Met open ogen

Het Duitse rijk was onherbergzaam en onvoorspelbaar geworden, toen  Albert Huszen (mit s und z) er aan het begin van het tweede deel van ‘De ziekte van Weimar’ van Kees ‘t Hart binnenreed. De Napoleontische legers hadden het gebied grotendeels in handen, maar waren nog niet in staat er enige orde te vestigen. Her en der dwaalden op drift geraakte onderdelen van het verslagen Pruisische leger, opportunisten zagen hun kans schoon verlaten dorpen en steden te plunderen of iets van hun gading te zoeken op de nog rokende slagvelden,  Franse divisies die van de hoofdmacht waren losgeraakt zochten vermoeid hun weg in het vreemde land.

Onderweg naar Kassel zien ze in de berm een grote gele koets op zijn kant liggen met vier paarden ervoor. Twee ervan bewegingsloos, de andere vechtend voor hun leven. Een man, zeker niet ouder dan veertig, bleek met donker haar, gekleed in een zwarte sansculottebroek en met een berenvel om, stapte op hen af. Achter hem aan een soldaat. ‘Je m’apelle Albitte,’ zei hij, ‘je suis genéral dans la Grande Armée et en route pour la France. Het is mogelijk dat deze Albitte dezelfde is die vijf jaar later de dood zou vinden tijdens Napoleons veldtocht tegen Rusland, al vergist Huszem zich dan wel in zijn leeftijd. De Jacobijn uit Dieppe is van 1761.

De generaal drukt het gezelschap van Huszen een biljet van tien franc in de handen en gaat ervandoor met hun rijtuig. De ontreddering is groot bij de achtergelaten reisgenoten. Albert biedt aan terug naar Warburg te lopen, daar een span te huren. Het is niet ver, hij kan nog dezelfde avond terug zijn. Maar als hij de verongelukte koets en de vier dode paarden weerziet, vindt hij er zijn vrienden niet. Er zit niets anders op dan zonder hen zijn weg naar Weimar te vervolgen.

Niet lang daarna stuit hij op een groepje zwerfkinderen, twee meisjes en een jongen in het gezelschap van een soldaat. De meisjes heten Maria en Patzle, en de jongen is niet hun broertje. Volgens Maria is hij door de wolven opgevoed, een naam heeft hij niet. Hij spreekt met een zangerig stemgeluid. De soldaat zegt dat hij te koop is. Even later wisselt de kleine jongen voor drei französichen Franken van eigenaar. Huszen besluit hem Karl te noemen.

Of Karl door de wolven is opgevoed of niet, blijft in het midden. Ook wordt niet duidelijk of de knaap broers of zusters heeft. Wel is hij in staat om in glashelder Duits te vertellen dat de dieren hem hebben geleerd bij het minste of geringste geluid wakker te worden. Hij herinnerde zich de ogen in het donker: Reeënogen, eekhoorns, bunzings, egels, hij noemde ook dieren die Albert niet kende. Karl slaapt met zijn ogen open.

Onderweg doodden ze de tijd met het zingen van liedjes en het vertellen van sprookjes die Albert van zijn moeder heeft gehoord. Uit het struikgewas aan de rand van de weg dribbelden vogeltjes hun richting op. Gele, rode en zwarte kopjes, ze pikten als kleine machines in de grond. Als Karl eropaf loopt vliegen ze niet op. De kleine jongen gaat languit op de grond liggen. Uit de bomen en struiken komen nog meer vogels aangevlogen, groot, klein, donker, groen, paars, geel alles door elkaar. Karl tjilpte met zijn tong en de vogels antwoordden met toverachtige geluidjes. Hij is de verlossende vogelman, dacht Albert, de vogeljongen.

Hij had het niet op school geleerd.

Geplaatst in bij de les | Getagged | 2 reacties

Vogels

Waar heeft een tekst vogels voor nodig? Je ziet ze niet en je hoort ze niet. Hun namen komen onaangekondigd. Je denkt, een bonte vliegenvanger, die moet ik onthouden, of de reiger bij de sloot herinnert je aan alle andere blauwe reigers die je ooit zag bij de sloot. Of in de bomen bij Frankendael langs de Middenweg, of in de buurt van de viskramen als de markt is afgelopen. ‘Geen vogel meer die uit zichzelf nog witvis vangt’, dichtte Robert Eksteen (1956).

We waren te gast bij Zingen in de Hallen. Iedere eerste zondag van de maand van 14.00-15.00 uur een vocaal feestje. volgens de website. Het Linnaeuskoor gaf een voorproefje van het aanstaande programma Van Heine en verre. Auf ihrem Grab is een tekst van Heine (1797 – 1856)  uit 1829 die door Mendelssohn (1809 – 1847) op muziek is gezet. Er staat een linde op het graf van een dierbare en daarin zingen de vogels, terwijl onder de boom de molenaarsknecht zich verpoost met zijn lief. Tot zover het eerste couplet. In het tweede krijgt het lieflijke tafereel iets onheilspellends. De vogels zingen nu zoet en treurig en het liefdespaar moet zomaar huilen. Heine had de vogels nodig om de stemmingsomslag op de dodenakker te bewerkstelligen.

Peter Winnen (1957) komt in zijn column van afgelopen dinsdag te spreken over Wilco Kelderman, die hij de koning van de come-back noemt, omdat deze renner altijd aan het terugkomen is na een schuiver die hem recent is overkomen. Dat is nog dramatischer als u weet dat Kelderman een klasbak is, een zanger die hogere noten aankan dan Tom Dumoulin, durft Winnen te beweren, om er aan toe te voegen: Ik ken geen renner die zo zuiver kan treuren als Wilco Kelderman. Wanneer Wilco iets zegt in de micro zwijgen de vogels uit louter erbarmen.

Vogels in het peloton. We kennen de Adelaar van Toledo, zoals de bijnaam van Federico Bahamontes luidde. De fans van Robert Gesink tooiden hun idool van de weeromstuit met de eretitel de Condor van Varseveld en in de Vuelta die deze weken over het Iberisch schiereiland toert, vinden we ook vogels als de Kiwi, met wie de Nieuw Zeelandse Patrick Bevin wordt bedoeld en de Mus (of spreeuw) van Cazona, achter welke titel de huidige aanvoerder van het bergklassement, Angel Madrazo Ruiz, schuilgaat. Fans en wielercommentatoren doen een beroep op de gevederde vrienden om in enkele woorden de klasse van de renner, zijn herkomst en hun vertrouwdheid met het idool te vangen. Maar de vogels die zwijgen tijdens het interview met Wilco Kelderman, komen rechtstreeks van  het kerkhof van Heine gevlogen.

Guido Gezelle (1830 – 1899) had gierzwaluwen (Cypselus Apus) nodig om de vreugde van de zomer te verklanken.  “Zie, zie, zie, / zie ! zie ! zie ! / zie !! zie !! zie !! / zie !!!”. Bert Schierbeek (1918 – 1996) luistert naar Marcel Baillon (net van zijn tractor gestapt) die zegt: soms tik jij tegen de wereld / meestal tikt ie tegen jou / een vogel levert weerwerk / tikt en vliegt weg en je moet wel gauw komen / kersen plukken anders / vreten ze ze allemaal op

Ergens in het verborgene gaf een geelgors een lijzige parodie ten beste van de eerste maten van Beethovens Vijfde, aldus Koos van Zomeren (1946). Dit jaar hebben de halsbandparkieten alle appels aangepikt. Ik heb er niet een kunnen oogsten.

Aan het eerste tafeltje bij de deur steekt een mij nog onbekend meisje haar vinger op en vraagt: Wat is eigenlijk literatuur?

Geplaatst in bij de les, koers | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Van IJmuiden tot Plum Beach

Soms moet ik naar het strand. Ik liep het duin over en merkte op dat de zee nog nooit zo ver weg was en dat ik in de verte de skyline van Zandvoort niet zag. Er was geen horizon. De zee loste grijsblauw op in de ochtendnevel en de ochtendnevel vermengde zich ongezien met de zee. Veel dichterbij en zeker anderhalve kilometer ver tekenden zich haarscherp drie, vier silhouetten af. Andere vroege vogels die de zee naar zich toe had getrokken. Achter me vermoedde ik gestage neerslag van fijnstof, de giftige kleuren waarmee de zon op kwam.

Ik begaf mij in de intimiteit van de weidsheid, ploegde door mul zand, verpulverde mesheften, zwaardscheden, scheermessen (ensis ensis) die bij duizenden waren aangespoeld, kruiste tractorsporen en waggelde over geribbelde vlaktes die op een reuzenwasbord leken en liep langs een poel die was achtergebleven toen het zeewater zich had teruggetrokken. Ik tuurde naar het zuiden, waar niets was te zien en luisterde naar de branding, zo ver dat je hem niet kon horen.

Al die lege schelpen, al dat verdorde wier. Al die afgeworpen veren, kwallen lilden reddeloos in het zand, krabbetjes die van geen krabbengang meer wisten, probeer dan maar niet aan Leo Vroman te denken. Acht oktober 1994 was hij op Plum Beach bij Brooklyn New York. Ik heb het zelf gezien in een documentaire op de televisie. Tineke en hij en een camerateam dat buiten beeld bleef. Bijna tachtig was hij toen hij stilstond bij een paar damessandalen dat daar stond op een aangespoeld stuk hout.

Zo stil bleef het niet. Het was tijd om de honden uit te laten. Aan mijn linkerzijde waren de strandhuisjes verdwenen en in de poelen tussen de strandbanken waadden honden, sprongen op de kant en schudden hun vachten om er vervolgens als een speer vandoor te gaan achter een gele tennisbal aan. Een witte collie volgde zijn baas die in sportkleding voort holde en snel kleiner werd.

Thuis zette Vroman zich in zijn stoel met een pen en papier en schreef: de zon scheen en / we zagen een meisje / uit haar muiltjes verdwenen.

Ik raapte een grote strandgaper op, wreef er het zand vanaf en stak hem in mijn achterzak. Op het strand lag een hoopje kleren waar twee hoofden bij hoorden, die ver in zee oplichtten in het water, maar hun stemmen kon ik wel horen. Twee banken dieper in zee ging een man op een fiets voorbij en door de mist in het zuiden zag ik iets dat op Bloemendaal leek.

Vroman vult de schoentjes met herinneringen die de zijne niet zijn: De verf was aan de hielen / door haar lichtgewicht versleten / Door haar vader vergeefs gekocht / om wat iemand wilde en niet mocht / weer goed te praten. / Achtergelaten / en niet vergeten.

Of zou ze in haar badpak op haar muiltjes naar Plum Beach zijn komen lopen, daar haar sandalen hebben achtergelaten op het hout en zijn gaan zwemmen? De camera bleef gericht op de schoentjes en op de speculerende blikken van Vroman en zijn vrouw. De zee ruiste onzichtbaar op de achtergrond. Zij waren de enigen op het strand. Ook al wist Vroman zeker dat Tineke en hij het meisje zagen. Tot de laatste strofe:

Waarom en waar moet dat heen / met alles en iedereen / zo verdwenen / op Plum Beach / waar de zon scheen en / we haar niet zagen. //

Geplaatst in tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Schierke en Elend

Het hoogtepunt van Heines Harzreise was, in letterlijke zin dan toch, de Brocken. Het is met zijn 1140 meter de hoogste berg van Noord-Duitsland, de gemiddelde jaartemperatuur is minder dan drie graden en het is er 306 dagen per jaar mistig. De natuurkundige Johann Silberschlag ontdekte er in 1780 het Brockenspook; een optisch fenomeen waarbij de schaduw van de waarnemer door de mist heen wordt vervormd tot een spookachtig silhouet. Het is de plaats waar dokter Faustus uit het gelijknamige treurspel van Goethe (1749 – 1832) zijn ziel verkocht aan de duivel en sinds mensenheugenis het decor van heksensabbats en vieringen van de Walpurgisnacht. Die laatste traditie is de laatste vijfentwintig jaar weer opgebloeid omdat de berg na de val van de muur weer toegankelijk was en men op de eerste mei niets beters had te doen.

Heine typeert de bult op zijn pad als een Duitser. De Brocken toont de toeschouwer als in één reuzepanorama de omliggende dorpen en stadjes met een nuchtere en objectieve degelijkheid en dat maakt dat de berg tegelijkertijd ook iets Duits-bedaagds en verstandigs heeft. Heine herinnert zich dat de dichter Matthias Claudius (1740 – 1815) de Brocken een lange meneer Droogstoppel (de vertaling is van A. van Amerongen-Woudstra, Multatuli moest nog geboren worden) noemde, maar dat is een misverstand. Zijn kale kop, die hij zo nu en dan met een nevelkap bedekt, doet hem weliswaar op een filister lijken, maar, zoals bij vele andere grote Duitsers het geval is, dit is een kwestie van pure ironie.

Een maand geleden schreef ik over een naamloze veertienjarige jongen die met een handvol kruisbessen bij Heine werd gebracht om geschiedenisles te krijgen. Ik noemde hem de enige getuige van de didactische vaardigheden van de dichter. Dat is niet helemaal waar, Heine getuigt zelf ook van zijn kwaliteiten als schoolmeester, en wel op de top van de Brocken. In de uitkijktoren trof hij een heertje met twee dames, een jonge en een wat oudere. Ik probeerde dadelijk de schone dame tot een gesprek te verleiden, want van de schoonheid der natuur geniet men pas goed als men dit ter plekke onder woorden brengt.

Dat mansplaining niet iets van vandaag of gisteren is, blijkt uit het vervolg van de ontmoeting: Ik ontwikkelde tot mijn eigen verbazing heel wat geografische kennis, noemde de weetgierige schone enige der steden die voor ons lagen en wees haar deze aan op de landkaart die ik, met het air van een echte docent, op de stenen tafel in het midden van de toren had uitgespreid. De zin die volgt laat zien dat de waarde van dergelijk onderricht beperkt is. Menige stad kon ik echter niet vinden, misschien omdat ik meer met de vingers dan met de ogen zocht, die ondertussen naar het gezicht van de lieftallige dame waren afgedwaald en daar fraaiere locaties hadden gevonden dan ‘Schierke’ en ‘Elend’.

Later die dag, op dezelfde berg, ontmoette Heine een Duitse bard uit Greifswald die een nationaal heldendicht over de slag bij het Teutoburgerwoud onder handen had. Heine ried hem aan de moerassen en de sluipwegen heel onomatopoëtisch gestalte te geven in waterige en hobbelige verzen en Varus en de andere Romeinen louter onzin te laten uitkramen.

Van deze bard is niet meer vernomen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Natuurramp

Sev heeft het eerste en het laatste woord in ‘Liefde, als dat het is’. Ze bewoont een  appartement op de zevende verdieping van een flatgebouw bij de rivier. Haar minnaar heet David. Na het vrijen blijven ze nog even slapen of genieten van het uitzicht. Dan belt Sev een taxi en gaat David terug naar zijn twee dochters, Krista en Ally. Hun moeder, Terry, is, na een huwelijk van vijfentwintig jaar, halsoverkop verliefd geworden op Lucas, filosoof en hoerenloper. Dit laatste weten alleen de prostituee, Lucas, wij lezers en Marijke Schermer (1975), die het boek heeft geschreven. Volgens Terry heeft Lucas er niets mee te maken, was hij slechts een katalysator. Als ze dat woord gebruikt begint David te schreeuwen.

Het boek speelt in de lange, hete, droge zomer van 2018. ‘Hittegolf houdt aan’ kopt de voorpagina die ritselt in de luchtstroom van de ventilator. ’s Avonds kan David de slaap niet vatten, maar dat komt niet alleen van de warmte. Als hij dan toch in slaap valt, schrikt hij op van een kreet. Het is Ally. Nadat hij even naar haar slapende gezicht gekeken heeft en de deur weer sloot en zich weer naar boven waar het warmer is dan waar ook begeven heeft en zijn bezwete lichaam onder het laken heeft gelegd, neemt hij het weer allemaal door: nachtmerries van Ally, het schoolwerk van Krista, Krista die weigert om nog met Terry te spreken, de scheiding die geregeld moet …

David begrijpt niet hoe een huwelijk van vijfentwintig jaar en een gezin met opgroeiende dochters van zestien en twaalf zomaar kan ophouden te bestaan. Sev begrijpt niet hoe ze zich ooit aan zoiets heeft kunnen binden. Dat David in zak en as is (de pit van zijn crisis) maakt hem voor haar tot de minnaar naar wie zij op zoek is, die haar kan helpen haar vragen te beantwoorden. Onder het vrijen huilt hij tranen met tuiten. Vier maanden lang duurt de affaire. Het laatste woord van het boek is Nee.

David noemt wat hem is overkomen een natuurramp, waarmee hij zich vrijpleit van het onderzoek naar zijn aandeel in het gebroken huwelijk. Dat er zich ondertussen een andere natuurramp voltrekt, beseft alleen de jongste dochter: En nog voor zij weer wakker worden ontwaakt de stad op wat opnieuw een hete dag zal worden. Er is een sproeiverbod en overal in de stad verdorren de tuinen en de parken. En ook vandaag zal het niet gaan regenen. Ally maakt zich al voor ze haar bed verlaten heeft zorgen over de klimaatverandering.

Het onderzoek van Sev levert niet meer op dan wat Heine (1797 – 1856) opmerkte in de eerste regels van zijn Ideen. Das Buch Le Grand: Sie war liebenswürdig, und Er liebte Sie; Er aber war nicht liebenswürdig, und Sie liebte Ihn nicht. om daar mismoedig aan toe te voegen: (Altes Stück). Flaubert (1821 – 1880) deed zijn heldin Emma Bovary verzuchten: Pourquoi, mon Dieu, me suis je mariée?.

Marja Pruis (1959) schrijft in De Groene Amsterdammer van 26 juni over Marijke Schermers boek:  Er zijn geen tegentonen, er is geen frictie, geen buitenwereld, niks is onoplosbaar of duister. Als deze mensen niet weten waarom ze iets doen, zeggen ze dat ook nog eens met zoveel woorden. Dat ben ik niet met haar eens. De buitenwereld van Liefde, als dat het is, is de hete zomer van 2018. Of liever het uiteindelijk doordringende besef in Nederland dat het klimaat verandert en dat dat gevolgen heeft.

Over niet al te lange tijd zal men dit boek lezen met in gedachten de vraag wat de mensen deden om de opwarming van de aarde te overleven. Het antwoord zal onthutsend zijn.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Kruisbessen

Het was niet goed nog langer te wachten. Ik plukte de grootste die ik zag, veegde hem voorzichtig af, verwijderde vruchtbeginsel en steeltje en stak hem in mijn mond. Zachtzuur, vol sap, fris, een aangename vezelstructuur. Ik haalde binnen een bak en een laag krukje en tilde een voor een de doornige takken op om voorzichtig alle kruisbessen weg te nemen. Een uur later had ik ruim anderhalve kilo verzameld.

In 1822 staat, ongeveer dezelfde tijd van het jaar, een veertienjarige jongen op het Alexanderplatz in Berlijn. Hij heeft een voetreis van zes weken achter de rug en vier Pfennigen in zijn zak waarvoor hij bij een stalletje kruisbessen koopt.  Zijn armoedige verschijning trekt de aandacht van een voorbijganger. De jongen wil naar school, daar is het nog nooit van gekomen en nu heeft hij gehoord dat er in Berlijn een vereniging is die als doel heeft jongelingen van zijn geloof onderricht te geven in alle takken van wetenschap.

Daar is niets aan gelogen. De vereniging heet Verein fùr Cultur und Wissenschaft der Juden. Ze is kort tevoren opgericht door een aantal studenten van Hegel (1770 – 1831). Dankzij de Franse bezetter is het Joden sinds het begin van de eeuw toegestaan onderwijs te volgen, maar Napoleon  is verslagen en in 1821 overleden, en de gelijkheid van alle burgers wordt bedreigd. Heinrich Heine (1797 – 1856) is in het voorjaar van 1822 toegetreden tot de vereniging. Hij verzorgt het onderwijs in Frans, Duits en Geschiedenis en woont op nummer 47 van de Neuen Friedrichstraße. Dat is het adres waar de haveloze Joodse jongen met zijn kruisbessen naartoe wordt gebracht.

Heine begint zijn geschiedenisonderwijs bij de man die door Maarten Luther (1483 – 1546) de eerste Duitser is genoemd; Arminius, aka Hermann der Cherusker, die in het jaar negen na Christus de Romeinse troepen die werden aangevoerd door Publius Quintilius Varus een gevoelige nederlaag bezorgde die de geschiedenis is in gegaan als de slag bij het Teutoburgerwoud. Toen Keizer Augustus van de nederlaag hoorde schijnt hij in wanhoop te hebben geroepen: ‘Quinctili Vare, redde legiones!’ vertaald: ‘Quinctilius Varus, geef me mijn legioenen terug!’ En precies die woorden schalden op slagveldvolume door de vertrekken van Neuen Friedrichstraße 47. De kleine Joodse jongen is het nooit vergeten en is daarmee de enige die kan getuigen van de didactische vaardigheden van Heine.

De keuze van de lesstof is voor de hand liggend en moeilijk te begrijpen tegelijk. Duitsland had een Franse bezetting achter de rug. Napoleon werd gezien als de Romaanse erfvijand, het geschonden zelfbewustzijn van het Duitse volk kon wel een opkontje gebruiken en daar was de slag bij het Teutoburgerwoud zeer voor geschikt. Anderzijds was Heine de idealen van de Franse revolutie zeer toegedaan. Hij dankte er zijn emancipatie en zijn opleiding aan en veel van zijn kritiek op zijn vaderland gold de verkalkte structuren die met wat meer vrijheid, gelijkheid en broederschap uit de weg geruimd konden worden. Waarom begon Heine zijn geschiedenislessen niet met 14 juli 1789?

We hebben de kruisbessen opgekookt met geleisuiker en een paar stukgesneden citroenen. Daarmee hebben we vijf jampotten gevuld. Het restant van de gelei goten we over een taartbodem van korstdeeg met een vulling van slagroom en lemon curd.

Die kleur, die glans, die smaak.

Bronnen: https://historiek.net/slag-bij-het-teutoburgerwoud-arminius/69282 , Kerstin Decker, Heinrich Heine, Narr des Glücks, Berlin 2006.

Geplaatst in bij de les, eten & drinken | Getagged | Een reactie plaatsen

Fiscardo

Het is drukkend warm in het stadje. Toeristen zitten met een wezenloze blik aan de kade achter een biertje of een kop koffie. De accordeonist trekt verveeld aan zijn instrument, keert om en loopt terug langs de terrassen aan het water. Een vrouw past alle hoeden aan de standaard voor de souvenirwinkel, terwijl haar echtgenoot haar bewonderend gadeslaat. En koopt er geen.

Het plein staat vol tafeltjes. Er liggen al wel witte kleedjes op, maar er is nog niet ingedekt. Het is ook nog vroeg, nog maar net twaalf uur geweest. We gaan er toch maar zitten. Onder de boom is het net iets koeler.

In de schaduw naast de openstaande deur, beweegt een briesje de felroze bloemen van de bougainville die tegen de gevel groeit. Daar zitten vier mensen, een oude man, een kind, een vrouw en een jongere man die plukt aan de snaren van een gitaar. Het instrument gaat van hand tot hand en begeleidt de conversatie die daardoor niet wordt onderbroken. Op onze tafel verschijnt een kannetje wijn een kom ijsklontjes en een fles water.

De wind waait loom, het ijs klingelt in de glazen, de wijn fonkelt in de zon, de gitaar vindt een andere speler, de stemmen spreken zacht, de woorden zijn niet te onderscheiden, de snaren ruisen eerder dan ze trillen. Van ver op zee klinkt de hoorn van een schip.

We hebben salade met croutons, geitenkaas en gedroogde tomaten. Brood met roomkaas en peper, wat garnalen en gerookte zalm. Personeel gaat rond om elke tafel te voorzien van een asbak, peper, zout, olie en azijn.

Er zijn inderdaad meer mensen komen zitten. Ze onderzoeken hun handtas, wissen het zweet uit de ogen en laten hun blik verwachtingsvol dwalen langs de tafels en de openstaande deur van het etablissement.

Als op een teken, dat wij niet konden horen of zien, rent plotseling een menigte van mensen uit de smalle straten het plein op. Ze lopen op slippers, het bovenlijf ontbloot, anderen slechts gekleed in een bikini. Ze nemen stormenderhand bezit van het terras, maken op luide toon aanspraak op de nog lege plaatsen die ze met een verhit hoofd en een grimmige blik innemen. We slaan het gade en denken aan de termieten uit verhalen over oudtestamentische plagen.

Het voltallige personeel komt het terras op en haast zich de bestellingen op te nemen.

Als elke dag, zo tegen half twee, is de Maccedonia Paradise de haven binnengevaren. Het is een lokale cruise met naar schatting vijfhonderd tot duizend opvarenden.

De oude man staat het laatste op, pakt een blocnote en een pen en schuifelt met kleine pasjes de menigte tegemoet.

We hebben genoeg gezien en verlaten onze tafel. In het voorbijgaan kruist mijn blik die van de oude man. Het is een catastrofe, zegt hij, het is te veel op mijn leeftijd. Voor onze ogen vecht een menigte van blote lijven om de aandacht van het personeel. De boot vaart over drie kwartier weer af.

In het gekrioel staat nog steeds de oude man met het blocnote en de pen en fluistert: morgen komen ze weer.

Geplaatst in eten & drinken | Een reactie plaatsen

Lieve stad

Ik had het ziekenhuis verlaten en wilde de tram nemen naar het Muiderpoortstation. Om mij heen was het zomerlicht, voor me de groene wand van de bomen van het Oosterpark. Van tussen het lispelen van de bladeren klonk geroezemoes van stemmen en onrustige klanken van een soundcheck. Van alle kanten kwamen zwarte mensen in traditionele kleren. Tussen de bomen door kon ik zien dat zich een menigte had verzameld rond het slavernijmonument van Erwin de Vries (1929 – 2018). Er kwam een student medicijnen op me toe (witte broek, witte jas) die me een sleutelhanger overhandigde met een label waarop stond: ‘op weg naar een rookvrije generatie’. Er was al die tijd geen enkele tram langsgekomen; de drie niet en de één niet. Ik besloot naar de trein te lopen.

Het OLVG (locatie Oost, dient men er tegenwoordig bij te zeggen) heeft  een plekje veroverd in mijn biografie. Mijn vader heeft er gewerkt. Niet als arts, nee, hij bleef na de nieuwbouw met een kleine ploeg over om de laatste klussen te klaren. Het moet in de vroege jaren tachtig zijn geweest. Dat hij een haarkapje op moest en medische klompen aan om een vloertje bij te strijken in de operatiekamer, had hij nog nooit meegemaakt.

We hebben er regelmatig met het Linnaeuskoor gezongen in de kapel, een replica van een Romaans kerkje in Griekenland. Het Weihnachtsoratorium van Heinrich Müller, de Via Crucis van Franz Liszt, en één van onze programma’s voor dodenherdenking. Bij dat laatste optreden was de kapel voor de helft gevuld met bedden en onze zang werd soms ruw onderbroken door het piepen van een infuuspomp.

Ik was er in de prikpoli waar acht dames hun gesprekken in sappig Amsterdams, over de gordijnen van de chambrettes heen, onverstoorbaar voortzetten, terwijl één van hen met de zekerheid van routine de naald in mijn arm dreef voor een bloedmonster. En het OLVG is het antwoord op de vraag hoe hebben jullie elkaar ontmoet? als die wordt gesteld aan Emilia en Bruch, het stel dat de hoofdrol speelt in het boek Noodweer van Marijke Schermer (1975). Tenminste in de versie van Emilia, want dat Bruch haar al eerder zag op een feestje van haar broer, kan zij zich niet herinneren.

Tweede keer, voor mij dus de eerste keer, in het ziekenhuis. Ik bracht een aangereden buurman binnen. Hij werkte er. We ontmoetten elkaar bij toeval in de hal. We raakten in gesprek. We maakten een wandeling in het park in zijn lunchpauze.

Oud-burgemeester Eberhard van der Laan noemde Amsterdam een lieve stad. Van Amsterdam is het OLVG de liefste plek, nergens tonen Amsterdammers (m/v) zich kwetsbaarder en hulpvaardiger tegelijk. Trouwens dat park dat zich ontpopt als locus amoenis van de eerste ontmoeting van Emilia en Bruch, is hetzelfde park als waar M. en N. uit Kamers antikamers van Niña Weijers (1987) en Dennie is een star van Maartje Wortel (1982) regelmatig met elkaar oplopen om het leven door te nemen.

Op de eerste ontmoeting volgde een periode van tien weken dat Emilia en Bruch elkaar niet zagen. Dan maakt Emilia zich op voor een volgende ontmoeting.

Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis stond onveranderd tegenover het park op haar te wachten. Ze stak over, passeerde de rokers, sommigen met een infuuspaal naast zich en ging naar binnen.

Zo ging dat tot voor kort. Sinds 1 juli mag je nergens in en om het ziekenhuis meer roken.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Halen en missen

Op www.groene.nl staat de rubriek ’21 vragen aan …’. In kort bestek maakt de lezer kennis met een auteur die in het nieuws is, vaak omdat er onlangs een nieuw boek van hem of haar is verschenen. Deze week beantwoordt Basje Boer (1980) de vraag welke klassieker ze tot haar grote schaamte nog nooit heeft gelezen – Thomas Mann, De Toverberg –, welk boek iedereen op zijn achttiende gelezen zou moeten hebben –Dichtertje van Nescio – en wie van haar tijdgenoten over honderd jaar nog gelezen zullen worden – Arnon Grunberg, ‘Alhoewel ik er geen geld op zou inzetten’ –.

Op de vraag Welke schrijver is naar uw idee het meest overschat? antwoordt ze:  Ik vind niet per se dat een bepaalde schrijver wordt overschat, maar in Nederland is wel een bepaald soort literatuur overschat. Dan heb ik het over de lyrische, plotgerichte en dikke romans die vaak geschreven zijn door mannen die een bepaalde autoriteit uitstralen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Tommy Wieringa, Peter Buwalda en Ilja Leonard Pfeijffer. Ik wil niet zeggen dat zij overschat zijn maar ik vraag me af of de waardering van hun werk de waardering van een ander soort literatuur niet in de weg staat.

Een ander soort literatuur, wat zou ze bedoelen? Dus niet de romans van mannen met autoriteit (maar wel die van Arnon Grunberg?). Niet lyrisch, dun en zonder plot.

Lennox en de ik-persoon uit De goede zoon van Rob van Essen (1963) rijden al uren over snelwegen richting het zuiden als Lennox, die de auto bestuurt,  zegt: Vertel eens een verhaal. Zijn passagier reageert verrast. Ik ben toch met een schrijver op stap? De meester van de plotloze thriller?, verduidelijkt de chauffeur. Zou Basje Boer dat bedoelen? Lennox met de boksersneus is de hoofdpersoon uit de plotloze thrillers, maar hoe dik de boeken zijn, staat niet in De goede zoon.

De ik-persoon van Kamers antikamers van Niña Weijers (1987) probeert te schrijven over een kalm geluk, twee mensen die gewoon met elkaar doorleven, zonder elkaar schade te berokkenen, zonder uit elkaar te gaan., ze schrijft: Het komt me ineens zo kinderachtig voor, personages verzinnen die een conflict moeten hebben, een onmogelijk verlangen en na wat tegenslagen uiteindelijk berusten of roemloos ten onder gaan.

Lennox heeft zijn passagier opgehaald omdat Bonzo zijn geheugen kwijt is en zij daar iets aan moeten doen. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.

De hoofdpersoon van Dennie is een star van Maartje Wortel (1982), Ted,  heeft weer eens liefdesverdriet. Ditmaal is het om Daan. Toen we daarna bij mij thuis in bed lagen en zij mij nogal dwingend maar zeker niet onplezierig had gevingerd, zei ze dat ze zich die nacht in Utrecht precies kon herinneren. Ik vermoedde dat ze mijn herinnering had gejat, er een coherent verhaal van had gemaakt dat ze me nu met een twinkeling in haar inmiddels gewoon bruine ogen aan het vertellen was, dat deed ze met verve. Later had ze getwijfeld tussen de trein halen of missen. Het werd halen voor Daan en missen voor Ted.

Het moet met geheugen te maken hebben en met vrij zijn, want Désanne van Brederode (1970) schrijft in Wonderlamp: Een vrouw verloor die ene herinnering, die al haar herinneringen bijeenhield. Er het hart van vormde. Maar het verlies went, zoals de kou went., en voegt eraan toe: Verlies, is dat niet de hoogste vorm van vrijheid?

Dat nieuwe boek van Basje Boer ga ik gauw lezen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Wonder

De leerlingen van vier havo maken een poëziemagazine. Elke leerling kiest zes gedichten en presenteert die, alleen of met een groepje, in een zelfgemaakt tijdschrift. ‘Vriendschap’, ‘natuur’, ‘dieren’ en ‘liefde’  waren de favoriete thema’s van de afgelopen jaren, dit jaar zijn nogal wat gedichten gekozen over ‘oorlog’. ‘Het lied der achttien doden’ van Jan Campert (1902 – 1943), ‘Anno 1946’ van Halbo C. Kool (1907 – 1968), ‘Aan de Hollanders, gevallen voor Madrid’ van Jef Last (1898 – 1972), ‘Dodenmars voor Rotterdam’ van Clara Eggink (1906 – 1991) en natuurlijk ‘Bommen’ van Paul Rodenko (1920 – 1976).

Het gedicht wordt verteld door de alwetende verteller. Er komen voor de rest geen personen naar voren., schrijft Gregory, maar Twan is het niet met hem eens: In het gedicht wordt niet duidelijk wie nu de verteller is. Er komen wel gemaskerde kangoeroes in voor. Ik ga er van uit dat dit soldaten zijn met gasmaskers. Ook komt er een vrouw in voor, maar die vlucht. Het is misschien beter om het gedicht er even bij te pakken:

De stad is stil. / De straten / hebben zich verbreed. / Kangeroes kijken door de venstergaten. / Een vrouw passeert. / De echo raapt gehaast / haar stappen op. // De stad is stil. / Een kat rolt stijf van het kozijn. / Het licht is als een blok verplaatst. / Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein / en drie vier huizen hijsen traag / hun rode vlag. //

Rodenko’s biograaf, Koen Hilberdink (1957), meldt dat de woning van het gezin Rodenko is getroffen door het vergissingsbombardement van de geallieerden op de Haagse wijk Bezuidenhout, 3 maart 1945. De bekende dichter-zanger J.H. Speenhoff (1869 – 1945) vond daarbij de dood, door een wonder zijn Paul Rodenko, zijn zus en zijn ouders er levend vanaf gekomen.

Ik zet een vraagteken in de kantlijn bij de gemaskerde kangoeroes en informeer waar het vermoeden dat het zou gaan om gemaskerde soldaten op gebaseerd is. En waarom een vrouw die passeert op de vlucht is. Greg schrijft: Je krijgt eerst een plaatje van een stad in volledige stilte, de straten zijn helemaal leeg, er lopen enkel nog een paar mensen met gasmaskers (althans dat denk ik afgeleid van het woord kangoeroes). Hilberdink oppert de mogelijkheid dat Rodenko zich herinnerde dat bij het bombardement op Rotterdam ook Diergaarde Blijdorp was getroffen en dat in de dagen er na wilde dieren vrij door de stad liepen.

Rodenko was begin twintig toen hij dit gedicht maakte. Hij had het Gymnasium doorlopen en een begin gemaakt met de studies Slavische talen en Psychologie. Hij was uiterst belezen, maar zijn eigen Russische ziel en zijn onvolkomen spraakvermogen (hij stotterde) waren hem een raadsel dat hij probeerde op te lossen door studie van het surrealisme.

Guus Middag (1959) besprak het gedicht in het NRC-Handelsblad van 14 juni 2002 en noemde het een sfeergedicht, immuun voor analyse. Bij het bombardement van Bezuidenhout waren 12.000 mensen dakloos geworden en 520 mensen gedood. Dan spreek je niet van drie vier bommen  en van drie vier huizen. Dat een rode vlag hijsen, vlam vatten kan betekenen, vond hij bevestigd in de Van Dale.

Na zijn gedicht Bommen schreef Rodenko het kleine essay Pro domo. Het is een pleidooi voor het Wonder. Hij heeft het over klokketijd en zieletijd en concludeert: Het Wonder is in laatste instantie een kwestie van tempo, juister: van gebrek aan tempo.

Misschien doen we er beter aan dit gedicht van traagheid en stilstand in deze context te lezen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen