Geweldenaar

Misschien moet ik een uitzondering maken voor Mart de Kruif, voormalig commandant der landstrijdkrachten; elk ander verstandig persoon wijst gebruik van geweld af. Als Hans Achterhuis (1942), schrijver van het bijna achthonderd pagina’s tellende ‘Met alle geweld’, geweldloosheid verwerpt, is dat niet omdat hij gebruik van geweld toejuicht, maar omdat hij heeft geleerd dat geweld bij ons hoort, dat we het zullen moeten beheersen en dat geweldloosheid een utopie is, die voor je het weet tot nieuw geweld leidt.

Omdat we niet goed weten hoe het komt dat we veranderen, schreef Marja Pruis (1959) daar een essay over dat deze week in De Groene Amsterdammer staat. Ze scrolt door het werk van Joan Didion, Zadie Smith en Éduard Louis (Veranderen: methode), citeert Manon Uphoff, raadpleegt tv-maker Michael Apted en belandt uiteindelijk bij Peter – Du mußt dein Leben ändern –  Sloterdijk, die ze een Duitse geweldenaar noemt.

Zou men mij vragen een synoniem voor geweldenaar te geven, ik zou ‘mannetjesputter’ antwoorden, of ‘alleskunner’, man, vrouw, al naar gelang. Het online woordenboek van Van Dale omschrijft geweldenaar als ‘iemand van grote lichaamskracht of bekwaamheid’. Er is geen misverstand over de waardering voor de geweldenaar; zo iemand is een aanwinst in de ploeg.

Dat in het woord geweldenaar de negatieve gevoelswaarde van geweld ontbreekt, ligt niet aan het achtervoegsel. Tovenaar, ambtenaar, leugenaar, redenaar, minnaar, kunstenaar, eigenaar, moordenaar, tekenaar, winnaar, molenaar, de toevoeging -aar wil alleen zeggen dat we met een menselijk wezen te maken hebben dat  genoemde activiteit uitoefent. Maar iemand die tot geweld in staat is, noemen we toch eerder een dader, een agressor of iemand met een kort lontje. Wat is hier aan de hand?

Taal volgt de ontwikkelingen in de samenleving op de voet en verandert soms nog eerder dan de werkelijkheid, maar is iets eenmaal door het taalsysteem opgeslokt, dan kan het daar langdurig en hardnekkig gedijen. Dat zou wel eens met de geweldenaar gebeurd kunnen zijn. Geweld gaat terug op het Germaanse walden of wouden dat heersen betekent, of macht dan wel kracht uitoefenen. We bevinden ons dan in de feodale werkelijkheid van de vroege middeleeuwen, waar heel anders werd aangekeken tegen lijfelijke overtuigingsmiddelen en het gevecht een beproefde manier was om mannelijkheid te bewijzen. Die oude mores hebben zich in het woord geweldenaar genesteld, en wij, taalgebruikers van duizend jaar later, brieven ze schaamteloos door.

Uit die tijd stamt ook de jongensnaam Wouter, die we nu niet snel meer identificeren met grote kracht of bekwaamheid. Hoewel, zet Wout of Wouter op een fiets en ze kunnen het hele peloton aan, of hun vader nu Poels heet, Wagtmans, Weylandt of Van Aert.

Op zesentwintig april 1990 was Jacques Derrida (1930 – 2004) te gast op een symposium over de Endlösung en het einde van de representatie, dat door de Universiteit van Californië in Los Angeles was georganiseerd. Zijn bijdrage ging over Zur Kritik der Gewalt van Walter Benjamin (1892 – 1940). Het viel ook Derrida op dat Benjamin dappere pogingen doet recht te ontdekken zonder geweld, maar dat die tijdens de Weimarrepubliek smoorden in bloed. Nu dat in het hier en nu niet te vinden was, verwachtte Benjamin het heil van boven. Hij komt aan het eind van zijn tekst over het soevereine goddelijke geweld te spreken, schrijft: Die Göttliche Gewalt (…) mag die waltende heißen, waarna hij zijn tekst ondertekent met Walter, 1921.

Dus noemde Derrida zijn voordracht: Voornaam van Benjamin.

Geplaatst in koers, lijf en leden | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Steen, schaar, papier

Als ik terugkom van mijn wandeling door het noordelijke deel van de Tuinen van West, tref ik mijn moeder aan op de rand van haar bed. Ze is bezig een zwarte broek over haar beige broek aan te trekken, de rechter pijp is vast komen te zitten ter hoogte van haar knie. Haar rechtervoet zit in haar linkerschoen, de rechterschoen ligt bij haar linkervoet. Ze probeert de broekband op te trekken. De linker pijp schudt tussen haar knieën heen en weer. Ze zegt: ‘je hebt me in de steek gelaten’.

De afgelopen week broedde ik op mijn bijdrage aan het Literair jaarboek voor Nieuw West dat onder de titel Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, komend voorjaar voor de achtste keer zal verschijnen. Ik wilde de Westelijke randen van de stad op een kier zetten voor de verschrikkingen van de oorlog in Oekraïne. De ooievaars van sportpark De Eendracht en de spechten in de bomen achter de huizen aan de Noordzijde van de Osdorperweg een indruk geven van de gehaktmolen van Bachmoet. Ik had er Aleksandra, de succesvolle debuutroman van Lisa Weeda, bij genomen en van Armando (1929 – 2018) de Salamanderpocket Aantekeningen over de vijand (nauwelijks honderdvijftig pagina’s, maar je blijft erin lezen; Hij zit met zijn pet op te eten. Moet je nodig zeggen, jij. Jij hebt je laarzen nog aan). Het lukte me niet de redacteur en mezelf duidelijk maken hoe een en ander zich tot elkaar verhielden, terwijl de beelden van het strijdgewoel me elke wandeling vergezellen.

Zaterdag stond er een interview met Cees Nooteboom (1933) in De Volkskrant. Hij is een jaar ouder dan mijn moeder. Schrijven is uitgesteld sterven, staat erboven. Geldt dat ook voor het over elkaar aantrekken van twee broeken? De aanleiding was het verschijnen van de gebundelde uitgave van alle gedichten: Zo worden jaren tijd. Mijn moeder was naar de wc geweest en daar verstrikt geraakt in haar kleren en wat er meer nodig is om haar schaamte te bedekken. Met het schaartje, dat altijd op het tablet van haar rollator ligt, had ze zich los kunnen maken. Daarbij had ze in haar broek geknipt.

In een hoek van de kamer hangt een tekening die Hugo Claus van Walter Benjamin heeft gemaakt. Er staat een kruis door het gezicht van de filosoof. Een krantenpagina verder zie ik inderdaad een ingelijst portret van Benjamin (1892 – 1940) in een groot wit passe-partout. Geen tekening, maar een foto en een kruis valt er niet op te onderscheiden. Ik sta op en pak Allerzielen uit de boekenkast. Ik las de roman van Nooteboom in het jaar dat die uitkwam, vijfentwintig jaar geleden. Benjamin, Berlijn, sneeuw, wist ik nog.

Ik begon te lezen en voor ik het wist was ik honderd bladzijden verder, was ik aangenaam verrast door de figuur Victor Leven, beeldhouwer, als Armando, iemand met  encyclopedische kennis van de Tweede Wereldoorlog, net als Armando. Een dunne snor, zoals mannen die wel lieten groeien in de jaren dertig, een foulard om de hals, onberispelijk gekleed. Als Armando, inderdaad. Arthur Daane, de hoofdpersoon in Allerzielen, ontwaakt na twee weken in een Madrileens ziekenhuis uit zijn coma en Victor tapdanst voor hem in een hoek van de zaal. Zonder muziek, zonder een woord.

Ze wilde geen broek aan waarin met een schaar was geknipt. We trokken hem uit; nergens een knip of een gat, moest ook mijn moeder toegeven. Maar weer aan dan.

Maar het voorval van de broek en de schaar wilde haar hoofd pas uit toen we de beige broek hadden vervangen door de zwarte.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Idioten

Geen levend wezen koos bij het volle verstand voor een aards bestaan, maar is men eenmaal in de wereld geworpen, dan maakt men er het beste van. Onze omgeving verleidt ons verantwoordelijkheid te nemen, niet alleen voor het eigen lijf en het eigen bestaan, maar het liefst voor de hele samenleving. Ondertussen stelt Manon Uphoff (1962) in het boek ‘Het moet eten, ademhalen, slapen’ de vraag wie er verantwoordelijk is voor het zieke lichaam. Hippocrates komt er aan te pas om de dokter de zorg voor de zieke mens toe te kennen. Of die dat wil, is nog maar de vraag.

Rinske van de Goor is huisarts en schrijft om de week een column in de Volkskrant. In haar stukje van twaalf januari maken we kennis met Bianca en haar man Patrick, die beiden veel te dik zijn. Ik ben daar wel eens over begonnen, maar toen vertelde Bianca trots dat ze veel slanker is dan haar zus. Ik heb het er toen verder bij gelaten, want ik had geen zin om in mijn eentje probleemeigenaar van hun familie-overgewicht te zijn. Maxim Osipov (1963) haalt in zijn boek Kilometer 101 een flard van een gesprek aan tussen huisarts en patiënt: Dus u heeft last van uw hart als u snel loopt? Misschien moet u zich minder haasten?

Ik herinner me de gesprekken met de zaalarts voorafgaand aan mijn hartoperatie die er, zonder dat dat met zoveel woorden was gezegd, op gericht waren mij de verantwoordelijkheid aan te smeren voor de aanstaande ingreep. Osipov hecht daar ook aan: Wat maakt het uit dat patiënten geen toestemming geven voor een hartoperatie? Zo’n operatie is natuurlijk niet iets waar je naar uitkijkt. Bovendien roepen ook de regionale coryfeeën dat het niet nodig is ertoe over te gaan. Iedere keer dat zoiets gebeurt ervaar ik als een medische misser, ineffectief optreden, een fiasco.

Ik was niet blij met het verzoek verantwoordelijkheid te nemen voor de aanstaande hartoperatie. Wat wist ik er van? Voor mijn kennis over de ingreep, was ik afhankelijk van dezelfde mensen die hun best deden de verantwoordelijkheid af te schuiven; dat schept geen vertrouwen. Daar kwam bij dat ik mijn toekomst nooit had gezien in termen van keuze en verantwoordelijkheid. Waar teken ik voor als ik akkoord ga met de operatie en misschien een verlengde levensverwachting in het verschiet?

Is dat wat Menno Wigman (1966 – 2018) Slordig met geluk noemt? Of, zoals hij in de bundel met die titel schrijft, Waarom, mijn lichaam, was je mij zo weinig waard? / Waarom bleef ik zo koppig tronen in mijn hoofd …

Ik vrees dat Osipov mijn visie op de zaak zou categoriseren in waarneming zes: mannen zijn bijna altijd idioten. Een man die het aan zijn hart heeft en die geen vrouw heeft die hem voortdurend achter de broek zit, is er snel geweest. Mijn vriendin begreep niet waar ik zo’n probleem van maakte. Met elk bord dat je leeg eet beslis je over de continuïteit van leven en een toekomstig bestaan. Mijn tegenwerping dat een portie zuurkool iets anders is dan een operatieve ingreep van een uur of vijf en een ongewis bestaan in een wereld in crises, was al verdampt voor ze was uitgesproken.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Incarnaties van het Niets

Het oude jaar was om en we bezochten mijn schoonzus en haar man in Enschede. De traditie stond op last van het RIVM de laatste twee jaren onder druk, maar omdat de omikronvariant van het  SARS-CoV-2-virus niet te stuiten is en we geen enkele vaccinatie of boosterbeurt hebben overgeslagen, durfden we de tocht wel aan. Het samenzijn was vertrouwd en als vanouds. We bespraken wonen, werken, welbevinden en de wereld. Aan de laatste konden we niet veel doen, werken deden we vrijwel niet meer en nadat we de huizenprijzen in de randstad en Oost Nederland met elkaar hadden vergeleken, bleef het hoofdstuk ziektes over. Bij elk nieuw onderwerp maakten we een fles witte wijn open; de glazen bleven nooit lang leeg.

Wanneer spreek je nog een cardioloog? De mededelingen van de artsen die mij behandelen, ontvang ik via mijn olvg. In de mailberichten lees ik dat er daar een brief,  een vragenlijst of een onderzoeksresultaat is geplaatst of een afspraak gemaakt. De trombosedienst ziet toe op de INR-waarde van mijn bloed, opdat de kunstklep niet verstopt raakt. Maar daar is de tweede verhalenbundel van Maxim Osipov (1963), Kilometer 101, die, als schrijver en cardioloog, niet alleen de Russische ziel, maar ook het Russische hart als onderwerp van zijn teksten heeft gekozen.

De kinderen van Dzjankoj  is het laatste verhaal uit het nieuwe boek. We bevinden ons in de stad N, een slordige honderd kilometer ten zuiden van Moskou. N. staat voor Taroesa, Osipov woonde en werkte er in de jaren nul en ordent zijn waarnemingen. De eerste is wel de ergste: bij patiënten, maar ook bij veel artsen, hebben twee emoties de overhand: angst voor de dood en afkeer van het leven. De tweede: de macht is verdeeld tussen geld en alcohol, dat wil zeggen tussen twee incarnaties van het Niets, van leegte, van de dood. Een en ander neemt niet weg dat Osipov gelukkig is dat hij in N. werkt. Afgelopen jaar is hij zijn vaderland ontvlucht, nu werkt hij als gastdocent Russische literatuur aan de Universiteit van Leiden.

We maken kennis met Volodja S., tweeënveertig jaar, waarvan hij er zesentwintig in de gevangenis heeft doorgebracht. Ze overdrijven graag. Maar een jaar of negentien zal het vast wel zijn… Bij hem werden ernstige hartafwijkingen aan de aorta- en mitralisklep geconstateerd. In Moskou kreeg hij twee mechanische hartkleppen en keerde nuchter, met roze blosjes op de wangen en dankbaar gestemd naar N. terug: ‘Als ik iets voor u kan doen, zegt u het maar.’

Wat bijvoorbeeld?

‘Iemand in elkaar slaan.’

Op het moment niet, bedankt.

We slaan de bladzijde om en lezen dat Volodja S. is overleden. Een hersenbloeding. Hij had kennis gemaakt met een vrouw die net weduwe was geworden. Ze bevielen elkaar en besloten te trouwen. Hoewel Volodja gewaarschuwd was dat een combinatie van warfarine (een middel tegen verstopping van de kleppen) met alcohol levensgevaarlijk kon zijn – maar ja, op je eigen trouwdag moet je toch feestvieren! – had hij zich dit genoegen niet kunnen ontzeggen.

Een paar flessen wijn in Enschede is niet hetzelfde als drinken op een Russische bruiloft, warfarine is geen acenocoumarol en over trombosezorg in Taroesa las ik niets. Niettemin, dokter Osipov, uw boodschap is duidelijk.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged | Een reactie plaatsen

Makelaarstaal

Wat als we op een dag de bons krijgen van de teksten die we uit het toetsenbord kloppen? Dat ze ons duidelijk maken dat ze het voortaan zelf wel kunnen, nu ja met de nodige digitale rekenkracht en de goede algoritmes. Dat ze ons niet nodig hebben om de woorden correct te spellen, de zinnen grammaticaal te formuleren en om van het geheel een begrijpelijk en aanvaardbaar verhaal te maken. Dat ze het liever stellen zonder de bemoeienissen van een auteur en zich liever ontplooien los van belang of verantwoordelijkheid, onbaatzuchtig, onverschillig, in alle vrijheid. Dat er gewoon staat wat er staat.

Het kan met ChatGPT, een gratis computerprogramma, dat opstellen, toespraken en andere teksten vervaardigt. Laura Borghols, docent Nederlands te Leidschendam, kreeg argwaan bij de wel erg wollige formuleringen in het leesverslag van Het Diner van Herman Koch van een van haar leerlingen van vier havo. Makelaarstaal noemde ze het, maar ze moest van haar eigen kinderen horen dat ze te maken had met een product van kunstmatige intelligentie. Je moet de tekst wel aanpassen en er wat foutjes in maken, anders valt het te veel op, was het gratis advies dat ze voor de leerlingen van hun moeder hadden. Borghols besloot de volgende schrijfopdracht maar weer ouderwets met pen op papier te doen.

Journalist en collega-neerlandicus Elma Drayer maakte kennis met het schrijfprogramma tijdens een kersttoespraak. De originele en intelligente verwijzingen naar filosofen als Aristoteles en Immanuel Kant hadden de feestredenaar niet meer dan een paar seconden gekost. Drayer realiseerde zich dat de zelfgenoegzaamheid van tekstschrijvers en columnisten die dachten dat hun arbeid nooit door een computer zou kunnen worden verricht, zijn langste tijd heeft gehad. De speech markeerde het afscheid van de auteur.

De toespraak die Walter Benjamin (1892 – 1940) op 27 april 1934 hield in het Instituut voor de studie van het Fascisme te Parijs, had hij zelf geschreven. Onderwerp was de vraag hoe literatuur zich kon verbinden met de strijd tegen het opkomende fascisme, of, anders gezegd, hoe zij kon voorkomen te worden ingepalmd door de fascistische mediamaffia. Benjamin heeft het over tendens, de politieke keuze die gemaakt wordt in en met de tekst, en kwaliteit, de literaire waarde ervan. Ik wil u laten zien, dat de tendens van een literair werk pas politiek juist kan zijn, als ze ook literair juist is.

Hij hield zijn gehoor voor dat dit alleen kan als de auteur zichzelf niet ziet als autonoom individu en onafhankelijke oorsprong van het werk, maar als producent van ideeën en gedachten die, om tot leven te komen, afhankelijk zijn van media in handen van onze tegenstanders. Het komt er voor de auteur als producent op aan zijn werk zo aan te bieden dat de burgerlijke media er geen raad mee weten. Benjamin verwijst naar Dada, naar de montagetechnieken van de ontwerper John Heartfield (1891 – 1968) en naar de Leerstukken die ontstonden uit de samenwerking van Bertolt Brecht (1898 – 1956) en Hanns Eisler (1898 – 1962). Benjamin stuurde de burgerlijke auteur de laan uit, toch denk ik niet dat hij enthousiast zou zijn over kunstmatig intelligente teksten uit hergebruikte content op het web.

Die ontwikkeling hoefde hij niet mee te maken. Hij maakte 26 september 1940 een einde aan zijn leven, terwijl hij op de vlucht was voor zijn landgenoten. De literatuur heeft de bruine horden niet kunnen stuiten. Niet met en niet zonder auteur.

Hoe het verder met het fascisme in Duitsland is gegaan, valt te lezen in De Gallische ziekte, De keisnijder van Fichtenwald, Plicht! en andere romans van Louis Ferron (1942 – 2005).

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Geen tijd

Als ze haar ogen opslaat, schijnt er een schemerachtig licht de kamer in. Daar kun je nog alle kanten mee op. Ze ligt languit op haar stoel, een plaid over haar benen, daar onderuit haar voeten, ze heeft haar schoenen nog aan. Ze kan de rugleuning overeind zetten, de voetensteun verdwijnt onder de zitting. Dan trekt ze de rollator dichterbij en drukt op de bel. ‘Is het nacht? Is het ochtend?’ Maar ze is nog niet gewassen. Moet ze onder de douche? De klok van haar i-pad op haar schoot wijst 16:10, maar de cijfers op  het scherm maken geen indruk.

Je kunt van een overledene zeggen dat hij of zij het tijdelijke voor het eeuwige heeft verruild. In het Twents kan dat korter. In het gedicht Heftan tattat (‘Heeft ’t aan zijn hart gehad’), brengt Willem Wilmink (1936 – 2003) Kloas ter sprake over wie wordt gezegd dat hij is oet de tied ekomn, uit de tijd gekomen is. Of de dood iets met de eeuwigheid van doen heeft, weet ik niet, dat tijd er geen rol speelt, neem ik voor waar aan, dat het verlies van benul van tijd het levenseinde aankondigt, zou me niet verbazen.

Leo Vroman (1915 – 2014) noteert op elf juli 2013: I travelled back in time last nicht / to our garden in full flower / and there I played for half an hour / in the bright summer light.  // Then I got up and looked around /  where I had lived before / but cast on that familiar ground / no shadow anymore. Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) schreef Van alle maken is doodmaken /  wel het volmaaktste, waarbij hij zich het levenseinde voorstelde als een scheppende daad. Het duurt geen drie strofen, of de dichter realiseert zich dat hij de tijd daarbij niet gebruiken kan. de tijd (bij wijze van spreken) / raakt zo verward in zijn lengte / dat hij raast in een verzonnen stip // maar nader bekeken rust hij / dus roest –  De tijd uit de taal halen, in proza lukt dat niet, in poëzie af en toe.

Doe weg die machteloze woordenschat / van duur waarmee wij schrijvend strijden / tegen tijd, niet wetend wat wij doen. Til toch / die dode man daaruit, streep ogenblik en / episode door, en straks, en toen. De bedoeling van Anna Enquist (1945) is goed genoeg, maar strijden tegen de tijd, brengt leven noch dood dichterbij. Die te verduren, dat is de kunst. Menno Wigman (1966 – 2018) steekt er een sigaar bij op, zoekt het in de oude vanitassymboliek. Het is een avond die zichzelf omhelst. / Er is geen tijd. Alleen Havannarook.

Toen bijna twee jaar geleden Lieke Marsman (1990) Dichter des Vaderlands werd, bevestigde men een meterslange banier aan de Interpolis-toren in Tilburg met daarop een regel uit het gedicht Oneindigheid van tijd en ruimte uit Marsmans bundel In mijn mand: Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu. Dat ze zal overlijden aan de kanker die ze onder de leden heeft, is een belangrijk thema in de bundel, maar zolang ze de tijd aan haar kant heeft, is de dood ver weg. Hoe lang de dag ook leek, het was een snipper. / Hoe kort de dag ook lijkt, er is nog tijd.

Buiten rijdt de kerstman op een zwarte scooter voorbij. Ja, zegt mijn moeder, Ja.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Fee

Het was een stemmig concert in een steenkoude kerk. Jan-Paul van Spaendonck, Martijn en Maria van Spaendonck en Jenny van de Wateringen brachten een hulde aan Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh in de Noordeinder Vermaning in de jungle van Noord Holland, waar de sloten waren toegevroren en men de ijzers had onder gebonden. Dat het kerkje niet warm wilde worden, lag niet aan het enthousiasme van het publiek, niet aan de glühwein en al helemaal niet aan de meerstemmige zang begeleid door snaren en fluiten. Van Testament tot Naast jou, en van Tip van de sluier tot De wilde jager. Twee liedjes kende ik nog niet. Jan-Paul had ze gevonden op een singletje uit de tijd dat Boudewijn de Groot zich had teruggetrokken in een boerderij in Dwingeloo.

Lennaert Nijgh is twintig jaar geleden overleden, Boudewijn de Groot bleef zijn teksten zingen naast werk van anderen. Vorige maand verscheen een nieuwe cd van de inmiddels achtenzeventigjarige zanger: Windveren. Hij tekende zelf voor de meeste teksten, Als je stil bent, het tiende nummer, is het enige op dit album van Lennaert Nijgh. Het laatste liedje Hoe meer ik dichterbij kom gaat over de moeder van Boudewijn de Groot: misschien zal het gebeuren / ik weet het niet / en zul je blij verrast zijn als je ziet // en zul je blij verrast zijn als je ziet / dat ik naar je wenk.

Boudewijn de Groot heeft zijn moeder niet gekend. Ze overlijdt rond zijn eerste verjaardag. Indië in de laatste oorlogsjaren: Daar was mijn moeder in het kwetsbaarst van haar leven / Daar kreeg ze mij te midden van het uitgeteerde vuil / En terwijl de amper levenden nog dankbaar achterbleven / Kieperde de jap haar dode lichaam in een kuil.

In 2007 publiceert Boudewijn de Groot zijn liedteksten tot 2006. Het boek heet Hoogtevrees in Babylon en is in liefde en respect opgedragen aan mijn moeders Fee, Alie en Will. Alie dat moet tante Alie zijn, die ook in Haarlem woonde en bij wie Boudewijn toen hij op de lagere school zat, overbleef. Will zal zijn stiefmoeder zijn, de tweede vrouw van zijn vader. Fee is de naam van zijn moeder op een gesigneerde foto waarop ze staat als vlinder.

De eerste keer dat Boudewijn de Groot over zijn moeder zong was op het album Waar ik woon en wie ik ben uit 1975. Op de schoorsteenmantel haar portret, / we kijken naar elkaar… / haar ogen zijn mijn ogen, / maar lijk ik ook op haar?

Hoe vaker ik over haar schrijf, hoe meer ze dichterbij komt., verklaart De Groot in een interview met Robert Haagsma dat in het boekje bij Windveren is uitgebracht. Zo vaak is dat dus helemaal niet; drie liedjes op een corpus van veertien albums, dat moeten meer dan honderd liedjes zijn. Maar de oude zanger heeft gelijk, in het lied Moeder uit 1975 moeten we het doen met foto’s en is ze een onbekende ander. In Ik ben een zoon uit 2008, waaruit ik de regels citeerde over Boudewijns geboorte en zijn moeders dood, treedt ze handelend op en wordt met empathie beschreven. In Hoe meer ik dichterbij kom is de zoon inmiddels veel ouder dan de moeder ooit werd en gaan ze, op de grens van dood en leven, met elkaar om als gelijken.

In Hoogtevrees in Babylon beschrijft Boudewijn de Groot hoe het zingen van Moeder hem ineens kippenvel bezorgde. Na afloop kwam er een dame naar me toe die zei dat ze ‘Moeder’ zo’n prachtig liedje vond. Ze voegde eraan toe dat ze mediamiek was en dat ze tijdens het lied mijn moeder achter me had zien staan. Ze noemde de regel uit het lied en ik wist dat dat het moment was waarop ik tijdens het zingen kippenvel had gekregen. Natuurlijk, zei ze, uw moeder stond op dat moment achter u.

Om te leven hoeft ze echt geen vlinder meer te zijn.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Nabibberende buit

In Bachmoet, Donbas, Oost Oekraïne, storten Russische rekruten zich in vijandelijk geweervuur. Stormen zij een wisse dood tegemoet of hopen ze te ontwaken in een militair hospitaal, zonder stroom, zonder verwarming, maar nog in leven? Er wordt, zo valt uit de  berichtgeving van het front op te maken, zwaar gevochten om de stad, die beroemd was om zijn zoutmijnen en mousserende wijnen. Nu ze in een ruïne is veranderd, wordt ze ‘de gehaktmolen’ genoemd. Op foto’s uit het gebied verlichten brandende puinhopen het bevroren landschap.

Ik ben inmiddels gevorderd tot de epiloog van Met alle geweld van Hans Achterhuis (1942). Meer dan zevenhonderd pagina’s lang heeft de auteur de verschillende bronnen en oorzaken van geweld wereldwijd en uit alle tijden gepresenteerd en geanalyseerd, nu schrikt hij terug voor de conclusies. Hij had gehoopt dat gestelde doelen ook met vreedzame middelen bereikt konden worden en dat de mensheid zou inzien dat het denken in wij en zij kinderachtig en nutteloos is, dat ik-wil-wat-jij-hebt zou kunnen transformeren in een gemeenschap die kan delen in elkaars mogelijkheden, dat er oplossingen verzonnen worden voor de altijd aanwezige spanning tussen moraal en politiek, dat we prudent zouden kunnen omgaan met onze evolutionaire instincten en dat  verlangen naar erkenning ons niet meer blind maakt voor de persoon van de ander. Helaas, aan het eind van het verhaal is er geen andere gevolgtrekking mogelijk dan dat geweld onderdeel is van onze menselijke conditie. We zullen ermee moeten leven.

In een gedicht dat gedateerd is 18 juli 2013, stelt Leo Vroman (1915 – 2014) de vraag: wie kan tevreden kijken / naar bloed uit een onthoofde romp, / spiervlees stuipend uit een stomp, / half platgeperste lijken / die darmen spuitend uit hun mond / en hun machteloze kont, // die onoverzienbare kluit / van nabibberende buit? / En daar bestaat een oorlog uit.

Twee lichtstraaltjes, ziet Achterhuis in de duisternis van elf delen en vijfenvijftig hoofdstukken. De eerste is Senator Robert Kennedy die twee jaar voor hij werd doodgeschoten de studenten van de Universiteit van Kaapstad het belang voorhield van morele onverschrokkenheid. Hij doelde daarmee op de moed om racisme, apartheid, discriminatie, onderdrukking en ongelijkheid aan de kaak te stellen. Achterhuis herkent diezelfde onverschrokkenheid in het optreden van dominee Martin Luther King, die ook is vermoord. De schrijver van Met alle geweld gaat nog een stap verder en beschrijft een morele onverschrokkenheid 2.0 die eruit zou bestaan zich een weg uit het geweld te banen door het eigen gelijk ter discussie te stellen ten overstaan van de tegenstander. De wijze waarop Nelson Mandela Zuid Afrika regeerde is daarvan een voorbeeld, net als hoe bisschop Tutu met de Waarheids- en verzoeningscommissie zijn land de weg wees uit een verleden van apartheid.

Cornelis Verhoeven (1928 – 2001), die andere Nederlandse filosoof tegen het geweld, wil er niets van weten. Hij kwalificeert moed als een narcistische cultus van het ik in overleg met het geweld. Een feodaal sentiment dat in tijden van oorlog aanzet tot onbezonnen gedrag en in tijden van vrede verstandig beraad in de weg loopt. Zo er nog een plaatsje voor is, dan in de sport waar ook de oorlog thuis hoorde, toen hij nog een feodaal vermaak was. Sport is immers ook een poging om met de meest archaïsche middelen een doel te bereiken. Zij cultiveert bijvoorbeeld het hardlopen terzijde van de snelweg, maar het is niet meer haar bedoeling daarmee ergens snel aan te komen.

En de gehaktmolen maar malen.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Fluorescerend blauw

De ooievaarspaal bij de kruising van de Nico Broekhuysenweg en het Piet Moeskopspad is tijdens een van de vier februaristormen afgelopen voorjaar omgewaaid. Veel is er niet aan verloren. De bomen om de paal waren hoger, de constructie was ondeugdelijk, het hout vermolmd; ik heb er nooit een ooievaarspaar zien broeden. Een paar weken later zag ik dat er een plateau was aangebracht in de top van een dode boom, nu ja een stam en een zijtak, die een steenworp verder aan de plas staat. Regelmatig vat een van de vogels post op de nieuwe paal, die inderdaad een stuk hoger en steviger is dan de oude. Maar een ooievaar is te weinig voor een nest, om van een broedsel maar te zwijgen.

De eerste dag van april is het koud. Felle noordenwind die aan je wangen plakt. Stuifsneeuw tegen zwarte molshopen. Of is het een ooievaar? Gezichtsbedrog. Wel een paar puttertjes en een witte kwikstaart, en natuurlijk de gebruikelijke reigers, eksters, meerkoeten, grazende nijlganzen en nijlganzen op de vlucht en kauwtjes. Wanneer zag ik voor het laatst een gaai?

Als het gestopt is met regenen, breekt het voorjaar aan. De bodem kleurt geel, eerst van paardenbloemen, dan van speenkruid en verschiet daarna naar het wit van fluitenkruid en daslook. Laag over de brede sloot scheert een kleine boemerang met een vorkstaart, een meter of twintig voor me verdwijnt hij voorgoed uit het zicht. Het moet een oeverzwaluw zijn geweest. Ook dat is geen blijver. Negenentwintig april is het dan, en de kou is verdwenen. Een week later hoor ik eerst geklepper en als ik opkijk zie ik een ooievaar, hoog in de dode boom aan de plas. Verderop in de wei steken de oren van drie hazen boven het gras uit.

Een maand later zit de ooievaar er weer, of moet ik zeggen nog, want negen van de tien keer als ik langsloop en opkijk, zie ik hem of haar daar in de boom. Als ik over de plas kijk – aalscholvers aan de andere oever, het nest van een zwaan – flitst er een fluorescerende blauwe streep door mijn blikveld. Dat kan alleen maar een ijsvogel zijn. Een vogel die je niet ziet, maar wel kunt raden.

Dan maken de vogelgeluiden in het gebied tussen de N 200 en de Osdorperweg plaats voor de dreunende bassen en het publieksrumoer van festivals. De weiden verdorren. Waar het gras is platgetreden en -gereden, groeit het voorlopig niet meer terug. Tussen de bomen tegen de Westrandweg scharrelen op de vlonder, een paar meter voor me een winterkoning met jong, die, zodra ze me gewaar worden, vliegensvlug opgaan in het gebladerte.

Tussen de festivals door is het stil in de polder. De warmte drukt zwaar en loom op het land. Onder het lopen prikt het zweet in mijn ogen. Alles warm en stoffig, geluiden en kleuren gedempt, bomen in de verte trillen in de lucht, alle geuren lijken op elkaar. Waar heeft men zintuigen voor bij deze temperaturen?

Zo gaat het in augustus en zo gaat het in september. Tot het begint te regenen. Op vier oktober zie ik drie ooievaars op sportcomplex De Eendracht. Drie identieke vogels in het strafschopgebied.

Er staat niemand onder de lat. De bal is niet in het spel. Ligt ook niet in de sloot.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Niemand ontkomt

Het bericht van het overlijden van Hans Magnus Enzensberger (1929 – 2022) katapulteerde mij terug in de tijd, naar de periode dat ik Nederlandse taal- & letterkunde studeerde, de tweede helft van de jaren zeventig. Aan het streven naar gelijkheid van kennis, inkomen en macht, was een bruusk einde gekomen toen het kabinet onder leiding van Joop den Uyl in maart 1977 viel over de grondpolitiek. In hetzelfde jaar werden Willem Engel en Hugo de Jonge geboren. Jan Raas won Milaan – San Remo en zijn eerste Amstel Gold Race. De verkiezingen voor de tweede kamer leverden op vijfentwintig mei zetelwinst op voor de Partij van de Arbeid (‘Kies de minister president’), maar van een tweede kabinet Den Uyl is het niet meer gekomen.

Ik had de verplichte onderdelen afgerond en koos er met een groep gelijkgestemden voor ons te verdiepen in het verschijnsel bewustzijnsindustrie. Het was de titel van een opstel dat Enzensberger in 1962 schreef en dat in 1974 in het Nederlands was vertaald. Al in de eerste alinea maakt de schrijver korte metten met het idee dat wij baas zouden zijn in het eigen brein. Idealisme op pantoffels, noemde hij het. In de tweede alinea komt Marx (1818 – 1883) op de proppen: Het bewustzijn is bij voorbaat al een maatschappelijk product en blijft dat, zolang er mensen zijn. Wij beaamden het van harte, maar vonden diep van binnen dat het niet voor ons gold; dat ons bewustzijn beter wist en dat we ze dat zouden laten weten. Pas toen ik een kwart eeuw later Prometeus van Carry van Bruggen (1881 – 1932) voor de tweede of derde keer las, ervoer ik iets van de helderheid die gepaard gaat aan de erkenning dat vrije wil een fictie is.

Of Enzensberger zo ver ging, weet ik niet. De bewustzijnsindustrie is een lastig ding. Bewustzijn, oordeel, bekwaamheid tot beslissen veronderstelt zij niet slechts als abstract recht bij ieder individu; zij produceert ze, schijnbaar paradoxaal zelf. Uitbuiten kan men alleen krachten die aanwezig zijn; om deze ten dienste van de bazen te kunnen temmen moeten ze eerst opgewekt worden. Niemand ontkomt. We veranderden langzaam in nuttige idioten van het kapitalisme. Gelukkig verscheen op acht april 1977 het debuutalbum van The Clash.

Hoewel bewustzijnsindustrie dus al honderd jaar bestond, was het in zijn volle omvang nog nooit in kaart gebracht. Studies beperkten zich tot film, radio, televisie, de macht van propaganda of reclame; de journalistiek bleef buiten schot, net als mode en design en misschien wel de invloedrijkste tak: onderwijs.

In dezelfde essaybundel als waarin Bewustzijnsindustrie verscheen, probeerde Enzensberger ook een theorie te ontwikkelen van het toerisme. Dezelfde gedachtegang tussen de regels; het georganiseerde massatoerisme transformeert een systeemkritisch vrijheidsverlangen tot industrieel geproduceerde risicoloze, hapklare brokken vakantiepret waarmee we er weer een jaartje tegen kunnen.

Ook dit idee kwam ons onweerstaanbaar voor en we produceerden een bloemlezing van vrijheidsclichés uit het werk van Louis Couperus, Nescio, Slauerhoff (maar Beets, Van Lennep, Bosboom – Toussaint hadden ook gekund) die grondstof vormden voor het narratief –  discours zeiden we toen – van het massatoerisme.

In de dagen dat Ilja Leonard Pfeijffer (1968) Grand Hotel Europa nog niet had geschreven en niemand wifi had.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen