Zo een

Patrick Süsskind (1949) schreef behalve Het Parfum ook Het verhaal van mijnheer Sommer. Mijn collega vond dat het mooi geschreven was, stopte het boekje in een enveloppe met een lieve kaart en stuurde het naar mij. ‘Geniet ervan’. Het boek begint al voor ik het heb opengeslagen. Op het voorplat spoedt mijnheer Sommer zich door het bos. Aan de lange schaduwen te zien is het vroeg op de dag of tegen zonsondergang. Mijnheer Sommer zelf heeft wel iets van een insect. Zijn wandelstok dun als een voelspriet, zijn spitse neus, een hoed van stro, die rugzak als opgevouwen vleugels, twee in laarzen gestoken voeten die zo snel bewegen dat je ze met het blote oog niet ziet, de wapperende panden van zijn jas.

De kaakchirurg van dienst kon aan de cardioloog laten weten dat de ingreep op twee september op de kaakpoli zonder complicaties verlopen was. De patiënt in kwestie spoelde de zoveelste dosis pijnstillers naar binnen, zette een stoel op het plaatsje in de tuin en opende het boek. Mijnheer Sommer was de bekendste mens van het district, maar niemand kende hem. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat haastte hij zich door de omgeving, berg op berg af, van Unternsee naar Obernsee en weer terug, dat was al zo vanaf het moment, kort na de oorlog dat hij zich in het dorp had gevestigd met zijn vrouw die poppenmaakster was.

De kleine jongen die het verhaal van mijnheer Sommer vertelt, heeft hem wel eens gevraagd waar hij zo dringend heen moest. Daarop volgde een haastig gemompeld antwoord nuophetmomementveelhaasthelemaalgeentijd, en weg was Sommer. De kleine jongen speelt ondertussen in het bos, is een beetje verliefd op het mooiste meisje van de klas dat Carolina Kückelmann heet, leert fietsen op het rijwiel van zijn moeder en krijgt het pianospelen maar niet onder de knie. De woede van juffrouw Funkel, zijn pianolerares, drijft hem tot suïcidale gedachten. Juist als hij van een hoge tak in de boom omlaag wil springen, ziet hij beneden mijnheer Sommer zitten op de grond, die een boterham uit zijn rugzak pakt en haastig in zijn mond stopt.

Een hoofdstuk later betrapt de kleine jongen mijnheer Sommer als die tot zijn knieën in het meer staat en doorloopt tot alleen zijn hoed nog op het water drijft. Daarna heeft nooit meer iemand van mijnheer Sommer vernomen.

O, is het er zo een, denk ik. Die personages hebben we ook in de Nederlandse literatuur, zij het dat die zich niet verdrinken in een meer, maar in de Noordzee. Jacob Meiland bijvoorbeeld, uit het verhaal Lie Tze spreekt een schedel toe van Tonnus Oosterhoff (1953). Meiland is een kweker op de geestgronden die had geknoeid toen het minder ging. De papieren die niemand mocht zien heeft hij in een koffer gestopt en daarna de koffer vol gestopt met zware voorwerpen. Met die koffer is hij naar zee gegaan. Hij liep het dorp uit, de duinen in, het strand over, de branding door. De juten zak van Noordzeewater werd boven hem dichtgeknoopt.

Of de jongeman op het strand, midden jaren zestig, die te bleu was om de aandacht van het meisje in bikini te vangen, over wie Boudewijn de Groot (1944) Canzone 4711 zong op het album Picknick. Dan begint het nog te regenen ook, en schrijft Lennaert Nijgh (1945 – 2002) op zijn bondigst: en iets dat nooit begon was al voorbij. De laatste regels van het lied zijn: steeds verder werd ik weggesleurd van het land, de geur van eau de cologne woei van het land.

En bijna vijftig jaar later op de allerlaatste bladzijde van de roman Badal van Anil Ramdas (1958 – 2012) is het Badal zelf die dronken op het strand ligt. Hij moest naar huis, naar waar het droog was en warm, hij begon te waden, vocht met zijn blote vuisten tegen de golven, maar het was alsof hij de verkeerde kant op liep, alsof de wereld draaide en hij kon wachten tot zijn huis voorbijkwam.

Meiland was ondertussen al een stuk verder. Er was een idee van aankomst, komst, de dode zette de koffer neer. Maar begon met grote kracht op te stijgen. Hij moest meteen het handvat grijpen om een hemelvaart te voorkomen.

Zover is ook mijnheer Sommer niet gekomen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen

Slapstick

Voor de rechtstreekse uitzending van de zestiende etappe van de ronde van Spanje, vrijwel direct uit de start in Laredo was het al raak. Valpartij. Sep Vanmarcke, Giulio Ciccone en Rudy Molard moesten de koers verlaten en werden per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Nelson Oliveira, Lennard Hofstede, Jordi Meeus, Aritz Bagües en Antonio Jésus Soto bekreunden hun kneuzingen, likten hun schaafwonden, klommen in het zadel en vervolgden hun weg. Hondertachtig kilometer verderop was de streep getrokken in Santa Cruz de Bezana aan de Cantabrische kust, noordwest Spanje. Fabio Jacobsen stak er op zijn vijfentwintigste verjaardag zijn handen in de lucht.

Vergis ik me, of wordt er meer gevallen in het wegwielrennen? Natuurlijk is vallen zo oud als het koersen. In 1951 was Wim van Est de eerste Nederlander in de gele trui. De dag erna viel hij in de afdaling van de Col d’Aubisque in een ravijn en sprak na afloop de historische woorden: mijn hart stond stil, maar mijn Pontiac liep. Op donderdag dertien juli 1967 liet Tony Simpson het leven na een val op de Mont Ventoux. Het was tweeënveertig graden. Hitte, uitputting, alcohol en amfetaminen speelden een rol, maar het begon met een val van zijn fiets.

Zie de mannen vallen, weten zij dan niet, dat alleen een vrouw kan balanceren … zong Hauser Orkater, maar ook in het vrouwenwielrennen wordt gevallen. Het beeld van het roerloze lichaam van Annemiek van Vleuten, gekruld om een trottoirband, tijdens de Olympische wegrace in Rio, wil niet meer van mijn netvlies. Zelfs niet na haar gouden medaille in de afgelopen tijdrit in Japan.

Statistieken over vallen en koersen ken ik niet. Wel de oorzaken die voor het toenemende aantal valpartijen worden aangevoerd. Lichtere en stuggere fietsen, obstakels onderweg in de vorm van vluchtheuvels, verkeersdrempels etc., het ontbreken van een patron in het peloton, een nieuwe roekeloze generatie jongeren die voor een deel als moutainbiker zijn begonnen, al te gretige renners na een coronajaar waarin nauwelijks gekoerst werd. Het zou kunnen.

Of komt het omdat we meer zien? Veertig jaar geleden waren er geen rechtstreekse beelden van de afdaling van een col. Theo Koomen hield zijn mond voor de duur van de afzink, pas in de vallei fantaseerde hij wat er gebeurd kon zijn en deed daarvan verslag. Toen werden tijdsverschillen tussen de klassementsrenners bergop gemaakt. De laatste tijd heb ik de indruk dat de favorieten in de afdaling van elkaar wegrijden. Coureurs maken de wedstrijd op het gevaarlijkste deel van het parcours.

Het valt me op dat de Vlaamse commentatoren Wuijts en Decauwer vaker benadrukken hoe nuttig het is om als renner ski-ervaring te hebben. Om de angst voor de snelheid en de diepte te bezweren en de juiste lijn omlaag uit te zetten. Team Bora contracteerde vorig jaar de zevenentwintigjarige Duitse skiër Anton Palzer om er een profrenner van te maken. De gedoodverfde winnaar van de huidige Vuelta is Primoz Roglic, die in een vorig leven schansspringer was. Die tak van sport tart de zwaartekracht en heeft het vallen tot het uiterste gesublimeerd . Roglic ging deze Vuelta al twee keer tegen het asfalt.

Eurosport vertoont op onbewaakte ogenblikken tien spectaculaire valpartijen in het peloton. Ik houd daar niet van. Ik zie met lede ogen aan hoe klassementen in toenemende mate het gevolg zijn van vallen in plaats van fietsen.

In de film Night Owls uit 1930 van Hal Roach zijn Oliver Hardy en Stan Laurel op inbrekerspad. De film moet het hebben van het vermaak om het gooien, smijten en vallen. Drie barricades scheiden de inbrekers van hun doelwit; een muur, een raam en een deur. Verschijnt de muur in beeld, dan is het vallen niet ver. Die kant moet het met het wielrennen niet op.

Geplaatst in koers | Een reactie plaatsen

Rood vlees

De verpleegkundige was nochtans duidelijk genoeg geweest. Ik mag dan nauwelijks beperkingen ondervinden van mijn afwijkende en verkalkte hartklep, maar zouden we de aanstaande operatie achterwege laten, dan schat ze mijn levensverwachting op anderhalf, vooruit, twee jaar. Dat maakt de besluitvorming ineens een stuk eenvoudiger. Mijn volgende vraag was wat ik mijn werkgever kon meedelen en of het verstandig was mij in het gewoel van nauwelijks gevaccineerde pubers te mengen. ‘Meneer, ik raad u aan om het heel rustig aan te doen, juist omdat u zich zo goed voelt is het gevaar van overbelasting van uw hart groot. En Covid en hartproblemen is geen goede combinatie.’ Daar kon ik het mee doen.

Om het schuldige gevoel van spijbelen deze eerste dagen van het nieuwe schooljaar voor te blijven, gedroeg ik mij als de hartlijder die ik nu was. Een nieuw soort traagheid werd vaardig over mij, voor zover dat nog kon na zes weken zomervakantie. Het ochtendblad, koffie en een krentenbol, er kwam geen einde aan. De tijd vloog voorbij terwijl ik twee kopjes en twee bordjes door het sop trok en zorgvuldig droogde. Daarna langzaam terug naar mijn stoel.

Omdat de zon scheen haalde ik de grasschaar uit de schuur om de randen van het gazon te fatsoeneren. Zo geraakte ik onder de vijgenboom die volop vrucht droeg. Het aroma van vanille was van verre te ruiken. Om de vijg fladderde een wolk van atalanta’s die zich tegoed deden aan de rijpe vijgen, net als vier, vijf merels, die er als ze eenmaal een lekkernij op de korrel hadden niet aan dachten weg te vliegen, hoe dicht ik ze ook benaderde. Op de rand van het dak landde een kauwtje. Ook hij verdween in het groen van de vijg waar het gonsde van wespen en zweefvliegen. Waar was ik ook weer mee bezig?

Ik werp een sluikse blik in mijn mailbox, neem kennis van de schrik van collega’s om mijn lot en probeer die met een paar woorden tot passende proporties terug te brengen. Als de telefoon gaat is het iemand van het ziekenhuis die mij herinnert aan de afspraak op de kaakpoli, volgende week.

Op het scherm van de televisie is de finale van de tiende etappe van de ronde van Spanje begonnen. De Australiër Michael Storer heeft juist solo de top van de Puerto de Almáchar gerond als het beeld verspringt naar het peloton met de klassementsrenners dat ruim tien minuten achter de koploper aan fietst. De man in de rode leiderstrui demarreert en neemt in een mum tien, vijftien seconden voorsprong op zijn directe concurrenten. Commentator Michel Wuyts slaat het gade en constateert dat Primoz Roglic (want hij is het) enig lef niet ontzegd kan worden. Zijn co-commentator en analist José De Cauwer bepaalt zich tot een zuinig: maar is het verstandig?

Miguel Ángel López en Enric Mas van team Movistar zien het rode gevaar en schieten in actie, onmiddellijk gevolgd door Jack Haig die ook hoog staat in het algemeen klassement. Waar is Egan Bernal? Waar is Adam Yates? Op de top van de berg waar Storer tien minuten eerder passeerde, bedraagt de voorsprong van Roglic op zijn belagers inmiddels twintig seconden. De kopman van team Jumbo Visma kan dalen, het zou genoeg moeten zijn om zijn concurrenten een kleine halve minuut aan te smeren.

Op het volgende beeld staat de rode man naast zijn fiets. Hij draait aan het pedaal om de ketting recht te krijgen. Door de gaten in zijn koersbroek is rood vlees te zien. Ik hoor de stem van José De Cauwer: Waarom? Waarom? Waarom?

Geplaatst in koers, lijf en leden | Een reactie plaatsen

Honderd talen

Wie nadenkt over lezen en schrijven raakt vroeg of laat verstrikt in een net van metaforen die allemaal met wandelen te maken hebben. Men spreekt van een goed lopende zin of struikelen over de woorden. Er zijn boeken met een stijl die wordt omschreven als hollen of stilstaan. Het laatste boek van A.F.Th van der Heijden wordt wijdlopigheid verweten. Het is alleen al hierom een goed idee van uitgeverij Van Oorschot om onder de titel Terloops een reeks kleine boekjes uit te geven waarin Nederlandstalige auteurs schrijven over hun favoriete wandeling. Ik las inmiddels Bergje van Bregje Hofstede die nog eens de Sas Songher in de Dolomieten beklimt om vakantieherinneringen uit haar kindertijd op te halen, Groef van Maartje Wortel die rondjes loopt door het Amsterdamse Oosterpark en nadenkt over verlies en vrijheid. Marijke Schermer vraagt zich lopend op het Brabantse kloosterpad af hoe mensen religieus kunnen zijn, hoe mensen überhaupt een personage kunnen worden in een verhaal.

Willem Jan Otten (1951) woont in een woontoren, twaalf hoog aan de Sloterplas in Amsterdam West en maakt vrijwel elke dag rondje om het water. Je loopt over de Tweede Brug. Hij is genoemd naar Karel van het Reve. Komt het daardoor, dat jij de tegemoetkomende man met de muts met flappen op – een vreemd gezicht op deze warme dag -, die jou herkent van elkaar regelmatig ongeveer op dit punt groeten (hij rijdt in een scootmobiel), altijd binnensmonds Sacharov noemt? Amsterdam West, scootmobiel, hoe kwam het dat ik aan Atte Jongstra (1956) moest denken? Wie Jongstra zegt, zegt Terwispel. Maar inmiddels woont de Friese woordkunstenaar al bijna een halve eeuw in Amsterdam en sinds een jaar of zeven in West.

Wie daar de toedracht van wil weten, leze zijn boek Worst uit 2014: Osdorp. Ik had er jaren nog niet dood willen liggen. Schotelcity, er worden honderd talen gesproken. Maar het is een woning aan het park. Villa’s voor de deur, gracht, bomen. Alsof men buiten woont. Voel me er thuis. Zo snel kan het gaan.

En omdat Jongstra zijn ogen niet in zijn zak heeft zitten, kan hij drie jaar later in Het fluïde tijdperk noteren: Ik woon ruim veertig jaar in Amsterdam, maar in geen enkel stadsdeel heb ik een zo hoge rollatordichtheid aangetroffen. De scootmobiel vertoont zich er trouwens ook allerwegen. De opmerking is de opmaat voor een onderzoek naar de geschiedenis van de rollator dat via de manuped , ontwikkeld door de Zweedse leerling-verpleegster Aina Witfalk (1928-1983), leidt tot het drieluik De verzoeking van de heilige Antonius van Jeroen Bosch. Op het rechterluik van dit paneel van rond 1500, uiterste rechterzijde: een wankelaar in een rode mantel! Hij vertoont een enorme neus en een paar voeten die hun weerga niet kennen. Of het door pest, lepra of moederkorenvergiftiging komt is om het even, maar hij is beide armen kwijt. Wel lastig om een rollator te sturen, want zo mogen we het looprek waar hij in staat beslist noemen.

Toch gaat het me niet om het rollend materieel voor wie slecht ter been is. Willem Jan Otten, Atte Jongstra, het lijkt erop dat er zich een nieuw literair brandpunt aan het vestigen is. Binnenkort verschijnt de vijfde editie van Tussen Andreasplein en Zwarte Pad, het literaire jaarboek van Nieuw West waarin de afgelopen jaren bijdragen stonden van Walter van den Berg, Willem van Toorn, Jan-Paul van Spaendonck, Ingrid Hoogervorst, Vonne van der Meer, Cathelijn Schilder, Thomas van Aalten en vele anderen.

De grachtengordel is gewaarschuwd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Toch denk je er niet aan

Vijfentwintig jaar na zijn overlijden duikt Bert Schierbeek op in ‘Nu je het zegt’, het laatste boek van K. Schippers. Op bladzijde 102 gaat het over de Finse schilder Helene Schjerfbeck (1862 – 1946), op de volgende is een onvoltooid zelfportret uit 1920 van haar afgedrukt. Schjerfbeck en Schierbeek dat scheelt maar een paar letters en waar het beeld is, is Bert nooit ver. ‘Bert, zeg ‘ns iets.’, daagt Schippers de overledene uit. En Bert antwoordt: ‘De wereld is nog onbewoond.’ En even later: ‘We gaan heen in andere namen.’ In het proza van K. Schippers bestaat er geen harde grens tussen dood en leven. Als zijn twee vrienden Gerard Bron en Henk Marsman kort na elkaar, oktober 2012, zijn overleden, doet hij er in zijn boek ‘Voor jou’ alles aan hun verdwijnen zo lang mogelijk te laten duren.

Nu je het zegt begint in het zuidwesten van Londen met een foto van een statige woning met erkers en rozen in de voortuin met daaronder een adres: 39 Westmoreland Road, Barnes Londen. Het is het vroegere huis van de Duitse schrijver August Bolte die in het begin van de Tweede Wereldoorlog naar Londen is gevlucht. Het huis is in het zuidwesten van Londen niet te vinden. Er bestaan twee straten met die naam. Westmoreland Road uit het begin van Nu je het zegt is de verkeerde. De foto staat afgedrukt op pagina 169 van Straks komt het, een ander boek van K. Schippers. De Duitse schrijver is Kurt Schwitters. August Bolte is de titel van een bundel grotesken van zijn hand.

‘We zitten gevangen in de taal’, gaat ze door, ‘je komt er niet uit, dat zou het einde zijn.’ Schippers raakt in het verkeerde deel van Londen in gesprek met een jonge vrouw die films en televisieprogrammaas ondertitelt. Zij neemt hem mee naar haar vriend, de Vietnamese schilder Le Phô. Zo kom je overal en toch denk je er niet aan. Iemand van vlees en bloed vraagt ook niet steeds waarom z´n hart klopt.

Schippers’ grootmoeder heette A.C. Kool-Duin. Zij borduurde toen zij twaalf was een merklap van het hele alfabet en de cijfers tot en met tien, heb je alle mogelijkheden. De merklap is afgebeeld op bladzijde 46. Zie je toch nog iets, hoe kan dat nou, de Z en dan pas de G, daar hoort-ie toch niet. Tussen de F en de H ontbreekt de G inderdaad. Een vergissing die op het laatste moment is goed gemaakt.

Nu de twijfel is gezaaid, tel ik het aantal letters maar even na en kom ik niet verder dan vijfentwintig. Het is de J die ontbreekt. Net als in het Alfabet op de rug gezien van Kurt Schwitters, dat door Bernlef uit het Duits is vertaald.

Le Phô in een interview. Schippers is er toevallig getuige van. ‘Je verdwijnt aan het eind uit de taal, die zonder je gewoon doorgaat’

‘… alsof er niets aan de hand is.’ probeert de interviewer.

Met de vertaalster in de trein. Schippers: ‘van alles wat ik zelf niet bedacht heb is de † wel het stompzinnigste.’ Zijn reisgenoot: ‘wat we tijd noemen krijgt richting door de sterfelijkheid van ons lichaam.’

Op bladzijde 136 komt Bert Schierbeek weer voorbij; ‘lucht te happen, lucht te worden,’ je hoort het hem zeggen.

K. Schippers is twaalf augustus overleden.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | 1 reactie

Contact

Zo weerbarstig als het proza van Bert Schierbeek (1918 – 1996) is, zo gemakkelijk is de auteur in de omgang. Kees Fens (1929 – 2008) las ‘Een grote dorst’ uit 1968 en raakte verveeld door het eentonige ritme van het boek. Jacq. F. Vogelaar (1944 – 2013) las ‘Inspraak’, dat in 1970 verscheen, en laakte de vrijblijvendheid. Dat zat Schierbeek niet lekker. Zeven jaar later kwam hij erop terug: ‘Vogelaar schreef: bij Schierbeek weet je nooit waar je aan toe bent, met Schierbeek kun je alle kanten op. Maar hij had ook kunnen schrijven: Schierbeek stuurt je alle kanten op.’.

Ik blader door de fotokaternen van het boek Niemand is waterdicht, de pas uitgekomen biografie van Bert Schierbeek die Graa Boomsma (1953) schreef en waaruit ik bovenstaande informatie heb. Een schaterende Schierbeek en Simon Vinkenoog uit 1986, Schierbeek die op een voet balanceert uit 1987 met Jan G. Elburg. Schierbeek met zijn vrouw Thea in gesprek met Theun de Vries, Schierbeek die brede handgebaren maakt terwijl Johan van der Keuken (1938 – 2001) naast hem schijnt te dommelen –  is het onderweg in een vliegtuig? In een trein? Schierbeek met Lucebert in 1979. Uit de mimiek van Schierbeek maak ik op dat hij zijn vriend er zojuist van heeft overtuigd dat het zo is en niet anders. Op alle foto’s waarvoor niet geposeerd is, maakt Schierbeek contact met de mensen om zich heen, lezend, sprekend, gesticulerend, schaterend.

Schierbeek wist dat hij het zijn lezers niet gemakkelijk maakte. In 1951 verscheen zijn experimentele ‘Het boek ik’, dat begint met de regels: …, want de tijden waren vol geworden en de enkele goden die nog restten bouwden hun onderkomens in kelders. het grote splijten is begonnen en de splitsomachie zet zich in ons voort en reeds jaren zijn de beddingen te nauw en verbreed om het breed worden te pleiten in eigen boezem … groot zijn de stuwdammen die het leven en de dood in ons optrekt en hoog en dik … en zéér vele. Honderdvijfentwintig bladzijden later onderbreekt de schrijver zijn tekst voor een zwartomrande oproep in kapitalen: EEN REISGIDS BEN IK KINDEREN LEER MIJ LEZEN ! ! !

In 1967 bezoekt Jan Wolkers (1925 – 2007) Bert Schierbeek op het eiland Formentera, waar Schierbeek een huis heeft. Als Schierbeek in 1996 is overleden, schrijft Wolkers over zijn herinneringen aan dat bezoek: Als je met Bert over het eiland liep ging je door een haag van begroetingen. (…) Het was net of het eiland bevolkt was met zijn familieleden. En dat was ook eigenlijk zo. Dat was ook de ervaring van Johan van der Keuken, die er in 1972 te gast was, Het verblijf op zijn eiland Formentera, waar hij ons had heengebracht om er onze film op te nemen, bracht een bijna ononderbroken reeks ontmoetingen met oude en nieuwe bekenden die allemaal evenveel prijs stelden op zijn aanwezigheid.

Dat gold evenzeer voor het publiek in De Doelen als daar het jaarlijkse Poetry International werd gehouden en Schierbeek er las, of tijdens de Nacht van de poëzie in Vredenburg als hij er optrad. Zijn schorre stem, waarin het Nedersaksisch van Beerta en Enschede in doorklonk, en ogen die priemden uit zijn doorgroefd gezicht, maakten het proza als bij toverslag onontkoombaar en klaar als een klontje.

Voor de duur van de voordracht dan toch.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , , , | 2 reacties

Er was nog tijd

‘Ik zal hem hier niet opsteken, hoor.’ Ik zit op een bankje voor het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, met mijn rug naar het Oosterpark en naast me neemt een jonge vrouw plaats, met de nodige tussenruimte, dat wel. ‘Werk je in het ziekenhuis?’ vraagt ze. Ik antwoord dat ik op de tram wacht. Ze kijkt om zich heen, ziet dat bij de abri’s geen zitplaatsen meer zijn, zelf werkt ze wel in het ziekenhuis. De ene keer op locatie west, de andere keer op locatie oost. Locatie west is fijner. Maar ze moet wel vroeg op. Niet dat ze vaak te laat komt, maar het komt vaak genoeg voor dat ze op het laatste moment nog een ‘uber’ appt om op tijd te komen. Ze werkt in de parkeergarage. Dan maakt ze eindelijk werk van de baal shag die ze in haar hand heeft en begint een sigaret te rollen.

Terwijl ze verderop staat te roken voert haar baal shag me terug naar mijn vader. Hij is al jaren overleden. Hij viel zomaar in het gangetje tussen de huiskamer en de keuken, mijn jongste zus zette het op een schreeuwen en belde daarna met een snik in haar stem 112. De ambulancebroeders lieten er geen gras over groeien en brachten mijn vader met gillende sirenes naar het ziekenhuis. Daar werd hij met spoed geopereerd. Daarna is hij niet meer bij kennis geweest, een paar dagen later werd zijn dode lichaam thuis gebracht. Op de kop af een week na de eerste touretappeoverwinning van Michael Boogerd in Aix-les-Bains.

De column van Eva Meijer (1980) die afgelopen dinsdag in Trouw verscheen, heet Brief aan mijn vader. Ze schrijft: Er was nog tijd. Ik dacht: de volgende column schrijf ik over jou. Maar ik kan je deze niet meer voorlezen. En eigenlijk heb ik nu de woorden niet. En ze schrijft: We hoefden eigenlijk niks meer te zeggen. Woorden zijn haast overal beter in dan wij maar soms hebben we ze helemaal niet nodig.

Ik leende tijdens de uitvaartdienst van mijn vader de woorden van Lucebert (1924 – 1994). De eerste regel luidt hetzelfde als de titel van het gedicht: als je weet waar ik ben zoek me dan en de laatste regel luidt: maar waar ik in het tikken stik adem jij in mijn voort .

Tijdens het lezen meende ik dat de eerste persoon enkelvoud uit de openingsregel naar mijn vader verwees en de eerste persoon enkelvoud uit de slotregel naar mij. Wat er in de zestien regels tussen begin en slot gebeurde bleef een vermoeden.

Toen de bundel Oplossingen verscheen, interviewde Jessica van Geel de schrijfster Marja Pruis (1959) voor Trouw. ‘Ik ben pas gaan publiceren toen hij overleden was.’ Haar vader stierf in 1995. ‘In die tijd recenseerde ik al wel voor De Groene, maar ik schreef over buitenlandse literatuur en biografieën en zo. Toen ik mijn ouders’ huis ging opruimen [haar moeder is inmiddels ook overleden] kwam ik dat weer allemaal in mapjes tegen. Ze hadden alles van mij bewaard. Mijn vader las alles.

Maar dat klopt niet. Pruis’ vader stierf in dezelfde vroege zomer als de mijne. 1996.

Toen mijn vader stierf was hij vijfenzestig jaar en acht maanden. Ik nam me voor langer dan hij te leven.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Egberts jokt niet

Stemvorken, de nieuwe roman van A. F. Th. van der Heijden (1951), begint op een zomeravond in Amsterdam Zuid. Albert Egberts en zijn vrouw Zwanet Vrouwdeunt ontvangen Corinne Suwijn op hun balkon met uitzicht op de tuin. De trouwe lezer van het werk van Van der Heijden heeft al wel eens van Suwijn gehoord. Ze kwam  eerder langs en werd dan ‘de Venus van Mierlo’ genoemd. Ze is een jeugdliefde van Egberts en nog steeds een goede vriendin, ze is getrouwd met Hans Krop die bij Egberts in de klas zat, maar dat huwelijk loopt op zijn einde. Albert Egberts vond de tijd gekomen om Corinne aan zijn vrouw voor te stellen. Zwanet kent alleen de afbeeldingen van Suwijn op de Vogue uit de tijd dat laatstgenoemde modellenwerk deed.

Als het huis en de tuin zijn besproken, komt het gesprek op de buurt. Albert Egberts voert het woord. Toen eind negentiende eeuw de percelen in deze buurt verkocht werden… en de Amsterdamse kak per se achter het Concertgebouw wilde wonen… toen snapten makelaars en aannemers wel dat geen mens op nummertje honderd wilde wonen, want dat was indertijd het eufemisme voor schijthuis.. of kakdoos, zo je wilt. Bij het toekennen van de huisnummers sloeg de gemeente het gewoon over.

Egberts jokt niet. Via Google Streetview is in elk geval in de Johannes Verhulststraat geen nummer honderd te ontdekken. Corinne Suwijn herinnert zich onderweg wel langs nummer negenenzestig te zijn gekomen. Hoe kwam het dan dat de negentiende-eeuwers bij dat getal geen scrupules hadden?

De gastheer weet het antwoord. Hij loopt naar binnen, naar de boekenkast. Albert kwam weer tevoorschijn met in zijn hand een paperback, een vinger tussen twee bladzijden geklemd. ‘Dit zijn aforismen van de dichter Jan Kuijper.’ Hij sloeg het boekje open. Ik herkende het aan de kindertekeningen van de schrijver op het omslag: er stonden ook aforismen in over zijn grootvader Jan Sluijters, een van mijn favoriete schilders. ‘Misschien kan hij ons uit de droom helpen. Hier… citaat: “Onze vaderen beften hun vrouwen niet – begin er maar eens aan met het ijs op de lampetkan!” Einde citaat.’

Denkbeelden heet het boekje van Jan Kuijper (1947). Het is in 1991 verschenen. Ad Zuiderent besprak het voor Trouw. Ik hou niet van aforismen. Het is het genre waarmee iemand nadrukkelijk laat weten de knapste van de klas te zijn; het is een genre dat niet ontroert., schrijft hij, maar hij vindt het toch een spiritueel geconstrueerd boek dat zich als een roman laat lezen. Het aforisme over het ijs op de lampetkan is het vierentwintigste. Nummer 375 luidt: Hij weegt zijn onzin op een goudschaaltje en nummer 570: O, het groen van de graat van de geep en de voet van de meerkoet!

Albert Egberts meent het vraagstuk van het huisnummer 69 in de Concertgebouwbuurt opgelost te hebben door te verwijzen naar een aforisme, maar de makke met een aforisme is dat het zijn bewijskracht niet ontleent aan feiten of bronnen, maar aan het aplomb waarmee het wordt gebracht.

Als ik het woord beffen opzoek in het Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT) krijg ik maar een resultaat: ww.(intr.,trans.,refl.,zw.) (Bedr. en wederk.) (Iem., zich) een bef aandoen.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Boven-Herwijnse belangen

Ik las voor het eerst over Herwijnen in ‘Een jaar in scherven’, het succesvolle privédomeindeel waarin Koos van Zomeren (1946) schreef over zijn jeugd in dat dorp aan de Waal. Dat was 1988. In 2006 verscheen er een nieuw Herwijns dagboek van zijn hand: ‘Nog in morgens gemeten’ waarin de schrijver van ‘Collega Vink vermoord’ zijn oude stiel oppakt en in het voorbijgaan probeert klaarheid te brengen in een raadselachtig sterfgeval in het dorp uit zijn jeugd. Een paar maanden geleden vulde Van Zomeren de Herwijnenreeks aan met ‘Aan de dijk Herwijns dag- en fotoboek’. De laatste zin van de verantwoording die de auteur aan het boek toevoegt luidt: ‘Tot slot: ik prijs me gelukkig met een redacteur als Peter Nijssen en een uitgeverij als De Arbeiderspers; het boven-Herwijnse belang van dit boek is bij mijn weten geen moment in twijfel getrokken.’

Wat dat boven-Herwijnse belang is, omschrijft Van Zomeren niet met zoveel woorden. Het is aan de lezer om daar achter te komen.  Ik heb de indruk dat Van Zomeren zich met dit boek een plaats wil bevechten in de rij van grote Herwijnse verhalenvertellers. Hij memoreert de bevrijdingsfeesten van het dorp: De inwoners, per straat of buurt georganiseerd, proberen elkaar dan te overtreffen in de verbeelding van een bepaald thema; het resultaat is een soort carnavalsoptocht zonder carnaval (en doorgaans ook zonder optocht). Tegelijkertijd twijfelt de schrijver aan zichzelf. Het is een beetje zoals bij Nescio (1882 – 1961) die na een paar sublieme novellen nooit meer verder kwam dan een schets, een nauwelijks uitgewerkt beeld, een melancholieke observatie. Niet alleen zijn zoon Jan, maar ook vader Koos krijgt een hekel aan de verteltoon van de tekst die aan het ontstaan is: Zinnen als los zand. Je slaat een paar noten aan, maar ze blijven hangen, er komt geen melodie van.

Waar komt dat verteltalent van de Herwijners vandaan. Van Zomeren komt te spreken over de Herwijnse geheugens. Die werden in hun vormende jaren gevoed met zaken van onmiddellijk belang. Mijn vader zag Atje dingen doen waarvan je mocht aannemen dat hij ze zelf ook zou gaan doen: sloten schonen, greppels graven, gras groenen. Als het om geheugen gaat is de alliteratie nooit ver weg. Vervolgens denkt Van Zomeren terug aan zijn eigen vorming: goniometrie, Schwere Wörter, het periodiek systeem en zoiets dubbelzinnigs als Maagdenburger halve bollen – zaken waarvan het belang, zo ooit, pas ergens in de toekomst zou blijken. Dat moet ik onthouden voor mijn eigen lespraktijk: laten zien dat de omgang met teksten hier, nu en onmiddellijk navolging behoeft. Dat is een tweede boven-Herwijns belang.

De dijkhuisjes in ’t Rot en d’n Berm zijn bijna allemaal gesloopt. Op de foto’s in het boek kunnen we zien hoe het er ooit heeft uitgezien en wie er woonden. De meesten zijn overleden, wie nog over is woont in het verzorgingshuis Avondlicht in de nieuwbouw van het dorp. Van Zomeren zoekt ze op. Het is het voorjaar van 2020, de schrijver heeft haast en gunt zich de tijd niet zijn natuurbeschrijvingen uit te werken. Op vijf april schrijft hij: Heerlijke voorjaarsochtend na een koude nacht. Roffelende spechten, bloeiende bosanemoon, ontluikende zoete kers enz. Denkend aan Huize Avondlicht. Wie nog leeft zit opgesloten in zijn of haar kamer. Verzorging, alleen het noodzakelijke, door mensen ‘in pakken’. Niets te doen. Televisie, alleen maar nog méér corona-ellende. Wachten. Wachten en luisteren. Of dat virus ook bij jou aanklopt. Horror.

Dat zo’n pandemie ook de verhalenstroom stokt, is misschien wel het ergste.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Geen doel

‘Het Nederlands algemeen vormend onderwijs is doodziek; we zitten ergens tussen terminaal en euthanasie volgens mij’. Aan het woord is economiedocent, lerarenopleider en publicist Ton van Haperen. Tegenover hem zit Ad Verbrugge, activist, filosoof aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, muzikant en voorzitter van Beter Onderwijs Nederland (BON). Verbrugge heeft de economiedocent uitgenodigd voor een gesprek dat is gepubliceerd op het YouTubeplatform ‘De Nieuwe Wereld’. Beide heren zijn al bijna een uur aan het praten als Van Haperen zijn verzuchting slaakt. Verbrugge wil het onderhoud graag afsluiten met een sprankje hoop, een lichtpuntje in de duisternis. Het komt er niet van.

Het is niet omdat beide heren niet weten wat er belangrijk is bij het verzorgen van onderwijs aan de aanstormende generatie. Van Haperen verwoordt het als doorgeven wat van waarde is, het woord enthousiasme valt, en daarin de hele klas meenemen. Cultuuroverdracht, voegt Verbrugge toe, of is het een samenvatting van de woorden van zijn gesprekspartner. Inwijding, hoor ik de filosoof zeggen en wat je met elkaar wilt.

Je kunt zien dat Van Haperen en Verbrugge begrijpen wat ze bedoelen, maar deze kijker snakt aan het scherm naar verduidelijking. Wat van waarde is, is dat Sybrand van Haersma Buma die voorstelt om elke schooldag te beginnen met Het Wilhelmus, de tirannie verdrijven die mij mijn hart doorwondt, is dat De Canon van Nederland, met of zonder Floris de vijfde? Is dat diversiteit, inclusiviteit, woke? Is het burgerschap, kritisch burgerschap, wereldburgerschap misschien? Uiteindelijk zijn de schoolbesturen de enigen die kunnen uitmaken wat van waarde is. Zo hebben wij dat sinds het begin van de vorige eeuw geregeld in Nederland. Ton van Haperen is de eerste om toe te geven dat de invulling van wat van waarde is om door te geven persoonsgebonden is en intuïtief. Een goed idee, of iets gezien in Engeland of Finland is voldoende argument voor een nieuwe onderwijshype. Het is hopeloos, stelt de econoom vast als het gesprek een half uur is gevorderd.

Ik weet niet wat van waarde is in de economie om door te geven aan de volgende generatie. Marktwerking, welvaart of welzijn? En voor wie dan, en ten koste van welke andere wezens? Wij van moedertaalonderwijs hebben al lang geleden afstand gedaan van het doorgeven van wat van waarde is, en ons dienstbaar opgesteld door onze leerlingen te helpen beter uit hun woorden en die van anderen te komen. Beter leren lezen en schrijven en een klein beetje literaire vorming, verder gaan de ambities niet.

Ja, we horen de jammerklachten over de slechte taalbeheersing van onze jeugd en we weten dat de uitstroom van academisch afgestudeerde taal- letterkundigen veel te klein is om te beantwoorden aan de vraag van het onderwijs, en we zien ook dat in steeds meer studies en sectoren van de samenleving het Engels de voertaal wordt, en daar vinden we iets van ook al weten we niet wat.

Maar we weten ook wat Carry van Bruggen honderd jaar geleden schreef: In de gedachte dat er over een eeuw geen Nederlands meer worde geschreven, ligt alleen iets ontstellends en bedroevends voor hen, die slechts in en door de collectiviteit bestaan, die met haar en haar distincties (haar taal dus in de eerste plaats) staan of vallen – maar de denkende mens, beseffend, dat de taal middel is en geen doel, en dat het enig-wezenlijke en enig-belangrijke de eeuwig-voortbestaande gedachte is, is daardoor niet vrij van gehechtheid en genegenheid jegens zijn taal – integendeel, hij voelt die wellicht dieper dan de Hollandse patriotten die zo graag met hun driehonderd woorden salonengels en sportengels pronken – doch hij wacht er zich voor, die gehechtheid op te blazen tot een beginsel, tot een ideaal.

En we leerden van Lucebert dat alles van waarde weerloos is.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen