Mijn stad

Dat Maxime Garcia Diaz niet bij mij in de klas zat, komt omdat ze opgroeide in Amsterdam Oud West en niet in Almere. Dat ze zich vaak ziek meldde, speelde ook een rol, maar anders had het in de jaren tussen 2008 en 2012 makkelijk gekund. ‘Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een god/probleem/Amerikaan/volwassen man/zoon / van mijn vader/lichaam in wachtstand’, schrijft ze. In 2021 debuteerde ze met de bundel ‘Het is warm in de hivemind’, waarvoor ze de C. Buddingh’prijs kreeg en nu is er ‘Het netwerk moet gebouwd worden’, een boek van tweehonderdvijftig pagina’s waarmee ze meedingt naar de Herman de Coninckprijs op 21 maart. Mijn oudste neef Jan gaf het mij voor mijn verjaardag. Hij kent haar van de hoofdstedelijke kraakbeweging.

De late babyboomer zoals ik, denkt bij een netwerk eerst aan het tuig waarmee men vissen verschalkt. Men is gevangen in een net. Ergens in de afgelopen decennia is de betekenis van netwerk gaan overhellen naar verbondenheid en communicatieve mogelijkheden die vrijheid beloven. Ik zie mijzelf geen netwerk bouwen. Verbouwen misschien, ondermijnen liever. Netten breien kan ik niet en voor het repareren ervan mis ik de boetvaardigheid.

Maxime Garcia Diaz is net zo oud als het internet. 1993 is het geboortejaar van de Intel Pentium microprocessor en van Microsoft Windows NT. In dat jaar verschenen de eerste advertenties online en vanaf 1 mei kon iedereen een account openen bij XS4ALL. Op een van de eerste pagina’s van Het netwerk moet gebouwd worden legt ze de term daemon uit: een proces dat taken stuurt in de computer die niet op het scherm te zien zijn. Ze besluit met Een daemon werd geboren in juli.

Toen ik een meisje was zat ik op de computer / Toen ik op de computer zat was ik een transatlantische verbinding / in het beste vestigingsklimaat van de europese unie / en ik stierf naamloos en stierf en zei maxime Nu heeft ze heimwee naar de beginjaren van het nieuwe millennium, toen het internet vooral werd verkend door minderjarige avonturiers, gamers en hackers.

Schoolleiders lieten zich destijds door Microsoft bijscholen in de mogelijkheden die de nieuwe techniek bood en kwamen terug met de boodschap dat de nieuwe generatie er zo mee was vergroeid dat het maar beter was die te omarmen. Ik was als kind verslaafd en nu nog steeds schrijft Garcia Diaz. Ik was een millennial die reageerde op de babyboomgeneratie. Ik dacht na over hun idee van het internet als een schadelijke plek, ik wilde mijn internet verdedigen tegen de mensen die het niet begrijpen. Ze is van gedachten veranderd: Hoe de dingen in de war raken. Geboorteplaats, eerste referentiekader. Het was een eenzame, ongezonde stad, maar het was mijn stad.

Van gedachten veranderen is een ding, jezelf onder ogen komen een ander. Poëzie kan er bij helpen. Vertel me hoe het metrum werkt of ik vermoord je hele familie. schrijft ze, en Ik zou een eerlijk imperium willen zijn, maar dat kan niet. /  Ik voel me eenzaam wanneer ik een regel weghaal uit een gedicht. / Maar je bent helemaal goed. Je bent zo zo zo goed

En ze schrijft: Uiteindelijk ging ik weer naar school. Er moest heel wat aan te pas komen – een conrector, blijven zitten, een speciaal aangepast programma – maar ik ging weer naar school. Ik werd groot, werd normaal, ging studeren.

Bedankt Jan!

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Boter

Eerst veranderde de brievenbus van kleur. De PTT heette voortaan Post nl en daar hoorde de kleur oranje bij. Maar wie op de plaats waar hij een rode brievenbus wist, naar een oranje exemplaar zocht, kwam nog al eens bedrogen uit. Het aantal brievenbussen is de afgelopen tijd meer dan gehalveerd, en waar ze nog zijn, staan ze verdekt opgesteld, in een hoek van een supermarkt of winkelcentrum, in een gang van een treinstation.

Dagelijks worden er acht miljoen brieven bezorgd en dertigduizend mensen helpen mee die brieven op de mat te laten vallen lees ik in Het gezoem van bijna alles, de nieuwe roman van Coco Schrijber (1961). De post is een zaak van leven en dood.

Cato Goudschenker is postbode op een druppelvormig eiland in de Atlantische oceaan, drieënvijftig jaar, ze woont alleen in een kleine huurwoning met een terras dat over het eiland uitkijkt en over de zee zover het oog reikt. Haar oude buurvrouw, Sor Toyota, trekt er als verpleeghulp elke dag met haar oude auto op uit. Zij wees haar op de vacature voor postbesteller. In een vorig leven was Cato hoogleraar filosofie. Denken is wat ze het liefste doet. En klimmen, maar daar gaat het nu nog niet over, staat er. Cato is ervan overtuigd dat alles wat je denken kunt, bestaat. Net als haar naamgenote die naar de botermarkt ging en kon maken wat ze wou, al was daar wel boter voor nodig.

Cato dekt de tafel op het terras, zet er zes stoelen omheen. Ze heeft kroketjes gefrituurd met geitenvlees, paddenstoelen en aubergines. Er zijn knapperige aardappeltjes, jonge sla met uienringen, avocado en passievrucht. Voor toe is er chocolademousse, flan met peer in honingrum en Hollandse appeltaart, voor haar Hollandse kinderen. Als alles is opgediend, schenkt ze zich alvast een glas wijn in, wacht op wat komen gaat.

Achtenveertig uur later moet ze van de buurman horen dat ze al die tijd geslapen heeft. Iedereen was uitgenodigd, niemand is op komen dagen. Ratten, meeuwen en duiven hebben een ravage achtergelaten. Ze veegt wat keutels van de tafel. Het gezoem van bijna alles heeft iets in gang gezet wat onomkeerbaar is. In de haven regelt ze een passagiersplek op een vrachtschip naar Peru, de besneeuwde toppen van de Andes zijn haar reisdoel.

Haar baan heeft ze opgezegd. Voor ze vertrekt wil ze een brief achterlaten. Maar voor wie? Kinderen heeft ze niet, drie waren al dood voor hun geboorte, de tweeling was vijf jaar toen ze verpletterd werden door de ijskast. Haar ouders overleden voor ze achttien was. Sor Toyota is op haar verjaardag met de auto in het ravijn gereden, 96 jaar. Ze besluit op internet naar verwanten, nu ja, naamgenoten op zoek te gaan.

Een brief is een geschenk. Een stuk of zeven Goudschenkers vindt ze. In Nederland, Italië en Nieuw Zeeland. Soms alleen een naam, af en toe volledige adresgegevens. In Peru brengt ze haar brieven naar het postkantoor voor ze de bergen in gaat. Terwijl Cato’s sporen worden uitgewist in de zachte maar onverbiddelijke witheid, komen haar brieven aan. Ze worden ongelezen weggegooid, door de verkeerde ter harte genomen, komen te laat zonder vergeefs te zijn, zetten aan tot onomkeerbare daden.

Zo had ze het gedacht, onderweg naar Peru. Ik mag dan Goudschenker heten, maar goud schenk ik niet, ik schenk leegte.

Geplaatst in eten & drinken | Getagged | Een reactie plaatsen

Oud zweet

Behalve de excursie naar het voormalig concentratiekamp Sachsenhausen en de workshop Street Art, was een bezoek aan de Gedenkstätte Hohenschönhausen een vast onderdeel van de werkweek naar Berlijn, die de school waar ik werkte, aanbood aan leerlingen van de voorexamenklassen havo en vwo. Een halve eeuw was het een witte plek op de kaart van de DDR. Na de val van de muur in 1989 bleek het een omvangrijk gevangeniscomplex, cellen, verhoorkamers, arbeidsvoorzieningen, exercitieruimtes, kantoren, garages en een hospitaal, verborgen achter een blinde muur met een wachttoren die uitzicht bood naar alle kanten. Tussen 2016 en de uitbraak van de covidpandemie bezocht ik het drie keer.

Er is de herinnering van gestolde tijd. Het was er nog steeds 1965. De bakelieten telefoons op houten bureaus met fineer, zware schrijfmachines, het verkleurde behang, op de grond zeil dat gescheurd was en bij de drempels afgebrokkeld. Boenwas, lysol, ethanol misschien, met een vleug van oud zweet, die me terugvoerden naar mijn vroege jeugd. Verlaten gangen met gesloten deuren, langs de muren een kabel waarmee alarm geslagen werd, zoals die vroeger in de bus hing om de chauffeur te vragen bij de volgende halte te stoppen. Deze muren liegen niet sprak onze gids. Hoezo niet? Waarover niet?

Vanaf het einde van de oorlog tot ongeveer 1950 was het complex een Sovjetgevangenis, daarna is het in gebruik genomen door de Staatssicherheitsdienst van de DDR. Pasten de Sovjetautoriteiten vooral fysiek geweld, of de dreiging daarmee, toe om hun gedetineerden tot bekentenissen te verleiden, de Stasi bekwaamde zich in moderne psychologische technieken om burgerschap in de socialistische heilstaat in wording te bevorderen. Technieken met beperkt lichamelijk letsel, maar verwoestend voor het individu dat er het slachtoffer van was.

Lena Bürger, een van de hoofdpersonen van Het koor van de driehonderd moordenaressen, de nieuwe roman van Willem du Gardijn (1964), had geen schijn van kans. Ze maakte deel uit van een groep die zich had verzameld in de kelder van de slagerij in afwachting van het moment dat de tunnel die vanuit het westen onder de muur door gegraven werd, zich onder de winkel zou openen naar de vrijheid. Voor het zover was, daalden gewapende VOPO’s de trap af. In de schermutselingen die volgen brengt Lena een van de agenten ten val. Zijn geweer gaat af en zijn collega wordt dodelijk getroffen.

Na de val van de muur hebben ex-gedetineerden ervoor gezorgd dat de stasi-gevangenis een gedenkplaats werd. Zij verzorgen ook de rondleidingen, herinneren ons eraan dat de ondervragers van toen niet zijn vervolgd, maar gewoon van baan veranderd. Dat je hen, bij wijze van spreken, dagelijks kon tegenkomen in Berlijn. Ze vertellen van de slechte hygiëne, de vernederingen, de ontmenselijking en het nie wieder is ze in de mond bestorven. Ze openen een gecapitonneerde celdeur. Niet alleen de deur, ook de muren zijn onzichtbaar achter een opbollend kussen. Onmogelijk om zich hier te bezeren. Elk geluid wordt geabsorbeerd nog voor het de mond verlaten heeft.

De ondervrager laat Lena een film zien van een haar onbekende vrouw die Lena’s echtgenoot tot seks verleidt. Nog voor het zover is, trapt ze de projectietafel omver. Bewakers overmeesteren haar en werken haar hardhandig in de cel. Ik voel aan de deur, die is beplakt met rubber, overal is rubber, ook de vloer is van rubber, er is geen bed, geen licht, alleen duisternis.

Doof, blind en stom, maar liegen? Nee.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Moerasiris

De leemte in de correspondentie van de scholier Arthur Rimbaud (1854 – 1891) tussen 2 november 1870 en 17 april 1871, valt in de periode dat de wapens spraken. Op 19 juli 1870 had Napoleon III Duitsland de oorlog verklaard, vooral in de hoop dat een snelle victorie het keizerrijk zou redden. Een half jaar en meer dan een kwart miljoen doden en gewonden later lag Straatsburg in puin, broeide in een gehavend Parijs de Commune, en was het zaad voor de Grote Oorlog gekiemd.

Lag het aan het krijgsgewoel, de posterijen of aan de correspondenten? Dat de oorlog Rimbauds aandacht had, kunnen we opmaken uit enkele regels uit het postscriptum bij zijn voorlopig laatste brief aan zijn leraar Georges Izambard: Oorlog: – geen beleg van Mézières. Wanneer wel? Men heeft het er niet over. – Mézières is de vestingstad aan de Maas ten zuiden van Rimbauds woonplaats Charleville. Het aanstormende dichterstalent prees zichzelf bij het progressieve dagblad Le Journal de Charleroi aan als een strijdlustige journalist die in elke stijl kon schrijven. De uitgever van de krant, Jules des Essarts, nodigde hem aan tafel om kennis te maken, maar vond hem geen bruikbare aanvulling voor zijn redactie.

Dat Rimbaud die maanden veel van huis was, hielp ook niet. Na de zomervakantie bleven de schooldeuren gesloten. Arthur ontvluchtte het regime van zijn moeder en de benauwende burgerlijkheid van Charleville en nam de benen naar Fumay, Vireux, Charleroi, Brussel en Douai om na een kort verblijf in zijn geboorteplaats naar Parijs te gaan, waar hij kort voor de Communards bezit namen van de straten, verdween, hoewel getuigen hem later hebben horen zeggen dat hij in Parijs was tijdens de revolutie.

Ondertussen oefende Rimbaud het bohèmebestaan en eiste traditionele versvormen op voor nieuw idioom en een nieuw geluid: En rijmend in de wonderlijke schaduwplekken, / Liet ik als liersnaren de elastieken rekken / Van mijn gekneusde schoenen, dicht aan ’t hart een voet. In die periode ontstond ook Le dormeur du val,over een dode soldaat bij de beek, liggend op een bed van blauwe waterkers en gladiolen. Dat gegeven had George Sand (1804 – 1876) in 1833 beschreven in haar roman Lélia. Met authentieke ervaring heeft het gedicht weinig te maken, al was het maar omdat gladiolen in geen enkele Flora van de Ardennen uit die tijd voorkomen. Waarschijnlijk gaat het om moerasirissen.

Op oudejaarsavond 1870 woedde er een sneeuwstorm in de Franse Ardennen en bestookten  de Duitsers Mézières met zevenduizend granaten en brandbommen. Een dag later zag Rimbaud van een afstand hoe de brandweer machteloos was, omdat de leidingen waren bevroren. Misschien is die ervaring terechtgekomen in Een seizoen in de hel uit 1873: ’s Ochtends was mijn blik zo afwezig en liep ik er zo wezenloos bij dat de mensen op de weg mij misschien niet eens meer zagen. Plotseling schemerde het slijk in de steden mij rood en zwart voor ogen, alsof een zwaaiende lamp op de spiegel in een aangrenzende kamer scheen, als een schat in het woud! Het beste, riep ik, en ik zag een zee van rook en vlammen aan de hemel; en links en rechts laaiden de rijkdommen als een kermis van bliksemstralen.

Of in de regels: ik droom van een Oorlog, gerecht of gedwongen, van heel onvoorziene logica. Het is zo simpel als een muzikale zin.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Gedaan

‘De bus rijdt als een kamer door de nacht’, luidt de eerste regel van Afsluitdijk, misschien wel het bekendste gedicht van Vasalis (1909 – 1998). Het verscheen in de bundel ‘Parken en Woestijnen’ uit 1940 en moet terug gaan op een ervaring van bijna een eeuw geleden. In 1933 is de afsluitdijk voltooid, pas daarna kon het traject worden opgenomen in de dienstregeling van het streekvervoer. De onverlichte dijk, het donkere water, het schaarse licht van de bus dat weerkaatst in de ramen en naar buiten schijnt. Vasalis schrijft: ‘Daar zie ik ook mezelf. Alleen / mijn hoofd deint boven het watervlak, / beweegt de mond als sprak / het, een verbaasde zeemeermin.’.

Ik benijd de dichteres om haar bustocht. De bus die door mijn woonplaats rijdt is doorgaans leeg, op de bestuurder na. Vooruit, af en toe een eenzame passagier op de voorlaatste bank bij het raam. Lijn 161 verbindt het treinstation van de hoofdplaats van de polder met dat bij de voormalige Suikerfabriek. ’s Nachts en in de weekeinden is de dienstregeling opgeschort; op werkdagen passeert het voertuig eens per uur. Op de NS-stations komen en gaan elk kwartier wel treinen. Aan het traject hoeft het niet te liggen; de polder is net zo vlak en als het nacht is even donker als het IJsselmeer. Dan maar geen zeemeermin. Willem van Toorn (1935 – 2024) schreef in het gedicht Polder dat het wel kan: op reis door de lage mist / tegen de avond, tussen Amsterdam en Leiden / in een bus van Maarse en Kroon.

Ik had de rugleuning van mijn stoel naar achteren gezet en luisterde met gesloten ogen naar het strijkkwartet no. 4 in E mineur van Antonín Dvořák, toen dat plotseling bruut werd onderbroken. Kort na een uur ’s middags. Mijn leeslamp was uit, vanuit de keuken ontbrak het vertrouwde zoemen van de koelkast. Met de gaslevering was niets mis en theewater opzetten kon gewoon. Een klein half uur hoorde ik de koelkast weer en zag ik vanuit een ooghoek hoe de lamp aanfloepte. Van Dvořák is die middag niet meer vernomen.

De volgende dag liep ik na mijn wandeling door de westelijke randen van de stad voor de brandweerkazerne langs om de doorgaande weg over te steken. Het klopte niet. Auto’s onderweg naar het dorp stonden stil, uitgaand verkeer was er niet. De chauffeur van lijn 161 manoeuvreerde zijn lege bus achteruit, naar rechts, vooruit, linksaf en verdween in de richting waar hij volgens dienstregeling juist vandaan kwam. Het verkeer achter de bus aarzelde om de vrijgekomen plaats op de weg in te nemen.

Voor de brug over de ringvaart zag ik rode verkeerslichten, de slagbomen neer, net als het brugdek. Oversteken was tussen de stilstaande auto’s gemakkelijk en terwijl ik de brug naderde zag ik de brugwachter uit zijn huisje komen. Hij gebaarde met zijn armen en handen het is gedaan, niets aan te doen naar de auto’s die uit vier richtingen aansloten.  

Niet voor mij, dan toch. Als ik bukte, kon ik gemakkelijk onder de slagbomen door. Daar lag de verlaten brug. Ik dacht aan het wonderlijk gespleten heden uit de laatste regel van Afsluitdijk toen uit de hemel een oorverdovend en onheilspellend lawaai losbarstte. In een tijdsbestek van nog geen drie minuten vlogen vier F-35 gevechtsvliegtuigen laag over.

Die oefening van defensie op Schiphol, ik had erover gelezen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Doubs

Op het fietspad ten zuiden van het Rijk van de Keizer is een boek verscheurd. Over een afstand van enkele honderden meters kleven de bladen aan het natte asfalt of voegen zich ongemakkelijk naar het bevroren gras in de berm. Bladzijden met een identieke bladspiegel; twee kolommen, vrije regelval nochtans geen poëzie, het eerste woord van de regel doorgaans vet gezet. Pagina’s van een woordenboek, naar het lijkt, maar in de wandeling is niet te zien met welke taal we van doen hebben. Tot dat, even verder, daar het omslag ligt dat ik herken als de voorlaatste editie van Het Groene Boekje, de Woordenlijst Nederlandse taal van de taalunie en Van Dale. Geen woordbetekenissen, maar wel per woord, alfabetisch gerangschikt, de verdeling in lettergrepen, het woordgeslacht en als het om een werkwoord gaat, de vervoeging ervan. Op de koop toe biedt het boekje een overzicht van de beginselen van de spelling.

De eerste helft van Moet dwalen, het nieuwe boek van Charlotte Mutsaers (1942), gewaagt van een echtelijke woordenwisseling. Haar naam is Florence Vischbeen – Fleur – de zijne Isidorus Rudolf Witlamm von Waldorf – Isi – . Hij is vierenzestig jaar, zij zo’n dertig jaar jonger. Samen zijn ze de weg kwijt in een bos, niet ver van Besançon, in het stroomgebied van de Doubs. Isi zet, ten einde raad, haperend, zijn lievelingslied in: Moet… dwalen… moet… dwa-hálen. Fleur corrigeert haar echtvriend: je zingt die zin zonder onderwerp zodat niemand weet wie er dwalen moet. Is dat ironie, of wat is het? Isi vraagt zich af waarom de grammatica erbij moet worden gehaald. Zo ga je toch niet met elkaar om? Fleur zingt al: ‘k Moet dwálen, ‘k moet dwá-há-len, langs bergen en langs dá-hálen’. Isi verzucht: Je hebt gelijk juf.

Mutsaers was niet de eerste die het versje als gids gebruikte bij het schrijven. Ida Gerhardt (1905 – 1997) was haar voor. Zij publiceerde het gedicht Kinderliedje in de bundel Het Veerhuis uit 1945: ‘k Moest dwalen, ‘k moest dwalen / langs bergen en langs dalen; /  zoo zong het in mijn kindertijd, Het liedje bracht de dichteres tot vragen, eind’looze verwondering, verten en eenzaamheid. Hoe kan het anders als je dwalen moet? Terwijl het liedje toch ook gaat over dansen, over moeten en laten, over bergen en dalen, gaan en staan, zwaaien en stampen.

Wat bezielt iemand om het boekblok van de kaft te scheiden, de bladen (in de laatste editie van de Woordenlijst meer dan zeshonderd) los te scheuren en prijs te geven aan de elementen? Of heeft een roedel honden van de uitlaatservice de taalgids te grazen genomen?

Dat taalweetjes de onderlinge verhoudingen niet ten goede komen, benadrukt Mutsaers’ roman andermaal. Isi heeft Elan ontmoet, die hem uit de penarie heeft geholpen. Isi vraagt hem of hij weet wat fourgeotte betekent. Open plek in het woud, antwoordt Elan, al houdt hij een slag om de arm. Isi: Zo’n open plek heet in het Frans toch clairière? Elan: Kan wel wezen. Maar waarom sla je nu een lexicaal zijweggetje in. Ik ga toch ook niet zeggen dat zo’n open plek in onze eigen taal wel eens laar wordt genoemd? Zulke omwegen dienen voor niks anders dan zelfverheffing.

Langs het pad liggen de woorden. Klaar om te worden meegenomen door de wind en eindelijk antwoord te geven op Bob Dylans vragen.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Inuit

Haar moeder is Deens en haar vader Groenlands. Ze is in 1976 in Groenland geboren. Ze werkte geruime tijd als diplomaat voor de Groenlandse regering en het Deense ministerie van Buitenlandse zaken, maar nu is ze zelfstandig consultant op het gebied van de Arctische regio: Nauja Bianco. Afgelopen maandag werd ze geïnterviewd in De Volkskrant. In dat vraaggesprek zegt ze dat haar landgenoten het collectief belangrijk vinden, dat ze veerkrachtig zijn, vriendelijk en open. ‘Groenland is het mooiste land ter wereld en elkaar helpen zit in ons DNA.’

Het is oppassen geblazen met zulke algemeenheden. Tradities zijn doorgaans van recenter datum dan gedacht, kenmerken van de volksaard berusten vaker op wensdenken dan op feitelijke informatie. Maar DNA liegt natuurlijk niet.

H.C. ten Berge (1938) bezocht Groenland in de eerste helft van de jaren zeventig. In de vissersplaats Narssaq fotografeerde hij een kajakvaarder die in de regen en mist tussen grote brokken ijs laveert. De foto is afgedrukt in de bloemlezing van fabels en mythen van de Inuit, zoals de arctische bevolking van Canada en Groenland zichzelf noemt, die in 1976 onder de titel De raaf in de walvis verscheen. Men mag aannemen dat het DNA van de mensen toen niet noemenswaardig verschilt van dat van de Inuit van nu. Ten Berge heeft hun verhalen opgediept uit publicaties uit de jaren twintig van de vorige eeuw.

Een van de verhalen is opgetekend in Ammassalik, dat aan de oostkant van het eiland ligt. Het gaat over een bezorgd ouderpaar dat hun enige zoon op afstand volgt als hij op jacht gaat met de kajak. Na enige tijd zien ze hem stokstijf op een landtong staan. Pas toen zij dichterbij gekomen waren, ontdekten ze dat hij op de schacht van een harpoen was gezet, welke men tussen zijn benen in het lichaam omhoog hadden gedreven, en voorts dat zijn geslacht met een riem aan zijn hoofd was bevestigd waar het op zijn voorhoofd hing te bungelen.

Een zomer later weet de vader van het slachtoffer de zoon van de dader te vinden. Ze raken slaags en de oude greep de jongen tussen zijn benen en rukte zijn geslacht eraf. Hij bond dit stevig om zijn voorhoofd, stootte een staak in zijn anus en zette hem tegen een van de muren. De laatste zin van het verhaal luidt: Ze peddelden nu naar huis, waar ze verhaalden hoe ze de moord op hun zoon gewroken hadden.

Uit dezelfde regio komt het verhaal De twee jongens die onder water konden blijven, ooit verteld door Utuak. De twee jongens ontfutselen harpoenvissers hun buit door onder water het prooidier van de harpoen te halen. Als de gedupeerde vissers de achtervolging inzetten op de onderwaterzwemmers, grijpen de jongens onder water hun peddels en trekken de kajak om. Zo maakten ze het hele stel van kant.

Of dit voorbeelden zijn van veerkracht, elkaar helpen, zin voor het collectief en vriendelijkheid, kan ik niet zeggen. Wel zou ik me, mocht ik Donald J. Trump heten, twee maal bedenken voor ik me aan het leefgebied van de Inuit vergreep.

Ondertussen lukt het me niet om dat beeld van mijn netvlies te krijgen van de 47ste President van de Verenigde Staten, met tussen de haargrens en de ogen dat bungelende bloederige geslacht.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Liedjes

‘Memory is a muscle’, aldus George Steiner (1929 – 2020). Was het in gesprek met Wim Kaizer (1946 – 2023) op de VPRO-televisie? Of tijdens een lezing in de Amsterdamse Koepelkerk in een van de laatste decennia van de vorige eeuw? Alles goed en wel, mijnheer Steiner, maar dan wel een spier zoals het hart er een is. Men kan die sterker maken door te bewegen en goed te eten, uiteindelijk trekt hij zich niets van ons aan en klopt en pompt en stopt al naar het hartje begeert.

Voor Marcel Proust (1871 – 1922) was een Madeleine-cakeje gedoopt in een kopje thee voldoende om een stroom herinneringen op gang te brengen die de zevendelige romancyclus À la recherche du temps perdu zou gaan vullen. Die vreemde samenloop van omstandigheden gaat sindsdien als mémoire involontaire door het leven. Terwijl hij de laatste hand legde aan het slotdeel van zijn zoektocht naar de verloren tijd, publiceerde Carry van Bruggen (1881 – 1932) het eerste deel van haar jeugdherinneringen; Het huisje aan de sloot. Het volgende jaar verscheen Avontuurtjes. Het laatste deel, Vier jaargetijden, kwam in 1924 uit en was opgedragen aan haar broer Jacob Israël de Haan die op dertig juni van dat jaar in Palestina was vermoord.

Kende Caroline de Haan, zoals Van Bruggen in haar jeugd heette, het geheim van de Madeleine-cakejes? Er is niets wat daarop wijst. Wel kende zij de tovermacht die het geheugen ontsluit. Een vroege lentedag en dan wandelen door de polders, langs de dijken en dat iemand zingt: Ik ging op zek’re dag aan het varen / Over de diepe, wijde zee. / In een bootje ging ik varen / En mijn zusje nam ik mee… Toen het al bijna winter was hoorde ze op school hetzelfde liedje. En haar griffel rolde uit haar vingers over de lei tot de onderrand en stokstijf zat ze voor zich uit… want daar rook ze onverwacht de reuk van gras, dat nog moest komen en liep in de wind en in de zon hoog langs de dijk

Dat die tovermacht niet iedereen gegeven is, lezen we in het vervolg van het verhaal. Jaap Halberstadt is al zestig jaar een goede vriend van Carolines opa. Als Halberstadt de slaap niet vatten kan, neuriet hij niggentjes, Joodse gezangen, voor zich uit. Hij zong ‘Ngoleinoe’ en ‘Mongousor’ en ‘Mangariew’ en alles… en toen ineens zong hij iets… en wist zelf niet wat het was. Hij zou het de Rebbe vragen, maar hoe onthoud je een liedje dat je vergeten bent? Opa’s vriend herkende het lied in het tikken van de klok, maar de volgende ochtend kon hij de klok bezwaarlijk meenemen naar de Rebbe. Onderweg blijft hij zingen om de niggen niet kwijt te raken tot in het huis van de Rebbe. Op hetzelfde moment dat hij de Rebbe de deur in hoort komen en dat hij even luistert wat de visboer zegt dat de bot kost… daar is hij zijn niggentje kwijt…

Zocht ik niet naar een van die winterzinnen, waar Carry van Bruggen zo goed in was? Tussen de witte aarde en de zwarte hemel zingt de wind in de bomen, die half wit als de aarde en half zwart als de hemel zijn. Het is een donker, grommend lied, dat de ruimten van hemel en aarde vervult. En dat toen de telefoon ging en de voorzitter van de zangvereniging zei dat de repetitie woensdag wegens de weersomstandigheden niet zou doorgaan.

Geplaatst in lijf en leden, tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Schelvis

Degene die de klappen opvangt, spreekt in de eerste persoon enkelvoud. Schelvis is de naam. Een rauwe bult littekenweefsel op de linkerwang getuigt van de eerste keer, een verwoeste bekkenbodem en een lange revalidatieperiode van de tweede. Als Nadia de Vries (1991), de auteur van ‘Overgave op commando’, waarvan Schelvis het hoofdpersonage is, over haar protagonist spreekt, gebruikt ze het woord ‘hen’. Ik zie dan gelijk een hoen van het vrouwelijk geslacht voor me, kalkoen, kip, kwartel, maakt niet uit. Ik zal dat woord niet gebruiken om een persoon aan te duiden die zich niet met een bepaald gender identificeert. In het boek blijft Schelvis’ identiteit in het ongewisse.

Schelvis groeit op in een dorp aan de kust onder de rook van de grote fabriek waar de meeste bewoners hun geld verdienen. Anderen, onder wie Schelvis’ moeder, zijn orderpicker in het distributiecentrum. Op de speciale school leerden we geen vreemde talen of wiskunde, in plaats daarvan bakten we brood en timmerden we vogelhuisjes. Een enkele keer metselden we een muur.

Een jaar of zeven geleden namen ze op zo’n school een politieman met vroegpensioen aan. Tijdens de techniekles raakte hij slaags met de leerlingen. Er vloog een krukje door het lokaal, iemand werd in zijn nekvel gegrepen. Het incident haalde De Telegraaf. Minister Slob beloofde een plan van aanpak waarvan niet meer is vernomen, net als van de zij-instromer en de minister zelf. Ik houd niet van bemoeizuchtige dingen, waarvan het lot een prominent voorbeeld is, net als astrologen, en de marechaussee, aldus Schelvis.

Na de eerste klappen vertrekt Schelvis naar de grote stad. Aan een periode van dakloosheid komt een eind als Ruud de haveloze verschijning, blauwe haren, vieze kleren en die wond op de wang, een kamer aanbiedt. Maar zijn gulheid kwam met een prijs. Binnenshuis was de knoop van mijn spijkerbroek vaker los dan vast, en de droge handpalmen van Ruud, alsook zijn eeltige vingers, deden me aan messen denken.

Koos van Zomeren (1946) las Han Kang Ik zeg geen vaarwel en schreef: Een eindeloze vracht ik-zinnen, je wordt er werkelijk hoorndol van. De Vries past de ik-vorm toe om informatie over haar hoofdpersoon achter te houden. Is dat wat Van Zomeren stoort? De suggestie dat de afstand tussen lezer en protagonist minimaal is, terwijl ik ook een barricade opwerpt tussen beide?

Op een prikbord in de gemeenschappelijke ruimte van de flat waar Ruud woont, leest Schelvis de oproep: Heeft u ooit iets ingrijpends meegemaakt waarover u de wereld graag wil vertellen? Neem dan contact met ons op. Dat was misschien een uitweg. Ik zou een nieuwe woning kunnen vinden. De lezende mens zou mij verlossen.

Pardon? Is dat dezelfde lezer die met de ik-vorm op afstand wordt gehouden?

Schelvis maakt kennis met publiciste Tanja, ze had erg mooie ogen en rook naar de zee, en wordt haar stagiair. Tot het takenpakket behoort het beantwoorden van de mail. Tanja leert haar pupil dat het lichaam een grillig ding is en dat onzichtbaarheid een privilege. In het donker kun je bewegen hoe je maar wilt.

Maar toen Tanja het in een van haar artikelen had opgenomen voor een man die van vier hoog  zwaar gewond voor de deur van een drukke supermarkt was terecht gekomen, stroomde haar inbox vol met haatmail. De lezende mens bleek kwaad dat hun dagelijkse nieuws was onderbroken met een dergelijke ellendeling, die er bewust voor had gekozen zichzelf te verwonden.

Nee, van de lezende mens moet je het ook niet hebben.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Meudon 2

Theo van Doesburg heeft zijn zelfontworpen woning in Meudon nooit betreden. De website van het Van Doesburghuis beschrijft het atelier als ‘een aantal kubische ruimtes die als een spiraal om het trappenhuis heen zijn gemonteerd op zodanige wijze dat geen sprake is van verdiepingen’. Toen het in 1930 bijna klaar was, speelde zijn astma weer op en vertrokken de constructivist in woord en dada en zijn vrouw Nelly van Moorsel op doktersadvies naar Davos. Daar overleed Van Doesburg op zeven maart van het volgende jaar. Nelly van Doesburg keerde terug naar Meudon en woonde er tot haar dood op 1 oktober 1975.

In het jaar dat het echtpaar Van Doesburg Meudon verliet, arriveerde daar vanuit Florence de auteur die juist furore had gemaakt met de roman Het fregatschip Johanna Maria. Zijn zoon Arthur, die als Sjeu door het leven ging, wilde graag studeren bij de kunsthistoricus Henri Focillon (1881 – 1943) in Parijs. Er volgde een huizenjacht in de regio. In de pas verschenen biografie van Arthur van Schendel (1874 – 1946) schrijft Rob Groenewegen (1960): Stad en land liep hij af, soms putte hem dat zo uit dat hij zich per taxi liet verplaatsen. Bij een bepaalde gelegenheid viel hij in een trappenhuis ook nog van de trap af.

Toen hij in Parijs niets kon vinden, viel zijn oog op het voormalige huis van de Nijhoffs in Bellevue-Meudon. Helaas lag het te afgelegen voor de letterkundige die een geoefend wandelaar was, maar niet kon autorijden en een hekel had aan fietsen. Tenslotte vindt hij aan de Grande Rue een geschikte woning. Aan zijn vriend Willibrord Lampen schrijft hij: een treintje, dat zooiets als een tram is, houdt op honderd passen van hier stil en brengt je binnen een kwartier midden in de stad. Dat is vooral voor Sjeu heel gemakkelijk, al is er ook spijt: Hadden wij nu nog maar de zon van Firenze, eigenlijk héél Firenze hier, dan zou het nog mooier zijn.

Van Schendel kon er niet onmiddellijk aarden. In de zomer van 1931 verbleven hij en zijn vrouw in Ascona, Domburg, Den Haag en Amsterdam. In Meudon verschanste hij zich in zijn werkkamer om de Bijbelsche verhalen door Arthur van Schendel drukklaar te maken en het jaar daarop werkte hij zich in de Koninklijke Bibliotheek door de documentatie voor zijn volgende project: De Waterman. Pas toen in mei 1932 Du Perron (1899 – 1940) en Bep de Roos op loopafstand van de woonstee van Van Schendel een appartement betrokken, werd Meudon een beetje eigen. Du Perron en Van Schendel vonden elkaar ook in het zingen van Indische liedjes uit hun jeugd, schrijft Groenewegen. 

Jan Greshoff (1888 – 1971) logeerde regelmatig in Meudon. Rond de klok van negen uur in de avond trok Van Schendel zich terug om te schrijven. Greshoff herinnert zich: in het aangrenzend vertrek zaten wij gevieren druk te redeneren of we maakten een schaterende jazzmuziek en dansten. ’s Nachts was het doodstil en hoorde hij alleen het neerleggen van een pijp op het asbakje, het aanstrijken van een lucifer, het klokken van het bier in het bierglas.

Dat de schrijver van De wereld een dansfeest daar zelf ook niet vies van was, bewijzen de enige bewegende beelden van hem, die juist in Meudon zijn gemaakt. We zien hoe de schrijver en zijn gezin bezoek ontvangt en weer uitzwaait, daarna poseert met zijn vrouw Annie, zijn dochter Kennie en met Sjeu, om daarna, pijp in de mond, een dansje te doen met Kennie.

In juni 1933 kan Sjeu als vrijwilliger aan de slag in het Rijksmuseum, Van Schendel en zijn vrouw verhuizen gelijk terug naar Italië.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen