn er in het Vondelpark en ook Frankendael in Oost heeft verscheidene paren, maar ooievaars in West, daarvan had ik niet vernomen. Ten onrechte. Rembrandt maakte omstreeks 1645 een tekening van het kerkje in Sloten. Op het dak prijkt een nest met ooievaars en op een gravure van halverwege de negentiende eeuw staat hetzelfde kerkje afgebeeld, met, nog altijd, het ooievaarsnest. Op de site www.kropveld.net staat een overzicht van ooievaarspalen in Amsterdam. Ik tel er al gauw een stuk of twaalf in Amsterdam West: drie op een rij in de Lutkemeerpolder, een aan de Osdorperweg, een in De Vrije Geer, twee bij de Sloterplas, ze zijn me nooit opgevallen. Die aan de Nico Broekhuysenweg wel, maar die is nauwelijks drie meter hoog en dusdanig vervallen dat ik het bouwsel nooit serieus heb genomen.

Het broedsucces van de nesten op de palen moet al die jaren beperkt zijn gebleven, want anders waren de ooievaars in dit gebied even talrijk als de blauwe reigers en waren ze me op mijn regelmatige wandelingen wel opgavallen.

Nog even over piloot Vos, zouden ooievaars hem fascineren omdat hij zelf gevlogen heeft?

Bij thuiskomst vind ik op de mat een kaartje uit Rotterdam van mijn goede vriend Hans Schoen dat besluit met: Nog een literair wapenfeit: ik heb de afgelopen maanden de werkkamer van Harry ter Balkt opgeruimd. 8 dozen naar het literatuurmuseum. Ga het zelf uitzoeken.

Daar moet toch een doos over ooievaars bij zijn.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een grote gelijkenis

‘Wat een kunstenaar nodig heeft is een pose’, zegt de verteller van ‘De Poolse vriend’. Laten we hem Maxim Osipov noemen, de Russische cardioloog en schrijver van ‘De wereld is niet stuk te krijgen’, waarin ook dit verhaal staat. ‘Zoals ook een chirurg, een leraar, en ook een militair het zonder iets dergelijks niet kunnen stellen (…)’. Ik las het en beaamde het voor zover het een leraar betreft. Of een militair, al schiet me daarbij eerder het woord aplomb te binnen. En een kunstenaar? Jawel, die zijn er met een pose. Maar van de noodzakelijke pose van de chirurg kon ik me geen voorstelling maken. Zij stelt zich daags voor de operatie voor, misschien zie je haar nog in de operatiekamer. De rest van haar werk doet zij terwijl de patiënt onder narcose is. De cardioloog, die met haar aan tafel zit tijdens teamvergaderingen, heeft stellig een andere indruk van de chirurg.

De wonderlijke notie van die göttliche Gewalt, die Walter Benjamin in zijn Zur Kritik der Gewalt uit de hoge hoed toverde om zijn lezers hoop te geven op een mogelijkheid van geweld om onze overheersers te weerstaan, spookte nog door mijn hoofd, terwijl ik in het boek Met lichte tred van Ton Lemaire (1941) vorderde in het hoofdstuk Slenteren in de stad. Parijs komt daar ter sprake, en Walter Benjamin, die de Franse metropool de culturele hoofdstad van de negentiende eeuw heeft genoemd en die in de jaren dertig uitgebreid studie heeft gedaan naar de betekenis van de Parijse passages, de kunst van het flaneren en de dichter Charles Baudelaire (1821 – 1867). Mijn gedachten dwaalden af naar de keren dat ik Parijs bezocht en de antiquariaten van het Quartier Latin afstruinde. Ik pakte er een oud livre de poche classique-deeltje van Baudelaire bij dat ik daar kocht; Mon coeur mis à nu met ultrakorte teksten, soms maar van vijf woorden; zijn het eigenlijk wel teksten?

Eén ervan luidt: Er is in de liefdesdaad een grote gelijkenis met de foltering en met een chirurgische ingreep. (Het moet de chirurgische ingreep zijn geweest die mijn aandacht trok.) Ja, dacht ik, dat klopt. Je moet met minimaal twee zijn, al bestaan zelfbevrediging, suïcide en automutilatie ook. Is er bij alle drie geweld in het spel? Dat is misschien te sterk uitgedrukt, maar van overweldiging is toch zeker sprake, en, als we het perspectief veranderen, van onderwerping. Is het niet ook een overeenkomst dat men zich in genoemde activiteiten stort zonder enig voorbehoud?

Ik had moeite met dat woord foltering. Als het uitsluitend om vrijen en medische operaties zou gaan, moest Benjamin ze onmiddellijk opnemen als voorbeelden van praktijken van goddelijk geweld. Ik tikte de woorden extase en martelaarschap in de Google-balk, er popte een rijkdom aan afbeeldingen op uit de Middeleeuwen, Renaissance en Barok. Ik zette mijn reserve voorlopig op een zijspoor.

Baudelaire is in hetzelfde boekje teruggekomen op zijn wel erg beknopte en raadselachtige observatie over de liefdesdaad. Rokus Hofstede heeft er een vertaling van gemaakt: Ik heb geloof ik al eens in mijn aantekeningen geschreven dat de liefde veel weg heeft van een foltering of een chirurgische operatie. Maar dat idee kan op uiterst wrange wijze worden uitgewerkt. Zelfs al zouden beide minnaars dolverliefd en vol verlangen naar elkaar zijn, dan nog is een van beide altijd kalmer of minder bezeten dan de ander. Die man, of die vrouw, is de chirurg of de beul; de ander is de patiënt, het slachtoffer.

Nee, ook de minnaar kan niet zonder een pose.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Innerlijke drang

Ik heb mijzelf steeds beschouwd als een tamelijk geweldloos persoon, totdat ik de ravage in ogenschouw nam die was achtergebleven aan mijn lichaam na het implanteren van een nieuwe hartklep en een vervangende kransslagader. Ik weet dat ik zelf op de operatietafel ben geklauterd. Dat ik heb gesproken met de chirurg en zijn team en hun heb gevraagd toch vooral goed naar elkaar te luisteren. Ik was het zelf die de zegen gaf aan de operatie, al hing boven het weigeren van toestemming de dreigende wolk van een wel erg beperkte levensverwachting. Toen het zelfmedelijden bij het zien van de wonden, gaten, kwetsuren en littekens in alle kleuren was weggeëbd, bleef de vraag: wat is dit voor geweld?

Eind augustus was er een filosofisch onderonsje van  Ad Verbrugge met Willem de Witte en Rico Sneller op het You Tubeplatform De nieuwe wereld. De aanleiding was dat honderd jaar geleden het opstel Zur Kritik der Gewalt van Walter Benjamin (1892 – 1940) verscheen. Honderd jaar geleden, dat was tijdens de Weimar republiek. In de naweeën van een verloren oorlog bloeide de hoop dat de klassenstrijd nu eens de goede kant op zou plooien. Maar in Berlijn stelden milities van getraumatiseerde, teruggekeerde soldaten orde op zaken en verschenen er steeds meer bruinhemden in het straatbeeld. Benjamin stelt vast dat die Gewalt, dat in het Duits zowel geweld betekent als macht, gezag en autoriteit, in het dagelijks taalgebruik doorgaans als middel tot een doel wordt gezien; de context waarin Benjamin zijn kritiek op de macht formuleert, is die van het recht. Geweld dient om geweld te reguleren. Met geweld stelt men grenzen en wetten, met geweld handhaaft men die en bestraft men overtredingen (die natuurlijk pas mogelijk zijn geworden dankzij geweld). Tegelijkertijd constateert Benjamin dat voor de willekeurige burger als rechtsvoorwerp, de handhaving van de wet minder met rechtvaardigheid heeft te maken dan met willekeur en blinde werking van het lot. En Benjamin stelt de vraag of het stellen van hoge doelen wel in de macht van mensen ligt.

Was dit een antwoord op mijn vraag? In mijn gedachten had ik een definitie van geweld geformuleerd als onomkeerbaar handelen over de grenzen van de lichamelijke integriteit heen. Ik weet dat niet alle geweld gevolg van handelen is en ik betwijfel of er duidelijke grenzen zijn aan het ik of de lichamelijke integriteit. Zouden artsen dat niet doen? Waar halen zij de moed vandaan het mes te zetten in een ander lichaam?

Van mijn collega´s neerlandici kreeg ik de verhalen van Maxim Osipov (1963) die onder de titel De wereld is niet stuk te krijgen dit voorjaar bij Van Oorschot verschenen. Osipov is behalve schrijver cardioloog, vandaar. Maar niet alleen de schrijver is gespecialiseerd in de werking van het hart, een aantal van zijn personages is dat ook. Zoals Erik uit het verhaal De kleine Lord Fountleroy, die dienst neemt in een vervallen ziekenhuis in een voorstad van Moskou, niet te ver van het park waar hij een datsja heeft. Als mensen hem vragen waarom hij dat deed, glimlacht hij vermoeid. Tegen mensen die hij echt goed kent heeft hij het over ‘een innerlijke drang’.

Op het einde van zijn opstel noemt Walter Benjamin alle autoriteit die het moet hebben van wetten en straffen mythisch, omdat het antwoord op de vraag naar de oorsprong van de macht en het geweld ofwel de veronderstelde natuurstaat van de mens is, ofwel verwijst naar een geheimzinnig moment in de geschiedenis waarop die autoriteit voor eens en voor altijd gevestigd zou zijn. Tegenover dit mythische geweld, stelt Benjamin Goddelijk geweld, waarover hij niet al te veel kan zeggen, al wordt wel duidelijk dat alles wat het een is, het ander niet is. Mythisch geweld dreigt, Goddelijk geweld doet, mythisch geweld beschuldigt, Goddelijk geweld verlost, mythisch geweld vernietigt op bloedige wijze, Goddelijk geweld heelt.

Meer is even niet nodig om het werk van de chirurg en zijn team te zien als een manifestatie van helend geweld die het tegendeel is van mythisch machtsmisbruik.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Gedeelde post

Tussen de nieuwsberichten over de klimaatconferentie in Glasgow en het oplopende aantal coronabesmettingen, popten begin deze week de namen op van Van Morrison en Anton Valens. Die van de auteur van Vis en Het compostcirculatieplan omdat hij op zevenenvijftigjarige leeftijd aan kanker is overleden, die van de zanger uit Noord Ierland omdat de regering van Noord Ierland hem heeft aangeklaagd wegens kritiek op het coronabeleid. Het is waar dat Morrison vorig najaar liedjes op You Tube heeft geplaatst met titels als ‘No more lockdown’ en ‘Born to be free’. Voor de minister van coronazaken Swann was de maat vol toen de muzikant hem een oplichter noemde. Volgens Swann zijn de liedjes van Morrison gevaarlijk omdat hij zijn claims niet wetenschappelijk onderbouwt, meldt nieuwssite nu.nl. Morrisons reactie staat op zijn laatste album en heet ‘Only a song’: ‘it’s only a song / Get it to jump, get it to swing, so I can sing it’

Casper Luckerhof opende zijn necrologie in De Volkskrant van maandag met de zin: Als er een rode draad is in het literaire werk van Anton Valens, dan is dat het thema van de getormenteerde man die gebukt gaat onder het leven. Let op het gebruik van het bepaald lidwoord; we hebben het hier niet over een getormenteerde man die gebukt gaat onder zijn leven, het gaat over alle mannen. Meer in het bijzonder alle witte mannen.

Dat was Van Morrison in 2012 ook al opgevallen. Het laatste nummer van zijn album Born to sing: no plan B heet Educating Archie. De Archie uit de titel is Archie Bunker, het hoofdpersonage uit de sitcom All in the family die de VPRO in de jaren zeventig uitzond. Bunker is spreekwoordelijk geworden voor de fatale zelfingenomenheid van het gemiddelde mannelijke gezinshoofd. In het liedje van Morrison is deze man een slachtoffer: They filled his head with so much propaganda / Entertainment on tv and all kinds of shite /  De singer-songwriter is uit ander hout gesneden, zoveel is duidelijk.

Isebrand Schut is de hoofdpersoon van Het boek ONT. Tot mei was hij werkzaam bij Altex Communications, maar daar werd zijn positie onmogelijk na de komst van een nieuwe direct leidinggevende. Schut leeft van een ww-uitkering, die door de ziektewet wordt aangevuld tot bijstandsniveau. Als hij over zichzelf nadenkt, schiet hem het beeld te binnen van een achtarm: Hij zag zichzelf niet zozeer als een handelend persoon maar meer als een holle koker waar een beginnersset zintuigen in was gemonteerd. Het boek ONT speelt in Groningen, 2002. De gulden is juist vervangen door de euro. Isebrand maakt zich zorgen. Straks ben ik ook te sloom voor het nieuwe geld, dacht hij. Te sloom voor de nieuwe wereld. (…) Ik ben mijn sloomheid, dacht hij.

Van Morrison herneemt het thema van de zorgelijke staat van de westerse man op zijn recente album Latest record project volume 1. In het nummer Western man is hij niet langer uitsluitend slachtoffer, hij heeft zijn huidige staat ook aan zichzelf te wijten. Western Man has no plan / Since he became complacent / Stopped believin’ in himself / Let others steal his rewards / While he was dreamin’

Isebrand Schut komt in actie. Hij wordt de drijvende kracht achter Man&Post. Dat gaat zo: verzamel mensen die moeite hebben met het openen van hun post en laat ze elkaar daar op tweewekelijkse bijeenkomsten bij ondersteunen. (…) Ik maak jouw post open en jij de mijne. Samen bergen we het op. Gedeelde post is halve post.

Het duurt waarschijnlijk tot begin volgend jaar voor Van Morrison de dagvaarding op de mat vindt.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , | Een reactie plaatsen

Nel

Nel was vier dagen eerder dan ik geholpen. Toen ik op zaterdag van de IC op kamer acht, vierde verdieping op de afdeling cardiologie werd gebracht, had zij voor het eerst mogen douchen. Ze had de handdoek om haar lange haren tot een toren op haar hoofd gedrapeerd en liet iedereen weten hoe heerlijk het was om eindelijk weer eens je haren te kunnen wassen. Nel, is niet haar echte naam. Maar ze had wel, net als ik, een hartoperatie ondergaan, al was het maar omdat alle patiënten op de afdeling cardiologie zo’n operatie hebben gehad of nog tegoed hebben.

Ze woonde in Amsterdam West. Vier hoog langs de A 10, in de buurt van het Confectiecentrum en keek uit op de bomen van het Rembrandtpark. Jarenlang had ze in Toscane gewoond en geld verdiend met een eigen kledingbedrijf en iets met toerisme. Haar kinderen waren er naar school gegaan. Als haar mobiele telefoon ging, zei ze: Het is mijn zoon, ik moet even opnemen, en schakelde over op rad Italiaans met een Florentijns accent. Haar kinderen en kleinkinderen woonden nog in Toscane.

Sinds een jaar of tien was ze terug in Nederland en in Amsterdam neergestreken. Waarom verlaat men Toscane voor een appartement, vier hoog, langs de ring? Zou het de crisis van 2011/2012 geweest zijn? De dreigende Grexit. Toen noemde men Italië in het rijtje met Griekenland, Spanje en Portugal. Nu werkt ze bij de financiële administratie en planning van een thuiszorgorganisatie. Ze denkt dat haar hartproblemen samenhangen met de stress om haar werk. Thuiszorg organiseren in de regio Amsterdam is wel wat anders dan een eigen kledingbedrijf in de Toscaanse heuvels of buurtopbouwwerk in Amsterdam in de vroege jaren tachtig, wat ze vroeger had gedaan.

Het woord buurtopbouwwerk wierp ons terug naar de jaren zeventig. Nel had haar hbo-opleiding gevolgd op De Jelburg. Sociaal-cultureel werk, sport, spel, muziek. De opleiding was gedemokratiseerd, een akademiestaf van docenten en studenten maakte de dienst uit.  In die tijd zag men de oplossing voor kansarme jeugd en ontwrichte buurten in een verloederde stad, in sociale vorming van onderop. Na haar opleiding was ze al gauw naar de hoofdstad verhuisd waar het bruiste van vormingsideeën en -praktijken voor alle leeftijden en alle gezindten en waar op elke hoek wel een buurthuis of jeugdhonk te vinden was. Hoe ze vervolgens van het hoofdstedelijke buurtwerk in de omgeving van Lucca verzeild raakte, heb ik haar vergeten te vragen. De kansen van de jaren negentig, toen het geld tegen de plinten klotste? Ik weet het niet.

In kamer acht was plaats voor vier personen, we waren met ons tweeën. Corona, op deze wijze kon de anderhalve meter afstand in acht worden genomen. Hoewel Nel moeite had met inslapen, stelde ze er, net als ik, prijs op de gordijnen te sluiten en de lichten te dimmen als het buiten donker werd. Liefst nog had ze gelijk een oxazepam genomen, maar het verplegend personeel bleef nog tot half elf met ons bezig. Bloeddruk meten, medicatie, de lege bordjes van de avondmaaltijd, met een knijper op onze vinger het zuurstofgehalte van ons bloed controleren, Onderwijl ging het gesprek over pijn in de nek en rug en over het volslagen gebrek aan eetlust, hoewel de zuurkool van gisteren haar wel was bevallen. Nel was het ziekenhuis zo langzamerhand wel beu. De zaalarts snapte wat ze bedoelde, zei: In het ziekenhuis worden mensen niet beter. Misschien kon ze na het weekend al naar huis. Als die verdomde bloeddruk eindelijk lager was.

We hadden op dezelfde dag een afspraak voor een onderzoek naar vocht achter de longen en bij het hart. De uitslag was dat dat er bij mij niet was en bij haar wel. Haar wachtte een nieuwe operatie en nog eens minstens vier dagen herstel. Ik mocht de volgende dag het ziekenhuis verlaten. Ergens vond ik dat niet eerlijk.

Geplaatst in lijf en leden | Een reactie plaatsen

Rood

BN De Stem, het regionale dagblad voor Westelijk Noord Brabant en Zeeuws Vlaanderen, besteedde deze week aandacht aan de pogingen van de Apeldoornse Naomi Venus om als zij-instromer aan de slag te raken in het basisonderwijs. “Enthousiast vertelde ik mijn verhaal en bood mijzelf aan als zij-instromer. Antwoord: ‘Nee, dat doen wij niet.’ Als ik dan toch ergens op een school op gesprek mag omdat er een zij-instroomtraject start, mag ik met al mijn bagage aan jarenlange (levens)ervaring als moeder, passende skills die ik meebreng vanuit mijn werk en een hbo-diploma op zak, aan de slag voor een starterssalaris voor 21-jarigen… Uhhh ik ben ietsje ouder.”. Naomi Venus was werkzaam als communicatieadviseur. Ze droomt ervan om leerkracht te worden en heeft de vierjarige opleiding inmiddels voltooid. Hoe veel ‘ietsje ouder’ is, vermeldt het artikel niet. Voor de aanstaande werkgever is dat ook niet van belang. In het onderwijs is een starter een starter.

Dat armoede onder docenten een halve eeuw geleden ook voorkwam, leren we uit Mijn vaders hand, de herinneringen aan zijn jeugd die Bart Chabot (1954) vorig jaar publiceerde. Het boek leest als Pietje Bell met dit verschil dat het niet speelt in het Rotterdam van voor het bombardement, maar in Den Haag na het bombardement op Bezuidenhout. Chabot houdt een slag om de arm. De vertellende instantie, die ook Bart Chabot heet, dist zijn herinneringen op terwijl hij doodziek in het ziekenhuis ligt. Een en ander wordt dus gemakkelijk gekruid met koortsdromen of hallucinaties na medicijngebruik.

Bart zit inmiddels op de HBS, het Aloysiuscollege en heeft het tweede uur Nederlands van juffrouw Tordoir. Ik zat op de voorste rij, met mijn schoolbank tegen het bureau van de juffrouw aan. Mijn oog viel op de post van juffrouw Tordoir op het bureaublad: enkele reclamefolders met erbovenop een geopende enveloppe die voor het grijpen lag. Het was een bankgiroafschrift waaruit bleek dat juffrouw Tordoir rood stond. Om precies te zijn zevenenveertig gulden en drieënzestig cent. Ik draaide me om in mijn bank en wendde me tot de klas. ‘Jongens, juffrouw Tordoir staat rood. We moeten haar helpen. Als we allemaal iets van ons zakgeld dokken …’.

Verder komen de goede bedoelingen niet. Chabot moet de les verlaten en zich melden bij de directeur die hem een schorsing van drie dagen oplegt.

Veertien oktober berichtte mijn vakbond dat ze een cao-akkoord voor 2021 was overeengekomen. Het personeel van het voortgezet onderwijs krijgt met terugwerkende kracht tot 1 oktober anderhalf procent loonsverhoging en een eenmalige eindejaarsuitkering van achthonderd euro bij een voltijdse aanstelling. Tijdens de onderhandelingen, die maandenlang muurvast zaten, hielden overheid en werkgevers de beschikbare loonruimte voor de werknemersorganisaties geheim.  Ton van Haperen, economiedocent en publicist, twittert: Voor de duidelijkheid vanaf nu 1,5% per maand is over 2021 0,375%. De rest gaat naar de werkgevers. De inflatie stijgt door. Roofakkoord.

Waarom weigerde juffrouw Tordoir de uitgestoken hand van haar leerling? En waarom werd Chabot niet geschorst omdat hij het beloningsbeleid van het Aloysiuscollege ondermijnde, maar omdat hij het briefgeheim schond?

Nederlands beroemdste zij-instromer, Merel van Vroonhoven, slaagde er in het eerste jaar als leerkracht in een opdracht van de minister van onderwijs als onafhankelijk aanjager aanpak lerarentekort binnen te slepen, waarvoor zij een factuur mocht sturen van € 49.950,-. In de communicatie tussen demissionair minister Slob en de leerkrachten gaat niet altijd alles even goed. Ik raad Naomi Venus aan haar diensten als communicatieadviseur aan het ministerie aan te bieden. Nee heb je.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Later deze dag

Het waait. Achter de Rooms Katholieke kerk houdt het dorp op. Ik loop de Osdorperweg op. Enkele tientallen meters maar, dan sla ik linksaf en loop het niemandsland in aan de westelijke rand van Amsterdam. Sinds de A9 hier om de stad is gelegd, heeft dit gebied de naam De tuinen van West gekregen. De wegen en paden zijn vernoemd naar mannen die hun sporen hebben verdiend als sportjournalist, wielrenner of uitvinder van het korfbal. Zodra ik het Maurice Peeterspad oploop, zwaait het landschap open. Hier geen groene hemel, maar brede weidebermen, rechts een rietkraag langs de plas, links de sloot en een hoge dijk achter de huizen aan de Osdorperweg. Voor me ronkt het verkeer op de snelweg. Mijn ogen zoeken gelijk naar een groepje bomen aan de andere kant van de plas, langs de A9. In de kale takken zitten steevast tientallen aalscholvers. Vandaag niet.

Sinds een paar dagen wandel ik niet meer in Amsterdam Oost, maar door vertrouwd gebied aan de Westelijke stadsrand. Ik was er anderhalve maand niet geweest. De bermen zijn gemaaid, de resten verdord. Hier en daar schiet al nieuw gras op. Platgewaaid riet langs de oevers. Paardenbloemen doen schuchter een tweede bloei, paarse klaver, hier en daar een pluk kamille en, omdat het inmiddels oktober is, overal groepen geschubde inktzwammen. Een jonge geschubde inktzwam smaakt uitstekend, maar moet wel direct na het plukken verwerkt worden, aldus Wikipedia. Ik waag mij er niet aan. De geschubde inktzwam lijkt wel wat op de kale inktzwam (Coprinus atramentarius), die giftig is indien alcohol twee dagen voor of na consumptie wordt gebruikt, aldus dezelfde bron. Ik heb mij later deze dag een glaasje jenever beloofd.

Vertrouwd gebied, maar aalscholvers, ho maar. Koos van Zomeren (1946) noteerde in zijn Een jaar in scherven: 29 april 1987 (…) Zacht voorjaarsgroen, hier en daar onderbroken door het virulente geel van een tros dotterbloemen. De snor snort, de kiekendief zweeft, aalscholvers zitten als zwartgeblakerde apen in een rijtje dode elzen. Spiegelend water, geen wolkje aan de lucht. Als in een droom glijdt de boot door de Oude Venen (…). Zwartgeblakerde apen, zo zag ik ze nog niet. Phalacrocorax carbo, wat hebben die beesten met dode bomen?

Chris van Geel (1917 – 1974) weet het antwoord. Als titel voor zijn gedicht, kiest hij het anagram van aalscholver: schollevaar, en hij schrijft De takken die zij breken voor hun nesten doden / de boom, wit is de grond van hun aanwezigheid. Ik zag de bomen alleen van afstand. Ik heb me er nooit in de buurt gewaagd. Het wit onder de bomen gezien noch geroken.

Ik ben inmiddels het viaduct van de A9 gepasseerd. Op de driesprong kies ik de Nico Broekhuysenweg, daar waar die onder het bladerdak van oude bomen aan beide zijden van de weg recht naar het oude clubhuis van de padvinderij leidt. Links het Fluisterbos, rechts de perken van Lokale bloemetjes, bij de volgende driesprong weer linksaf, terug op de Tom Schreursweg die, na verloop van tijd tussen de plassen van het verdronken weidegebied doorloopt. Futen en meerkoeten in het water. In het riet en de wilgen gefluit dat ik niet op naam kan brengen. Een zilverreiger vliegt op en dan zie ik ze. Op takken die boven het water uitsteken, op kleine eilandjes die toevallig zijn gevormd. Allemaal de snavel naar het Zuidwesten gericht, in rotten van tien twintig, met hun snufferd in de wind. Maar liever hier, laag, in relatieve luwte, dan hoog tussen de dode takken. Zwartgeblakerde apen? Nee, onbeweeglijk zijn ze daar. Inktvlekken in het schrift van dras en plas. Watervogels die niet nat willen worden.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Onomkeerbaar daarginds

Na een paar dagen laat ik mijn blik gaan over het slagveld dat is achtergebleven na het medisch geweld dat mij ten deel is gevallen. Een jaap van dertig centimeter over mijn rechteronderbeen op een palet van geel en groen en blauwpaars tot zwart aan toe. Mijn tong dwaalt doelloos door de bouwput die het resultaat is van de werkzaamheden van de dames van de kaakpoli. Mijn borst is in tweeën gedeeld door een bloederige snee over de volle lengte van mijn ribbenkast. Op mijn buik op verschillende plaatsen wonden van hechtingen na verwijderde drains. Een gapend gat in mijn hals op de plaats waar een bloedinfuus heeft gezeten. Van de hartklep en de kransslagader die zijn vervangen, is van buiten niets te zien. Stapje voor stapje bouw ik mijn conditie weer op.

Sinds mijn operatie is de gasprijs explosief gestegen. Businessinsider.nl constateerde op 1 oktober een inflatie van 3.4% in de eurozone. Mijn vakbond heeft voor het lopende jaar een loonsverhoging van 1.8% uitonderhandeld. Welk profijt heb ik van de toegenomen levensverwachting die ik mag koesteren van mijn verblijf in het ziekenhuis behalve dat alles langer duurt?

Mijn zwager komt op bezoek en brengt De zin van het leven mee van Fokke Obbema, Veertig interviews met bekende Nederlanders over de betekenis van het bestaan. Het voortbestaan van de soort noemt de een. Een ander legt zich dankbaar neer bij de vaststelling dat het leven geen zin heeft. Verbondenheid met de medemens, meent een derde. Het woord liefde valt. Het zou kunnen, maar ik denk dat een deel van de verklaring voor onze gehechtheid aan het leven schuilt in de voorstellingen die wij ons maken van wat hierna komt.

In zijn nieuwe bundel In tongen spreken neemt H.C. ten Berge (1938) een afdeling Veldnotities uit het souterrain op; gedichten en gedachten over het ondergrondse. Ze beginnen met de mollen. Grondsmaak, larf en emelt in de mond. / Stilte en verstikking. Voedsel / voor de dood. Anthonis de Roovere (1430 – 1481), auteur van Vander Mollenfeeste ziet de dood als grote democraat voor wie geen hoog of laag bestaat en allen gelijk zijn die ter mollenfeeste voor een laatste dans verschijnen. Verbondenheid, jawel, maar niet als zin van het leven, maar als triomf van de dood. En niet alleen met de medemens, maar met alle dieren die graven, boren en woelen onder het maaiveld.

In een tweede afdeling van de veldnotities neemt de dichter ons mee naar Midden Amerika, Mexico, de doodsrituelen van de Azteken. De vuurgod Huehueteotl die afdaalt in de Popocatepetl (de rokende berg) om de terugkeer van de tijd veilig te stellen. Het dodenrijk Mictlan, het onomkeerbare daarginds. Er moesten negen rivieren worden doorwaad om de poort naar de vergetelheid in het negende district te passeren. Op eigen kracht lukt dat niet. De overledenen kozen een hond als hun gids.

Het is meer dan nieuwsgierigheid die de pen stuurt van Ten Berge. De dichter is inmiddels de tachtig voorbij, hij heeft belang bij het verkennen van het ondergrondse. Drank en aardse hitte stijgen me naar het hoofd. Slaat mijn leeftijd eindelijk toe met duizelingen? ‘Gij zult rondtasten in middaghitte’, voorspelde een dichter uit het nabije verleden. Het is een gewaarwording die ik alleen maar kan onderschrijven.

Wie kan ontsnappen aan de verhalen over het dodenrijk? Geen kwam er ooit van terug. De verhalen zijn nooit weersproken. Het tweespan van Mictlan tovert zwermen / grauwe zielen spoorloos weg. / Keren wij ooit nog terug? / Ik, de zanger, huiver van mijn lied.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Javastraat

Het alfa en omega van het herstel na een hartoperatie is bewegen – ‘mobiliseren’, in het medisch bargoens. Het verpleegkundig personeel op de hartafdeling ziet niets zo graag als een optocht van hartlijders met mondmasker die voetje voor voetje door de gang schuifelen. Zijzelf slalommen daartussendoor, balancerend met een ondersteek, manoeuvrerend met een computerstation op wieltjes waar een band af hangt van een bloeddrukmeter, naast het toetsenbord vijf ienieminiebekertjes met pillen. Meent men aan het einde van de gang in rustiger vaarwater te zijn gekomen, dan zwaaien de deuren open en komen ambulancebroeders, een blos van de herfstzon op de kaken, binnensnellen met een bed tussen hen in met daarin een kersverse hartlijder. Wie tenslotte uit het ziekenhuis ontslagen wordt, krijgt op het hart gedrukt vooral  te blijven bewegen. Tien minuutjes in het begin, langzaam uitbreiden naar wandelingen van drie keer een half uur per dag.

Het wordt tijd voor een definitie. Die vind ik in het kleine boekje De grote ronde van Thomas Rosenboom (1956) dat vorig jaar in de reeks terloops bij Van Oorschot verscheen. Wie wandelt hoeft niet ergens te zijn, een wandeling is principieel doelloos, kent geen ander eindpunt dan het beginpunt en dient dan ook min of meer cirkelvormig te zijn, aangezien je op het laatst toch wilt terugkomen uit de tegenovergestelde richting van het vertrek – anders is het niet bevredigend.

De voordeur uit dan en direct rechtsaf. Ik heb een deel van Amsterdam Oost gekozen om het begin van mijn herstel ter hand te nemen. De tramrails van de Insulindeweg schitteren in de vroege najaarszon. De laatste plassen drogen op. Voor café De Toverbal bakkeleien de jongens achter een biertje. Is het al tien uur geweest?

Ken ik deze buurt? Ik ben er de afgelopen jaren wel haastig doorheen gelopen. Gewandeld heb ik er nooit en bijgevolg ook nauwelijks iets aan haar opgemerkt.

Zo vroeg is de Javastraat nog leeg. De terrasstoelen staan opgestapeld. Op de rijbaan vrachtwagens waaruit pallets worden gereden met kisten en kratten voor de Islamitische supermarkten en groentewinkels. Meloenen, granaatappels, mais, cactusvijgen, druiven, zouden er al kweeperen zijn?

Ik loop eraan voorbij, zet zorgvuldig mijn voeten neer, de een na de ander, merk dat nog niet alles onder controle is. Het is de linkervoet die ik hoor slepen over het trottoir. Jongen, til je voeten op! De stem van mijn moeder van bijna zestig jaar geleden. Ze is er nog wel, maar spreekt zo niet meer tegen mij.

Als ik op kijk, zie ik dat de straat verderop wordt besloten door een spoorviaduct waar juist een trein over rijdt naar het Centraal Station. Een onmiskenbaar stedelijke ervaring. Hoor ik de trein ook? Uit de telefoonwinkel rijdt een man een bord over de drempel van zijn zaak de stoep op. Je kunt er een mobiele telefoon kopen, of een hoesje daarvoor, je kunt er je telefoon laten repareren als die kapot is, maar ze hebben er ook batterijtjes voor de keukenweegschaal. Drie huizen verder is nog zo’n winkel, aan de overkant nog een en als ik mij niet vergis, was er naast De Toverbal ook een. Ze zijn haast net zo talrijk als de haarverzorgingszaken, kapsalons, nagelstudio’s met in de etalage lokken, strengen, vlechten, knotten, staarten, extensions in alle kleuren maar geen peper en zout of grijs.

Bij de Celebesstraat kijk ik voor ik oversteek naar links en rechts terwijl ik mij afvraag hoe het komt dat mobieltjes het voortdurend begeven en vrouwen behept zijn met moeilijk haar.

Geplaatst in lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Voelde je iets?

Voor de volgende instructie licht de verpleegkundige zijn witte jasje op en neemt met de vinger en de duim van zijn linkerhand een huidplooi van zijn buik op, met de andere hand – de duim en twee vingers gestrekt, ringvinger en pink gebogen – zet hij een denkbeeldige prik. 

Smalltalk is aan haar niet besteed. Ina heet ze en ze is de hoofdpersoon van Een coquette vrouw van Carry van Bruggen. Aan niets heeft ze zo’n hekel dan aan mensen die elkaar napraten om er maar bij te horen. Haar zusters van de vrouwenkiesrechtvereniging, ze walgt van hen. Niet omdat ze haar doelen niet zou onderschrijven, maar omdat hun ijver korte metten heeft gemaakt met elke individualiteit.

Als ze er niet meer tegen kan, gaat ze naar buiten.  Ze wandelde en zwierf veel alleen en dan mijmerde ze dikwijls over de eindeloze en ontstelllende wonderen aan haar eigen lijf en in de natuur -, het wonderwerk van de fijn-gelede bloedsomloop, van het dag-en-nacht stuwende, nooit falende hart, over haar ademhaling en haar hersens, haar ogen en oren – over de orde van planten en dieren (…) tot het gevoel van verwondering plaatsmaakt voor onrust, en plotseling bemerkte ze, dat ze aan alle kanten benauwd zweette, dat het was als werd ze door zichzelf verstikt en niet meer ademen kon.

Ik zit op een stoel en staar naar een bloot bovenbeen. Neem een plooi tussen duim en wijsvinger van je linkerhand, zegt hij. Goed zo, en nu neem je de spuit tussen duim en wijsvinger van je rechterhand, met de naald naar beneden. Juist, en plaats nu, in een beweging, de naald in de plooi tot de naald niet meer zichtbaar is.

Voelde je iets?

Pak nu de spuit in je been over met je linkerduim en -wijsvinger zodat de spuit stabiel in positie blijft. Met de vingers en de duim van je rechterhand druk je, gelijkmatig, met de groene pomp, de inhoud van de spuit in je been.

Doet geen zeer, toch?

Laat de naald nog even staan. Zo. En neem hem nu met je rechterhand uit je been. Pas op, de naald is scherp. Je kunt de plastic huls voorzichtig over de naald schuiven, de spuit terugdoen in de plastic verpakking en hem zo veilig weggooien.

Daar staat hij voor me. Twee opgestoken duimen, zijn neus en een stuk van zijn snor piepen boven zijn mondmasker uit.

Elke junk kan het, zeg ik.

…. dat lijf vol onbegrepen wonderen, vol onbekende, vreemde werelden, waar onbegrepen wetten heersten, waar haar wil geen macht, haar begrip geen vat had en alles buiten haar om vastgesteld en geregeld werd …

Nog staat hij daar, met die triomfantelijke blik, in die witte uniformkleren en die opgeheven duimen.
Hij kijkt me aan en zegt: Morgen mag u naar huis.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged | Een reactie plaatsen