Wachten

Het was een kleine donkere winkel, een pijpenla in de Utrechtsestraat, waar men ijzerwaren en gereedschappen verkocht, maar je kon er ook sleutels laten kopiëren. Boven de kassa was op een bordje een citaat van Simon Carmiggelt (1913 – 1987) te lezen. Het lukt me na al die jaren niet om het uit mijn hoofd te citeren en ik weet ook niet uit welke bundel of column het kwam. ‘Wachten is niet erg. Men doet zijn werk en rust toch uit.’ Tweede helft van de jaren zeventig, maar de mentaliteit die uit deze woorden spreekt is er een uit de tijd waarin de kostverdiener horige was van een bemoeizuchtige baas en elke mogelijkheid om zich te onttrekken aan het productieritme van harte aangreep.

Het wachten op de trein viel me zwaar. De droge kou bij twee graden vorst van de vroege ochtend had plaats gemaakt voor ijskoude motregen die met een krachtige wind over het perron joeg. Ik vond beschutting achter een scherm en huiverde in mijn jas waarvan ik de kraag had opgestoken. Mijn ogen traanden en het contrast met de warme adem die achter het verplichte masker bleef hangen kwam me vreemd voor. Vlak voordat ik mijn voeten zou prijsgeven aan een ijzige gevoelloosheid, gleed de sprinter het station binnen en opende de deuren.

De veearts heeft het veertienjarige meisje uitgelegd hoe je de leeftijd van een overleden otter kon vaststellen. Door op de schacht te drukken, komt de penis van het dier te voorschijn. Met een scalpel kun je die eruit snijden. De lengte van het penisbotje is een goede indicatie voor de leeftijd van het dode dier. Het meisje is gefascineerd en vraagt de veearts of ze mag komen kijken als de veearts eens een dode otter heeft. Een paar hoofdstukken later in het nieuwe boek van Marieke Lucas Rijneveld (1991), Mijn lieve gunsteling, is het zover.

Het lesrooster heeft plaatsgemaakt voor een rooster van herkansingsmomenten. De leerlingen van de examenklassen en de voorexamenklassen grijpen deze mogelijkheid aan om opgelopen achterstanden – lockdown, onderwijs op afstand, wachten op een testuitslag, quarantaine om een mogelijke besmetting van zichzelf, van een docent of klasgenoot of van hun huisgenoten – weg te poetsen met een cijfer dat uitzicht biedt op overgang of een diploma. Veertien lokalen in twee leshuizen zijn ingericht met werkplekken op een veilige anderhalve meter afstand van elkaar, de kandidaten komen gedoseerd binnen via een aparte toegang die in de brief aan leerlingen en ouders als noodingang is omschreven. Dat woord kende ik nog niet.

In het surveillancerooster staat dat ik dinsdag tussen tien voor tien en twintig over twaalf reserve ben en van een uur tot kwart voor drie wordt verwacht in lokaal 121 om de leerlingen van zes atheneum bij te staan als zij wiskunde a herkansen. Zo laat is het nog niet.

Ondertussen lees ik verder. Het meisje, de veearts en de dode otter hadden om vier uur met elkaar afgesproken, maar om kwart over vier, half vijf en zelfs drie kwartier na de afgesproken tijd was ze er niet. Het maakt de veearts ongerust. Je kwam nooit ergens te laat, je was juist altijd veel te vroeg, je hield van wachten, van eindeloos wachten, dan was datgene wat je ging doen nog niet voorbij en kon je er nog verlangend naar uitkijken.

Het ene wachten is het andere niet. En te laat komen als summum van verlangen naar wat komen zal, had ik zo ook nog nooit bekeken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Van schroom en schaamte

Afgelopen weekend besteedden zowel Sheila Sitalsing (1968) als Ionica Smeets (1979) in De Volkskrant aandacht aan de lijdende vorm. Sitalsing karakteriseerde de stijlfiguur in haar column als ‘luie taal’ en ‘de taal van geen verantwoordelijkheid’, Ionica Smeets deed verslag van ‘een verhit debat’ met haar studenten die vonden dat in wetenschappelijke artikelen passieve constructies de voorkeur verdienen boven zinnen in de bedrijvende vorm. ‘Ik vroeg me hardop af welke docent dit soort onzin vertelde’, schrijft Smeets. Haar studenten vertelden haar dat ze dat allemaal wel ergens hadden geleerd; in Leiden, in Spanje of in Utrecht. Ik heb maandag natuurlijk gelijk aan mijn vijf-havoleerlingen gevraagd of zij ook hadden geleerd dat in hun teksten zinnen die met ‘ik’ of ‘wij’ beginnen niet ‘goed’ zijn. Een leerling stak een vinger op.

Het onderwerp van de column van Sheila Sitalsing was het parlementaire onderzoek naar de kinderopvangtoeslagen. Het was haar opgevallen dat de ambtenaren die werden verhoord door de commissie er doorgaans goed in slaagden in hun antwoorden het eigen aandeel en dat van anderen in de bestrijding van vermeende fraude ongenoemd te laten. In cursussen helder schrijven leert de cursist als eerste: probeer de lijdende vorm te vermijden. Niet alleen omdat ze lelijk zijn en de tekst nodeloos vertragen en verzwaren, als die zinnen met ‘de informatie zal worden overgebracht naar de minister’. Ook omdat de opsteller van zulke zinnen handig in het midden kan laten wíé die informatie gaat bezorgen. Het zijn zinnen zonder verantwoordelijke. Ionica Smeets beslechtte het debat met de opmerking dat taaladviezen nooit absoluut zijn. Zelf geeft ze de voorkeur aan de bedrijvende vorm, maar van de taalkundige Marc van Oostendorp weet ze dat de lijdende vorm soms ook heel goed werkt. Neem nu: Daar wordt aan de deur geklopt.

Ik doe niets af aan de observaties van Smeets en Sitalsing. Wie een beetje nadenkt en zorgvuldig formuleert, kan de lijdende vorm eenvoudig vermijden. De communicatie knapt er onmiddellijk van op, deelnemers aan het gesprek weten dan tenminste over wie het gaat. Maar waarom sluipt de lijdende vorm dan nog zo vaak in onze zinnen?

Ik heb niet zo’n hoge pet op van de vrijheid van taalgebruikers als beide columnisten. Niet wij kiezen de woorden, maar de woorden kiezen ons, ook als we overtuigd zijn van het tegendeel. De lijdende vorm zou wel eens de taal kunnen zijn van de schroom, de bescheidenheid en de schaamte. Ze hoort bij de gênante ervaring van in het beklaagdenbankje zitten en te moeten antwoorden op vragen die onze schuld zouden kunnen onthullen. Zelfs in het ogenschijnlijk onschuldige Daar wordt aan de deur geklopt staan we onszelf niet toe de zwarte knecht van Sinterklaas met naam en toenaam te noemen, drukken we onze schuldige gedachten nog een tijdje voor ons uit: want al ben ik zwart als roet, ‘k meen het wel goed. Al is het natuurlijk ook wel spannend om niet gelijk te verklappen wie er op de deur staat te kloppen.

De lijdende vorm is in veel gevallen de vervreemde taal die hoort bij de vervreemde arbeid waarover Karl Marx (1818-1883) in zijn Economisch-filosofische manuscripten schrijft: Wanneer mijn eigen activiteit niet mijzelf toebehoort maar een vreemde, gedwongen activiteit is, aan wie behoort deze dan toe? Aan een ander wezen dan ik zelf ben. Wie is dit wezen?

Wie dat nog niet weet, drukt zich uit in de lijdende vorm.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Pen en papier

Net als Alma Mathijsen (1984) deed met haar boek ‘Bewaar de zomer’, schreef Stefan Hertmans (1951) een boek over een huis. En net als Alma Mathijsen is dat huis, nu ja de geur ervan, verbonden met de jeugd van de schrijver. Hertmans noteert: ‘Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen’. Misschien omdat ik als kind, niet lang na de oorlog geboren, aan de hand van mijn moeder nog langs dergelijke door bombardementen beschadigde huizen moet hebben gelopen en de geur van vochtige steen en schimmel voor mij zoiets is geworden als het beroemde madeleinekoekje van Proust. Wanneer je kind bent en nog zonder herinnering, vormt zelfs de geur van verval een bron van geluk.’

Als Hertmans het huis in het Gentse Patershol in 1979 verwerft, is het een ruïne. Het is niet alleen de geur van schimmel stof en rottend hout, deuren zijn verzakt, balken steken door het gestucte plafond, de trappen zijn vermolmd, elektriciteitskabels  komen open en bloot uit de muren, de katoenen isolatie is verdroogd en versleten. En het huis bewaart een sinister geheim; in de Tweede Wereldoorlog zou het bewoond zijn door een SS’er. Tegen De Volkskrant vertelt Hertmans: Ik wist dat in mijn huis aan het Drongenhof in Patershol een nazi had gewoond: ene Willem Verhulst. Op bladzijde 40 van Zoon van een «foute» Vlaming, de memoires van een oud-professor geschiedenis van wie ik nog les heb gehad, Adriaan Verhulst, was ik mijn naam tegengekomen als de huidige bewoner van het huis van zijn jeugd.

In 1999 doet Hertmans het huis van de hand en vestigt hij zich in Brussel. Daarna zou het nog vijftien jaar duren voordat hij werk maakt van de geschiedenis van het huis  en zijn bewoners in de jaren dertig en veertig. Te laat, natuurlijk. Willem Verhulst is dan al overleden, net als zijn Nederlandse protestantse vrouw Mientje. Ook hun oudste zoon, de oud-leraar geschiedenis Adriaan Verhulst, leeft niet meer. Er is nog een hoogbejaarde dochter, Letta, die de schrijver kan helpen. Zij geeft Hertmans inzage in de gerechtelijke dossiers over haar vader.

Dan blijkt hoe algemeen de gewoonte was om schriftelijk verslag te doen van het bestaan. Dat er justitiële archieven zijn, verbaast ons niet, dat de Duitse bezetter de administratie op orde heeft, evenmin. Het komt vaker voor dat een historicus op latere leeftijd episodes uit zijn of haar jeugd te boek stelt, daarin is Adriaan Verhulst geen uitzondering. Maar ook Letta’s moeder leefde met pen en papier en hield een dagboek bij. Als ze boven haar psalmenboek in tranen uitbarst en verzucht Willem kust mij nooit meer, schrijft Hertmans: Ze grijpt naar haar dagboek en noteert, zonder doorhalingen en terwijl er opluchting komt in haar hart, een psalmbewerking die ze later zal voorlezen tijdens de dienst aan de Brabantdam.

Haar man heeft dan al jarenlang een relatie met Griet Latomme, een onderwijzeres uit Langemark die later wordt overgeplaatst naar Maria-Aalter. Letta kent haar als ‘Tante Griet’, en ook zij was een trouwe verslaggeefster van haar leven. In de vakantietijd vraagt Willem haar of zijn gezin een paar weekjes haar huis mag gebruiken. Griet schrijft dan in haar dagboek: Ik zorgde dan in Gent voor de alleenstaande Wim’.

Van mensen die nooit een spoor achterlieten, hebben we geen weet en een schrijver kan men nooit vertrouwen. Wat blijft er als er niet wordt geschreven? Ik zie een woordeloos verschiet van verweesde facebook- en instagramaccounts, halfvergane chatboxen, resten van bestanden die fluisteren op oude servers die al jaren van het net zijn losgemaakt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Olivetta

Het eerste album van The Police heet ‘Outlandos d’Amour’. Het was in de tweede helft van de jaren zeventig. Punk had een einde gemaakt aan de pretentie en de bombast van ‘symfonische’ rock. We zouden nooit meer naar groepen als ‘Toto’ of ‘Supertramp’ luisteren. Stewart Copeland en zijn mannen ontdeden de punksound van zijn rauwe randjes, voegden een reggaebeat toe en speelden de dansvloer vol met hits als ‘Roxanne’ en ‘Can’t Stand Losing You’. Ik leerde het woord ‘pogoën’, ook al sprong ik niet zo hoog. Een jaar later verscheen ‘Reggatta de Blanc’. Vervolgens was het niet moeilijk om te voorspellen dat de derde plaat ‘Fiasco d’Ailleurs’ zou heten.

Het was in dezelfde tijd dat het echtpaar Hub. en Marita Mathijsen in de auto van de postbode van Fanghetto naar Olivetta reden om een bouwval te bezichtigen die daar hoog in de uitlopers van de Alpen onbewoond was achtergebleven. Vanachter de takken verscheen het huis. Sommige muren stonden amper overeind. Mijn vader wist het gelijk. ‘Dit is het,’ zei hij in het Nederlands. Aan het woord is hun enige dochter Alma, die de opmerking van haar vader onmogelijk kon hebben gehoord. Behalve haar ouders was alleen de postbode daar aanwezig. Strikt genomen ontbraken op dat moment ook haar vader en haar moeder. Alma zou pas acht jaar later het levenslicht zien.

Het vakantiehuis in Italië, vlak bij de Franse grens, speelt de hoofdrol in het nieuwe boek van Alma Mathijsen, dat Bewaar de zomer heet. Eerder schreef ze Alles is Carmen, Vergeet de meisjes en Ik wil geen hond zijn. Wat heeft deze auteur met een gebiedende wijs in de titel? Waarom hebben al haar boeken een titel die uit vijf lettergrepen bestaat? Zelfs het boek dat ze vorig jaar samen met haar moeder schreef heet Niet schrikken mama.

Vlak voordat de hoofdpersoon verwekt wordt, krijgt ze in het eerste hoofdstuk een korte instructie van wat haar te wachten staat, zodat ze weloverwogen kan kiezen om haar aanstaande leven te aanvaarden of niet. Eens even in de genen kijken, ik zie astma, (…) slechte ogen, het is uiteraard nog niet gezegd dat je die dan ook krijgt. Ik zie schizofrenie in de familie, een oom, ik zie ook down, nog een oom, kanker, meervoudig kanker, allemaal ooms, suikerziekte, hoge bloeddruk, zwaarlijvigheid, tja, ik zal geen oordeel vellen.

Ik weet niet of de auteur van Bewaar de zomer astmatisch is. Kees Buddingh’ was kortademig en hij schreef boeken met titels als Daar ga je, Deibel! en Misbruik wordt gestraft. En hoe zit het met de auteurs van boeken als Archibald Strohalm, Het stenen bruidsbed, Blauwe Maandagen, De vertrouweling, Atoomgeheimen, Eenzaam avontuur of De consequenties?

De briefing uit hoofdstuk een eindigt abrupt. Dan moet je nu beginnen met zwemmen. Nu door die deur aan het einde van de gang. Sneller, harder, sneller, ik was nog vergeten te zeggen: ze zullen je Alma noemen.

Alma Mathijsen. Zijn alle titels dan een echo van haar naam?

Het derde album van The Police heet Zenyattà Mondatta. Het boek dat Alma Mathijsen in 2014 uitbracht om een antwoord te zoeken op de vraag Kan ik mijn vader mij kwalijk nemen?, heet De grote goede dingen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een vleug van ontbinding

Dat verlies van geur en smaak een van de effecten is die het coronavirus op het menselijk gestel heeft, is mij bekend. Er is geen lol meer aan uit eten gaan, zo dat nog mocht, als je niets proeft, en als er al een restje van de reuk is overgebleven, dan zorgt dat er voor dat koffie naar uitlaatgassen ruikt. Ik heb het maar van horen zeggen, ik heb het niet ondervonden. Men traint honden om het virus te ruiken. Het zou de ultieme sneltest zijn. Ik heb foto’s gezien van honden die kwispelend langs verschillende trechters lopen die zijn verbonden aan slangen die aan de muur zijn bevestigd. Maar het is vooralsnog onbekend of het virus wel een geur heeft of een geur teweeg kan brengen.

Ik moest achter in de klas wezen. We bespraken het gemaakte schoolexamen. Mijn klassikale uitleg over de waardering van het werk van mijn leerlingen hield aan duidelijkheid te wensen over. Interpretaties blijven er altijd.

Had ik mijn masker op?

Waagde ik het om achter het spatscherm vandaan te komen en mij te storten in het gewoel van dertig opgeschoten puberlijven?

Het was het tafeltje bij het raam, tegen de verwarming. Men had het zich comfortabel gemaakt. Tafels aaneen geschoven. Om op het werk te kunnen kijken moest ik mij over de lijven van een twee andere leerlingen heen buigen. Ik voelde warme lucht langs mijn gezicht strijken, transpiratiegeuren met tonen van zure appeltjes, het muffe van rotte bladeren, een vleug van ontbinding. Lag er ergens een dode muis? Ik dacht: ik heb het virus geroken.

Het werd weekend. Ik verloor mezelf in de onherbergzame landschappen van Asturië waar de Vuelta doorheen trok en huiverde bij de taferelen van de beklimming de gevreesde Alto de El Angliru. Het voorbereidingswerk van Movistar had ertoe geleid dat witte-truidrager Enric Mas in de voorste gelederen was afgezet. Ik maakte kennis met de capaciteiten van Jonas Vingegaard, een jonge Deen in dienst van team Jumbo Visma, die ervoor moest zorgen dat Primoz Roglic van voren bleef. Richard Carapaz, de Ecuadoriaanse uitdager van titelverdediger Roglic, klampte aan, liet een paar meter, keerde terug, viel aan, werd teruggehaald, de twee fietsten zij aan zij op het kleinste verzet, toen een graatmagere Brit in een roze tricot demarreerde die luisterde naar de naam Hugh Carthy. De vogel is gaan vliegen hoorde ik de commentaarstem zeggen. Vijfhonderd meter verder, maar minuten later, stak de renner van Education First als overwinnaar beide handen in de lucht.

Nog voor de les begint, staat de afdelingsleider naast mijn bureau voor vijf havo. De stoel bij het raam aan het tafeltje bij de verwarming is leeg. De GGD heeft gebeld dat de leerling in kwestie coronagerelateerde symptomen vertoonde en positief heeft getest. Toen hij al besmettelijk was heeft hij gedurende de lessen contact gehad met verscheidene leerlingen. De afdelingsleider sommeert de leerlingen voor en naast het lege tafeltje direct naar huis te gaan en daar tien dagen te blijven.

Een half uur later is hij terug om de rest van de klas mee te delen dat ook zij tot maandag in quarantaine moeten. Vijftien seconden later is het lokaal leeg. Ik zet de tafels en de stoelen recht, veeg het bord schoon neem een bekertje koffie en constateer tevreden dat die niet naar uitlaatgassen ruikt.

Geplaatst in bij de les, koers | Een reactie plaatsen

Terecht

Aan het eind van het vierde uur klinkt de stem van een van de medewerksters van de administratie via de intercom. Of de leerlingen van vijf en zes atheneum in het lokaal willen blijven zitten als straks de bel is gegaan. Daar hebben wij van vijf havo geen boodschap aan. De aandacht voor wat er op de schermpjes van de mobiele telefoons gebeurt, verslapt minder dan een ogenblik. Een deel is er door de mededeling aan herinnerd dat de les bijna is afgelopen en begint de tas in te pakken om alvast positie in te nemen bij de deur van het lokaal.

Na de bel, als de klassen zijn leeggestroomd en het leshuis weer leeg is, blijft er een groepje over dat bij de deur in overleg is met de collega aardrijkskunde. Dat er drie leerlingen van het atheneum positief zijn getest, dat zij waarschijnlijk al besmettelijk waren tijdens de afgelopen schoolexamenweek. Wie het zijn, dat mag en wil de collega niet zeggen – de algemene verordening gegevensbescherming en zo – maar voor nu is het beter dat alle leerlingen van vijf en zes atheneum tien dagen in quarantaine gaan. Als je klachten krijgt, kun je een test aanvragen, adviseert de aardrijkskundige, die eraan toevoegt dat hij zal proberen over een half uur online te zijn via Teams. Hopelijk is iedereen eind volgende week dan weer in goeden doen op school.

We begonnen het schooljaar met de geruststellende vaststelling van de overheid en de deskundigen dat kinderen onder de achttien jaar nauwelijks besmetting met het covid-19virus opliepen en zo goed als niet besmettelijk waren. Een week of tien later verschijnen er grafieken (bron: datagraver) waaruit blijkt dat van alle vijf- tot negentienjarigen die de afgelopen tijd zijn getest, ruim twintig procent een positieve uitslag kreeg. Voor alle overige testen is dat percentage minder dan vijftien.

Dat onze besturen  en vertegenwoordigers het inmiddels ook niet meer weten, bleek deze week. De VO-raad en de vakbonden stuurden een open brief aan iedereen die in het voortgezet onderwijs leert of werkt. Aanleiding was het persmoment van de premier en de minister van volksgezondheid van 27 oktober. De redacteur van dienst put uit een arsenaal van oud nieuws en verschanst zich achter een verdedigingswal van hautain paternalisme: We zitten inmiddels in de tweede golf. Een fors aantal leerlingen en personeelsleden is dagelijks op school afwezig. De zorgen bij leerlingen, ouders en onderwijspersoneel nemen daardoor toe. Zorgen over de veiligheid en gezondheid, over de werkdruk en over de onderwijskwaliteit, om er maar een aantal te noemen. Die zorgen zijn natuurlijk terecht.

Dat roept de vraag op wat de raden en bonden daaraan gaan doen. Minder mensen op school? Lessen in leegstaande theaters, bioscopen en concertzalen? Nationale schooltelevisie? Onderwijsvouchers voor alle leerlingen en studenten die in tijden van pandemie geen waar voor hun geld krijgen? Gelukkig laat het antwoord niet lang op zich wachten: Wij, als onderwijsorganisaties, houden continu de vinger aan de pols en vragen hier aandacht voor bij het kabinet. In het belang van iedereen die op school leert en werkt.

Een zucht van verlichting woei door het onderwijsveld.

Opnieuw kraakt de box van de intercom in het lokaal. Een van onze schoolleiders laat weten dat vanaf morgen elke leerling die geen gezichtsmasker draagt zonder pardon naar huis zal worden gestuurd.

De minister van onderwijs hoopt over een dag of zeven zijn werkzaamheden te hervatten. Hij is voorlopig in quarantaine.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Qschool

De teamvergadering was ‘hybride’. Zeven collega’s zaten op ruime afstand van elkaar verspreid door het biologielokaal (wasbak naast een werkbank, opgezette vogels in de vitrinekast), de andere collega’s waren elders en verschenen een voor een op het ‘digischerm’ dat naast het whiteboard stond, er waren er ook die nog door ‘teams’ dwaalden op zoek naar een kanaal dat leidde tot de geplande bijeenkomst. De afdelingsleider zat met zijn rug naar ons toe in het scherm van zijn laptop gedoken om maar zo dicht mogelijk bij zijn teamgenoten thuis te zijn. De collega aardrijkskunde die de taak van technisch voorzitter naar zich had toe getrokken, danste heen en weer tussen zijn laptop en die van zijn direct leidinggevende om te proberen in beeld te komen van de collega’s thuis. Hun respons zong rond en mengde tot een brij waarin nauwelijks betekenis viel te onderscheiden.

Het laatste uur was voor de uitslagen van het tevredenheidsonderzoek  gereserveerd. Ik vind het niet eenvoudig om uit te leggen wat dat is. Trend rapportage staat er op de voorkant van het document, en het gaat inderdaad om een verslag dat elke twee jaar wordt uitgebracht. Wie de samenstellers van het rapport zijn, is niet vermeld. In de inleiding spreekt men van het instrument Qschool waarmee de kwaliteit van de school en/of het schoolbestuur in kaart wordt gebracht. Dan volgt nog meer bestuursbargoens waarbij woorden vallen als dialoog, domein, ambities, maatschappelijke opdracht en stakeholders. Als we door de vijfendertig pagina’s bladeren blijkt het te gaan om een kleine dertig tabellen waarin reacties van schoolleiding, personeel, ouders en leerlingen zijn verzameld op een vragenlijst die hun in het voorjaar is voorgelegd.

Dat was niet zo’n gelukkig moment. Er was een onbekend virus uit Wuhan uit een skihut in Oostenrijk ontsnapt dat zich in ijltempo via overvolle carnavalscafé’s over Zuid Nederland verspreidde en dreigde de grote rivieren over te steken. De Minister President stelde het uitgaansleven op non-actief en beperkte reisbewegingen tot een minimum. Onderwijsminister Slob sloot de scholen en universiteiten. Mijn leerlingen en ik zwaaiden naar elkaar via een krakende internetverbinding.

Het goede nieuws uit de Trend rapportage (de overbodige spatie is van de anonieme samenstellers) is dat onze leerlingen zich tijdens de intelligente lockdown net zo veilig voelden als voorheen. Ook vonden onze leerlingen dat de ict goed werkte. Maar daarmee is het goede nieuws wel op. Ze waren minder gemotiveerd, vonden de regels onduidelijk en de kwaliteit van de excursies was achteruit gehold. De mogelijkheden om zonder rooster te werken waren tot bijna nul gereduceerd; dat klopt, wie niet was ingelogd tijdens de lessen op afstand had een absentiemelding aan zijn broek.

De leerlingen maakten zich zorgen over hun brede ontwikkeling. Ook dat is de logica zelve, wanneer men met huisarrest achter het raam naar het ontluikende voorjaar zit te koekeloeren. Het rapportcijfer dat onze leerlingen de school geven tijdens de gedwongen schoolsluiting is een 6,1. Dat was twee jaar eerder nog een 6,8.

Het oordeel van onze leerlingen over het onderwijs tijdens de lockdown is bepaald geen echo van de succesverhalen over de snelle aanpassingen die we voor de grote vakantie hoorden van besturen, schoolleidingen en een aantal van de collega’s. Maar laat ik voorzichtig zijn. Slechts drie op de tien leerlingen heeft gereageerd op de vragenlijst. Zeventig procent heeft hem als irrelevant terzijde geschoven.

Wat au fond de verstandigste reactie is.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Slotakkoord

Twee weken lang trokken buien over het land. Uitlopers van stormen die in de kuststreken van Les Alpes Maritimes en Liguria voor serieuze problemen hadden gezorgd. Door de ramen van het lokaal zag ik de bomen heen en weer zwaaien en het verbaasde me dat de werveling van losgewaaide bladeren uitbleef. Was de herfst dan nog niet gekomen? De jagende wolkenluchten waren er ook de volgende dagen. Daarna woei de wind de straten droog, ook waar daarnet nog plassen waren. Ik zag mijn kans schoon en pakte de kooimaaier uit het schuurtje om het gras te maaien, dat was tenslotte ook al veertien dagen geleden.

De regen heeft het grasveld goed gedaan. Het huivert niet meer van voorjaarskou en herinnering aan een droge zomer. Voor de maaicilinder springt een bruine kikker op. Ik stop en volg het beestje met mijn ogen, verzeker mij ervan dat hij een goed heenkomen heeft gevonden tussen het blad van de ooievaarsbekken onder de fazantenbes voor ik de messen weer laat draaien.

Van alles het laatste, denk ik. De heliantus lemon queen, van de honderden bloemen zijn er nog maar een paar over, de kleinbloemige zonnebloem en de rode dahlia ‘bishop of landalf’ die door de wind zijn omgewaaid en nu hun kop opsteken uit het gras. De blaasjesboom (koelreuteria paniculata) die zijn bladeren nog even laat oplichten in goud en rood, voor hij ze vallen laat. Tegen de muur het slotakkoord van wingerd met kleuren van groengeel en donkerrood, een zweem van blauw. Daarboven de aanstaande herfsttooi van de valse christusdoorn (gleditia sunburst).

De volgende ochtend is het zeven graden. Zonnestralen projecteren een regenboog tegen de loodgrijze noordwestelijke hemel. Ik zie hem oplichten door een glasgordijn van pijpenstelen. Als het later weer droog is geworden is er een roodborstje op het plaatsje. En tegen de houten schutting, tussen de ranken van de clematis, vermoed ik een winterkoning. Een spreeuw ontfermt zich over de laatste bramen, koolmezen inspecteren de kroon van de appelboom op wat er van hun gading is. Bij zeven graden groeit het gras niet meer.

De kou op mijn wangen, koele lucht om te ademen. Was ik de lethargie van de zomer beu? Was het verlangen naar de geur van aarde en van rottend blad, cantharellen en stekelzwammen op het bord, knolselderij en eekhoorntjesbrood, of gewoon de herinnering aan de kou uit een tijd dat de paniek, het virus en wij nog niet samen waren.

De laurier moet worden gesnoeid. Twee groenbakken vol en daarna aan je handen ruiken. Kruidig en vol, niet scherp, niet groen, niet aan drop denken. Denk aan de frisheid van water (waar ruikt water naar?), denk ook aan de geur van je huid. En dan nog niet je handen  wassen.

Met een zwaai breng ik een lange tak over mijn hoofd naar de snoeischaar die hem kort zal knippen in de container. Dan sta ik ineens in een roze wolk van rozenblaadjes. De laatste bloemen van de New Dawn die bloeien waar de zon dit jaar niet meer zal komen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

De Dijle

Black and White werden ze genoemd op het Middelbaar, Emma en Malika. Onafscheidelijk waren ze, stiefzusjes bovendien. Emma, mooi, sexy en slim volgens de eerste zin van het recente boek van Kristien Hemmerechts waarvan ze de hoofdpersoon is. Ze is de dochter van Babs Zwaenepoel en Jan Houthuys. Malika is de dochter van Victorine, de tweede vrouw van Jan Houthuys. Victorine komt uit Ghana en heeft, in tegenstelling tot haar dochter, nooit in België kunnen aarden. Het huwelijk houdt geen stand, Malika gaat terug naar Ghana om te studeren, maar trekt daarna bij Emma in die als ze eenentwintig is, het koetshuis naast het huis van haar vader in Leuven betrekt. Vader Houthuys is met zijn nieuwe vrouw Hope naar Geneve gegaan. Sindsdien staat het ‘vaderhuis’, zoals Emma het noemt, leeg.

Kristien Hemmerechts heeft aan één samengestelde familie, vier buren en een straathond genoeg om haar nieuwe roman Ik ben Emma te bevolken. In hoofdstuk 39 geeft Frederik, de enige zoon van Babs huidige partner Guido, een barbecue in het vaderhuis. Zijn vrienden uit Parijs zijn gekomen, buurvrouw Joni en haar grootmoeder zijn uitgenodigd, net als buurman Gabriël, die de verbouwing van het koetshuis heeft helpen realiseren, en zijn geliefde Nanette, producent van het televisieprogramma Trendwatch. Emma was natuurlijk van de partij en nog wat jongedames die Frederik en co hadden opgescharreld. Malika zou aansluiten zodra ze klaar was met haar vrijwilligerswerk voor de evangelische kerk. Straathond Jack kwispelt al die tijd kwijlend rond de vleesroosters.

Aan het feest komt een abrupt einde als Malika overstuur arriveert. Ze is van de fiets getrokken door een stel onbekenden. Ze kreeg haar fiets terug als ze één negerwielrenner kon noemen. Eén. Zij konden haar niet helpen, want zij kenden er geen. Misschien bestond er geen. Daarna hadden ze haar fiets in de Dijle gegooid.

Amanuel Ghebreigzabhier, schiet me gelijk te binnen, omdat de Eritreeër met rugnummer 153 op dit moment de Giro d’Italia rijdt in steun van Louis Meintjes, al kan ik het Malika ook niet kwalijk nemen dat ze, in de situatie waarin ze verkeerde, niet gelijk deze naam over haar lippen kreeg. Kévin Reza dan. Hij leidde het peloton van de Tour de France dit jaar in de laatste etappe uit Mantes-la-Jolie als een statement van de renners tegen racisme.

Maar toen had Kristien Hemmerechts haar boek al geschreven. De gasten op het feestje weten van geen coronaregels en zijn elkaar ouderwets nabij. Malika moet een renner noemen van voor 2020.  Daniel Teklehaimanot dan toch, hij veroverde in de Tour de France van 2015 in de zesde etappe van Abbeville naar Le Havre de bolletjestrui. Hij was de eerste Afrikaan die ooit het bergklassement aanvoerde en hij wist de trui vier dagen lang om zijn schouders te houden.

Of verder terug, de Algerijn Abdel-Kader Zaaf, in de jaren vijftig ploeggenoot van tourwinnaars als Charly Gaul en Federico Bahamontes. Over hem gaat het verhaal dat hij op donderdag 27 juli 1950 in de dertiende etappe van Perpignan naar Nîmes op tweehonderd kilometer van de meet samen met zijn landgenoot Marcel Mollines ten aanval trok. Vanwege de grote hitte en de riante voorsprong stopte Zaaf om een fles wijn aan te nemen en zijn dorst te stillen. Een tweede fles volgde. Hij stapte daarna weer op zijn fiets en dronken vervolgde hij, al zigzaggend, zijn weg, waarna hij afstapte om onder een boom zijn roes uit te slapen. Het maakte hem op slag tot publiekslieveling die op geen enkel criterium mocht ontbreken.

Vooruit, het zijn geen van allen flandriens, maar was er nu niemand uit de grote Zwaenepoel-Houthuysclan die Malika tijdig koerswijs had kunnen maken?

Geplaatst in koers | Getagged | Een reactie plaatsen

Korte lontjes

Ik schuif de tafels en stoelen uit elkaar zodat er tussen de meubels ruimte ontstaat van anderhalve meter. Dadelijk begint de sectievergadering, de openslaande ramen zijn wagenwijd open en ook de bovenlichten staan op de maximale kier. Buiten ritselen droge bladeren in een zoele wind, de zon strooit haar licht in brede banen tot halverwege het lokaal. Ik kies een plaatsje buiten de tochtstroom in de zon, koester me aan de warmte en wacht op wat er komen gaat.

Het schooljaar is zes weken oud en valt langzaam in een plooi. Nieuwe leerlingen worden bekende gezichten, ik leer elke les meer namen, de uren rijgen zich aaneen tot dagen, de dagen worden korter en de weken vliegen voorbij. Ik ben vergeten hoe we elkaar bij het begin van het nieuwe schooljaar vreemd aankeken na ruim vijf maanden afwezigheid en ons afvroegen hoe het dit jaar zou gaan.

Op de drempel blaast de tocht me tegemoet. Mijn collega pakt zijn spullen bij elkaar en doet ze in zijn tas. Hij wenkt met zijn hoofd naar het plafond waar een van de platen uit het frame is gewaaid. Hij duidt het als een anti-coronamaatregel. Ik knik begrijpend.

  • Meneer, mag ik mijn jas halen, het is hier koud.
  • Het is hier niet koud, het is hier goed geventileerd. En ja, haal jij je jas maar.

De zonneschermen klapperen voor de ramen, de wind giert naar binnen, over de vloer schuiven losse vellen papier. In drie rijen van tien zitten ze dicht tegen elkaar op het scherm van hun telefoon te turen. Er zijn er die hun capuchon hebben opgezet. Met mooi weer gaat dat wel, dat lesgeven met open ramen, maar wat nu de herfst nadert. Ik kijk naar buiten en denk aan regels van Herman de Coninck (1944 – 1997): Hij had gehoopt dat het zonder verzuren kon. / Maar de hele tuin ligt te gisten van uren / regen, en bijna te sissen van één minuut zon. / O, toen alles nog voorbij kon gaan en niets hoefde te duren.

Op vierhonderd scholen in het land zijn collega’s of leerlingen positief getest op het virus. De Telegraaf becijferde dat tien procent van de scholieren thuis zit. Uit voorzorg, in quarantaine, met een snotneus of erger. Ook onze school heeft een klas naar huis moeten sturen nadat een van de leerlingen positief reageerde op de coronatest.

Is het eigenlijk wel te doen, onderwijs zonder nabijheid? Het antwoord lezen we af aan elkaars korte lontjes. Dan piept de lage zon ineens binnen en schittert in het spatscherm op het bureau naast het digibord. Kijk eens hoe vies dat scherm is. Warempel, rondwaaiend stof heeft zich in druppelpatronen verspreid op het plexiglas. Tijdens de plensbuien van vorige week had het flink ingeregend. De plassen stonden op de vloer. En leerlingen verplaatsen naar een droog plekje in een klas van dertig, kon ook niet.

We blijven dan maar bij elkaar uit de buurt. Komt iemand op ons toe voor een vraag of overleg, dan zetten we snel de stoelen uit elkaar en deinzen beleefd terug. Meekijken in een boek of op het scherm is er niet bij. De lege stilte na afloop – geen hand, geen schouderklopje – interpreteren we als een akkoord. Direct daarna weten we niet wat we hebben afgesproken.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 2 reacties