Essie

Ischa Meijer debuteerde met ‘Brief aan mijn moeder’, Gerard Reve bevestigde zijn reputatie met de brievenboeken ‘Nader tot U’ en ‘Op weg naar het einde’. Anne Frank koos de briefvorm voor haar dagboek en begon elke notitie met de aanhef ‘Lieve Kitty’, de dames Wolff en Deken adopteerden de prille traditie van de roman in brieven om een nieuw publiek te werven voor het verhalend proza in de eigen taal en de dertiende-eeuwse mystica Hadewych riep met haar brieven haar zusters op tot verbondenheid in liefde met elkaar en met God. Ik vreesde dat het na de introductie van e-mail en sociale media gedaan was met de brief, maar mijn hart maakte een sprongetje van blijdschap bij het lezen van ‘Oersoep’, de nieuwe roman van Bregje Hofstede (1988), waarin twee puntgave literaire brieven staan.

Aan wie wordt een brief gericht?, is de retorische vraag die Pedro Salinas (1891 -1951) stelt in het begin van zijn boek Pleidooi voor de brief. Het antwoord dat achttien bladzijden later wordt gegeven is drievoudig: In zijn normale, eenvoudigste functie komt hij aan bij de geadresseerde (…) Maar er is een hiervoormaals, dichterbij in de tijd, de auteur zelf, de eerste die de brief leest en erdoor geboeid kan worden. En er is vooral een hiernamaals, het maximale bereik van de brief, die (…) veel verder komt, bij iedereen, bij het grote publiek.

De schrijfster van de brief in de roman van Bregje Hofstede is zich van alle drie bestemmingen bewust. Zij schrijft haar brief aan haar vriendin Hadewijch (met een ij) met wie ze rugby speelde, al kon ze niet aan haar niveau tippen. Hadewijch raakt in Brasilia geïnfecteerd met het meningokokbacterie, waarna haar toestand snel verslechterd. Omdat ik toch nergens anders aan kon denken, begon ik zodra ik thuis was een brief aan jou, waarvan ik de aanzet hierin heb opgenomen. Ik denk dat ik dacht dat je niet kon verdwijnen zolang ik me tot je richtte.

Maar Hadewijch verdwijnt wel, terwijl de schrijfster van de brief zich bewust wordt van het gegeven dat het schrijven van een brief de intimiteit met de geadresseerde net zo goed mogelijk maakt als bedreigt. Ik vertrouw deze herinnering omdat ik er nooit iemand over heb verteld. Hij is al die tijd onaangeraakt gebleven, maar ik wil hem één keer met je delen. Ook al verliest hij zijn echtheid zodra ik hem opschrijf, en krijgt hij de trekken van een verhaal.

Salinas schrijft: Net als het pasgeboren kind geeft iedere brief de eerste vreugde of het eerste verdriet aan wie het ter wereld brengt. Zonder dat hij het wist, geeft hij een krachtige samenvatting van Oersoep dat immers het verhaal is over een briefschrijfster en haar vriend op het moment dat zij elkaar leren kennen en hun eerste kind krijgen, dat Essie heet maar Hadewijch zou heten als de zus van de briefschrijfster die naam niet al aan haar eerstgeborene had gegeven.

Het valt Salinas op dat het vooral vrouwen zijn die excelleren in de niet voor publicatie bedoelde brief. Hij noemt Madame de Sévigné, Madamoiselle de Lespinasse, Lady Montagu en Jane Carlyle, en veronderstelt dat dat komt omdat de vrouw het (…) geestelijke schaamtegevoel heeft bewaard (…) en nog steeds de kern der authentieke vrouwelijke persoonlijkheid verdedigt.

In Oersoep wordt naar hartenlust geneukt, gekotst, gebaard en gepijpt, althans, daarvan verhaal gedaan. Voor de verklaring van het epistolair vermogen van de briefschrijfster in dit boek zullen we uit een ander vaatje moeten tappen.

Hadewijch van Hilten is zeventien april 2018 op eenenveertigjarige leeftijd overleden.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Lampje

Zodra ik was afgestudeerd, vroeg ik een uitkering aan. De bezuinigingen op overheidsuitgaven van het eerste kabinet Lubbers noch het akkoord van Wassenaar, hadden een einde kunnen maken aan de massale werkloosheid. Daarna schreef ik me in voor een cursus Frans bij Maison Descartes aan de Amsterdamse Vijzelgracht en verdiepte me in het werk van Gustave Flaubert. De vakantie brachten we door in Marokko. Terug in Nederland vond ik een uitnodiging van de sociale dienst op de mat. Dat ik te lang en in de verkeerde periode met vakantie was geweest en de dienst mij een strafkorting oplegde.

Ach, de jaren tachtig. Omdat je in gelul niet kon wonen, liet wethouder Schaeffer verkrotte buurten slopen om er sobere doch betaalbare woningen voor terug te bouwen en pakte krakers leegstand en speculatie aan waar die maar voorhanden waren. Ik stond erbij en keek ernaar en vond tegen het einde van het decennium werk bij de voormalige studentenuitgeverij die tijdelijk onderdak had gevonden op de derde verdieping van een paviljoen van het voormalige Binnengasthuis direct naast de Oudemanhuispoort.

Bijna een halve eeuw later vind ik de locatie terug in de nieuwe roman van Rob van Essen (1963) Ik kom hier nog op terug. Het is de plaats waar de belangrijkste protagonisten elkaar ontmoeten. We waren een grauw gezelschap. Het was een grauw decennium. Ook de gebouwen waren grauw. De Filosofiefaculteit was in die jaren ondergebracht in een paar grote paviljoens van het voormalige Binnengasthuis midden in het oude centrum van Amsterdam – massieve, dicht op elkaar staande gebouwen van donkere baksteen en met kleine ramen.

En niet alleen de locatie. Ook de mode; dat was een treurige wereld toen, alle kleur was er zo’n beetje uit weggetrokken, die punktijd van de jaren zeventig was veel leuker. de muziek; die gothjongens, die rotjongens… Joy Division, The Cure, New Order, toen die zanger van Joy Division zich had opgehangen, somberder kon je het niet krijgen… wat we lazen; Voor hem ligt een opengevouwen exemplaar van Vrij Nederland, nog uit de goeie tijd, op krantenformaat, met bijlagen en alles. Alleen dat al bewijst me dat ik me in de jaren tachtig bevind. de openbare ruimte; Al twee keer vertraagde een fietsende junk zijn tempo om te vragen of ik een fiets nodig had. het café; ‘Ach ja, al die rokers,’ zegt De Paus wanneer hij de deur van ’t Gasthuys openduwt. ‘Dat mocht toen nog.’

Het leven is een lege ruimte die door herinnering wordt ingevuld, is misschien de kortste samenvatting van Ik kom hier nog op terug. Of hebben we te maken met de uit de hand gelopen versie van het voorgenomen artikel van Rob Hollander over wat er is geworden van zijn jaargenoten filosofie, lichting 1987. Na het Grote Verkleedfeest ging iedereen met een bijnaam door het leven. Hongerstaker, De Paus, Parachutist, Verpleegster, Kimono, Staartje, De Tibetaan, alleen Hegel niet, zij had haar bijnaam verworven op grond van haar score op een tentamen over de Duitse wijsgeer. Zodra je in je geheugen een deurtje opentrekt gaat er achter dat deurtje een lampje aan.

Dat geen van hen omhoog gekeken heeft…, er brandde licht achter het raam op de derde verdieping van het hoekpaviljoen die novembernamiddag. Maar ik denk dat we kort tevoren met de uitgeverij waren verhuisd naar het Rapenburg.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Vrij spel

Mijn moeder lag nog maar net op bed toen ze op de knop drukte. Ik had haar welterusten gezegd en gekeken of de thuiszorg alles in goede orde had achtergelaten, poetste mijn tanden, hoorde de bel, spoelde een teug water langs tanden en kiezen en daal de trap af. ‘Ik ben bang’, zegt ze. Ik kijk haar aan. ‘Al die elektriciteit om me heen …’, ze zwijgt. ‘Dat het hier warm is, bij voorbeeld’, vervolgt ze, ‘hoe hebben ze dat gedaan?’. ‘Gas’, antwoord ik. ‘Weet u nog dat we de vorige herfst een nieuwe verwarmingsketel hebben laten installeren?’ Het stelt haar enigszins gerust, dan draait ze op haar andere zij en probeert, nog nahijgend, de slaap te vatten.

De jonge vrouw die in het eerste deel van nieuwe roman van Eva Meijer (1980) Dagen van glas, wordt achtervolgd door de blikken van een vreemde die verschijnen in de spiegel of het raam als het buiten donker is, woont veertig jaar later in een verzorgingshuis. Mevrouw Kara. Wat fijn. Ik heb een mooi plekje voor u bij het raam. Maar zover is het dus nog niet. Nu woont ze met haar man en dochter in een dorp ten noorden van de hoofdstad. Johannes rondt zijn vak af. Dorus is bijna klaar met groep zes. Zelf schrijft ze aan een monografie over Derrida, Europa en het vluchtelingenvraagstuk. En er knaagt wat.

Dorus vraagt of haar moeder in geesten gelooft. Johannes weet te vertellen dat de kinderen uit haar klas ook met geesten bezig zijn. De moeder van Dorus leest op internet dat geesten zich vaak via de spiegel melden.

Maar dat hoeft niet. Als ik mijn moeder, die net wakker is, thee breng, vraagt ze waar is de rest? De rest, informeer ik, welke rest? Er is geen rest. Waar is moe? vraagt ze. In haar graf, antwoord ik en ik wijs op het bidprentje van mijn oma dat voor haar op het wandmeubel staat in een lijstje. Dus we zijn helemaal alleen, concludeert ze. Ik vraag of ze thee wil.

Mevrouw Kara wacht in de rolstoel in de hal bij de receptie. Er komt een jonge vrouw binnen met een meisje in een rode jas. Het meisje is misschien zes of zeven, ze heeft een donkere vlecht. Dorus, denk ik. Zeg ik. Dorus?

Ik vind je zo afwezig. Zo begon het na de geboorte van Dorus ook, zegt Johannes, Als er iets is waar je over wil praten – Zijn vrouw denkt iedereen zwerft als geest door de tijd. We hebben een toekomst nodig om houvast aan te ontlenen en een geheugen om niet alles steeds opnieuw te hoeven zien, maar in toekomst en verleden hebben de geesten vrij spel.

Als ik de kamer binnen loop zit mijn moeder in haar stoel zacht te huilen. Ze is die ochtend bij de geriater geweest die haar allerlei vragen stelde. De namen van haar broers en zussen bij voorbeeld, en haar trouwdag. Daarna moest ze een klok tekenen waarop het tien voor twee is. Jij en ik, snikt ze, wij hebben geen toekomst meer. Ik heb er niet van terug, zeg: maar nog wèl koffie. Wilt u dat? En wilt u daar een stukje appelcake bij?

Mevrouw Kara roept het meisje dat met haar moeder bij de lift staat. Ze aarzelt. Dan rent ze naar me toe en slaat haar armen om me heen. Lieverd, zeg ik, en ik geef haar een kus op haar hoofd. Ze ruikt nog precies hetzelfde.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | 1 reactie

Maanhandwasdagen

Waarvan ik wakker werd, weet ik niet. Het licht liet ik uit, de wekkerradio deed ik aan. Met het oog op morgen, de laatste vijf minuten. Ik herkende de stem van Ingmar Heytze (1970). De dichter was uitgenodigd om de mooiste gedichten over ‘regen’ te lezen. Hij had kunnen kiezen voor zijn eigen ‘Meisje in het najaar’: ‘Vanachter het raam / kijkt zij in november / de regen met gemak / de wolken uit’, maar daarvoor ontbrak het hem aan geldingsdrang. J.C. Bloem (1887 – 1966) natuurlijk: ‘Altijd november, altijd regen, / Altijd dit lege hart, altijd.’, Campert, Frank Koenegracht – mijn dichterlijke vader, aldus Heytze – Menno Wigman, Waskowsy: ‘… zeg langzaam: / Ik hou van regen. / Ik hou van storm. / Ik ben niet bang.’ Simone Weimans was aan de beurt om het programma te presenteren en zei dat er nog tijd was voor een kort gedicht van Riekus Waskowsky (1932 – 1977), maar dat was zojuist gelezen en de andere gedichten van deze Rotterdamse dichter gaan over verdovende middelen, Feijenoord en seks. Wim Brands (1959 – 2016), ‘Fanfare in de regen, niemand ziet zijn partij’, kan nog net. Dan klinkt het ‘Gute Nacht Freunde’.

Is dat alles?

Hélène Swarth (1859 – 1941) doet qua temperament nauwelijks onder voor J.C. Bloem. Neem haar Tranenwolken: En grijs verrijzen boven steenen steden / Veel doffe wolken die al ’t blauw bedekken. / O zijn die dropplen, klettrend naar beneden, / Tranen die uit Ellende’s ogen lekken? Dat kan Hanny Michaelis (1922 – 2007) ruim een halve eeuw later indringender en verfijnder. Zij schreef een vers over haar vertrek uit Amsterdam toen zij in de oorlog moest onderduiken, dat besluit met de regels: Terwijl ik de stationshal binnenvlucht, / valt er een druppel op mijn wang: het regent.

Dat regenwolken niet alleen de zon verbergen, maar ons ook de toegang tot onze herinneringen ontzeggen, beschrijft Georgine Sanders (1921 – 2015) in haar gedicht Variaties op regen: Regen striemt in vlagen tegen het raam. Het laat / te weinig voor herinnering, ik ben / doordrongen van geluid, maar waar bestaat / nog wie ik was, hierin? Want ik herken // mij niet in wat ik hoor. Dat regen die uitblijft of alleen maar dreigt daar ook voor kan zorgen, beschrijft Albertina Soepboer (1969) in Het geluid van regen: rustig heb ik de bladeren verzameld, geveegd / naar de regels die vaag naar klei ruiken, daar / lagen ze lang in de holle geluiden van de regen / of op de maanhandwasdagen van mijn oma’s // toen heb ik gevraagd of het kon zonder huilen / zonder dingen die uit moeten en opgaan, maar / de regen kwam niet, niets was er om in te zijn / dan een milde duisternis in mijn eigen handen

In juli 2021 veroorzaakte langdurige regen overstromingen in de wijde omgeving van het drielandenpunt. In Duitsland vielen honderdtachtig doden, België betreurde er ruim veertig en ook Limburg hield het niet droog. Dichter des Vaderlands Lieke Marsman (1990) probeert de moed erin te houden en schrijft in het gedicht Staartdeling: Dat is hoe helen begint. / Op een dag loop je het moeras in / dat aan het opdrogen is. / Als een insect in de modder die uithardt, / een fossiel in wording, / je stofhoest een zucht. / Geduldig zul je wachten. / Eeuwenlang wacht je. / Heel voorzichtig / zal een nieuwe regen je wassen.

Premier Rutte beloofde ruimhartige schadevergoeding, die twee jaar later toch tegenviel, zodat de bewoners van de oevers van de Maas, Geul en Gulp het Bloem nazeggen; Altijd dit lege hart, altijd

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Stemmen

Haar mooiste werken schreef Carry van Bruggen (1881 – 1932) nadat ze in 1919 ‘Prometheus’, de grote studie naar het individu in opstand in de literatuur en maatschappij, had voltooid. ‘Het huisje bij de sloot’ staat bekend als de herinneringen van de auteur aan haar Zaanse jeugd, maar de vijfentwintig verhalen zijn ook het resultaat van het verworven inzicht dat een mens zichzelf alleen kan begrijpen in de Eenheid, met andere woorden in het moment waarin de individualiteit is opgeheven. In ‘Hedendaags Fetischisme’ uit 1925 heeft ze de conclusies van Prometheus betrokken op de taal en de taalkunde. ‘Eva’ doet op fictionele wijze verslag van het levenslange streven naar zelfkennis en begrip van het bestaan. Kort na het verschijnen van de roman in 1927, verklaarde Van Bruggen dat zij zich in dit boek ‘totaal en definitief had uitgesproken’, al was dat misschien ook wel omdat ze aan het eind van haar Latijn was. Slapeloosheid en een zenuwinzinking leidden tot opname in een rusthuis en een kliniek. Uiteindelijk werden een overdosis slaapmiddelen en een longontsteking haar fataal.

Ik had mijn salamandereditie van Eva uitgeleend aan de dirigent van ons koor, die nog nooit iets van Carry van Bruggen had gelezen. Deze week mailde hij me dat hij nog niet verder was gekomen dan de eerste bladzijde, en of ik het boek misschien snel terug wilde hebben voor je jaarlijkse herlezing. Ik mailde hem terug dat ik die traditie ook wel in ere kon houden met mijn editie uit 1928 en besloot er gelijk maar werk van te maken.

Hoe maakte Carry van Bruggen van haar levenslange zoektocht een tekst van maar acht hoofdstukken en tweehonderdvijftig pagina’s? Hoe gaf ze structuur aan de totstandkoming van dat begrijpen, terwijl er, als het gaat om de Eenheid, van ontwikkeling helemaal geen sprake is? Ze zette de bestaande romanconventies opzij en schreef de eerste stream of consciousness-roman uit ons taalgebied. Geen logica, geen oorzaak en gevolg, maar beelden, symbolen, puntjes, een prop en een stokje.

Het derde hoofdstuk heet stemmen. Het is een najaarsavond als een zomernacht, twee dagen na de Grote Verzoendag en Eva, begin twintig,  zit op een kist tegen de achterwand van de bakkerswinkel waar iedereen bolusjes komt kopen. Zij tuurt vanuit de verlichte winkel de duistere avond in. Kijk, daar buiten, juist voor de deur, ligt een groote losse papierprop, blinkende wit, tegen den trottoirrand gewaaid. Hij ritselt, hij spartelt…. als onder een hand gevangen…. spant zich in om verderop te komen…. den winkel voorbij…. je ziet dat duidelijk gebeuren…. je zoudt hem wel willen verlossen, verder helpen…. Het lijkt of hij leeft…. je zoudt haast zeggen: hij heeft een werkenden wil, als je hem zóó hardnekkig ziet streven. En waarom zou je eigenlijk niet mogen zeggen, dat hij leeft?

Zoals deze prop de wind weerstreeft en mee moet waaien, moet Eva het verschil maken in haar leven, terwijl haar verlangen naar eenheid het liefst alle verschil zou opheffen.

Drie hoofdstukken en pakweg tien jaar later, is het symbool van de papierprop vervangen door de pendule, of moet ik zeggen de baton? Ga naar buiten, in een nacht als deze. Dan zal je den slingerslag voelen. Dan zal je met alles één zijn, in den slingerslag gevangen. En neemt je de slinger mee naar links, dan veracht je het leven (…) En neemt je de slinger naar rechts, dan haat je den dood en klemt je aan het leven, zooals beesten zich aan het leven klemmen, blind.

Dat beeld moet een koorleider toch aanspreken.

Geplaatst in tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis | Getagged | Een reactie plaatsen

Die hand

Als ergens verleden en toekomst langs elkaar schuurden, dan toch in Wenen gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw. Daar componeerden Gustav Mahler en Alban Berg terwijl de operette bloeide. Daar schreef Sigmund Freud aan zijn ‘Traumdeutungen’ en maakten Gustav Klimt, Oscar Kokoschka en Egon Schiele hun mooiste werken. Daar gonsde het van bedrijvigheid in de ‘Wiener Werkstätte’, bouwde men in de nieuwe ‘Jugendstil’ en schreef Adolf Loos ‘Ornament und Verbrechen’. Karl Kraus (1874 – 1936) publiceerde er tussen 1899 en 1936 ‘Die Fackel’, het satirische eenmanstijdschrift in 952 afleveringen.

Walter Benjamin (1892 – 1940) sloeg het van een afstand gade, nu eens vanuit zijn geboorteplaats Berlijn, dan weer vanuit Parijs, waar hij werkte aan zijn Proustvertaling en materiaal verzamelde voor zijn Passagen-werk. Benjamin was een bewonderaar van de teksten van Kraus, roemde die als het sterkste burgerlijke proza van na de oorlog, waarmee gelijk duidelijk is dat het geen kritiekloze bewondering was.

Kraus richtte zijn pijlen op de journalistiek die sinds Heine in de ban was geraakt van het feuilletonisme,terwijl onder invloed van Nietzsche verslaggeving en het ondubbelzinnige oordeel in de kranten plaats had moeten maken voor essayistiek en aforisme. Wie heeft toch het grote excuus, zich voordoen als wat je niet bent, in de wereld gebracht?, verzucht Kraus, om direct zelf de vinger op de zere plek te leggen: de frase. De geaccelereerde snelheid van communicatie en ontwikkelingen in de druktechniek maakten dat kranten tot wel drie edities per dag konden uitbrengen. Het nieuws versnipperde in clichés, Kraus zag er de oorzaak in van het wereldkwaad.

Dat onwaarachtigheid en versnippering van de berichtgeving samenhingen met techniek en communicatie, was goed gezien, maar Benjamin wijst er op dat de frasering van het nieuws vooral noodzakelijk was om het verhandelbaar te maken, dat wil zeggen een vehikel voor commerciële boodschappen. Kraus’ remedie tegen het wereldkwaad, zorgvuldiger taalgebruik, was volgens Benjamin dan ook gedoemd te mislukken. Als de Grote Oorlog over Europa rolt, doet Kraus de oproep: Laat hem die iets te zeggen heeft, naar voren komen en zwijgen!

Benjamin constateert: Zo is alles wat Kraus schreef: het is een binnenstebuiten gekeerd zwijgen, een zwijgen dat de storm van de gebeurtenissen in zijn zwarte mantel vangt, hem doet opbollen en de felgekleurde voering naar buiten keert. Is dat nog bewondering? Is zwijgen dan het kenmerk van het sterkste burgerlijke proza? Het heeft, dat moet Benjamin toegeven, in elk geval kritische potentie, maar hij constateert ook een merkwaardige wisselwerking tussen reactionaire theorie en revolutionaire praktijk. Benjamins wapenbroeder Bertolt Brecht (1888 – 1956) oordeelt met een paar woorden over de Weense Socrates: Toen het tijdperk de hand aan zichzelf sloeg, was hij die hand.

Het was het tijdperk dat de krant ophield een meneer te zijn, de (Duitse) taal van hand tot hand ging tot slechts propaganda overbleef. Walter Benjamin heeft de oplossing ook niet paraat, al is hij ervan overtuigd dat die uit onverwachte hoek zal komen, immers  Iedere seconde is de kleinste poort waardoor de Messias kan binnentreden. De drempel tot verandering ligt soms zomaar voor je voeten. Desnoods in de vorm van het communisme, waarover Benjamin schrijft: naar de duivel met zijn praktijk, maar moge God het voor ons behouden als een permanente dreiging boven de hoofden van iedereen die goederen bezit en ter bescherming ervan alle anderen naar de fronten van honger en vaderlandse eer zou willen drijven met de troost dat aardse goederen ook niet alles zijn.

Meneer Frans Timmermans, luistert u?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Symmetrie

Zaterdag 24 maart 2007, ’s ochtends tussen vier en vijf uur, is Cassandra van Schaijk, zeventien jaar, voor het laatst gezien. Ze liep in Almere Stad en had de laatste bus gemist. Haar vader merkte kort daarna dat ze niet was thuis gekomen; geen jas, geen schoenen, het bed onbeslapen. Ze nam haar telefoon niet op. ‘Kilometers heb ik gereden, kilometers om te zoeken en te kijken. Nou, je vindt niks, want je weet niet waar je naartoe moet.’ Drie weken later, op zaterdag 14 april, vond een buurtbewoner die met zijn boot op de Noorderplassen voer, het levenloze lichaam van Cassandra.

In het holst van de coronapandemie, van september 2020 tot maart 2021, was  Niña Weijers (1987) gastschrijver van Almere. Ze kreeg een appartement toegewezen op de elfde verdieping van een wooncomplex aan het Weerwater. Haar huisbaas Marco vertelde haar over dat meisje in de Noorderplassen. De gastschrijver had een onderwerp voor haar boek. Ik zou kunnen zeggen dat ik lang heb getwijfeld of ik dit verhaal wel wilde, of zou moeten vertellen. Maar dat is niet waar. Ik heb er helemaal niet aan getwijfeld.

Logisch! Niemand hoeft Niña Weijers iets over verdwijnen te vertellen. De allereerste zin haar debuut De consequenties luidt: Op de dag dat Minnie Panis voor de derde keer uit haar eigen leven verdween stond de zon laag en de maan hoog aan de hemel. Elf februari 2012, vijf jaar na de vermissing en het overlijden van Cassandra. Er is nauwelijks een verhaal, alleen een meisje dat niet thuiskwam na een avond uitgaan en drie weken later werd gevonden in het water.

Minnie Panis is een jaar of vijf jaar ouder dan Cassandra en performancekunstenaar. Haar afstudeerproject; bestaat Minnie Panis?, bestond uit een grote hoeveelheid foto’s van haar afval. Zonder dat ze het in de gaten had gehad was er een parallel universum van afval ontstaan. Het was fantastisch en gruwelijk, en boven alles onweerstaanbaar. Cassandra was gewoon een leuke meid; caissière bij de Plus, deed een opleiding pedagogisch medewerker op het ROC, grote bek, klein hartje, gek op Céline Dion, bezocht hardcore feesten, waar ze gezien werd in kringen van Lonsdalejongeren. Cassandra heet naar een liedje van ABBA, Minnie naar de kunstzinnige oudtante van haar vader. Cassandra heeft haar moeder nooit gekend, Minnie haar vader niet. Tijdens het schrijven van Cassandra is Niña Weijers zwanger, Minnie verwacht haar kind in De consequenties.

Wie op zoek was naar symmetrie vond die altijd.

Net als Cassandra’s verdwijning, duurde die van Minnie drie weken. Ze was met een bevriende fotograaf overeen gekomen dat hij haar zolang voortdurend ongemerkt zou schaduwen en fotograferen. Niet meer en niet minder. Na afloop zou hij het resultaat van zijn activiteiten bezorgen bij het notariskantoor waar ook de acte met de opdracht was betekend en gepasseerd. In de enveloppe die bij de notaris was ingeleverd vond Minnie, behalve enkele foto’s, een brief waarin stond: Ik heb je die middag dood laten gaan. Ik ben een mens dat in staat is een ander mens te laten sterven. Dat is iets waarmee ik zal moeten leven …

Niña Weijers schrijft in Cassandra: Ik herinner me de opluchting op het gezicht van mijn uitgever, en vooral op dat van de mensen van de pr-afdeling, toen ze hoorden waarover mijn boek zou gaan. Eindelijk iets wat ik kon uitleggen in een paar heldere zinnen, eindelijk iets wat ze konden slijten aan de inkopers van boekhandels en redacties van kranten en tijdschriften.

Er is meer reden voor opluchting, want Cassandra werpt ook een klaar licht op Weijers’ debuut. Is de sleutel tot het raadsel van het meisje in de Noorderplassen daar dan niet te vinden?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Bruinbrood

Op de kop af twintig jaar geleden verscheen ‘What’s wrong with this picture?’, het dertigste studioalbum van Van Morrison (1945). We horen de meester lachen in de titelsong, terwijl de oud-frontman van Them niet bepaald bekend staat als lachebekje. In het zesde nummer, dat ‘Meaning of Loneliness’ heet, gaat het er serieuzer aan toe. Het beschrijft de ervaring weerloos te zijn tegen het gevoel van eenzaamheid. Het hoeft trouwens niet eens altijd een negatieve ervaring te zijn. Om de zin ervan te duiden roept Morrison een kwartet van deskundigen aan: ‘Well there’s Sartre and Camus, Nietzsche and Hesse’.

Sartre, natuurlijk, omdat hij ons verantwoordelijk maakte voor ons eigen bestaan en ons wees op de noodzaak om te kiezen. Albert Camus, omdat hij de mogelijkheden onderzocht als mens te leven in een absurd bestaan. En ook Nietzsche, de filosoof met de hamer, past in het rijtje. Met zijn kritiek op de Christelijke moraal opende hij zijn medemensen de ogen voor hun eenzaamheid. Van Hesse (1877 – 1962) weet ik niet zoveel, ik heb er in de jaren zeventig langsheen gelezen en die omissie tot nog toe niet ingehaald. Maar op boekwinkeltjes.nl vond ik een biografie van de Zwabische schrijver.

In de epiloog haalt Alois Prinz, die de biografie schreef, een ervaring aan van George Steiner (1929 -1920). Hij was in een commune van zogenaamde flower-powerleden uitgenodigd. De bloemenkinderen waren er trots op dat ze niet lazen en in het hele huis geen boek hadden. Maar een meisje haalde een al geheel kapot gelezen boek uit haar schoudertas en zei: ‘We lezen dit hier. Ik ken het uit mijn hoofd.’ Het was Hesses Glasperlenspiel. En in de keuken ontdekte Steiner tussen het bruinbrood en de paprikascheuten een uitgave van De Steppenwolf.

Ja, dat is waar. Ik herinner me het omslag van Siddhartha uit de late jaren zestig. Dat de rockband Steppenwolf (Born to be wild) vernoemd was naar een boek van Hesse, ontdekte ik pas later. Punk, New Wave en No Future waren inmiddels in de plaats gekomen van de hippiedromen van Love & Peace.

Voor Nietzsche kwam de Nobelprijs te laat, Sartre bedankte ervoor, Camus mocht hem in 1957 in ontvangst nemen, Hesse was er in 1946 mee geëerd. Voor zijn geïnspireerde geschriften die, groeiend in durf en diepte, een toonbeeld zijn van de klassieke humanistische idealen en hoge stijlwaarden. stond in het juryrapport. Als daarmee zijn gastvrijheid voor collega’s in ballingschap tijdens de nazi-terreur wordt bedoeld en zijn onvermoeibare inzet voor krijgsgevangenen in de Eerste Wereldoorlog, is daar niets teveel aan gezegd. Lezen is opvoeden tot vrede, aldus Hesse, en hij stuurde gedurende de oorlogsjaren twaalfduizend boeken per maand naar landgenoten in gevangenschap.

In de jaren twintig bezoekt hij een Hermann Hesse-avond, men leest en zingt zijn vroege gedichten. Het bekomt de schrijver slecht. Het publiek reageert ontroerd, maar de opgewekte blik op de wereld van zijn jeugdige verzen bevalt hem niet meer. Hij stapt voortijdig op en moet de slechte nasmaak met veel cognac wegspoelen. Gelukkig heeft men hem niet herkend.

Dat blijft het Linnaeuskoor, dat op drie december zeven Hesseliederen hoopt te zingen, in elk geval bespaard. In de aandacht van een vrij jong publiek mag ons koor zich al lang niet meer verheugen, de teksten die wij zingen zijn van na de Eerste Wereldoorlog, en onverwacht bezoek van de dichter zelf behoort na zijn dood op acht augustus 1962 niet langer tot de mogelijkheden.

Al weet je het met Hesse nooit.

Het Linnaeuskoor zingt onder leiding van Jan-Paul van Spaendonck: Het Lied van de Liefde, Liederen op teksten van Hermann Hesse en J.R.R. Tolkien, muziek: Jan-Paul van Spaendonck, piano: Vaughan Schlepp, rieten: Lucas van Helsdingen, zondag 3 december 2023, bibliotheek De Hallen, Hannie Dankbaarpassage 10, Amsterdam Oud West, entree: € 12,50, aanvang: 11:00 uur.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Alleen de zee

Bij het aanbieden van het manuscript van Badal aan zijn uitgever, roerde Anil Ramdas (1958 – 2012) behalve de vraag in hoeverre het boek autobiografisch was, nog een kwestie aan. ‘Ik probeer in het boek iets te doen wat ik belangrijk vind: het scheppen van een serieus zwart personage in de Nederlandse literatuur. Een ontwikkelde, bereisde en belezen allochtoon, (…)’, noteert hij in een begeleidend schrijven aan zijn redacteur. Dat het daaraan ontbrak, had Ramdas een jaar of vijftien eerder ook al vastgesteld.

Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers heet het opstel dat op veertien maart 1997 in NRC Handelsblad verscheen. Ramdas beschrijft twee zwarte personages uit twee Nederlandstalige romans; Sandra, uit Leon de Winters Zionoco, die haar lippen accentueert met felrode lipstick, om haar parmantige kont altijd tangaslipjes draagt en als een poema gromt als ze klaarkomt, en Iris, uit De Buitenvrouw van Joost Zwagerman, over wie Ramdas schrijft we weten wel hoe ze ruikt (naar notenolie en bedauwde bosgrond) maar niet wat ze denkt. Heeft ze opvallende gedragingen, behalve dat ze haar slipje aantrekt zonder van de bank op te staan?

De essayist stelt de vraag hoe het toch mogelijk is dat de hedendaagse Nederlandse romanciers een miljoen mensen over het hoofd kunnen zien? Juist degenen van wie men mag eisen dat zij over de vaardigheid en het talent beschikken om de onzichtbaren zichtbaar te maken, blijken niet meer te kunnen zien dan wat variaties op hun zelfbeeld. Met het artikel in de kwaliteitskrant roept Ramdas de toorn van Zwagerman over zich, die zou voortrazen tot zijn dood.

Ik lees het en vraag me af waarom Ramdas romans van Zwagerman en De Winter koos, en niet bij voorbeeld Frank Martinus Arion (1936 – 2015) die met Nobele Wilden uit 1979 in bijna vijfhonderd pagina’s in de persoon van monseigneur Julien Bizet Constant – Ik ben altijd een eenzaam mens geweest, en als jongen was alleen de zee mijn vriend en verder de bomen, de vogels – een onvergetelijk zwart personage schiep.

Maar dat telt niet, lees ik even verder: het kan in een beschaafde samenleving niet de bedoeling zijn dat de zwarten uitsluitend schrijven over zwarten en de witten over witten. Niet alleen omdat dit naar culturele apartheid riekt, maar ook omdat de suggestie ontstaat dat eenieder in z’n eigen wereldje tevreden kan zijn. Zet het dan wel zoden aan de dijk om de vaderlandse letterkunde te verrijken met Badal?

Ramdas raakt aan het vraagstuk van culturele toe-eigening, jaren voordat deze term werd gemunt. In het opstel uit 1997 noemt hij in een bijzin Margriet de Moors (1941) Hertog van Egypte dat indringend verhaalt over zigeuners, en om die reden wel door de beugel kan. Is dat alles?

Heeft Adriaan van Dis (1946) ons niet kennis laten maken met Indische Nederlanders in al hun veelzijdigheid? Of anders Couperus (1863 – 1923) wel, die zijn beroemde verhaal De binocle begint met de regels: Het was ongeveer vijf jaar geleden, dat een jonge toerist, Indo-Nederlander, journalist, een fijne jongen, eenigszins nerveus aangelegd, zeer zachtzinnig trots zijn tropisch bloed, in Dresden, in de Opera, des morgens, een biljet nam voor een plaats op de eerste rij van den vierden rang, om de ‘Walküre’ te hooren.

Ontwikkeld, bereisd, belezen. Klaar voor de confrontatie met Wagners Ring.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , | 1 reactie

Openhartig

Na de voorstelling waren ze naar het theatercafé gegaan en daar tot sluitingstijd blijven praten. Ze zetten het gesprek voort in Weber in de Marnixstraat dat tot de ochtend open bleef. Harry Badal vroeg haar naar haar favoriete citaat uit ‘Casablanca’ (Curtiz 1942) en zij antwoordde: ‘Ik denk: “This gun is pointed right at your heart,” en de captain die dan zegt: “That’s my least vulnerable spot.”’. We bevinden ons in ‘Badal’, de roman van Anil Ramdas (1958 – 2012) die in het voorjaar van 2011 verscheen, een jaar voor de zelfgekozen dood van de auteur.

In de pas verschenen biografie van Ramdas beschrijft Karin Amatmoekrim (1976) hoe Anil er aan toe was in de tweede helft van de jaren nul. Na zijn terugkeer uit India, waar hij drie jaar als correspondent voor NRC Handelsblad had gewerkt, vond hij een veranderd Nederland terug. Hij was directeur geweest van debatcentrum De Balie, en moest dat op oneervolle wijze beëindigen. Zijn alcoholgebruik liep de spuigaten uit. Het huwelijk met Chandra stond onder druk, hij slaagde er niet altijd in zijn gezin te onderhouden. Zijn vader was bijna tachtig en ging zienderogen achteruit. Amatmoekrim schrijft: Hij was net weer afgekickt. Ze waren net naar bed gegaan, de kinderen waren diep in slaap. Anil stond op om naar de wc te gaan. Chandra werd wakker. Toen hij terug in bed kwam, hoorde ze aan de vreemde manier waarop hij ademde dat er iets mis was. Kort erop kreeg hij enorme pijn op zijn borst. Hij riep dat ze het alarmnummer moest bellen. Het was het eerste van twee hartinfarcten. De artsen zeiden hem dat hij een derde waarschijnlijk niet zou overleven.

Als Ramdas het manuscript aanbiedt aan zijn uitgever, schrijft hij: Ik ga natuurlijk de vraag krijgen of het boek autobiografisch is of niet. In grote lijnen komt mijn leven inderdaad overeen met dat van de hoofdfiguur, maar daar kan ik niets aan doen. Zo is het, maar aan het hart van Harry Badal mankeert niets. Niet omdat de auteur zijn lichamelijke aandoeningen voor zichzelf wil houden; de alcoholvergiftiging en de problemen met de pancreas die in India tot een ziekenhuisopname leidden, worden immers in geuren en kleuren beschreven. Waarom de hartproblemen dan niet?

Een paar sporen van Ramdas’ zorg voor zijn hart is er te ontdekken. The least vulnerable spot uit Casablance is er een. Dat zou Anil ook wel willen. Een scene in een dure optiekzaak te Zandvoort, waar men Badal weigert te helpen is een tweede: Badal had de winkel met alle Dolce & Gabbana’s, Diors en Gucci’s kort en klein willen slaan, maar hij liep de winkel uit. Hij ademde hijgerig en voelde zijn hart kloppen. Een derde vinden we in Venlo, waar Badal een concert bezoekt van Caro Emerald: Een allochtoon tussen twintigduizend blanken – het klonk op de een of andere manier niet geruststellend. Maar dat wild kloppende hart uit de pure angst te worden gemolesteerd bleef uit. Niemand zag hem eigenlijk, dat was zo bijzonder.

In 2009 werd Ramdas opnieuw opgenomen met hartritmestoornissen. Een week later gaf hij, verzwakt en vermagerd, een interview aan Stefan Sanders (1961) in de radiostudio van OBA Live. Amatmoekrim beschrijft Anils optreden als kwetsbaar en openhartig. Hij heeft het over de onzekerheid bij alles wat hij onderneemt, bang om door de mand te vallen. Nét niet doodgaan. Net niet ten onder gaan.

Die openhartigheid, die angst, kon Ramdas bij zijn hoofdfiguur niet gebruiken. Het heeft Harry Badal een hoop ellende bespaard.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , , | Een reactie plaatsen