Mediawijsheid

De rage van Loesje-affiches begon met de tekst: ‘een groot dressoir met een foto van mijn zoon erop’. Amsterdam, halverwege de jaren zeventig. Een witte ondergrond en zwarte, vette schreefloze kapitalen die het hele vlak vulden. De ooit snel geveegde opschriften ‘Klaas Komt’ en ‘Provo’ verbleekten op de aangetaste gevels die door boomstammen werden gestut. Het was op de Rozengracht, als ik mij niet vergis, lijn 13 denderde langs het Roothaanhuis. Alleen was het affiche niet ondertekend met het karakteristieke Loesje en, anders dan de plakkaten die de komende jaren uit haar naam zouden verschijnen, bevatte deze tekst geen enkele sententie.

We waren met de leerlingen van vier havo in FOAM, het Fotografiemuseum Amsterdam en de eerste vraag die ons werd gesteld was: hoe lang bestaat de fotografie eigenlijk. Om ons heen hangen foto’s van Brassaï (1899 – 1984), de man die voor generaties het beeld van Parijs heeft bepaald. Zestig jaar, schat de één, alsof hij nog nooit een foto van zijn grootouders heeft gezien. Honderd jaar, probeert een ander. George Hendrik Breitner, Eadweard Muybridge, Anna Atkins,  Jacob Olie, Félix Nadar, als men jong is zwemt men in een zee van tijd zonder horizon.

Twee meiden zijn stil blijven staan bij The stairs of Montmartre. Winterlicht. De fotograaf nam de foto van de trappen van de Rue Foyatier terwijl hij bovenop de Butte Montmartre stond, bij het eindpunt van le Funiculaire. Kale bomen, maar de afgevallen bladeren zijn al lang weggewaaid of opgeveegd. Er is geen mens te zien op de foto. Alleen het licht door de takken en het ritme van hekjes en lantaarns (lampen glanzen in het tegenlicht) steeds een niveau lager en dieper. Hoe komt het dat het lijkt als of je het beeld wordt ingetrokken?

Remco leidt ons rond en zegt dat het verhaal van de foto altijd met tijd heeft te maken. Wat je ziet is er al niet meer, en daar hoort weemoed bij en verlangen. Maar de Rue Foyatier en de trappen zijn er nog altijd en het verlangen ook, al hadden we daarvoor nog niet het woord weemoed bedacht. En Remco vraagt ons, ons voor te stellen wat zich ondertussen buiten het kader van de foto afspeelt. Want hoewel elke foto ons een stukje van de waarheid toont, is elke foto ook een leugen. Het woord mediawijsheid valt.

Er is ontegenzeggelijk veel veranderd sinds de komst van de digitale fotografie. Verdwenen is de traagheid, de geuren van ontwikkelaar en fixeer, het toverachtige van het werk in de donkere kamer, gekomen is de alomtegenwoordigheid van de camera en het beeld, iedereen is fotograaf, maker, model en kijker inéén. Nog nooit werd er zoveel beeld weggegooid en was er zoveel beeld beschikbaar. En, sorry Remco, ik vrees dat het digitale beeld niet langer gaat over tijd en weemoed, maar over de vormgeving van zichzelf als merk, over schitteren en over belofte.

Nu zijn we bang voor het beeld omdat er iets op staat dat niet waar is, kort geleden was het omdat er iets niet op de foto stond, terwijl het wel degelijk was gebeurd. De mislukte foto van Dorbeck, het verdwenen filmrolletje van Srebrenica.

Hoe laat je een kiekje zien in een woonkamer? Gewoon neerzetten in een boekenkast is het makkelijkst. Dan staat het tussen prentbriefkaarten en foto’s van vrienden en bekenden. Het maakt deel uit van een openbaar dagboek, plaatjes uit verscheidene jaren,net of je de tijd te slim af bent., schrijft K. Schippers (1936) in Op de foto. Instagram in de boekenkast, maar dan anders.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 1 reactie

Geen rare dingen doen

Ik was opgeroepen om een twee havoklas op te vangen. De docent van dienst was niet beschikbaar, vrijdagochtend tweede uur, en de les Nederlands gaat door. Tweeëndertig opgeschoten lijven (de een meer dan de ander) proberen zich tegelijkertijd door de deur te persen zodra die van slot is gedraaid. Dat had nog wel kunnen lukken, ware het niet dat de breedte van het lichaam niet altijd goed is in te schatten, omdat die wordt vermeerderd met overvolle rugtassen die links en rechts achter de deurpost blijven steken en de bezitters ervan, jongens, meisjes, lelijk hinderen bij hun opmars naar de tafel en stoel van hun keuze in het lokaal. Dat een en ander zich niet in een sfeer van serene kalmte voltrekt, laat zich raden.

Als de rust enigszins is weergekeerd vraag ik wie de avond ervoor Halloween heeft gevierd. Eén vinger gaat omhoog. Het ging om een verjaardagsfeestje van een vriendin dat voor de gelegenheid met dat thema was verrijkt. De kermis is voorbij, Sint Maarten staat voor de deur, misschien zijn Zaankanters wel gewoon te nuchter voor zoiets exotisch als Halloween.

Daarmee was het bruggetje geslagen naar een wel zeer naaste en zeer oude bron van het griezelfeest dat vooral op het Amerikaanse continent enthousiast wordt gevierd, ons eigen Lied van heer Halewijn: Heer Halewyn zong een liedekijn, / Al die dat hoorde wou bi hem zijn. De succesvolle zanger heeft een bedenkelijke reputatie, dat verneemt ook het koningskind als zij aan haar vader vraagt of ze naar Halewijn mag gaan: Och neen, gy dochter, neen, gy niet: / Die derwaerts gaen en keeren niet! Gelukkig voor haar heeft haar broer een ruimere kijk op de zaak. Hij antwoordt op dezelfde vraag: ’t Is mij al eens, waar dat gy gaet, / Als gy uw eer maar wel bewaerd / En gy uw kroon naer rechten draegt!.

Nu was het tijd om na te vragen of we het allemaal nog konden volgen, meer in het bijzonder wat broerlief zou bedoelen met uw eer bewaren. Daar klinkt al een antwoord, een meisje halverwege rij één: Geen rare dingen doen. Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden. Nu kunnen we voort. We zien hoe het koningskind haar toilet maakt (zijden hemdje, rode rok met gouden knopen, parels in heur haar), het beste paard van stal kiest en in het bos heer Halewijn ontmoet die haar zonder omwegen naar het galgenveld leidt, waar menig voorgangster nog in de najaarsbries heen en weer wiegt.

Het koningskind kiest voor het zwaard, als de mooie zanger haar de vraag stelt hoe ze wil worden omgebracht, en ze adviseert hem zijn bovenkleed af te nemen: Want maegdenbloed dat spreidt zo breed, ? Zoot u bespreide, het ware my leed.

Gelijk maakt ze haar belager zijn wapen afhandig en onthoofdt ze Halewijn met zijn eigen zwaard. Het hoofd neemt ze mee, en als haar thuiskomst met een banket wordt gevierd, prijkt het pontificaal midden op tafel.

Of dit allemaal nog wel valt onder het gebod geen rare dingen doen, weten we niet, zodat we er ook niet uitkomen of het koningskind nu wel of niet haar eer had bewaard.

Diezelfde dag, vijfenzeventig kilometer verderop, sluiten de grote onderwijsbonden, de minister van onderwijs en de vertegenwoordigers van de schoolbesturen een convenant dat het koningskind van de Algemene OnderwijsBond twee dagen later de kop kost.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Actie

Deze week kreeg het woord ‘grondverzet’ er een betekenis bij. In alle vroegte bezetten bouw- en infrabedrijven, baggeraars en hoveniers woensdag met groot materieel het Malieveld. Boze aannemers blokkeerden enige tijd de A12 en wie er in slaagden de residentie op tijd te bereiken, trok een oranje hesje aan en drong naar het podium waar werkgevertegenwoordigers Maxime Verhagen en Hans de Boer hen toespraken over stikstof en de PFAS-norm Het was kraakhelder weer. Uit het binnenland was nachtvorst gemeld. Arbeiders luisteren in de zon, hun vingers draaien routineus een shagje. Maar let op! Hier staan de mannen die het woord ‘koffierondje’ aan onze taal hebben geschonken, die voor één dag de lobbytafels hebben verlaten en zich onwennig voegen in proletarische actieretoriek. Hoor ik hen al spreken over de ‘toekomst van onze gezinnen’? Was er in de polder ooit een werkgeversprotestmanifestatie?

Dit moet bijna veertig jaar geleden zijn. We waren vrijdagmiddag op het kamp aangekomen en zochten een plekje om de tent op te slaan. Dat zou er ook wel zijn als een schommelend besteleendje een metertje, vooruit twee, opzij kon. Het idee was nog niet uitgesproken of vier van ons posteerden zich op de hoeken van het voertuig en verplaatsten het met schokkende bewegingen in de gewenste richting. De achterportieren gingen open en een hoofd met verwarde haren wierp een vragende blik uit de auto. Of dat rijdende bordeel misschien een paar meter kan opschuiven, dan is er ook plaats voor onze tent. Ik weet niet op hoeveel demonstranten de organisatie had gerekend, maar er gingen geruchten dat er al meer dan tienduizend op de blokkade waren afgekomen.

De volgende ochtend was het mistig. Grijze nevel die al snel overging in hardnekkige motregen. De mars naar de kerncentrale ging over de Waalbandijk en door de uiterwaarden. De weg was niet overal breed genoeg en de zompige rivierklei zoog ons vast aan de bodem. Het kostte moeite om het schoeisel aan de voeten te houden. Doorweekt en verkleumd keerden we terug in het kamp.

Kees Holtmans werkte in de centrale en had voor zijn raam een groot affiche hangen met daarop de tekst Kernenergie Ja!. Om zijn ruiten te sparen heeft hij dat die zondag 19 oktober maar weggehaald.

Het vroor een paar graden. In het prille ochtendlicht lag het kamp er witberijpt bij. Dolende actievoerders die zich vergeefs proberen warm te slaan, op zoek naar koffie. Pas als de zon wat hoger komt, dringt haar warmte door tot de botten. De mars van die dag stuitte op een peloton ME. De gehate kerncentrale daarachter was nog steeds in bedrijf.

Woensdag aanstaande hebben de onderwijsbonden ons opgeroepen tot een staking van een dag. We protesteren tegen werkdruk en voor meer waardering voor ons werk. Om tien uur is er een manifestatie op de Dam.

Die avond hebben we de doorweekte tent afgebroken en zijn we terug naar huis gegaan. In de trein beloofden we elkaar voortaan alleen nog in Amsterdam te demonstreren.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Mislukte meesterwerken

Op een namiddag, ongeveer drie maanden geleden, hadden Jan-Paul van Spaendonck, dirigent en artistiek leider van het Linnaeuskoor, en ik bij mij thuis afgesproken om ons aankomende optreden door te spreken. Er was een titel: ‘Van Heine en verre’, we zongen inmiddels tien, vijftien liederen onder de paraplu van de Duitse romantiek op muziek van Mozart, Mendelssohn, Schumann, maar vooral van Van Spaendonck zelf. We wilden de Heine-liederen onderverdelen in drie hoofdstukjes die de drieëenheid van de dichter vertegenwoordigden: de romanticus, de ironicus en – mag ik het zeggen – de socialist. We fantaseerden erover de hoofdstukjes met elkaar te verbinden door een nieuwe toonzetting van het Heine-lied par excellence; Die Loreley, maar we verwachten dat er tussen de liedjes ook gesproken toelichting nodig was.

Waar haalden we de moed vandaan? Martin van Amerongen (1941 – 2002) had ons in zijn boek Het Matrassengraf Heine’s sterfbed 1848 – 1856 uit 1985 nog zo gewaarschuwd: Het totale aantal op Heine-teksten gebaseerde liederen wordt geschat op zesduizend. (…) De meeste herscheppingen zijn, voor zover ik ze ken, inferieur; zij laten althans zelden iets over van Heine’s intenties. Voor de muziek die Schubert en Schumann maakten op teksten van Heine en die terecht zijn gekomen in de cycli Schwanengesang en Dichterliebe, maakt de oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer een uitzondering: Het zijn zonder meer meesterwerken, zij het mislukte meesterwerken.

In zekere zin was het Heine (1797 – 1856) zelf die ons aanmoedigde zijn teksten uit het Buch der Lieder op de lessenaar te nemen. Hij kon er zelf ook geen genoeg van krijgen, schrijft hij in zijn Geständnisse: Nadat ik de ontvankelijkheid voor romantische poëzie in Duitsland de dodelijkste slagen had toegebracht, bekroop mij zelf weer een oneindig verlangen naar de blauwe bloemen in de droomwereld van de Romantiek, en ik greep de betoverde luit en zong een lied waarin ik mij aan alle bekoorlijke overdrijvingen, aan alle maneschijndronkenschap, aan alle nachtegalenwaanzin van die ooit zo geliefde melodie overgaf.

We zouden het daar niet bij laten. We zouden ook aandacht besteden aan de geëngageerde Heine, die, tot genoegen van zijn goede vriend  en beroepsrevolutionair Karl Marx (1818 – 1883) regels dichtte als: Het geld is plat, mijn kleine schat, / en eist ook platte vleierijen. Toch noemde hij het volk een lompe soeverijn, en beweerde hij onmiddellijk zijn hand te gaan wassen mocht het volk mij met zijn handdruk vereerd hebben.  Heine was te veel dichter om onbevreesd voor de ongeletterde horden te kunnen leven.

Dat muziek op teksten van Heine tot mislukken is gedoemd, komt volgens Van Amerongen omdat toonkunst ten enenmale ongeschikt is om ironie uit te drukken. Zelfs Robert Schumann (1810 – 1856), wiens vader boekhandelaar was, en die verstand had van literaire stijl en poëzie, bleef  ‘een voor Heine’s ironie ongevoelige biertrinkende Sachse’, aldus Van Amerongen, die de laatste kwalificatie van de componist van Dichterliebe aan Nietzsche ontleende.

En toch noteert de zeventienjarige Robert Schumann, nadat hij op een dag in mei met de door hem bewonderde dichter door München heeft gewandeld in zijn dagboek: Heine – geestrijke conversatie – ironisch mannetje – zeer genoeglijk vertreden – met hem naar de Leuchtenbergische Galerie geweest – biljart – Table d’hôte.

 

 

Het Linnaeuskoor zingt onder leiding van Jan-Paul van Spaendonck Van Heine en verre: 22 november, 20:15 uur. Café Belcampo, Hannie Dankbaarpassage 10, Amsterdam. De pianobegeleiding is van Vaughan Schlepp.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Kermis

Hij sloft van de deur naar zijn plaats, zakt op zijn stoel, plooit zijn jas tot een kussen op de tafel voor zich en met zijn tas nog op zijn rug, laat hij zijn hoofd vallen en blijft bewegingsloos liggen. ‘Goedemorgen’, roep ik uit. ‘Wat is er met jou aan de hand, waar kom jij vandaan?’.  Het blijft nog even stil tot er een oog open gaat en zijn lippen zich roeren. ‘Van de kermis’, zegt hij.

Scholieren willen seksuele voorlichting veranderen: veel meer dan alleen voortplanting, kopte het AD vorige week woensdag. Het bleek te gaan om een onderzoek van de Rutgers Stichting waarbij co-onderzoekers tussen de vijftien en de achttien jaar leerlingen van de bovenbouw van de middelbare school de vraag stelden wat er zou moeten veranderen aan de seksuele vorming die ze hadden genoten. Die vraag was ingegeven door de uitkomst van een onderzoek van twee jaar eerder waaruit bleek dat jongeren hun seksuele voorlichting waardeerden met een mager zesje. Dat kan dus beter.

Volkskrantcolumniste Elma Drayer plaatste kanttekeningen bij het onderzoek. De Rutgers stichting is een belangrijke aanbieder van trainingen en cursusmateriaal op het gebied van seksuele voorlichting, zodat de vraagstelling niet van eigenbelang was gespeend. Uiteindelijk hadden de interviewers maar 300 van de 1,1 miljoen scholieren gesproken en die kwamen alleen uit Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Overijssel en Noord-Brabant. De onderzoekers hadden gevonden wat ze zochten, concludeerde Drayer.

De aanbevelingen ter verbetering van de seksuele voorlichting waren voornamelijk aan school gericht. Seksuele vorming moet ook in de bovenbouw gegeven worden en niet alleen bij het vak biologie. Ook moet het niet alleen gaan over soa’s en voortplanting, maar ook over genot en diversiteit. Docenten moeten zeggen seks hebben in plaats van geslachtsgemeenschap en de leraar Nederlands kan boeken erover op de lijst zetten.

Boeken is altijd een goed idee. Neem de eerste brief van de apostel Paulus aan de gelovigen van Korinthe over de liefde: ze is niet grof en niet zelfzuchtig. Of het einde van de allerlaatste zin van James Joyce’ Ulysses: … en toen vroeg ik hem met mn ogen het nog een keer te vragen en toen vroeg ie me zou ik ja zeggen ja mijn bergbloem en eerst sloeg ik mn armen om hem heen en ja en trok hem naar me toe zodat ie mn borsten kon voelen 1 en al geur en zn hart ging als een gek tekeer en ja zei ik ja dat wil ik Ja. Of Hadewych: Laat in de liefde niets achterwege, / dan geef je je werk een goed begin. En Eva van Carry van Bruggen: Mijn witte jurk. Mijn roode lippen. Je moogt dat niet zeggen, Bauk. Je hebt er het recht niet toe. Het is niet alleen je eigen geheim, het is het ellendige geheim van ons allen. Als hij het weet van jou, dan weet hij het ook van mij. Ik wil niet dat een man dit weet van mij, … Ja lees Eline Vere van Louis Couperus, lees Godin, Held van Gustaaf Peek, lees Drift van Bregje Hofstede, lees desnoods Opwaaiende zomerjurken en Zwarte schuur van Oek de Jong of  Komt een vrouw bij de dokter van Kluun. Maar lees.

Op de kermis in Oss kun je speeddaten in de rups. Ze zeggen dat een ritje in de ruim zeventig meter hoge attractie Turbine nog lekkerder is dan seks.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Daarover een gedicht

De dichter die in mei nog bij ons op bezoek was om een gastles te geven, was 29 september in Tivoli Vredenburg voor de Nacht van de poëzie. Een weekje later is haar optreden op You Tube te zien. Op een onmenselijk vroeg uur begroet ze haar publiek met een monter ‘Haai’, schudt zich wakker met wat hupjes op de plaats, telt af, ‘drie, twee, een’ en begint haar voordracht met een weids gebaar van haar rechterhand boven haar hoofd, van rechts naar links, waarna haar linkerhand de beweging voortzet en ze zegt: ‘Brief voor mijn ouders’.

In de klas is het me te doen om het tweede gedicht. Ze zegt: Ik heb een bundel geschreven over Nederlands Indië, blablabla, oorlogsgeschiedenis, superkut, racisme. Hé, daarover een gedicht. Dan leest ze een fragment van de tekst uit Hogere natuurkunde dat op bladzijde 29 is afgedrukt. Nee ze leest het niet, ze draagt het voor uit haar hoofd. Niet helemaal precies, maar precies zoals het in de Nacht van de poëzie zou klinken. Ik trok weg van het bed. / Slechts gekleed in mijn huid wandelde ik naar buiten, / wordt dan: … en ik trok weg van ons bed / Ik hoorde in de verte de mijnen al naar me roepen / Ik trok weg van ons bed / en ik liep richting de tuin / en hij riep nog om me maar ik was al ver weg / en slechts gekleed in mijn naaktheid, vertrapte ik het gras.

Voor ons lesdoel maakte dat niet uit. Slechts gekleed in mijn naaktheid, vertrapte ik het gras is net als Slechts gekleed in mijn huid wandelde ik naar buiten, een voorbeeld van een correct toegepaste beknopte bijzin. We nemen het boek erbij en stellen vast dat het impliciete onderwerp van de beknopte bijzin, hetzelfde is als het onderwerp van de hoofdzin. Zoals het hoort.

Dat is wel anders op de eerste bladzijde van de Berlijnse dagboekbladen die Menno Wigman (1966 – 2018) in 2010 publiceerde. Terug uit de kliniek nam mijn zwaarmoedigheid alleen maar toe. Heeft hier een redacteur zitten slapen? Menno Wigman weet heus wel hoe het moet, dat blijkt uit zijn gedicht Uitverkoop: Vreemd is het wel, die eksterplaag / van mensen voor de etalages. Hoe alles / maar de winkelstraten door hoereert! / Verwonderd treedt het uit zichzelf, / strijkt neer en jaagt op waar voor geld: / Wir kommen langsam, aber gewaltig. / Zolang de voorraad strekt. //

Dat in een zin als Het is niet aan ons hierover een oordeel te vormen het onderwerp van de bijzin overeenkomt met het meewerkend voorwerp van de hoofdzin, zonder dat er sprake is van ongrammaticaliteit, houd ik voor me, en ook dat de digitale Algemene Nederlandse Spraakkunst voor formeel taalgebruik als IJs en weder dienende, gaat de wedstrijd door, een uitzondering maakt op de regel dat het impliciete onderwerp dient overeen te komen met dat van de hoofdzin. Is dat dan de autoriteit waar uitvaartverzorgers zich op verlaten bij het opstellen van rouwcirculaires?

Ellen Deckwitz (1982) is een volleerd instructrice. Zij tovert haar publiek vanaf het podium de tekst van een brief voor ogen zoals die geschreven is; van links naar rechts, met een gebaar van beide armen van rechts naar links; in spiegelbeeld.

Twintig minuten later hebben we ook de vaardigheid onder de knie om foutieve beknopte bijzinnen te maken. Ik geef de bordstift aan Ianna en ze schrijft: Om betere cijfers te halen, moeten de toetsen makkelijker worden.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Beethoven

In april 1969 bracht de Haarlemse popgroep Ekseption het nummer The fifth uit. Dat zou mijn eerste ontmoeting met Beethoven kunnen zijn, al herinner ik mij nog een gelegenheid uit die jaren waarbij zijn naam viel. Ik had foto’s gemaakt van Cees Buts die een paar jaar ouder was dan ik en ook in het internaat woonde. Een terwijl hij aan het biljarten is, en een als hij piano speelt. Toen ik hem de foto’s gaf, zat hij weer aan de piano. Als dank speelde hij Beethoven voor mij.

Marianne Donner vertelt in de inleiding van haar artikel Vergeet niet te dansen dat kort voor de zomer in de Groene Amsterdammer verscheen, over haar guilty pleasure, een nummer van Tenacious D dat Tribute heet. Ze voegt er gelijk aan toe dat ze zich helemaal niet schaamt voor haar guilty pleasure. Schaamte, zegt ze, is een vorm van zelfverraad.

Met de leerlingen van vijf havo gebruiken we de tekst van Donner voor een oefening. Elk van ons schrijft een tekstje van honderd tot tweehonderd woorden over onze guilty pleasure. Welk liedje oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht op je uit, terwijl je in alle eerlijkheid zou moeten toegeven dat het helemaal niet bij je past.

Twintig jaar dacht ik niet aan de componist uit Bonn. Tot in 1991 het liedje Beethoven  van Henk Temmink en Henk Wesbroek verscheen  – Was Beethoven nu doof aan z’n linker- of z’n rechteroor – dat door Linda de Mol tot een bijna-hit werd gezongen, en in 1994 stuitte ik op een reis door Zuid India op het boek Beethoven among the cows van Rukun Advani, dat helemaal niet over Beethoven gaat, al speelt het vijfde pianoconcert er wel een grote rol in. Pas daarna maakte ik kennis met de strijkkwartetten, de pianosonates en –trio´s.

De eerste minuten weten we niets, daarna zet hier en daar iemand een pen op papier. In de stilte die valt, waaien vanuit de aula flarden van de muziek van Enrico Einaudi aan. Iemand is op de piano aan het spelen. Al gauw komen de eerst tekstjes op mijn bureau. Het gaat me om het taalgebruik, of de spelling in orde is, de hoofdletters en de komma´s, of er geen overtollige spaties in staan en of uitdrukkingen en zegswijzen correct zijn weergegeven. Maar ik ben natuurlijk ook benieuwd naar de inhoud van de teksten.

Daar is De vlieger al van André Hazes, maar ook Spaanse rap van Nio Garcia en Great balls of fire van Jerry Lee Lewis. Een nummer uit 1957, ik word er steeds als ik het hoor weer vrolijk van. Op een volgend blaadje wordt de lof gezongen van Frank Sinatra. That´s life (I’ve been a puppet, a pauper, a pirate A poet, a pawn and a king) is eenvoudig te mooi om alleen met kerstmis te luisteren. Mijn guilty pleasure is niet echt gênant, maar mensen van nu zouden mij wel raar aankijken als ik zou zeggen dat ik van klassieke muziek houd., schrijft Bradley en hij noemt de namen van Mozart en Beethoven. Hij weet dat zijn klasgenoten die muziek saai vinden, maar hij meent ook dat er wel meer jongeren zijn die van klassieke muziek houden.

Beethoven belooft een grote rol te gaan spelen in Otmars zonen van Peter Buwalda (1971), waarvan één van de drie delen inmiddels is verschenen. In het oeuvre van Koos van Zomeren (1946) klinkt regelmatig iets uit Beethovens zesde symfonie (de ‘Pastorale’), Anna Enquist (1945) dichtte over opus 126, de bagatellen, Niets wil hij nog / vertellen, hij versluit zijn lied // vrij van vervulling door de echte klank / in onze oren. Willekeur. Hij krast / de tekens zonder ze te horen.//

Ik geloof dat klassieke muziek over een paar jaren weer in wordt., besluit Bradley zijn tekst.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Ouderavond

De ouders van mijn leerlingen werden in de jaren zeventig geboren. De maanlanding vernamen ze niet  uit de mond van Henk Terlingen en dan is zoiets al gelijk moeilijker om te geloven. The Beatles hadden in 1970 hun laatste plaat uitgebracht, het leek er nu toch echt op dat het tijdperk van de the fab four voorgoed verleden tijd was, ook al waren inmiddels de eerste soloalbums van elk van de vier ex-beatles verschenen. Ze waren uit Suriname naar het land van Joop den Uyl en Koningin Juliana gekomen en moesten leren ’s avonds de gordijnen te sluiten, omdat na de oliecrisis niets meer zo zou zijn als toen. Maar de Vietnamoorlog was voorbij.

Hun kinderen zitten voor me in de lage najaarszon die wordt getemperd door de zonneschermen voor de ramen. Het doek wiegt zachtjes in de wind. We doen een woorddictee. Abonnees, barbecueën, comité, eczeem, enigszins, faillissement, hartstikke, klerezooi, millimeter, penicilline, puberteit, staatsieportret, toentertijd (wat zegt u? toeterend?), wederrechtelijk. Of ik wel eens van Google heb gehoord. Schrijven met pen en papier doen ze alleen nog op school. Voor al het andere tekstwerk gebruiken ze een spellingcontroleprogramma. Mijn opmerking, dat je daar niet veel aan hebt als je per se moet spellen, om van de spelling van werkwoorden nog maar te zwijgen, wordt weggewuifd.

In de grimmige jaren tachtig scholen ze onder de beschermende vleugels van hun ouders. Heeft een kind weet van massawerkloosheid, atoomdreiging, een aidsepidemie en lubberiaanse no-nonsense-politiek? Wel schrokken ze op van het onverwachte slotakkoord van het decennium: de val van de muur, een doldwaze optocht van Trabants over de Ku’damm die in de vroege uurtjes van de tiende november weer achter de Brandenburger Tor en Checkpoint Charlie verdween. De foto van Tank Man op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing is de eerste nieuwsfoto die ze zich kunnen herinneren.

Pyjama, opticien, niettemin, litteken, liniaal, gezamenlijk, geenszins, nochtans, discipline, caissière. Twee jongens lezen vlak voor me alle samenstellingen met kut aan elkaar voor uit Het Groene Boekje, van kutsmoes tot kutzooi en kutzwager. Een paar tafels verder laten vier meiden mogelijke bestemmingen voor de aanstaande herfstvakantie de revue passeren. Ik hoop dat het hun ondertussen is opgevallen dat het woorddictee beter uitpakt als we eerst aandacht besteden aan de leerstof uit het boek.

Pas daarna ontdekten ze, wie ze waren. Op de televisie werd over hun generatie gesproken als de generatie X. Die van na de babyboomgeneratie, maar van voor de internetrevolutie, al wisten ze dat laatste op de televisie nog niet. Er was in Nederland een paarse coalitie van PvdA en VVD aangetreden die in hoog tempo overheidstaken aan het vermarkten was. De beurzen doorbraken plafond na plafond. Voor de meisjes waren er The Spice Girls, voor de jongens Nirvana en voor allebei The red hot chili peppers. De enige spanning kwam van the millennium bug, want sinds kort had iedereen een pc in huis.

Misschien waren de twee opgestoken duimen van Nina Brink het eerste signaal dat er iets aan het veranderen was. Maar het was moeilijk in dat gebaar een teken van onheil te zien. Was het vorige aangekondigde digitale pandemonium niet ook met een sisser afgelopen? Het duurde nog tot 11 september 2001 voor men knopen zou tellen, de mogelijkheden onderzoeken van een eerste eigen huis nu dat nog betaalbaar was, een vaste baan misschien, financiële zekerheid, maar in de eerste plaats elkaar. Kort daarna zag een nieuwe generatie het levenslicht.

’s Avonds ontmoet ik hen in een klaslokaal. De bedoeling is om even kennis te maken en om elkaar te sterken in de betrokkenheid bij de opdracht aan de kinderen in het eindexamenjaar: een diploma halen en een vervolgopleiding kiezen. Het is voor ons zo mogelijk nog spannender dan voor hen.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Papegaai

Een vogel kun je het nauwelijks meer noemen, wat daar op de afbeelding staat die ik op het scherm heb geprojecteerd. Wat veren in het zand, een rottende krop waarboven ik een kopje vermoed. Ik zoek naar een snavel. Van buik, poten of staart geen spoor, je kijkt rechtstreeks in de maag van het beest. Een blauwe plastic dop, een geel tandwieltje, een kofferlabel, barbecueprikkers, ja, ook schelpen en kunststof tie wraps. Het is aan de leerlingen van vier havo om over deze lugubere vondst op het strand een notitie te schrijven van honderd woorden.

Eén van de eerste leerlingen met wie ik kennismaakte in mijn loopbaan als leraar, stelde zich voor als Jerel Papegaai. Ik keek op mijn lijsten, maar kon hem niet vinden. Ik vergeleek hem met de foto’s bij de namen, maar die waren misschien al anderhalf jaar geleden genomen. Een Jerel was er wel, maar daar hoorde de achternaam Hooi bij. Hooi of Papegaai, zou het verschil maken? Ook als ik mijn best doe, lukt het me niet nog een naam uit die allereerste klas naar boven te brengen. Alleen dus deze ene, die zijn echte naam niet was.

De bedoeling van de oefening is dat mijn leerlingen enig zicht krijgen op hun spel- en schrijfvaardigheid. Als ze klaar zijn met hun tekst, leveren ze hem bij mij in. Ik zit al klaar met een rode pen om onvolkomenheden aan te strepen. Daarna kom ik bij hen langs om te bespreken wat er beter kan. Mij geeft deze oefening de gelegenheid de namen van mijn nieuwe leerlingen te leren.

Amir, Imaya, Lian, Nyssa, Florian, Jimi, Caitlin, Carlijn, Leanne. Roel, Wessel, Wouter, Timo, Jay, Hanan, Manisha, Wassim, Ilyas, Pepijn (die trouwens juist van klas gewisseld is), Jivan, Sjoerd, Dik, Angelie, Robbert, ik weet niet waar ik kijken moet als ik de presentielijst voorlees aan het begin van de les. Maar het is me vergeven. Ik heb hun gezegd dat ik er elk schooljaar een week langer over doe om alle namen te leren. Voor wie veertig jaar in het onderwijs werkt, is het schooljaar te kort om iedereen bij naam te kunnen noemen. Ik ben nog niet op de helft. Ik beloof dat ik in januari weet hoe iedereen heet.

Als ik een boek voor de vakantie zoek, kies ik meestal een boek van de schrijver Mel Wallis de Vries. Ik kijk dan of er nieuwe boeken zijn die ik nog niet gelezen heb., schrijft Kirsten in haar leesautobiografie. Eén ding onthouden lukt niet. Men herinnert zich het ene met behulp van het andere. Ik probeer de combinatie in mijn geheugen te prenten. Mel Wallis de Vries, Kirsten. Onder haar tekst schrijf ik dat Het Smelt  van Lize Spit dan misschien ook wel iets voor haar is. Een jonge vrouw keert met een groot blok ijs in de achterbak van haar auto terug naar haar geboortedorp. En dat is niet alleen om de opening van de nieuwe melkstal van haar jeugdvriendje te vieren. Waar blijft trouwens dat nieuwe boek van Lize Spit?

Juist wanneer je niet aan namen dacht, konden ze je zomaar te binnen schieten, namen vermomden zich nu eenmaal in het licht van andere namen. Juist door er niet aan te denken kwamen ze te voorschijn, omdat namen altijd andere namen in zich dragen. De overpeinzing is van Albert Huszen die toekijkt hoe het zwerfkind dat zijn naam is vergeten toeloopt op de kinderen met wie hij eerder door Duitsland zwierf.

Kees ’t Hart schreef erover in De ziekte van Weimar. Ik taal op de tast naar het licht van andere namen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Met open ogen

Het Duitse rijk was onherbergzaam en onvoorspelbaar geworden, toen  Albert Huszen (mit s und z) er aan het begin van het tweede deel van ‘De ziekte van Weimar’ van Kees ‘t Hart binnenreed. De Napoleontische legers hadden het gebied grotendeels in handen, maar waren nog niet in staat er enige orde te vestigen. Her en der dwaalden op drift geraakte onderdelen van het verslagen Pruisische leger, opportunisten zagen hun kans schoon verlaten dorpen en steden te plunderen of iets van hun gading te zoeken op de nog rokende slagvelden,  Franse divisies die van de hoofdmacht waren losgeraakt zochten vermoeid hun weg in het vreemde land.

Onderweg naar Kassel zien ze in de berm een grote gele koets op zijn kant liggen met vier paarden ervoor. Twee ervan bewegingsloos, de andere vechtend voor hun leven. Een man, zeker niet ouder dan veertig, bleek met donker haar, gekleed in een zwarte sansculottebroek en met een berenvel om, stapte op hen af. Achter hem aan een soldaat. ‘Je m’apelle Albitte,’ zei hij, ‘je suis genéral dans la Grande Armée et en route pour la France. Het is mogelijk dat deze Albitte dezelfde is die vijf jaar later de dood zou vinden tijdens Napoleons veldtocht tegen Rusland, al vergist Huszem zich dan wel in zijn leeftijd. De Jacobijn uit Dieppe is van 1761.

De generaal drukt het gezelschap van Huszen een biljet van tien franc in de handen en gaat ervandoor met hun rijtuig. De ontreddering is groot bij de achtergelaten reisgenoten. Albert biedt aan terug naar Warburg te lopen, daar een span te huren. Het is niet ver, hij kan nog dezelfde avond terug zijn. Maar als hij de verongelukte koets en de vier dode paarden weerziet, vindt hij er zijn vrienden niet. Er zit niets anders op dan zonder hen zijn weg naar Weimar te vervolgen.

Niet lang daarna stuit hij op een groepje zwerfkinderen, twee meisjes en een jongen in het gezelschap van een soldaat. De meisjes heten Maria en Patzle, en de jongen is niet hun broertje. Volgens Maria is hij door de wolven opgevoed, een naam heeft hij niet. Hij spreekt met een zangerig stemgeluid. De soldaat zegt dat hij te koop is. Even later wisselt de kleine jongen voor drei französichen Franken van eigenaar. Huszen besluit hem Karl te noemen.

Of Karl door de wolven is opgevoed of niet, blijft in het midden. Ook wordt niet duidelijk of de knaap broers of zusters heeft. Wel is hij in staat om in glashelder Duits te vertellen dat de dieren hem hebben geleerd bij het minste of geringste geluid wakker te worden. Hij herinnerde zich de ogen in het donker: Reeënogen, eekhoorns, bunzings, egels, hij noemde ook dieren die Albert niet kende. Karl slaapt met zijn ogen open.

Onderweg doodden ze de tijd met het zingen van liedjes en het vertellen van sprookjes die Albert van zijn moeder heeft gehoord. Uit het struikgewas aan de rand van de weg dribbelden vogeltjes hun richting op. Gele, rode en zwarte kopjes, ze pikten als kleine machines in de grond. Als Karl eropaf loopt vliegen ze niet op. De kleine jongen gaat languit op de grond liggen. Uit de bomen en struiken komen nog meer vogels aangevlogen, groot, klein, donker, groen, paars, geel alles door elkaar. Karl tjilpte met zijn tong en de vogels antwoordden met toverachtige geluidjes. Hij is de verlossende vogelman, dacht Albert, de vogeljongen.

Hij had het niet op school geleerd.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 2 reacties