Eenzaamheid

Intussen is het zomer geworden. De grote oorlog smoort in uitputting, politieke intriges en een geheimzinnige ziekte die onder de naam ‘Spaanse griep’ overal opduikt en die met elke lading Amerikaanse militairen over het slagveld wordt verspreid, al is er niemand die dat weet of zelfs maar durft te vermoeden. Josep Pla (1897 – 1981), tweeëntwintig jaar, is na de sluiting van de Universiteit van Barcelona dit voorjaar, teruggegaan naar zijn geboortedorp Palafrugell, Klein Emporda, Catalunya, Spanje. Er is niet veel te beleven. Op 26 juli noteert hij: ‘Er zijn dagen – de ene dag meer dan de andere – dat ik de eenzaamheid niet kan verdragen. Het is mij onmogelijk.’.

Ik had er een surveillancedienst van twee uur opzitten bij het centraal examen Nederlands voor de kandidaten van het VWO, en liep terug met de collega geschiedenis. Voor de school viel ik languit op de stoep. Ik voelde hoe mijn hoofd de tegels raakte. Mijn collega schoot me geschrokken te hulp, bracht me naar het kantoortje van de conciërges, waar ik het kwartier dat volgde met het ene na het andere tissue het bloed probeerde te stelpen, terwijl ik mijn neus voelde zwellen. Gaat het een beetje?, vroeg ze. Wat zal ik er van zeggen, antwoordde ik: hoe zei Sam Oomen dat gisteren?, want zij is ook een liefhebber van de koers.

Josep Pla laat het er niet bij zitten en constateert dat de eenzaamheid draaglijk zou zijn als men een werkelijk door en door dor hart zou hebben. Die verstening van het hart is volgens Pla het resultaat van levenservaring en hij heeft zelfkennis genoeg om te erkennen dat voor hem, met zijn tweeëntwintig jaren, die staat van gevoelloosheid en onverschilligheid voorlopig onbereikbaar is.

Dat hart van mij is er, wat dat betreft, beter aan toe. Er moest al eens ingegrepen worden omdat er aderen en kleppen waren verkalkt en er is een dagelijkse dosis medicijnen nodig om vitale stromen op gang te houden. Zo bezien hoef ik eenzaamheid op mijn oude dag niet te vrezen.

Het reïntegratietraject dat een paar maanden na mijn operatie begon, is erop gericht mij voor te bereiden op mijn pensioen. De laatste les is achter de rug, een volgend schooljaar gaat mij niet meer aan, ik kan mijn volle aandacht schenken aan de oogst van rijpe bloemschermen van de vlier om siroop te maken. En aan het nakijken van de examens van de kandidaten van mijn twee havoklassen natuurlijk. In de twintig jaren dat ik docent ben, is de staat van het moedertaalonderwijs veranderd van zorgelijk naar hopeloos. Het zou flauw zijn om in dat verband niet de hand in eigen boezem te steken. Het minste dat ik daarover kan zeggen is dat ik dat tij niet heb kunnen keren, het is beter dat ik ga.

De volgende ochtend had de zwelling van mijn neus zich uitgebreid. Ik zag in de spiegel twee samengeknepen ogen in donkerpaarse kringen. Ik besloot een zonnebril op te doen en het openbare leven tot een minimum te beperken.

Sam Oomen was hard onderuitgegaan toen hij tijdens de race, een lege drinkbus aan een toeschouwer gaf. Ja, pijn natuurlijk, maar ik kan morgen weer opstappen, verklaarde hij aan het eind van de rit.

Geplaatst in bij de les, koers, lijf en leden | Getagged | Een reactie plaatsen

Nicaragua

Behalve dat hij op 21 oktober 1997 bij een auto-ongeluk om het leven kwam en drie jaar eerder voorzitter was van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, weet ik van Maarten van Traa (1945 – 1997) dat hij Wallenstein van Golo Mann het mooiste boek over Europa vond en dat hij een verwoed liefhebber van spoorwegen was: hij verzamelde spoorboekjes uit de hele wereld. Het kan niet anders dan dat er zich in zijn nalatenschap een exemplaar bevond van de ‘Dienstregeling van het autobus-, scheepvaart-, spoorweg- en vliegverkeer’ uitgegeven door Engl. & Comp, Novi Sad, gedrukt bij Djordje Ivković, de gids die in de jaren dertig was samengesteld door Eduard Kiš.

Waar komt die fascinatie vandaan? Kees Buddingh’ (1918 – 1985) was er ook door aangeraakt. Daar was de grens. Dan kwam je in ’t buitenland. / Maar hij, de Etoile du Nord, stormde nog verder, / helemaal tot in het hartje van Parijs. Het heeft met techniek te maken, met snelheid, maar in de eerste plaats met het verlangen naar de verte. Toen Buddingh’ een eigen atlas kreeg, kaftte hij het met zorg en dwaalde hij uren door de papieren wereld. Onmetelijk. Oneindig. Iedere naam / was pure poëzie. Wat ben ik blij / dat er toen nog geen televisie was.

Eduard Kiš gaf het door aan zijn zoon. De eerste zin van door Guido Snel gebundelde autobiografische teksten van Danilo Kiš (1935 – 1989) luidt: Treinen, voor mij althans, zijn legende, mythe. Kiš beschrijft dat hij met de trein door de ruimte en de tijd reist, vooruit en achteruit, dat het de weg is en de bestemming, dat hij door landschappen reist en de landschappen door hem. Wanneer ik aan het raam zit en naar de jochies kijk die in zo’n afgelegen streek naar de trein staan te zwaaien, herbeleef ik met hen de zucht naar het onbekende. Is het waar dat deze fascinatie aan mannen is voorbehouden?

Onder de handen van Eduard Kiš groeide de dienstregeling uit tot een werk van mozaïsche omvang. Hij raakte verslaafd aan de namen van landen en steden. Een veelheid van vragen doemden op, die onmogelijk in het bestek van een spoorboekje konden worden beantwoord. Hoe reist men naar Nicaragua? Het spoorboekje werd een Baedeker. Het vijftiendelige Meyerlexikon moest eraan te pas komen, zowel de uitgave van 1867 als die uit 1924, en de grote Encyclopedia Brittanica, maar ook het vijfdelige Jüdische Lexikon uit 1928. Wat het project vooral duidelijk maakte was de ziekelijke verlorenheid van mijn vader, die bleef geloven in de mogelijkheid dat ooit een uitgever in dit overduidelijke bedrog zou trappen. Danilo Kiš sloeg het gade en formuleerde jaren later in een van de ‘raadgevingen aan de jonge schrijver’: Geloof niet in utopische projecten, behalve in die door jou geschapen.

Van Traa verdiende in zijn jonge jaren geld als ober bij Wagon Lits. Daarvan ging hij naar Parijs, studeerde politieke wetenschappen aan de Sorbonne en belandde in een Franse cel nadat hij was betrapt met een stapel pamfletten met een stakingsoproep aan de arbeiders van de Renaultfabrieken. Het was mei 1968. In de jaren zeventig was hij in de Verenigde Staten, leerde Russisch en Spaans, werkte voor de VPRO en schreef over Nederland in de Franse kwaliteitskrant Le Monde. Ergens in die tijd heeft hij leren autorijden.

Beter was hij met de trein blijven reizen.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Schrijver worden

Op tien juli 1940 wordt Willy Rubinstein in Amsterdam door de Duitse bezetter opgepakt en weggevoerd. Wegens belastingfraude, volgens de Duitse politie, maar het feit dat de geslaagde confectiehandelaar Joods is en in de jaren voor de oorlog uit Berlijn naar Amsterdam is gevlucht, lijkt relevanter. Zijn dochter Renate, haar broer en haar zus, weten van niets. ‘Der Vater kommt bald wieder nach Hause’, zeggen de soldaten. Er komt nog een brief van hem uit een Duitse gevangenis. Hij wordt overgeplaatst naar Scheveningen en Westerbork, daarna is het stil. Anderhalf jaar na de bevrijding komt het bericht van het Rode Kruis dat Willy Rubinstein dood is. Renate beseft dat ze al die jaren is voorgelogen en trekt de conclusie dat ze alleen zichzelf kan vertrouwen. ‘De angst in haar lijf wordt haar belangrijkste raadgever’, vertelt Hans Goedkoop (1963), de biograaf van Renate Rubinstein (1929 – 1990) aan Lotje IJzermans, de presentatrice van het nachtelijk interviewprogramma ‘Nooit meer slapen’. Goedkoop voegt eraan toe: ‘Toen is de columnist Tamar geboren’.

Een slordige vijftienhonderd kilometer naar het zuidoosten vindt in dezelfde periode een gelijkaardige gebeurtenis plaats. In Novi Sad hebben de nazi’s het op Eduard Kiš gemunt, onder meer ontwerper van de internationale spoordienstregeling in de regio, net als Willy Rubinstein Joods, getrouwd met een Gojse vrouw en in de jaren ervoor veelvuldig verhuisd voor de veiligheid van zichzelf en zijn gezin.  Eduard Kiš is de vader van Danilo Kiš (1935 – 1989) die in 1984 in zijn roman Kinderleed put uit zijn herinneringen. Ik zei hem dat mijn vader een lange man was die een beetje krom liep, dat hij een zwarte hoed met stijve rand droeg, een bril met een ijzeren montuur en een wandelstok met een ijzeren punt. “Ze hebben hem een jaar of twee, drie geleden gedeporteerd.” zei ik, “en sindsdien  hebben wij niets meer van hem vernomen.” Eduard Kiš is in Auschwitz vermoord.

Van een biografie van de legendarische columniste van Vrij Nederland is het nog niet gekomen. In 2015 publiceerde Goedkoop Iedereen was er: feest voor Renate Rubinstein, een verslag van de vijftigste verjaardag van Rubinstein, zestien november 1979. Voor wie alles over Renate Rubinstein wilde weten, was het een boekje een teleurstelling, met een leugen in de titel bovendien, want Simon Carmiggelt, met wie Rubinstein een geheime relatie had, ontbrak op het partijtje. Vorige maand verscheen Vaderskind – De oorlog van Renate Rubinstein, honderdzestig pagina’s. Recensent Onno Blom schrijft in De Volkskrant: De biografie van Renate Rubinstein komt op ons af zoals haar werk toen ze nog leefde: in losse stukjes.

Renate wist van niets, vertelt Goedkoop, niet dat haar vader Joods was, niet waarom ze uit Berlijn waren vertrokken. Na de oorlog keek ze vreemd op als mensen verwachtten dat ze wel zou zijn ondergedoken als hun vader was weggevoerd, terwijl ze gewoon in Amsterdam Zuid woonde en stukjes schreef in de schoolkrant van het Vossius.

Danilo Kiš is uiterst terughoudend over verbanden tussen zijn biografie en zijn werk, bezorgd als hij is dat zijn teksten zullen worden gezien als niet meer dan persoonlijke ervaringen. Maar in zijn Variaties op een autobiografie, die in de jaren tachtig zijn geschreven, kan hij er niet omheen. Zonder die ambivalentie in afkomst, zonder het ‘verontrustende onderscheid’ dat het joods-zijn met zich meebrengt en zonder de tegenspoed in mijn kindertijd tijdens de oorlog zou ik vast geen schrijver zijn geworden.

Sartre (1905 – 1980) definieerde de jood als iemand die door anderen als joods wordt gezien. Een van de ruim honderd raadgevingen aan jonge schrijvers van Danilo Kiš luidt: Houd altijd het volgende in gedachten: ‘Wie doel treft, mist alles’.

Geplaatst in zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Daslook

De eerste keer dat ik een winterkoning zag was in de late jaren tachtig van de vorige eeuw. Amsterdam, Foeliestraat, een klein rond vogeltje dat de struiken in schoot die groeiden boven het IJtunneltracé. Twee keer kijken, en twee keer bijna hetzelfde zien en de naam noemen. En toch is het niet waar. Ik had er voordien nooit een gezien, hoe wist ik wat ik zag? Was ik bekend met het winterkoninkje van Chr. J. van Geel (1917 – 1974)? ‘die muis / met vleugels, is de ware majesteit.’ Onwaarschijnlijk. En als ik nog van geen winterkoning wist, waren er dan eerder geen, onopgemerkt, door mijn blikveld gevlogen?

De wielewaal is een ander verhaal. Voor ik die zag, was zijn roep hem vooruitgesneld. Dudeljo en anders niet, zoals Andries Hartsuiker (1903 – 1993) in 1927 schreef. Hoewel schuw en schaars is de vogel met zijn zwarte en gele veren niet te missen waar hij verschijnt. Ik zag er een in de duinen bij Bloemendaal, in de late zomer van 1991. Ook toen voegde zich op het moment van waarneming onmiddellijk het woord bij de vogel.

Als ik mijn rondje door de Osdorper Binnenpolder loop, langs de vaart die onder de bomen parallel loopt aan de Baron Schimmelpenninck van der Oyeweg, zie ik hoe een kamerbreed tapijt verschijnt van speenkruid. Eerst alleen het heldere groen van nieuwe blaadjes, daarna overal het fonkelend geel van de bloemen. In de weken die volgden, steken, niet alleen daar, maar overal langs het pad en rond de bomen, spitse bladeren de kop op die lijken op de oren van een konijn. Herfsttijloos? Nee, niet in het voorjaar. Lelietjes van Dalen, les muguets, waarmee men elkaar in Frankrijk op de eerste mei geluk wenst? Nee, die bladeren zijn donkerder en niet zo mat. Bovendien hebben lelietjes van dalen klokvormige bloempjes in een trosje op een steel, terwijl, zo bleek een paar dagen later, deze konijnenoren bloeien met stervormige bloemen.

Het tapijt van speenkruid verdwijnt langzaam onder de nieuwe begroeiing. Nu ja, overal waar de concurrentie van berenklauw, woekerend bont blad en fluitekruid dat toelaat. De bladeren wiegen in de voorjaarswind en in de vroege morgen is de lucht verzadigd van een kruidige geur die ik niet kan benoemen, maar die na verloop van tijd het woord daslook in de mond legt. Ik buk me om een blad te plukken. Wrijf het stuk in mijn handen en ruik. Prei? Uiengras?

In de zomer van 2000 was de achtertuin een woestenij. Er lag een berg tuinaarde waar in de loop van de tijd van allerlei was opgeschoten. Op een dag in het najaar streek er een zwerm geelzwarte vogeltjes neer om zich te goed te doen aan de zaden die na de bloei aan de planten waren overgebleven. Dat het om puttertjes ging, wist ik dankzij het dierenkwartet dat ik als kind had gespeeld. Het viertal vinken bestond uit de goudvink, de geelgors, de gewone vink en de putter of distelvink. Het plaatje op de kaart was duidelijk genoeg om misverstand uit te sluiten. Wielewaal en winterkoning kwamen in het kwartet niet voor.

Wie daslook wil proeven, haaste zich naar de dorpen in het Mecsekgebergte ten noorden van Pécs, Hongarije. Daar vindt rond deze tijd het medvehagyma-fesztivál plaats en worden producten als kaas, brood en honing aangeboden waarin daslook is verwerkt.

Geplaatst in eten & drinken, tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Verlangen

Na afloop van het Open Podium zoek ik Faye op in de drukte in de coulissen en complimenteer haar voor haar vertolking van ‘Valerie’. Kippenvel, vanaf de eerste maten. ‘Ik hou van ‘Valerie”, zeg ik haar. ‘Ik ook’, zegt ze, met overslaande stem, om boven het rumoer uit te komen, waarna haar aandacht weer uitgaat naar haar ouders, haar vriendinnen. Als ik later door de voorjaarsnacht terug naar het station loop bedenk ik dat haar interpretatie van de wereldhit van Amy Winehouse (1983 – 2011) het liedje weer terugbrengt waar het hoort; een wereld van jeugdig verlangen waar alles nog mogelijk is.

Amy Winehouse was net zo min als Faye de eerste vertolker van Valerie. Die eer komt toe aan Dave McCabe (1981), frontman van de Liverpoolse Indierockband The Zutons, die het nummer schreef. Op het Glastonbury festival van 2008 staan beide artiesten geprogrammeerd. De kapitale Z op het doek achter de drummer van The Zutons stond nog niet voor de onoverwinnelijkheid van Poetins troepen die vierentwintig jaar later tijdens een Speciale Militaire Operatie in Oekraïne verzeild raakten. The Zutons brachten Valerie in de late lente van 2006 uit en boekten er een bescheiden succes mee. Mark Ronson voorzag de compositie van McCabe van een Motownsound, Winehouse leende het lied vervolgens haar jazzy dictie en stemgeluid, waarmee de definitieve versie van Valerie was geboren. Op het festival zingt het publiek massaal mee met de hoekiger en vooral verstaanbaarder versie van Dave McCabe en zijn band.

Amy Winehouse is op hetzelfde festival gekluisterd in de kerkers van haar liefdesverdriet. Haar album Back to Black is anderhalf jaar uit, ze heeft nog tweeënhalf jaar te leven. Op haar setlist staan Tears dry on their own, Love is a losing game, Cupid, You know I’m no good en andere songs die ze met evenveel overgave als whisky vertolkt. Valerie is er niet bij.

Die is wie en waar ze altijd al was; Valerie Star, make-upartieste te New York die gegrepen werd door het geluid van The Zutons tijdens een optreden van de band in Tampa, Florida. Ze maakte kennis met de bandleden, werd verliefd op McCabe en beloofde hem naar Liverpool te komen. Maanden later is de belofte nog niet ingelost. Er kwam van alles tussen. Akkefietjes met de politie, dreigende rechtszaken, maar misschien toch vooral het gegeven dat wie in New York geworteld is, daar niet snel van loskomt. Aan de andere kant van de grote plas schrijft McCabe:  Cos since I’ve come on home, / Well my body’s been a mess / And I’ve missed your ginger hair / And the way you like to dress / Won’t you come on over / Stop making a fool out of me . Valerie gaat over verlangen.

Als Amy Winehouse Valerie zingt, verlangt ze niet naar de celebrity met die naam uit New York. Het Joodse meisje uit Camden Town, Londen, UK waant zich lid van Martha & the Vandellas of een van de andere vocal groups uit de Motownstal. Heeft ze van Frank Sinatra afgekeken hoe ze een up-tempo beat met haar stem een melancholische stemming kan geven? Daar heeft ze Valerie voor nodig.

En Faye?

Die doet over een paar weken eindexamen en droomt van een toekomst in de journalistiek.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Maar niet heus

Of wij, van moedertaalonderwijs, onze eindexamenkandidaten wegwijs maken in stijlfiguren, vroeg de collega Engelse taal- en letterkunde. Daar wist ik zo één, twee, drie geen antwoord op. Die komen niet systematisch aan de orde in het methodeboek. In het literatuurboek worden wel verschillende vormen van ‘beeldspraak’ toegelicht en als het zo uitkomt leg ik uit dat een uitgewerkte overdrijving in een tekst die bedoeld is om de lezer te overtuigen, bekend staat als een ‘hyperbool’. Maar daar ging het haar niet om. In de centrale schoolexamens Engels wordt de kandidaten gevraagd uit te leggen dat een gegeven passage of alinea ‘ironisch’ is bedoeld. En dan blijkt dat veel kandidaten niet weten wat ‘ironie’ is.

Ilja Leonard Pfeijffer (1968) schreef er drie jaar geleden een boekje over. Ondraaglijke lichtheid was de titel, Over het nut en nadeel van de ironie van het leven. Hoofdstuk drie begint met: Dat ironie niet altijd door iedereen wordt begrepen, is een van de charmes van het stijlmiddel. Ironie spreekt over de hoofden van de naïevelingen heen tot een groepje van connaisseurs. Met een geslaagde ironische opmerking bevestig je je lidmaatschap van de kliek van uitverkorenen ten koste van de anderen, wier anders-zijn en passant nog maar eens ten overvloede wordt gedemonstreerd, hetgeen de goede verstaanders bevestigt in hun saamhorige uitzonderlijkheid en in hun culturele verfijning. Als dat waar is hebben onze leerlingen het grootste gelijk van de wereld om ver te blijven van een stijlfiguur die erop uit is hen uit te sluiten.

Een week later surveilleer ik twee uur bij het schoolexamen Engels. Eén voor een gaan de vingers omhoog en keer op keer antwoord ik fluisterend dat ironie een taalgrapje is, dat eruit bestaat dat de spreker het tegenovergestelde zegt van wat hij bedoelt. Als jij te laat komt, zeg ik: ‘zo jij bent lekker op tijd!’. Ik voeg er nog aan toe dat een opmerking ironisch is als je er maar niet heus achter kunt zeggen. Als ik naar mijn bureau terugloop, flitst door mijn hoofd wat ik allemaal niet over ironie heb gezegd.

Helen Brand drijft een noodlijdende boekhandel in Rotterdam. Ze laat zich bijstaan door wisselende stagiairs. Als de periode van Nico, die zich liever Finnegan laat noemen, erop zit, wordt hij opgevolgd door Sophie, een bijdehand meisje met een grote bos krullen, het ademloze woord ‘super’ op de lippen bestorven, aldus Nelleke Noordervliet (1945), want we bevinden ons in haar nieuwe roman Wij kunnen dit.

Helen vertelt haar nieuwe werkneemster over haar voornemen de winkel te verbouwen, als ze de financiering rond kan krijgen. O, super, reageert Sophie, die gelijk haar broer appt die in Delft bouwkunde studeert. Helen antwoordt Ja, chill. Heel erg chill. Dan neemt de verteller het woord: Het ironisch gebruik van de jongerentaal ontging Sophie volledig. Ironie is moeilijk, dacht Helen. Mensen van onder de dertig herkennen die niet. Hoe moeten die lui toch door het leven komen.

Ik snap dat vragen om uitleg van ironie in een tekst kandidaten de gelegenheid geeft finesses in het taalgebruik te onderscheiden en uit te leggen. En natuurlijk bedienen ook jonge mensen zich van ironie. Het maken van kliekjes gaat immers dag en nacht door. Het kost tijd om de kloof tussen doen en daarover denken te dichten. Dit vraagstuk in het examen Engels komt een jaar of tien te vroeg.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Barbaars

Ik merk, wanneer ik in een praatprogramma val op televisie, Buitenhof, Eén vandaag, en men te spreken komt over de oorlog in Oekraïne, dat de gasten naar wie spontaan mijn hart uitgaat, hartstochtelijk pleiten voor meer wapens en militaire inzet van het Westen, terwijl oud-secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer, en Clingendaelonderzoeker Rob de Wijk manen tot voorzichtigheid en terughoudendheid in dit conflict en daarmee een pacifistischer standpunt verkondigen, dat mij liever is. Waar is de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) als ik haar nodig heb? In welk kamp ben ik met mijn principes van geweldloosheid beland? Vervuld van zelfhaat en walging vlucht ik weg van het scherm.

De eerste dag van Poetins invasie heb ik mijn leerlingen van vijf havo beloofd elke les te beginnen met een gedicht over het thema oorlog en vrede. We lazen Iemand stelt de vraag van Remco Campert (1929), Ravensbrück van Sonja Prins (1912 – 2009) – alleen het slechte soort gedijt in deze hel / van dwangarbeid – , Oorlogsvoorjaar van Hanny Michaelis (1922 – 2007), Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia van Lucebert (1924 – 1994) (bestaat er eigenlijk een opname van dit gedicht, gelezen door de dichter zelf?), Vrede natuurlijk, van Leo Vroman (1915 – 2014), Europa, 2022 van Dichter des Vaderlands Lieke Marsman (1990) en Krantenlezen is gevaarlijk van Margaret Atwood in de vertaling van Herman de Coninck (1944 – 1997).

Ja, ik weet wat Theodor W. Adorno (1903 – 1969) heeft gezegd over poëzie en Auschwitz, maar ik ken ook de dertien stellingen die Wolfdietrich Schnurre (1920 – 1989) formuleerde tegen de bewering dat het barbaars is, na Auschwitz een gedicht te schrijven. Zoals: de menselijke taal is niet bedoeld om te verstommen maar om te spreken. Ritme en melodie hoeven niet nadelig te zijn voor een ware uitspraak., of: poëzie is zinnelijk. Dus is ze gericht op het leven. Dus verdedigt zij het.

Daarom eindigt het gedicht van Lieke Marsman met de regel Er is een nieuwe wereld mogelijk. Daarom wordt Remco Campert niet moe van zijn gedicht niet alleen de regels verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden onder de aandacht te brengen, maar ook de regels iemand zegt opa de pest met je oude verhalen / iemand wil het alfabet leren. Gedichten schrijven en gedichten lezen na Auschwitz vereist koelbloedigheid, distantie, moed en de nodige reserve.

Overal bekt ons de dwangbuizen tanks en kampen aetherkappen / en men sluipt dwars door onze ruggen bajonetten aanzettende dichtte Lucebert bij de aanvang van de tweede politionele actie, negentien december 1948. Leo Vroman kwam in 1997 terug op de beroemde regel vrede, godverdomme vrede van veertig jaar eerder: want in mijn ‘vrede, godverdomme, vrede’ / moest ik het vechten van de mensen / en toen de slechte bron / daarvan verwensen. Het gedicht eindigt met de regels en lach niet, mens, om wat ik meen,  / God verdomme / lach niet om me / maar huil om iedereen.

Weer veertien jaar later is het gedicht gekrompen tot dertien regels met de titel ‘De kleinste vrede’: Als een mus van achttien gram / met wat olijfdrab aan een teentje / op een ochtend bij ons kwam, / en nog eentje, en nog eentje,

Daarna moet ik naar buiten. De sneeuw is gesmolten. Wind buldert in de kale bomen, maar de begroeiing daaronder kleurt al groen. Drie puttertjes waaien de struiken in.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Chefsache

Voor alle mensen die bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen niet zijn gaan stemmen omdat, ongeacht de uitslag en ondanks schandalen, moties van afkeuring en opgezegd vertrouwen, de minister president niet opstapt, is ‘Zee nu’, de nieuwe roman van Eva Meijer (1980) een troostrijk boek. Aan de komst van het water en de zee, gaan verhalen vooraf. Lieke Marsman, ‘Het tegenovergestelde van een mens’ uit 2017,  Marijke Schermer publiceerde ‘Noodweer’  een jaar eerder, ‘Klifi’, van Adriaan van Dis en ‘Hier komen wij vandaan’, van Leonieke Baerwaldt, die allebei vorig jaar verschenen en nu een nieuwe Eva Meijer.

Uitbaters van strandtenten en metaaldetectorspeurders hebben het eerst in de gaten dat na de vloed, de eb uitblijft. Ze maken er een foto van en plaatsen die op internet. Als enige tijd later het water tot aan de duinen staat, trekt dat de aandacht van lokale overheden die wetenschappers aan het werk zetten om gegevens te verzamelen. Vanaf dat moment vloeit de zee elke dag een kilometer verder het land in en begint het een zaak te worden voor burgemeesters, veiligheidsregio’s, de minister van Infrastructuur en Waterstaat, wordt het een Chefsache. De minister president die ons in Zee nu wordt voorgesteld, komt ons vertrouwd voor. Hij stond bekend om zijn pragmatische houding. Sommigen noemden hem daarom een bedrijfsleider in plaats van een moreel leider. Hij lag er niet wakker van: hij deed precies wat er van hem verwacht werd. Soms was het alsof hij het land zelf was.

De volgende dag is er een persconferentie. Als de regeringsleider de stand van zaken en de voorgenomen maatregelen heeft opgenoemd besluit hij met: Dan geef ik nu het woord aan mijn collega van Infrastructuur en Waterstaat over de praktische kant van de zaak. In de achtergrond zien we nog snel de doventolken van plaats wisselen.

De regeringszetel is al twee keer naar hoger gelegen delen van het land verplaatst, als op een stormachtige dag, de premier een taxi belt en zich naar de zee laat brengen. Hij  had het gevoel dat de situatie hem ontglipte en wilde met eigen ogen zien hoe het ervoor stond. Hij was het water ingelopen. Op het moment dat hij weg wilde, eruit, dat de paniek haar gladde koude handen om zijn hart legde, was hij al te ver weg, vermengden zijn gedachten zich al met het water dat zijn longen in kwam, adem werd water, lichaam werd het water dat het altijd al was.

En zo wordt de staatsman een van de personages die een zelfgezocht einde vonden door het water in te lopen. Meiland, de kweker uit Lie Tze spreekt een schedel toe, van Tonnus Oosterhoff (1953). De verlegen jongen op het strand uit Canzone 4711 van Lennaert Nijgh (1945 – 2002), Meneer Sommer uit het verhaal van Patrick Süsskind (1949), Badal van Anil Ramdas (1958 – 2012) en Japi, de uitvreter uit het gelijknamige verhaal van Nescio (1882 – 1961). Een politicus kan slechter terecht komen.

Daarna reizen we mee met Arie, Wilg, Steen en een hond zonder naam. Ze hebben een boot gehuurd waarmee ze tussen boven het water uitstekende kerktorens, schoorstenen en kantoorflats naar  het westen navigeren, op zoek naar de kat van Steen die Wezel heet, de moeder van Wilg en de belofte van een grote liefde voor Arie.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Thee van lamoengras

Of we het over ‘Dubbelspel’ kunnen hebben, vraagt de kandidaat die voor zijn mondeling schoolexamen letterkunde tegenover me zit. Graag. Ik was zelf ook al van plan over dat boek te beginnen, temeer daar behalve dit debuut uit 1973,  ook de laatste roman van Frank Martinus Arion (1936 – 2015) ‘De Deserteurs’ uit 2006 op zijn lijst staat. Dubbelspel dus. Dan hebben we het over vrouwen met moed, over de gevaren van het dominospel en over eeuwenlange Nederlandse koloniale uitbuiting in West-Indië.

In het Radio 1 journaal van woensdagochtend kondigde Simone Weimans een reportage uit Curaçao aan. Mineke de Vries had toestemming van Frank Martinus Arions vrouw Trude gekregen om het archief van de taalkundige en schrijver te ontsluiten. De Vries is bezig met de biografie van de auteur van Dubbelspel en hoopt daar binnenkort op te promoveren. Sinds de dood van Arion in 2015, liggen zijn papieren in een kamertje thuis bij Trude Martinus-Guda onder een golfplaten dak. Aantekeningen, manuscripten, opschrijfboekjes, agenda’s, nu ja, wat daar nog van over is, want De Vries heeft het ook over zilvervisjes, kakkerlakken, termieten en over dozen waarin niets anders meer zit dan snippers en muizenkeutels.

Het is met de literatuur gesteld als met alle andere domeinen van het leven: ze is gebonden aan sekse, ras, klasse, godsdienst en natie. De kandidaat tegenover me vertelt hoe de gerechtsdeurwaarder Manchi van zijn vrouw Solema voor elke maaltijd vijf gulden vraagt, sinds hij haar heeft betrapt op vreemdgaan. Ze is tenslotte niet meer dan een goedkope hoer. De roman moet doordringen in de aspecten waar de sociologie niet kan komen, ze moet onderzoeken en de uitslag van het onderzoek moet waar zijn en waarheidlievend worden opgetekend., verklaarde Arion in een interview met Vrij Nederland, zestien januari 1993.

Op de NOS-site is over de ontsluiting van Arions archief niets te vinden, op die van curacao.nu des te meer. Trude Guda vertelt hoe ze Mineke de Vries vroeg haar te helpen de achtergelaten dozen en stellingkasten te ordenen. Ze ging er meteen tegenaan zoals volgens mij alleen een Hollandse dat kan. Maar dat bekwam de promovenda slecht. De wolken stof die de literaire nalatenschap deed opwaaien, sloeg op haar longen, ze was genoodzaakt haar werkzaamheden enige tijd op te schorten. Van bevriende archiefvorsers kreeg ze tips. Smeer vaseline in je neusgaten, maak thee van lamoengras, rozemarijn en knoflookschilletjes om je longen weer schoon te krijgen.

Elke dag maakte De Vries een stapel papieren klaar voor Trude die volgens haar wel weg kon. Uiteindelijk zijn er vijftien vuilniszakken afgevoerd. Wat er, behalve persoonlijke documenten als brieven en hypotheekadministratie, overbleef, zijn een vertaling van Nobelprijswinnaar Derek Walcotts toneelstuk Dream on monkey mountain, Martinus Arions eerste novelle in het Papiaments en een aantal essays in het Nederlands. Het geschoonde en geordende archief zal worden gedigitaliseerd, van schimmel worden ontdaan om het dan op te bergen in de Mongui Maduro Bibliotheek op het eiland.

Is er nog meer nieuws uit Caraïbisch Nederland?

Jazeker. Op 22 april brengen Barry Hay en JB Meijers het dubbelalbum Fiesta De La Vida uit. Op vijf november is het live te beluisteren in de Ziggo Dome. Met een echt Mexicaans Mariachi-orkest.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Gevaarlijke bende

Ze heeft ‘Liefde als dat het is’ gelezen van Marijke Schermer (1975) en op haar lijst gezet. ‘Terry is vreemdgegaan en weggegaan’, vertelt ze, ‘Haar man begrijpt het niet. Hij noemt het een natuurramp’. Ik zit te knikken – zo is het – en ik vraag met welk personage in het boek ze zich vooral heeft geïdentificeerd. ‘Met Krista, de oudste dochter’,  antwoordt ze. Die is ook zestien, nu ja, vijftien, haast net zo oud als zij. Krista voelt zich in de steek gelaten en is alleen. ‘En ik ben ook best vaak alleen’, voegt ze eraan toe. Als er iets nog intiemer is dan lezen, dan is het wel daarover vertellen. En als er iets ongewenst is, dan is het om dat te doen op een mondeling schoolexamen.

Het is de laatste keer dat ik deze examens afneem. Ik laat de kandidaten binnen en wijs ze hun stoel. Nodig hen uit boeken die ze gelezen hebben erbij te pakken. Op tafel staan twee bakjes met chocolade-eitjes, ik probeer zo snel mogelijk een einde te maken aan obligate en omslachtige samenvattingen. Ik hoor liever hoe het lezen hen heeft veranderd.

‘Hoe kwam je erbij om De advocaat van de hanen van A.F.Th van der Heijden (1951) te gaan lezen?’, vraag ik. ‘Nou, eigenlijk was het om de titel. Weet u, ik wil advocaat worden.’ Dan hoor ik dat Kiliaan Noppen lid was van een gevaarlijke bende en dat hij door de politie is opgepakt en in de cel gesmeten waar hij is overleden. Het verbaast kandidaat nauwelijks dat Noppens advocaat Ernst Quispel op dat moment gedetineerd was in hetzelfde cellencomplex en misschien dus wel getuige van het overlijden van zijn cliënt. Het antwoord op mijn vraag of de advocaat uit het boek van Van der Heijden een rolmodel kan zijn, is niet eenduidig. ‘Aan de ene kant wel, want je ziet in het boek dat het soms best heftig is, maar een rolmodel, nee niet echt, want Quispel heeft een alcoholprobleem en toen hij in de cel zat, was er ook nog alcohol in zijn systeem’. Mocht kandidaat nog niet genoeg hebben van Ernst Quispel, dan zijn de delen drie en zes van de cyclus De tandeloze tijd misschien iets; Onder het plaveisel het moeras en Kwaadschiks.

Als ik Die zomer van Wanda Reisel (1955) op dezelfde lijst zie staan waarop ook Ik ook van jou staat van Ronald Giphart (1965), moet ik toch vragen naar de overeenkomsten en verschillen in de seksuele moraal in de jaren zestig en de jaren negentig van de vorige eeuw. De ideeën over de liefde van je grootouders en die van je ouders, om het concreet te maken. Maar dan komt een en ander wel erg dichtbij. Ik heb geen grootouders, zegt ze opgelucht. En die van mij zijn zwaar christelijk opgegroeid in een klein dorp, voegt haar klasgenoot toe, daar was het allemaal heel anders. Als het zo uitkomt, is alles in een boek verzonnen.

De twee mannen aan mijn tafel hebben allebei Bewaar de zomer op hun lijst staan. Vorig schooljaar hebben we er in de klas een hoofdstuk uit gelezen en een recensie besproken. In het boek haalt Alma Mathijsen (1984) in korte scènes herinneringen op aan haar jeugd. De eerste beslissende ervaring was haar vaders vroegtijdige dood in 1994. De tweede: de zeer onvrijwillige ontmaagding op haar zestiende door een Italiaanse jongeman. Natuurlijk wil ik weten hoe dit bij mijn leerlingen is binnengekomen.

Daar willen we eerlijk over zijn, zeggen ze, dat boek hebben we niet gelezen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , | Een reactie plaatsen