Dance

Ik werd rond middernacht wakker, staarde in het donker en probeerde te bedenken wat er ontbrak. Het dekbed was te warm, de kamer benauwd. Waarom stond het raam niet op een kier, waarom trok er geen tochtje door de bovenverdieping? Het bed uit dan, deuren en ramen open. Ik hoorde de laatste slagen van de torenklok aan de andere kant van de ringvaart. Daarna stroomde op zoele vlagen stilte binnen en viel ik in slaap tot de merel begon te zingen de volgende dag.

Ik had die zondagochtend voor het eerst een koekoek gezien. Dat zeg ik verkeerd; voor het eerst wist ik bijna zeker dat ik er een zag. Sinds begin april hoorde ik de roep van de koekoek in de noordelijke delen van de Tuinen van West waar ik dagelijks een rondje loop. Nu eens dichtbij, dan weer veraf, ik slaag er nooit in het geluid goed te lokaliseren, zodat het me ook niet lukt het roepen tot zijn oorsprong terug te voeren. Vanochtend hoorde ik het links van het pad, daarna even niet en vervolgens uit de hoge bomen rechts verderop, juist op de plaats waar een mij onbekende vogel in het groen verdwenen was. Grijs, formaat duif, een lange staart, zoals een ekster, een opvallend regelmatige, doelgerichte vlucht. Geruisloos. Mijn conclusie kon geen andere zijn.

De vijftiende etappe van de Giro d’Italia stond op het programma, de koninginnenrit met de legendarische Mortirolo en een aankomst bergop in Livigno. Ik installeerde me voor de televisie, met de duim op de volumeknop van de afstandsbediening spitste ik de oren voor het commentaar van Jeroen van Belleghem en Karsten Kroon, om erachter te komen dat dat een hopeloze opgave was. Door de open tuindeuren woei met de noordelijke bries een aanhoudend ritmisch dreunen aan dat deed denken aan mortiervuur van een nabij front. De glazen rinkelden bij de lage bastonen en trilden in de ingewanden. Wie vertelde me nu dat de EF Education-Easy Postrenner die daar met een te kleine voorsprong de slotklim bedwong Georg Steinhauser was?

Het is logisch dat een festival in de nabijheid van de nationale luchthaven meer decibellen nodig heeft dan wanneer het gehouden wordt in Landgraaf, Biddinghuizen of aan de Kralingse plas, waar het voor Nederland in 1970 allemaal was begonnen. Misschien is het dan niet zo’n goed idee om in Spaarnwoude de tenten op te slaan voor het grootste technofestival ter wereld.

Ik geef toe dat ik de koers aan mij voorbij had laten gaan voor een evenement met bands als Jefferson Airplane, Canned Heat, The Byrds, Dr. John, Supersister, CCC, Pink Floyd, Fairport Convention en Soft Machine, maar in plaats van Sandrien, Carista, Sandwell District, Polar Inertia of zelfs Donato Dozzy, volg ik liever de verrichtingen van Thijmen Arensman in Lombardije.

Robert van Gijssel deed afgelopen dinsdag in de Volkskrant verslag van het Dancefeest tweeënhalve kilometer verderop. Hij heeft het over een fijne clubsfeer, stelt met voldoening vast dat vijftienduizend mensen zich kunnen verspreiden over alle draailocaties, waardoor het nergens massaal wordt.

Hebben we het over dezelfde gebeurtenis?

Aan de waterplas en tussen de bossen, waar de vogels dwars door alle overwaaiende vierkwartsmaten dapper door blijven fluiten – alsof dat niet uit wanhoop is om in deze toestand hun kroost te voeden.

Wat u zegt, maestro Riccardo Chailly, sporten doe je buiten, muziek maken binnen.

Geplaatst in koers, tussen tuin en wereld | Een reactie plaatsen

Tappelings

Schimmelziekten, vind ik op de sites ter zake, als ik rondzoek naar wat de goudenregen het leven zuur kan maken. Loodglans, om precies te zijn; grijs verkleurd blad als de boom te donker en te koud staat. Dan zit er niets anders op dan de aangetaste takken af te snijden tot op het gezonde hout. Maar kijk uit, de snoeiwonden kunnen inrotten. De goudenregen is gevoelig voor vocht. Is het geen schimmelziekte, dan misschien spint, kleine webjes in de bladoksels, veroorzaakt door goudenregenluizen die nog lastig te herkennen zijn; groen als de bladeren, zwart als de takken. Eigenlijk bemerk je hun aanwezigheid pas als in het voorjaar de bloei tegenvalt. Maar dát was het allemaal niet.

In het vroege voorjaar van 2023 zag ik dat de stam van de goudenregen achter in de tuin scheef stond. Vreemd, het had dat najaar en die winter niet hard gewaaid, Dudley, Eunice en Franklin hadden huisgehouden, maar dat was al van februari 2022 geleden. Ik haalde een eind touw uit de schuur en bevestigde de boom aan zijn grote buur, de gleditsia of valse christusdoorn, die, hoewel gelijk geplant, een fors dikkere stam heeft en twee keer zo hoog is. Het werd voorjaar, de goudenregen kwam in blad en even later bogen de takken door van de gele bloemtrossen, terwijl daarboven de lentetooi van de gleditsia triacanthos sunburst de hemel goud kleurde.

Dat had wel even geduurd. Toen we beide bomen een jaar of twintig geleden plantten, moest de gleditsia zijn boomvorm nog vinden en dacht de goudenregen nog niet aan bloeien. Na een jaar of zeven vielen de eerste bloemen nauwelijks op, omdat ze omringd waren door de jonge gele blaadjes van zijn buurboom. Het advies om de goudenregen niet in de buurt van een valse christusdoorn te zetten, hadden we gemist.

Ieder jaar bloeit de gouden regen luidt de titel van een van de meer dan honderd boeken van Leni Saris (1915 – 1999), en zonder dat werk gelezen te hebben, rekende ik daar ook op. Als ik achter in de tuin ben, zoek ik vergeefs naar het begin van bladerknoppen en troost me met de gedachte dat ook de vijg en de gleditsia het voorjaar nog niet in de knop hebben. Het werd april en begin mei zag ik in voortuinen in de buurt goudenregen schaamteloos bloeien. Die in onze achtertuin volhardde in de winterstand. Ik omvatte vertwijfeld de nog altijd aangelijnde stam en murmelde Hélène Swarth (1859 – 1941) na: Geef Meieblij aan bloeiensweelde u over, / O hart! mijn hart! geen liefde bloeit te veel. De stam gaf zachtjes mee onder mijn handen.

Afgelopen zondag heb ik de zaag in het dode hout gezet. Eerst de dikke takken die tot vier meter hoog naar de hemel wezen, ik maakte de twijgen kort en vulde er de GFT-container mee. Op het snijvlak zag ik hoe de oudste jaarringen donker gekleurd waren, terwijl de buitencirkel veel lichter was. Schuilt daarin het geheim van het voortijdig verscheiden?

Zweet prikte in mijn ogen en stroomde tappelings over mijn rug, terwijl ik de stam losser wrikte dan hij al stond, tot hij languit lag, slechts met één worteltak met de aarde verbonden. Die groef ik uit en zaagde ik los. Hoe verwoordde Lucebert (1924 – 1994) dat ook weer in het vers voor zijn vriend Gerrit Kouwenaar: ja we gaan woest bier drinken in een mors huis / gaan langzaam uitlopen als een gouden regen .

Daar had ik zin in.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Verval

In april 1980 verscheen RASTER 12. Het tijdschrift in boekvorm onder redactie van Ten Berge, Bernlef, De Meijer en Vogelaar was gewijd aan de stad. Toen zij het nummer samenstelden, wisten ze nog niet dat het zou verschijnen vlak nadat in Amsterdam legervoertuigen met shovels zouden worden ingezet tegen de krakers van de Vondelstraat en hun sympathisanten en vlak voor de memorabele geen-woning-geen-kroning-Koninginnedag op dertig april. Het woord ‘intersectionaliteit’ bestond nog niet, maar ik verwelkomde de publicatie en verwachtte dat het mogelijkheden zou bieden om kritiek op taal en letteren te verbinden met het terugpakken van de stad.

De band tussen taal en de stad bestaat al sinds mensen het plan opvatten om een stad te bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Het Bijbelboek Genesis doet er in het elfde hoofdstuk verslag van. De HEER sprak Laten wij naar hen toe gaan en spraakverwarring onder hen teweegbrengen, zodat ze elkaar niet meer verstaan. De rest is geschiedenis. Joost van den Vondel (1587 – 1679) trakteerde zijn stadgenoten bij de inauguratie van de nieuwe Amsterdamse Schouwburg in 1637 op theater in vijf bedrijven dat de ondergang van de stad een paar eeuwen eerder op de planken bracht, maar voorspelde ook dat de stad welvarender uit de puinhopen zou verrijzen. Dat die welvaart niet voor iedereen was weggelegd, had Gerbrand Adriaenszn. Bredero (1585 – 1918) twintig jaar eerder al duidelijk gemaakt met zijn stuk Spaanse Brabander.

Altijd gaat de stad hand in hand met de illusie van (of moet ik zeggen de hoop op) vrijheid, verbeelding en emancipatie, terwijl steden doorgaans gesticht zijn als bolwerken van economische, militaire en politieke macht. Op het breukvlak van de negentiende en de twintigste eeuw verschuift er iets. J.F. Vogelaar (1944 – 2013) schrijft: in slow motion blies de industrialisering de oude stadsvorm op, er werd aan de oude orde geknaagd, zowel die van de stad als van de vertelkunst: de moderne stad konstitueert zich door haar verval, een nieuwe schrijfwijze is het effekt van het verval van het objekt. Wie dan nog geluk beproeft in de stad beperke zich, als J.C. Bloem (1877 – 1966), tot zolderramen waarachter de wolken zich langs de lucht bewegen. Of neemt, als Paul van Ostaijen (1896 – 1928) zijn toevlucht tot het koffiehuis: Bij ’t even openen der deur, klinkt wat daarbuiten is, de trem, / of ’t geroep van een venter, als een onheimelike stem: / heel even. Dan herneemt ’t orkest zijn razende galop.

En na 1980? Op het oog is er een einde gekomen aan het verval. De stadsvernieuwing is meer dan ooit speelbal van kapitaalstromen op zoek naar financieel gewin, in plaats van een democratische oefening in gastvrij en duurzaam samenleven en ieder voor zich werd het leidende beginsel voor de stedelijke mens. Menno Wigman (1966 -2018) schrijft: Het sneeuwt. De kroegen zijn vol kansgezichten. / Drugs hebben honger. Onze lusten ook. / Wat ik niet kréég. Wat ik niet nám. De stad / waar ik de liefde heb ontleed en steeds / gedichten schreef, die stad heet Amsterdam. Waar het verval verdween, ontstond de smooth city.

In het gedicht Maar toen was er nog geen stad, en ook daarna niet waagt Lieke Marsman (1990) het zichzelf voor te stellen als iemand die vrij is van het keurslijf van stedelijkheid. Ze schrijft: Toen ik in mijn hoofd een vierkant tekende en het automatisch een cirkel werd / Toen de tijden niet in lijn leken te zijn, of de talen / Toen ik de cirkel wilde verbreken, nu ik het kan

Misschien, toch.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , | Een reactie plaatsen

Typisch geval

In ‘Gebied 19’, de roman waarmee Esther Gerritsen maandag over een week de Libris literatuurprijs hoopt te winnen, is de verteltijd nauwelijks drie uur en de vertelde tijd ruim tweehonderd lichtjaren. In die tijd verouderen de verschillende personages niet noemenswaardig, sterft geen van ouderdom, is er geen sprake van verjaardagen of jaarwisselingen. Al die tijd is Amsterdam de plaats van handeling. Om een en ander geloofwaardig te maken is een onwetend perspectief nodig. Die eer valt te beurt aan Tomas Boom, thrillerauteur, zijn laatste boek is net uit, de afgelopen periode was hij daar te druk mee om zich ook nog te bekommeren om wat er in de samenleving omging. De dag voor de roman begint, is Tomas in het huwelijk getreden met Suzanne, op bladzijde één is ze weg, samen met grofweg de halve wereldbevolking overgebracht naar een planeet in het sterrenbeeld Goudvis, TOI-700d, om precies te zijn. Als Tomas vraagt hoe dat mogelijk is, antwoordt men hem steevast met een wedervraag: weet je iets van ruimtevaart?

Hij vertelt wat hem is overkomen aan Ezra en Catharina, twee kennissen van Suzanne: ‘Ik ben nog niet helemaal… bij. Ik kan het niet echt geloven… Zoals wanneer iemand net dood is… dat je dan toch verwacht dat-ie zo weer binnenkomt. Snap je?’ Catherina glimlachte liefdevol. ‘Ja, dat snap ik heel goed.’ Ezra schudde haar hoofd. ‘Typisch geval van witte heteroman van middelbare leeftijd. Alles is je ontgaan, zeker?’

OLVG locatie Oost zou de plaats zijn waar in het diepste geheim hersenonderzoek wordt gedaan dat samenhangt met de recente volksverhuizing. Verzetsgroepen van achtergeblevenen beramen een aanslag op het ziekenhuis. Tomas rijdt het busje met explosieven naar de Beukenweg, kan zich nog net uit de voeten maken voordat de gevel instort en meent vlak voor de explosie Suzanne te zien.

Hij ziet zijn vrouw kort daarna terug in een kantoorruimte van het OLVG. Ze legde haar hand op zijn wang en vroeg: ‘Scheer je je nog wel ‘s?’ Toen schrokken ze beiden van het geluid bij het raam, en zagen een mandje met een glazenwasser omhoogkomen en Tomas dacht: dit heb ik eerder gezien. En dacht dat hij eerder had gedacht dat hij dit eerder had gezien. Op de volgende bladzijde ontwaakt Tomas in nagenoeg hetzelfde ziekenhuis op planeet TOI-700d.

In 1992 publiceerde Marc Augé Non-Lieux. Introduction à une anthropologie de la surmodernité. Hij heeft het over snelwegen, luchthavens, supermarkten; openbare ruimtes waar ons ruimtelijk oriëntatievermogen het laat afweten en wij ons verlaten op teksten, matrixborden, klokken en verkeerslichten ten koste van onze zelfredzaamheid en individualiteit. Is in Gebied 19 het laatste Amsterdamse ziekenhuis binnen de ring ook een non-lieu geworden? Is het transport naar de planeet dan geen ruimtereis maar een mentale kwestie?

Het restje zelfbewustzijn dat Tomas op de nieuwe planeet behoudt, groeit uit tot een gevoel van woede waar hij geen kant mee uit kan. Ten einde raad gaat hij terug naar het OLVG, klimt naar het dak en springt.

Een bladzijde later wordt hij wakker. De verpleger zegt: je hebt een gebroken pols, een hersenschudding en overal schaafwonden en kneuzingen. Het mandje van de glazenwasser heeft je opgevangen, dat hing net een verdieping lager.

Ook daar is geen kennis van ruimtevaart voor nodig.

Geplaatst in lijf en leden | Getagged , | Een reactie plaatsen

Van Roffa tot Rafah

Oorlog in de stad, dan denk je aan het bombardement van Rotterdam, of aan de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Aan het beleg van Leningrad dat negenhonderd dagen duurde en waarover niemand meer spreekt, aan Dresden, het decor van Mulisch’ roman ‘Het stenen bruidsbed’. Mij schiet ‘Sniper alley’ te binnen, Serajevo 1996. Of Aleppo, de stad in Syrië, waar al meer dan achtduizend jaar mensen wonen en dat in 2016 door de troepen van Assad en Poetin zwaar werd gebombardeerd. Ik zie de dronebeelden van wat er over is van Marioepol aan de Zwarte zee; rokende restanten van verlaten woonblokken in een stad waar het geen lente wordt. In de krant staat een foto van de verwoeste stad Khan Younis in de Gaza-strook, waar de Israëlische overheid een kamp wil bouwen voor de verwachte vluchtelingen uit Rafah.

Het Linnaeuskoor zingt al twintig jaar met enige regelmaat een programma over dodenherdenking, waarvoor we de afgelopen twee jaar dankbaar gebruik maken van de Amsterdamse Zuiderkerk. Onze dirigent tekent voor de muziek, de teksten rapen we uit de schatkamer van de Nederlandse poëzie. In de eerste jaren was dat vooral verzetspoëzie; Een volk dat voor tirannen zwicht, van Van Randwijk, Executie Weteringplantsoen van Jan H. de Groot, maar ook Vrede van Leo Vroman en Nazomer van Lucebert (1924 – 1994), om de regels ik heb in het gras mijn wapens gelegd / en mijn wapens gaan geuren als gras,want het verlangen naar vrede wint het van onze volharding in het herdenken.

In 2016 en 2017 verschenen de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis (1922 – 2007). Hoe het leven veranderde na de meidagen van 1940, de Februaristaking, haar vlucht uit Amsterdam en haar onderduikjaren, de onzekerheid over het lot van haar ouders van wie ze niet meer had vernomen sinds dat kattenbelletje uit Westerbork. We maakten een keuze uit de gedichten die Michaelis toen schreef; dat ik zomaar kon verdwijnen / zo ongemerkt, en door geen mens herdacht, en zongen ze voor een publiek dat na de covidbeperkingen in groten getale was opgekomen.

Dit voorjaar stuurde onze dirigent me opnieuw de schatkamer in om geschikte teksten te zoeken voor de aanstaande Dodenherdenking. Uit de oogst selecteerde hij Pogrom van Ed Hoornik (1910 – 1970), een titelloos gedicht van Jacques Presser (1899 – 1970) over zijn vrouw die naar het Oosten is gedeporteerd, In de straten uit de eerste bundel van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014), Het Joodse poortje in Gouda van Georgine Sanders (1921 – 2015), die beter bekend is als Tineke Vroman en Het Carillon van Ida Gerhardt (1905 – 1997). Toen de laatste noten op papier waren gezet doopte de componist de cyclus met de naam Oorlog in de stad.

Toch walmt uit genoemde gedichten niet de geur van verrotting en vernietiging omhoog, noch klinken er echo’s van afweergeschut. Op ’t Rembrandtplein gaan de lantarens branden. / Over de daken sproeit een lichtfontein. staat in Pogrom, mannen zitten dampend in cafetaria’s, lezen we bij Kouwenaar, Ida Gerhardt beschrijft de sensatie van opeens het carillon te horen en Georgine Sanders noemt de tuin van haar ouderhuis in Gouda, die zomaar overgaat in de weilanden daarachter. Hier geen wapengekletter of heldenmoed, maar een bedrieglijke normaliteit die wij van na de oorlog alleen kunnen vergelijken met de eerste maanden van de pandemie. De beklemming van de bezette stad in verzen gestold. Het is aan ons om die weer wakker te zingen.

Het Linnaeuskoor zingt onder leiding van Jan-Paul van Spaendonck: Hun gele sterren doofden, een voor een. Zaterdag vier mei 18:00 uur, Zuiderkerk,  Amsterdam. Vaughan Schlepp begeleidt ons op de piano, Lucas van Helsdingen speelt saxofoon en basklarinet. Toegang gratis.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Bijtels frijs

In 1951 publiceerde Bert Schierbeek (1918 – 1996) ‘Het boek IK’, Remco Campert (1929 – 2022) ‘Vogels vliegen toch’, Hans Andreus (1926 – 1977) ‘Muziek voor kijkdieren’, Lucebert (1924 – 1994) ‘Triangel in de jungle / De dieren der democratie’, terwijl onder redactie van Simon Vinkenoog (1928 – 2009) de bloemlezing ‘Atonaal’ verscheen, met werk van genoemde dichters en gedichten van Claus, Elburg, Hanlo, Lodeizen, Rodenko en Koos Schuur. De heren ‘vijftigers’ hadden de eerste vijf na-oorlogsjaren goed besteed en de ‘nieuwe’ poëzie gul in de markt gezet.

Missie geslaagd, zou je zeggen, maar dat is slechts het halve verhaal. Een dichtersgroep is één ding, je daarin onderscheiden is een ander ding en in ieder geval Hans Andreus en Lucebert moesten zichzelf niet alleen uitvinden als dichter, maar zich ook verhouden tot hun collaboratieverleden. Beide mannen zwoeren de naam in hun paspoort af, en gingen voortaan door het leven onder hun dichterspseudoniem.

Lucebert mag dan gedebuteerd zijn met de bundel Triangel in de jungle / De dieren der democratie, de gedichten die een jaar later verschenen onder de titel Apocrief / De analphabetische naam schreef hij eerder. Anja de Feijter (1954) koos die als object van haar proefschrift uit 1994. Met haar dissertatie overtuigde zij haar promotoren en de lezers van Lucebert van de grote invloed die de Kabalah had op die vroege gedichten.

Wie een nieuw zelfbeeld wil scheppen als dichter en mens, gaat te rade bij grote voorbeelden van kosmogonieën, zoals Sefer Jetsira het boek van de schepping van de Kabalah, temeer daar het scheppingsgeheim daar bestaat uit het combineren van de tweeëntwintig letters van het Hebreeuwse alfabet. Letters zijn de bouwstenen waarmee niet alleen taalbouwsels, maar ook muren, huizen en levende lichamen uit de trillende lucht worden gehouwen. Wat wil een dichter nog meer?

De Feijter zoomt in op het derde gedicht en leest: ik spreek melkglazen bevruchting in de lucht / een ieder zij voorzichtig / een ieder bukt zich / er is geweldig / er is de toen / er is de thans (…) en volgt Lucebert op de voet als hij verleden en heden noemt en de mogelijkheid van voortplanting in het leven roept, inclusief de waarschuwing tot voorzichtigheid; een verkeerd geplaatste letter kan nare gevolgen hebben.

Dan stuit ze op twee woorden die noch in de Van Dale, noch in de Kabalah voorkomen. borsten / bijtels weten daarvan aan het eind van de eerste strofe en is mij is mij / mij / frijs / mij / is mij aan het eind van de tweede en laatste strofe. Eerst denkt de promovenda aan beitels, bouwgereedschap om woorden uit de lucht te hakken, vervolgens leest ze bij tel waarmee een verband tussen letters en cijfers gelegd wordt, een beproefde kabalistische techniek, jaren later schiet haar te binnen dat bij-tel, als bijzit en bijslaap, beter aansluiting vindt bij de seksuele context die de melkglazen bevruchting en de borsten oproepen.

En frijs dan? De Feijter wijst op de nadrukkelijke ij-klank in bijtels en in de laatste regels van het gedicht. Ze is overtuigd van de verbondenheid van beide nieuwe woorden in een erotische context, heeft het over twee letter-‘ikken’ die de m in mij is hebben verdrongen en vergeet dat de bundel Apocrief /  De analphabetische naam  is opgedragen aan f.d. en hans andreus.f.d. staat voor Frieda, Diotima, de koosnaam waarmee Lucebert zijn geliefde Frieda Koch, wettig echtgenote van Bert Schierbeek, aansprak. Haar naam trilt mee in Luceberts metamorfose

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Stil verdriet

De laatste keer dat mijn oma uit Canada ons bezocht, kwam ze samen met haar dochter Sylvia. Ik herinner me slechts twee dingen van dat bezoek, een beeld en een verhaal. Dat we op het strand bij Zandvoort waren. Tante Sylvia en ik in elk geval, mijn oma komt niet in dat plaatje voor, mijn moeder toch wel. Er was een vis aangespoeld. Sylvia pakte hem bij zijn staart en tilde hem op. Het dier was haast net zo groot als zij. Veel was daar niet voor nodig, zij was maar juist een meter zestig lang. De vis stonk, Sylvia stond daar, breeduit lachend, met de vis. Het verhaal kwam nadat de visite al weer hoog en breed naar Canada was vertrokken. Dat mijn oma haar dochter had meegenomen om haar te helpen het verlies van haar kindje te verwerken. Sylvia was zwanger, oma achtte haar niet in staat het kind groot te brengen en overreedde haar het kind direct na de geboorte ter adoptie af te staan. Aldus geschiedde. Tijdens hun bezoek aan ons is er met geen woord over gerept.

Dat het gezin niet de veiligste plek is, daarvan verhalen sprookjes uit onze kindertijd. Het wemelt er van gemene (stief)moeders en vaders met losse handjes, afgunst en begeerte tieren er welig. Sinds de woorden huiselijk en geweld in de tweede helft van de vorige eeuw werden gecombineerd, weten we dat de kans om in de familiekring door geweld om het leven te komen vier keer zo groot is als de kans om in een oorlog het leven te laten. Maar ook als er geen doden vallen, is een gezin meer dan eens domein van dwang en drang, tergen, treiteren en stil verdriet.

Julius Triantafyllidis is in de vroege jaren zestig uit Griekenland naar Duitsland gekomen om in de fabrieken van het Ruhrgebied te werken. In de weekeinden is hij in de danslokalen van Limburg te vinden. Daar ontmoet hij Claudia Mulkes, met wie hij twee jaar lang verkering heeft als hij terug moet naar Griekenland om in het leger te dienen. Na zijn dienstperiode voelt het niet meer hetzelfde. Voor Julius nochtans. Cobi van Baars (1967) beschrijft in haar nieuwe boek De Onbedoelden het weerzien uit Claudia’s perspectief: Het was dan ook geen toeval dat ze haar kortste rok droeg toen hij haar kwam ophalen van haar werk. Mein liebster Schatz, vleide ze voor ze hem kuste. Eenmaal op de bijrijdersstoel legde ze haar hand op zijn been en knikte ze richting het bos.

Vader Mulkes staat niet toe dat de schande van een buitenechtelijke zwangerschap over de familie komt. Claudia bevalt van een tweeling bij de nonnen in de vroedvrouwenschool, Aaf en Miek worden bij twee verschillende gezinnen ondergebracht en komen pas eenentwintig jaar later achter elkaars bestaan. Er volgt een zoektocht naar de biologische ouders. Net als in De Tweeling van Tessa de Loo (1946) is er een glansrol voor moeders en tantes die met de beste bedoelingen post onderscheppen en achterhouden. Op de vraag waarom hij Claudia verliet, antwoordt Julius zijn dochters: Ik was teleurgesteld toen ik hoorde dat ze een andere jongen had gekust toen ik in dienst zat. Dat had ik helemaal niet verwacht. Ik dacht dat ze trouw was. Als ze echt een kind van me droeg, had ze me toch nog wel een brief gestuurd?

Een paar jaar geleden verscheen via Facebook het bericht dat Sylvia’s dochter was opgedoken. Ze was inmiddels een volwassen vrouw, had zelf kinderen en kon haar moeder niet meer ontmoeten. Sylvia overleed op 28 oktober 2013 op zesenzestigjarige leeftijd.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged | 1 reactie

Postmodernisme

Behalve over het verschil in tijdsbeleving van mensen in een verstedelijkte samenleving en mensen in een rurale omgeving, ging het in het gesprek dat we in het najaar van 1980 voerden met John Berger (1926 – 2017) ook over de kracht van fictie. De auteur van G. en Ways of seeing (de trilogie ‘Into their labours’ zou later verschijnen) constateerde een crisis in het vertellen van verhalen. Hij sprak van ‘a lack of courage’. Het was hem opgevallen dat romans de laatste tijd vooral over de auteur zelf gingen en dat mannen geen boeken meer durfden schrijven met vrouwen als hoofdpersoon, en vrouwen er geen met mannen. Het begrip “culturele toe-eigening” was nog niet gemunt.

Nog hetzelfde decennium stelde A.S. Byatt (1936 – 1923) Berger in het ongelijk. Zij schreef de roman Obsessie met onvergetelijke vrouwelijke personages als de ongrijpbare Christabel LaMotte, de doortastende Maud Bailey, de ravissante Leonora Stern en de tragische Beatrice Nest èn mannelijke personages als de breedsprakige Randolph Henry Ash, de schuchtere Roland Michell, de vermogende Yank Mortimer Cropper en de stoffige James Blackadder en liet hen los in de slangenkuil die de academische humaniora niet alleen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten waren.

Ach, de jaren tachtig. Margareth Thatcher noemde de overheid een probleem dat zo klein mogelijk gemaakt moest worden. Gedupeerden van haar beleid kozen de Londense wijk Brixton als slagveld om uitdrukking te geven aan hun ongenoegen. Een ziekte met de raadselachtige naam AIDS maaide een generatie homoseksuele mannen weg en dompelde de queergemeenschap in rouw en wanhoop. De tweede feministische golf beukte op de heilige huisjes van het patriarchaat. Joe Jackson zong:  And if there’s war between the sexes / Then there’ll be no people left. Het IJzeren gordijn begon te rafelen, de revolutionaire mens verkruimelde. De verwarring die dat teweeg bracht, kreeg de naam postmodernisme, een term die verwees naar wat voorbij was zonder te weten wat er zou gaan komen.

Het laat ook Maud en Roland niet onverschillig. ‘Verliefd worden’ heeft de eigenschap dat het de uiterlijkheden van de wereld, en van het verleden van die bepaalde minnaar, uit een willekeurige warboel loshaalt en in een samenhangend verhaal onderbrengt. Roland werd geplaagd door de gedachte dat het tegenovergestelde weleens waar kon zijn. Omdat ze zich in een verhaal bevonden, zouden ze wel eens kunnen denken dat ze zich behoorden te gedragen alsof het dat soort verhaal was. En daardoor zou een bepaalde integriteit, waarmee ze waren begonnen, worden aangetast.

Dus bleven hun gesprekken bijna geheel beperkt tot de problemen van de doden. Ze zaten in Pont-Aven achter boekweitpannenkoekjes en dronken cider uit koele aardewerk kannen en stelden moeilijke vragen.

Wat te doen? Als er al een uitweg is, dan liever niet in andere verhalen, maar in beter lezen. Een enkele keer gaan bij het lezen de nekharen, de niet bestaande vacht, overeind staan en trillen, als elk woord brandt en gloeit, hard, helder, oneindig en precies, als stenen van vuur, als sterrenpuntjes in het duister – bij dit lezen loopt het weten dat we het geschrevene anders of beter naar tevredenheid zullen kennen vooruit op elk vermogen om te zeggen wat we weten, of hoe.

Om dat zodra het boek uit is weer snel te vergeten.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Groen autootje

Ik knijp mijn ogen toe en zie van een afstand door het groene waas nog de winterse silhouetten van de bomen in het tegenlicht van de zon die elke dag een stukje hoger klimt. De slootkanten op het zuiden zijn bedekt met tapijten van speenkruid en onder de bomen steekt overal daslook als ezelsoren uit de grond. De gele vlekken langs het pad zijn verdwaalde narcissen, vroege paardenbloemen, plukken klein hoefblad, hier en daar koolzaad, de eerste boterbloemen en het dichtst aan de waterkant dotters. Eerst zie ik de kringen op het water, daarna een koppel eenden die tegen de oever hun seizoensarbeid verrichten.

Aan de andere kant van de Noordzee, nabij Whitby dat noordoostelijk van North York Moors National Park aan zee ligt, zijn Maud Bailey en Roland Michell onderweg naar de baai die luistert naar de naam Boggle Hole. De hoge hagen waren vol hondsrozen, de meeste lichtroze, sommige wit, met geelgouden harten bepoederd met geel stuifmeel. Door die rozen slingerden zich massa’s weelderige wilde kamperfoelie, die zijn romige bloemen tussen het roze en goud vlocht. Het is waarschijnlijk wat later in het jaar, zeker als we in aanmerking nemen dat deze tocht wordt ondernomen halverwege de jaren tachtig, bijna veertig jaar geleden. De overdaad verrast de wandelaars. Allebei hadden ze hoogstens een paar wilde bloemen verwacht, wat er in de moderne tijd nog over was van de rijke groei die Shakespeare had gezien of Morris had geschilderd. Maar dit was overvloed, dit was groei, dit waren bergen glanzend geurend leven.

Bailey en Michell weten wat er groeit en bloeit aan de Engelse oostkust uit eigen waarneming en ondervinding, maar vooral uit de Literatuur en Schilderkunst. Meer precies; die van het Victoriaanse tijdperk. Zij verdiept zich in de biografie van Christabel La Motte, de dichteres van De Fee Melusina in twaalf boeken, hij houdt zich bezig met Randolph Henry Ash, die voor zijn verzen putte uit Noordelijke mythen en sagen, maar die ook grote belangstelling had voor de stormachtige ontwikkeling van de natuurwetenschappen sinds de uitvinding van de microscoop en de ontdekkingsreizen van Charles Darwin.

De literatuurvorsers trekken langs de kust in de voetsporen van Ash en La Motte. Dat hij daar is geweest, weten we uit brieven die hij schreef aan zijn vrouw Ellen, hoewel brieven ons doorgaans beter informeren over waar de afzender niet is, dan waar hij wel is. Van Christabel zijn zulke documenten niet bekend, maar ze bezat wel een broche van Whitby-git waaruit een zeemeermin was gesneden. Het sieraad is nu in het bezit van Maud. Dat zij en haar collega in haar groene autootje vanuit London naar de kust zijn gereden, weten we van A.S Byatt (1936 – 2023) die een en ander overtuigend heeft geboekstaafd in haar roman Obsessie uit 1990.

In het voorjaar wandelt men niet alleen. Nijlganzen verbreken de stilte met hun schorre roep, meerkoeten ruziën in de plassen, een fazanthaan scharrelt in het lage gras, een reiger tuurt in het water, er klinkt een beurtzang van merel, tjiftjaf, heggemus, koolmees, vinken en een winterkoning. Hoor ik het kloppen van een specht, die groene veeg over het pad, was dat er een? Dat gehinnik even later, wat vogelaars het lachen van de specht noemen? Het klepperen, hoger, is de ooievaar op het nest die haar partner begroet.

Het ontgaat Maud en Roland, omdat noch Ash, noch La Motte erover schreven.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Dilemma

‘Op naar het volgende deel.’, besluit Hans van der Heijde zijn recensie van Cyrille Offermans’ journaal ‘Een koord boven de afgrond’ op Tzum. Het smaakt hem naar meer. Behalve een profiel van de auteur en een opsomming van wat de lezer kan verwachten, zwaait de recensent, die in het dagelijks leven ook bridgejournalist en politicoloog is, de essayist lof toe voor zijn verzorgde en vloeiende stijl. De opmerking dat de auteur relatief weinig woorden wijdt aan zijn leraarschap en aan ‘de staat van het onderwijs in het algemeen’ is geen kritiek. Van der Heijde weet wel hoe dat komt, immers: ‘Zoals zovelen met een lange staat van dienst als leraar, lijkt ook hij niet veel plezier te beleven aan terugblikken op de onderwijswereld.’.

Wat weet een politicoloog hiervan? Of een bridgejournalist?

Toch begrijp ik wel wat hij bedoelt. Wie de afgelopen jaren het onderwijswerkveld verliet, om welke reden ook, wist zich medeplichtig aan de verpietering van taal- en rekenvaardigheden van jonge generaties. Wie zou daar trots op zijn?  

Offermans combineerde zijn schrijverschap van 1972 tot 2005 met het leraarschap. Hij komt over een foto uit 1956 van Robert Doisneau te spreken: L’information scolaire, en schrijft dat de foto is genomen vanuit het enige juiste standpunt: dat van de onderwijzer of de onderwijzeres. Het is een foto van een jongetje in de klas dat diep in gedachten verzonken naar omhoog staart. Het is een afwezigheid op de grens van de aanwezigheid, vergelijkbaar met die van de lezer die opgaat in zijn roman, de musicus die verdwijnt in zijn partituur. Ook bespreekt Offermans De onderwijsfamilie, waarmee Jeroen Dijsselbloem een eeuw Nederlandse onderwijsgeschiedenis schrijft aan de hand van vier generaties leerkrachten uit zijn eigen familie.

Offermans veert op als Dijsselbloem verhaalt over de ervaringen van zijn moeder Jopie Visser en gispt de man die ruim vijftien jaar geleden in het eindrapport van zijn Commissie-Dijsselbloem zo kritisch was op de overheid en nu met geen woord rept over twee misstanden in het Nederlandse onderwijs: artikel 23 van de grondwet dat scholen een vrijbrief geeft leerlingen te indoctrineren met archaïsche geloofsovertuigingen die evident in strijd zijn met artikel 1 van de grondwet en de in 1995 ingevoerde lumpsumfinanciering van het voortgezet onderwijs, een dereguleringsmaatregel, bedoeld om de autonomie van de scholen te vergroten, maar met het voorspelbare gevolg dat schoolbesturen, die meestal van toeten noch blazen weten, haast onbeperkte macht kregen. Offermans waarschuwt: zonder herziening van die regeling zal de neergang van het Nederlandse onderwijs niet te stuiten zijn en vraagt zich af of Dijsselbloems zwijgzaamheid over genoemde hangijzers is ingegeven door de ambitie zelf onderwijsminister te worden in een volgend kabinet.

Afgelopen zondag was Dijsselbloem, in zijn hoedanigheid van burgemeester van Eindhoven, te gast in Buitenhof. Maaike Schoon, de presentatrice van dienst, vroeg hem aan het einde van het gesprek of hij beschikbaar was voor een ministerspost in het mogelijk aanstaande extreemrechtse extraparlementaire programkabinet, ook als hij daarmee riskeerde geroyeerd te worden als lid van de Partij van de Arbeid. Haar gast hoefde niet lang over het antwoord na te denken. Dat dilemma zou hem niet uit zijn slaap houden, hij was nog niet klaar met zijn burgemeesterschap in Eindhoven.

Zijn glimlach verborg een verboden gedachte. Nee, en al zeker niet van onderwijs. Dat is zinloos onder de huidige omstandigheden, die zelfs direct betrokkenen niet weten te rechtvaardigen.

Kenmerken van een bullshitbaan, inderdaad.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen