Oud alfabet

Toen Gusta/vs moeder overleden was, nam hij haar voorzichtig uit de boot en legde haar op het strand. Zij had de overtocht van het Rijk naar de Archipel niet overleefd. Van verdwaalde balken en verweerde planken maakt hij een soort van baar. Het hout knoopt hij met plantenslierten aan elkaar. Als hij meent dat het plankier klaar is, test hij voorzichtig de stevigheid van de constructie. Eerst kijkt hij naar de zee, dan naar het bouwsel op het strand, daarna legt hij het dode lichaam van zijn moeder erop. Van het overgebleven hout maakt hij een vuurtje. Het lijk bedekt hij met grassen, takken en bloemen die hij aan de bosrand vond. Terwijl hij dit allemaal deed, heeft hij geen woord gesproken. Dat we er toch van weten, komt omdat Henk van der Waal (1960) het heeft opgeschreven is zijn recente boek ‘De Uitbraak’.

Waar komt taal vandaan? Voor elk van ons is die vraag gemakkelijk te beantwoorden. Het was onze moeder die ons de eerste woorden in de mond legde en ons lachend en kirrend aanmoedigde er nog een woordje bij te doen en nog een. Toch is dit maar een voorlopig antwoord. Hoe kwam onze moeder aan haar taal? Het antwoord: ‘van de hare’ bevredigt ons niet.

Johannes heeft dus gelijk als hij aan het begin van zijn Evangelie schrijft: In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het is geen antwoord op de vraag, maar gek veel meer valt er niet over te zeggen. In het boek Genesis wordt de oorsprong van de taal in verband gebracht met de eerste mens. God vormde uit aarde alle in het wild levende dieren en vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. De menselijke taal begint met namen.

Filosoof en sanskritist Frits Staal (1930 – 2012) gaat nog verder terug. Vedische geschriften uit de achtste eeuw voor de jaartelling beschrijven rituele gezangen die geen betekenis hebben, maar wel een structuur: ka hva hva hva hva hva / phal phal phal phal phal /  hau hau hau hau hau /  bham bham … (achttien maal). Het brengt Staal tot de veronderstelling dat de menselijke taal niet begint met woorden en betekenis, maar bij grammatica, zinloze herhaling die we ook herkennen in het getjirp van de krekels, het fluiten van de vogels of het kwaken van de kikkers.

H.C. ten Berge (1938) doet in ‘Neuriën op Nippisak’ verslag van het ritueel van Inuit dat is verbonden met het ijsvissen. Het begint met neuriën, keelklanken die de een van de ander overneemt. Daaruit ontstaan woorden, regels: Buiten is het winters / buiten is het koud die worden herhaald en hernomen door de verschillende groepjes vissers op het ijs: Ay! In de herfst, / op jong ijs – / de forel! Waarop met een zwiep van de hengel een vis uit het water op het ijs belandt. Zoals een konijn uit de hoed van een goochelaar, voegt Ten Berge eraan toe.

Gusta/v steekt met een stok uit het vuur de grassen aan die het lichaam van zijn moeder bedekken. Dan drijft de baar weg met het tij. Vanuit het niets produceert Gusta/v ineens nasale klanken. Ik huil het zingen van de blauwe vinvis en snik het tjilpen van dolfijnen terwijl de branding bruist en spat. Het lichaam van zijn moeder verdwijnt ondertussen verder in zee, terwijl haar zoon op het strand zich afvraagt: wie of wat heeft dat gedaan en welk oud alfabet beroert ineens mijn tong?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Geen balspel

De methodemakers van schoolboekenuitgever Noordhoff menen dat er tekstdoelen bestaan. Ik moest daaraan wennen. Een tekst is toch geen balspel? In het stadion staan doelen, op het handbalveld en ook bij waterpolo tref je ze aan. Mijn taalintuïtie komt in opstand als onbezielde substantiva verantwoordelijk woorden gemaakt voor een doel dat toch onmogelijk anders begrepen kan worden als een bedoeling, hetzij van de schrijver, hetzij van de lezer. Wie teksten verantwoordelijk maakt voor het doel dat ermee gediend wordt, rommelt de communicatieve functie ervan in de coulissen.

Meneer, mag hij ook in de les? Hij heeft een tussenuur. Het is september, ik weet nog nauwelijks namen, maar uit de vraag maak ik op dat de knaap die naast haar staat niet tot een van mijn lesgroepen behoort. Om niet meer moeilijkheden op mijn hals te halen, vraag ik niet hoe hij heet. Ik zie dat er nog een plaatsje vrij is en heet hem welkom.

Het boek blijft nog even dicht. We beginnen aan een nieuw hoofdstuk dat Lezen heet. Ik heb het even doorgekeken en geconcludeerd dat de eerste paragraaf gesneden koek is voor de leerlingen van vier havo. Om toch even te controleren of dat zo is vraag ik hun het boek voorlopig dicht te laten en op te schrijven welke tekstdoelen ze kennen.

Of we wàt kennen?, klinkt het van de achterste rij. Maar anderen bewijzen snel dat de eerste drie klassen van het havo bepaald aan hen besteed zijn. Ik pak mijn bordstift en schrijf mee: amuseren, informeren, activeren, uitleggen, opiniëren – dat woord moet worden uitgelegd – overtuigen, verbieden, amuseren, toejuichen, we krijgen er warempel aardigheid in, zodat ik vraag naar het doel van een liefdesbrief,  versieren, flirten, of die van een tweet, dissen, nodeloos kwetsen, bedreigen. En van een losgeldbrief?, vraag ik; verzoeken om betaling, hoor ik, en chanteren – ook dat woord krijgt een toelichting.

Het kan niet op, zodat we tenslotte teleurgesteld zijn als we het boek open doen en ontdekken dat men daar niet verder komt dan vijf. Als ik vervolgens vertel dat dat vijftal tot het eindexamen nog gereduceerd wordt tot drie; informeren, overtuigen en opiniëren, voelen we ons toch een beetje bekocht.

In de pauze tref ik collega Buitenhuis bij de koffieautomaat. Had jij Kars in de les?, vraagt ze. Ik ga in gedachten alle jongensnamen af van de klassenlijsten. Die van Kars is er niet bij. Hij zei dat hij bij jou in de les was, gaat mijn collega verder, en dat er bij jou wel dertien tekstdoelen op het bord stonden of meer. Ach ja, hij heet dus Kars, mijn gastleerling.

We doen er nog een om het af te leren, de laatste dan, wie noemt er nog een tekstdoel? Bang maken, klinkt het van achter een tafel vooraan. Ik schrijf het op en vraag of hij een voorbeeld weet van een tekst die dat doel heeft.

Hij antwoordt: De Griezelbus, meneer.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Tant pis

Tik ‘kwart’ en ‘laaggeletterd’ in de zoekbalk van Google en binnen een halve seconde poppen er 25.900 resultaten op die wijzen op de gebrekkige leesvaardigheid van vijftienjarigen in Nederland. Een op de vier van hen zou niet in staat zijn een eenvoudige mededeling te begrijpen, er zijn bronnen die niet terugdeinzen hen functioneel analfabeet te noemen. Dat gaat Helge Bonset (1944), die jarenlang lerarenopleider, vakdidacticus en leerplanontwikkelaar Nederlands was, veel te ver. Volgens hem zijn Nederlandse jongeren zeer goed in staat informatie uit een tekst te halen en ontbreekt het hen alleen aan de vaardigheid om hun leeswerk in verband te brengen met hun eigen leven en de gelezen tekst op waarde te schatten. Tant pis, zeggen de Fransen dan.

In februari van dit jaar interviewde Ad Verbrugge Kees Vernooy (1945), die geldt als een autoriteit op het gebied van effectief leesonderwijs. Op tafel lag de tekst In Barcelona begon de vakantiepret en Vernooy kon desgevraagd bevestigen dat een op de vier jonge lezers stokt bij woorden van meer dan twee lettergrepen. Tot groep vier is er nog niet veel aan de hand. Nederlandse kinderen leren vlot spellend lezen en nemen daarna de vaardigheid van het technisch lezen voortvarend ter hand. Het gaat mis bij het onderhoud en de oefening van die vaardigheden, zodat een groeiend aantal kinderen het nooit brengt tot begrijpend lezen. In 1995 gold dat voor een op de tien kinderen, inmiddels kan dertig procent dat niet aan het eind van groep drie. In plaats van meer tijd te besteden aan oefening om vlot en vloeiend te leren lezen, is er een dyslectie-industrie opgetuigd die gedijt bij de status quo. Leerlingen die de competentie missen om door te kunnen dringen tot de betekenis van de tekst, trekken de conclusie dat boeken lezen saai is. Dat is de logica zelve.

Elk jaar vraag ik mijn leerlingen van havo vier mij met een tekst te informeren over hun leesgeschiedenis. En elk jaar lees ik de herinneringen aan Rupsje Nooitgenoeg en de mol die op zijn kop is gepoept. Het voorlezen op schoot bij ouders en grootouders. Zelf leren lezen, Geronimo Stilton en Het dagboek van een muts, Carry Slee; en dan wordt het stil. Ik ben nooit echt een grage lezer geweest, ik lees niet veel boeken, omdat ik het gewoonweg niet leuk vind, wel vind ik een krant, online artikelen of het laatste nieuws over mijn favoriete games erg interessant.

Toen kwam de pandemie. Langer dan vier maanden waren we opgesloten in wat de minister president een intelligente lockdown noemde. Mandy schrijft: Zittend op een stoel bij een meer op een warme dag zat ik te lezen. Het was voor het eerst dat ik echt uit mezelf een boek was begonnen. Ik was klaar met het kijken naar You Tube en Netflix. Ik wilde eens wat anders doen. En niet alleen Mandy. Haar moeder heeft Lucinda Riley ontdekt en kan niet meer stoppen met De zeven zussen, terwijl vader is verdiept in de Elsevier en zijn motorboekjes.

Veel van mijn generatie (millenials) lezen niet echt, maar ze ‘skimmen’, schrijft Mees, en dat komt volgens haar door de technologie om ons heen, denk aan uw telefoon, i-pad en laptop. Deze technologieën zorgen ervoor dat vooral jongeren, maar ook ouderen niet meer weten wat een boek lezen inhoudt. Kayleigh is wat minder zwaar op de hand en schrijft: ik ben best wel een lezer, omdat ik het een leuke bezigheid vind. Sarah gaat nog een stapje verder: Ik zou me ook niet kunnen voorstellen hoe het is om geen boeken te lezen. Haar favoriete boekwinkel is Boekhandel Dominicanen in Maastricht; een van de mooiste boekenwinkels waar ik ooit ben geweest.

Helge Bonset vestigt zijn hoop op de nieuwe leerdoelen voor het vak Nederlands die in het kader van Curriculum.nu worden ontwikkeld. Kees Vernooy wijst op het belang van samen hardop lezen en daar de tijd voor nemen. Mijn leerlingen gebruikten de verveling van de zomer van de pandemie om een goede gewoonte weer op te pakken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Vreemde gloed

Twee maanden later dan gebruikelijk – corona – is dan de ronde van Frankrijk van start gegaan. De regio om Nice kleurt oranje op de covidkaarten, de Franse overheid en de wielerorganisaties hebben protocollen en procedures opgetuigd die tot geen andere conclusie leiden dan dat Parijs verder is dan ooit, de deelnemende ploegen verschansen zich in hun bubbel, renners leveren hun ‘quotes’ af van achter een gezichtsmasker. Boven de stad cirkelt de helikopter die ons laat zien hoe blauw de Middellandse zee is, hoe pittoresk de Vieux Port, hoe wijds de Boulevard des Anglais, waar de meet er verlaten bij ligt.

Ik installeer mij in een gemakkelijke stoel voor de televisie en laat de beelden tot mij komen. Het is er allemaal. Het veelkleurig peloton, de kastelen op de bergen, de wouw op de thermiek, het shot over de grindvlakte van een opgedroogde rivier dat opstijgt opdat  de kopgroep weer in het vizier komt, de bergen in de verte, een verlaten kerkje op de top. Ik herken het en het is me vreemd.

Het komt niet door de mondkapjes van de wielerfans langs de weg, ik zag wel vreemdere uitdossingen van wielergekkies. Het was niet de regen van de naderende herfst. Elke Tour kent wel zijn natte dagen; ik herinner mij de lofzang van Bert Wagendorp (1956) op het licht van de koplampen van de volgauto’s op de natte gesoigneerde benen van de renners, de weerspiegeling van plassen op de weg, de druppels op de lens. Nooit is een koers mooier theater.

De glijpartij afgelopen zaterdag op de flanken van de Côte de Rimiez was spectaculair genoeg, van koersen kon geen sprake zijn. Maar ik herinner me een etappe in de Ardennen tijdens de Tour van 2010 waar Sylvain Chavanel en Fabian Cancellara in figureerden en die eveneens moest worden geneutraliseerd. Of de Passage du Gois uit 1999, de spekgladde natuurlijke verbindingsweg tussen de Vendee en het eiland Noirmoutier. Michael Boogerd verspeelde er zijn klassement.

Zou het de stad zelf zijn, waarover Louis Couperus (1863 – 1923) schrijft: Nice is heel vrouwelijk, Nice is de vrouwelijke sultane-stad, die niets heeft te doen dan mooi te zijn, te glimlachen en toe te lonken, àan te lokken, droomstarende over hare blauwe zee, die tintelt van gouden pailletten en parel-omzoomde golfjes, onder een diep transparanten hemel, waaruit overvloedig de zegen van de zonnegod neêr over haar zinkt.

Het is waar Nice heeft geen trap gedaan, maar wij kennen haar van de voorjaarskoers die in de Franse hoofdstad begint en die vlak voor de pandemie door Maximilian Schachmann werd gewonnen. Nice is ons geen vreemde.

En ook het Vlaamse commentaarkoppel Michel Wuyts en José de Cauwer geven het toe: het maakt niet veel uit of je de koers verslaat onderaan een berg in Frankrijk of vanuit een studio in Brussel. In beide gevallen is er geen uitzicht op de streep.

De middag verstrijkt, de beelden komen van de helikopter die recht boven de renners hangt. Lange schaduwen snellen met de renners mee …, en dan weet ik het. Het is het licht. Het is het licht dat alles in een vreemde gloed zet. De Tour baadt in het licht van de Vuelta, dat is wat me verwart.

En ik mis de zonnebloemen.

Geplaatst in koers | Getagged , | Een reactie plaatsen

Patatje

Het was vijf maanden later en we zagen elkaar terug op een tropische dag in augustus. Van achter een plexiglazen scherm dat met zes plastic klossen op mijn bureau was bevestigd, zag ik de afwachtende blikken, waarin ook iets van spanning was te lezen. Ik had blaadjes uit een schrift gehaald en die op een tafel voor in de klas gelegd. Ik vroeg mijn leerlingen op te schrijven hoe zij de eerste golf van de Covid-19 pandemie hadden overleefd. De sluiting van de scholen door onderwijsminister Slob, het nationale huisarrest, lessen via het computerscherm, overgaan of blijven zitten, en vervolgens vakantie zonder vakantieplannen. Wie van jullie heeft er een test ondergaan? Drie van de honderdtwintig leerlingen steken een vinger op. ‘Ik wist niet dat je met een wattenstaafje zo diep je neus in kon, ik kneep mijn ogen dicht, maar dat mocht juist niet’. Alle drie testten negatief.

Saai, lui, niets te doen, mondkapje, nieuw, niet voor te stellen, teveel thuis, chaos, waren de steekwoorden die ik teruglas. De schoolsluiting werd aanvankelijk met enthousiasme verwelkomd. Veel leerlingen hebben de eerste weken benut om goed uit te rusten en veel te slapen. Op de dag dat alles dicht ging, zou ik heerlijk uit eten gaan. Totdat plotseling per direct alles dicht ging. Toen kon ik het etentje waar ik de hele week naar uit zat te kijken op mijn buik schrijven. Uiteindelijk hebben we op het laatste moment een patatje gehaald.

Daarna begon het door te dringen dat de Coronavakantie de verplichting met zich meebracht om contacten met vrienden te vermijden en thuis te blijven. Ik was ongeveer een week of twee na de lockdown jarig. Een hele saaie sweet sixteen. In de supermarkt was het een chaos. Alle vakken waren leeg en de ladingen kwamen niet binnen. Dus werk was gekkenwerk. Het gezinsleven werd herontdekt. Mama geen werk, papa ook thuis, mijn zus haar studie; ook opeens gestopt. Dat maakt alles extra chaotisch, maar ook wel gezellig  op hetzelfde moment zo’n vol huis. Gezellig, jawel, maar ook de dreiging aan de andere kant van de voordeur, waar de de pandemie rondwaarde in een stralend voorjaar. Elke zondag deden we een spelletje met de familie en keken we met zijn allen een serie. Daarnaast is mijn buurman overleden aan Corona. Hij was de opa van een vriendin van mij.

Vanaf dat moment begonnen de dagen op elkaar te lijken. Toen er geen buiten meer was, verloor binnen elke relevantie, nu we geen anderen meer zagen vergaten we wie we zelf waren. De meeste momenten wist ik niet eens hoe laat het was, want mijn tijdsbesef was weg. Onderschat dan de troost van het contact met huisdieren niet. We hadden zelf  kuikentjes uitgebroed en twee konijntjes gekocht., schrijft een van ons. Een klasgenoot zoekt haar heil bij een cavia: Na een tijdje was de oude mij weg, dit was het moment dat ik dacht weer een cavia te nemen (de oude was overleden door nierfalen). Ik hoopte dat hij iets van de oude mij zou terugbrengen, maar dat was niet zo.

Gelukkig kondigde premier Rutte toen de zomervakantie begon, versoepelingen aan in het coronaschrikbewind van het voorjaar. We mochten weer naar buiten, we durfden van vakantie te dromen, en al kwamen die dromen niet uit, soms kwam er iets anders voor in de plaats. Ik mocht helaas niet naar Spanje, dus ben ik naar Utrecht geweest. Heb er veel nieuwe vrienden gemaakt! het was een supergezellige vakantie. Voor het eerste waren er geen lange rijen voor de attracties van Disneyland Parijs en dat je in de toiletgebouwen op de camping een mondkapje op moet is helemaal geen nadeel, want het kan daar behoorlijk stinken.

En school?

Ik dacht eigenlijk dat de toetsweek niet door zou gaan, maar toch wel en toen ben ik blijven zitten. Toen kwam school en nu zit ik hier.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Geelbruine bossen

Baltische zielen van Jan Brokken (1949) is in de eerste plaats een reeks portretten van beroemdheden die hun wortels in de Baltische Staten hebben. Sergej Eisenstein, de cineast van de Russische revolutie, de componist Arvo Pärt, Hannah Ahrendt, die het begrip ‘banaliteit van het kwaad’, muntte, de violist Gidon Kremer, de Franse schrijver Romain Gary. En wist u dat Simon en Garfunkel Joodse voorouders hadden in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, of dat ook de grootouders van Bob Dylan daar vandaan komen. Jan Brokken woont een college Jiddisch bij dat wordt gegeven door professor Dovid Katz, die terloops opmerkt dat de Jiddische invloed uit Centraal Europa een onbelicht aspect is van de Amerikaanse folksong. Het fotoboek dat hij samenstelde over de laatste sporen van het Joodse leven in Litouwen noemde hij ‘The Sounds of Silence’.

Als Brokken komt te spreken over Eduard graaf von Keyserling, die hij kenschetst als de Baltische Proust, noemt hij hem een echte Baltische ziel: een outcast in zijn eigen wereld, een ontwortelde die dat absoluut niet wilde zijn, een milde spotter die probeerde te verhullen hoezeer hij zich verworpen voelde, en tegelijk iemand die een waanzinnige liefde koesterde voor de omgeving waarin hij opgroeide. Want Baltische zielen is geen encyclopedie van beroemdheden uit Estland, Letland en Litouwen, maar een onderzoek naar de gevolgen van een lange geschiedenis van revoluties, dictatuur, pogroms en holocaust, Gulags en concentratiekampen voor het bestaan van families die in de twintigste eeuw leefden in dat deel van Centraal Europa.

Een verhaal is altijd opgebouwd uit andere verhalen, daarop is Baltische zielen geen uitzondering. En zo kon het gebeuren dat het boek van Jan Brokken ook een boek is over paddenstoelen. We hebben het over de vroege herfst, en in de vorige eeuw begon die in Centraal Europa al rond half augustus. Brokken schetst wat dat betekende voor het gezin van de componist Jurgis Gaižauskas (1922-2009). Uren liepen ze door de geelbruine bossen om ze te zoeken. Met het onderscheid tussen giftige en niet giftige exemplaren hadden ze geen moeite, dat leer je in Litouwen op de lagere school. Paddenstoelen zoeken is voor Litouwers een goedkope manier om aan een lekkernij te komen, een uitje en een intense vorm van natuurbeleving – speurend naar de zwammen gaan ze in het bos op. Maar pas op, het seizoen is zo weer voorbij: Zeven of acht weekeinden moesten ze de bossen in om aan voldoende voorraad te komen, want de oogst werd niet gelijk opgegeten, maar ook schoongemaakt en geweckt voor de feestdagen in de lange winter.

Wie niet zelf zocht, kon de paddenstoelen ook kopen. In het hoofdstuk over de beeldhouwer Jacques Lipchitz (1891 – 1973) lezen we dat in het seizoen overal langs de wegen stalletjes staan waar je soms wel de keuze hebt uit veertig soorten paddenstoelen. En even verder in hetzelfde hoofdstuk, Brokken is door een priester meegenomen naar het Gruto Parkas, een beeldentuin waar weliswaar geen enkel beeld van Lipchitz is te vinden maar wel een keur van beelden uit de Sowjettijd,  lezen we over beelden die verzameld zijn door Viliumas Malinauskas, een zakenman die miljoenen heeft verdiend aan de handel in paddenstoelen.

De Baltische herfst speelt ook een rol in de jeugd van de Amerikaanse schilder Mark Rothko (1903 – 1970). De Rothkowitzen hielden picknicks aan de oever van de rivier en de kinderen zwommen in de Dvina. In augustus en september verplaatsten ze hun picknicks naar het bos. De kinderen plukten paddenstoelen. Eenmaal in New York, nam Rothko afstand van deze herinneringen. Ik haat natuur, verklaarde hij, ik voel me ongemakkelijk in een natuurlijke omgeving.

In de Lidl valt mijn oog op goudgele cantharellen. Wat, zo vroeg al?, het is nog geen half augustus. Ik doe twee bakken in mijn kar. Thuis bestudeer ik de kleine letters. Wit-Rusland. Daar gaan duizenden voor de tiende dag op rij de straat op om een einde te maken aan de dictatuur, bedenk ik, terwijl ik een ui snipper, room en boter klaarzet, peterselie uit de tuin haal en de pepermolen vul.

Geplaatst in eten & drinken | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Schrijven of schieten

Tijdens de belegering van de Cerro del Puerco, twee juni 1937, maakt Pit, een werkloze Amsterdammer die besloten heeft deel te nemen aan de antifascistische strijd in Spanje, kennis met een dichter uit het Verenigd Koninkrijk. De Brit was hem in de loopgraven bij Segovia al opgevallen omdat hij, als het maar even kon, met een potloodje op restjes papier zat te krabbelen, of zachtjes voor zich uit zinnetjes en woordjes prevelde. Pit probeert de dichter ongemerkt nabij te komen om weg te dromen op de klanken waarvan hij de betekenis niet kent. Patrick Bassant (1977) schrijft erover in het recent verschenen ‘De vlinder in de inktpot’. Toch was de poëet uit Albion in de eerste plaats soldaat en revolutionair. ‘Hij had een machinegeweer op zijn ivoren toren gemonteerd’, schrijft Bassant.

De onbekende dichter uit de loopgraven was niet de enige kunstenaar die de urgentie van de strijd tegen opstandige nationalisten onder leiding van generaal Franco gewaar werd en erover schreef. Ook Bertolt Brecht, Ezra Pound en Claude Simon steunden de strijd van de Republikeinse regering, net als de Nederlandstalige  schrijvers Henriëtte Roland Holst en Gerard Walschap. Albert Helman en Jef Last togen daadwerkelijk naar Spanje om over de strijd te berichten of, zoals Last, deel te nemen aan de gewapende strijd. Zei ik deelnemen? Jef Last (1898 – 1972) leerde de taal in een mum en schopte het tot kapitein terwijl hij Aan een gevallen makker dichtte: Een witte roos bloeide op het vale veld, / bloem van den dood te midden er gewonden; / een jong gezicht had in zijn laatsten nood, / de vage schaduw van een lach gevonden.

Begin juli vindt in achtereenvolgens Valencia, Madrid, Barcelona en Parijs het tweede internationale congres van antifascistische schrijvers plaats. De Spaanse republikeinse regering is blij met de steun van ruim honderdtwintig schrijvers uit negenentwintig verschillende landen, onder wie Anna Seghers, Pablo Neruda, Antonio Machado, André Malraux, W.H. Auden en Octavio Paz. Nederlands was vertegenwoordigd door de auteurs Jef Last, Nico Rost, Johan Brouwer en de vertaler en literair agent Bart Fles. De verdediging van de Spaanse cultuur kon wel wat extra handen gebruiken. Federico Garcia Lorca was nauwelijks een jaar eerder door de Nationalisten vermoord en de opstandige generaals hadden er geen been in gezien om de Nationale bibliotheek en het Prado te bombarderen. Bassant beschrijft hoe Brouwer (1898 – 1943) het zich laat aanleunen door de Spaanse regeringsleider tot de grootste schrijvers van de wereld gerekend te worden, terwijl hij in gedachten zijn vakbroeders opnoemt die op het congres ontbreken; Menno ter Braak, Virginia Woolf, James Joyce, Jorge Luis Borges.

Of Ernest Hemmingway op het congres aanwezig was, heb ik niet kunnen achterhalen, maar ik weet wel dat de auteur van A farewell to arms in de zomer van 1937 op het Iberisch schiereiland was. Bassant beschrijft een bezoek van Hem aan het front waar de schrijver een pantsertruck krijgt te zien met een enorme luidspreker. Het oorlogstuig is bedoeld om met toespraken van La Passionaria, de charismatische communistische voorvrouw Dolores Ibárruri Gómez, de troepen een hart onder de riem te steken en de vijand te demoraliseren.

Als Hemmingway vervolgens zijn stem over de loopgraven laat schallen, slaat vlak achter de pantsertruck een granaat in. Als het stof weer is neergedaald, komt de schrijver uit de wagen tevoorschijn. Zijn bril is gebarsten, maar zijn duiding van wat hem is overkomen, laat aan helderheid niets te wensen over: Goeiemegranes! Een aanslag op het vrije woord! Vuile Moorse stuipenkoppen, achterlijke rechtse galftrekkers! Ze vrezen mijn speech, die katholieke ongeletterde smeerotsers. Godskrommeneie, zo denken ze dus met me om te gaan! Ongeletterde bokkenezen! Ik zal ze de flanken smeren, de laffe kapitalistische kaffers!.

Wat mij doet vermoeden dat Hemmingway, of toch tenminste Patrick Bassant, bekend is met het werk van Hergé (1907 – 1983) en diens personage kapitein Haddock.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Een betere burger

In de post van zeventien juli op zijn blog De Nieuwe Contrabas neemt Chrétien Breukers ons mee terug naar de jaren tachtig en negentig. Er klinkt weemoed door in zijn herinneringen aan de boekenbijlagen van De Volkskrant, NRC/Handelsblad, Trouw en Het Parool die hij elke vrijdag en zaterdag verslond; aan het ongeduldige wachten bij de kiosk op donderdag tot Vrij Nederland er was met de bijlage De Republiek der Letteren. En hij was de enige niet. De rest van het weekend werd er met de jongens (in de herinnering van Breukers waren het vooral jongens) diepgaand over gedebatteerd. ‘Titaantjes in spe’, noemt hij ze, want Nescio (1882 – 1962) is nooit ver weg.

Wat nu weemoed van het wachten op de weekendkranten? Nu is er internet en kunnen we waar en wanneer we maar willen kennis nemen van het laatste literaire nieuws op de sites van uitgeverijen, sociale media of gespecialiseerde podcasts als Boeken FM en Tzumcast.

Maar Breuker bedoelt iets anders: Wat me wel zorgen baart, soms, is de manier waarop de literatuur zich in het verdomhoekje heeft laten duwen, na een bloeiperiode die begon na de Tweede Wereldoorlog en  ergens aan het eind van de vorige eeuw definitief ten einde liep. Hoe kon het gebeuren dat een kunstvorm zo gemakkelijk afstand deed van zijn maatschappelijke relevantie?

In het vraaggesprek dat Jelle van Baardewijk (1982) voor het platform De Nieuwe Wereld een maand geleden voerde met schrijver en adjunct-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer Joost de Vries (1983), komen een aantal antwoorden op deze vraag langs. Zo is er meer concurrentie. In Amsterdam zijn er tweehonderd theaters, op televisie kun je naar meer dan honderd kanalen kijken. De culturele piramide die ooit door de grote drie werd aangevoerd, is afgevlakt. De Vries daagt zijn ondervrager uit de grote drie van nu te noemen. Zelf komt hij met Beyoncé, die hij gelijk hors categorie verklaart. Van Baardewijk moet aan Matthijs van Nieuwkerk denken en daarna valt de naam van Linda de Mol.

De Vries voert aan dat eertijds auteurs ambtenaar, diplomaat of arts waren en midden in het maatschappelijk debat stonden, terwijl nu het gemeenschappelijk frame is versnipperd, verbubbeld en verliteratuurd.

Waarom is het auteurschap zo uitgehold geraakt, dat auteurs alleen nog gezien en gelezen worden als ze zich als clown opstellen?, sombert Breukers voort. Volgens De Vries komt het omdat belezenheid en pretentie de afgelopen jaren in een kwaad daglicht zijn komen te staan. Ze zijn synoniem geworden aan snobisme en arrogantie. En, voegt hij eraan toe, dat zou wel eens te maken kunnen hebben met het gegeven dat literatuur nu eenmaal moeilijker toegankelijk is dan film, een tv-show of populaire muziek.

Breukers begint zijn post van vier augustus als volgt: Mijn naam is Chrétien Breukers, ik ben 55 jaar oud en ik lees. Dat doe ik al bijna mijn hele leven en ik ben er geen beter mens van geworden. In het vervolg neemt hij een onderzoek van KVB boekwerk, het wetenschappelijk bureau van het boekenvak, op de korrel dat onder de titel De impact van het boek, het belang van het boek en de boekhandel voor mens, maatschappij en economie in het voorjaar van 2019 verscheen. Uit het onderzoek blijkt dat lezen goed is voor mensen, dat ze er een betere burger en een betere werknemer van worden en zelfs gezonder. Voorts draagt de boekhandel en de bibliotheek bij aan de sociale cohesie en mag ook de economische bijdrage van de hele keten, van schrijver tot lezer/schouwburgbezoeker niet onderschat worden.

Breuker moet er niets van hebben. Als mensen politiek gaan bedrijven met het lezen, en met de handel die rond het lezen van boeken is opgetuigd, en als mensen het lezen gaan inzetten als een instrument waarmee je ideologie bedrijft, kun je maar beter oppassen., schrijft hij. Lezen om een beter en gezonder mens te worden of omdat het beter is voor de buurt, is hem een gruwel. Lezen biedt me een vrijplaats, waar ik kan experimenteren met wat ik denk, durf te denken, ooit zou kunnen denken. Lezen is voor Breukers anarchistisch of in elk geval experimenteel gedrag.

Ik stel vast dat de blogger van De Nieuwe Contrabas een andere persoon is dan de ongeduldige kioskbezoeker uit zijn herinneringen aan de vorige eeuw. Waar de laatste hoopte dat iets van het belang en gewicht van de literatuur met een hoofdletter zou afstralen op de lezer, bewaakt de eerste angstvallig de vrijheid om te lezen en niet te lezen wat hij wil.

Zodat het de eigenwijze lezer is, die de maatschappelijke relevantie van de literatuur heeft ondermijnd.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Valsheid in geschrifte

Ze zeggen dat er boeken zijn die zichzelf schrijven. Ik heb moeite om dat te geloven. Maar als ze bestaan, dan zijn het boeken waarin de hoofdpersoon de pen ter hand neemt en de auteur werkeloos achterlaat. ‘Ik ben makelaar in koffij, en woon op de Lauriergracht, No 37. Het is mijne gewoonte niet romans te schrijven of zulke dingen …’, begint Batavus Droogstoppel ‘Max Havelaar of de koffij-veilingen der nederlandsche Handelmaatschappij’ van Multatuli. Douwes Dekker (1820 – 1887) had aan Batavus Droogstoppel niet genoeg. Om hem van stof te voorzien was een pak van Sjaalman nodig, en om die stof te verwerken en te ordenen de nijvere arbeid van Stern. En nog zou het werk niet tot een goed einde komen als Multatuli zelf niet drie pagina’s voor het slot had ingegrepen: ‘Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en Godslasterlijke femelarij! Ik heb u geschapen,…. gij zijt opgegroeid tot een monster onder mijne pen,…. ik walg van mijn eigen maaksel,…. stik in koffij, en verdwijn!’

Nee, dan had Pieter Waterdrinker (1961) meer geluk met de hoofdpersoon van zijn recent verschenen boek De rat van Amsterdam. Ik ben Ruben Ivanovitsj Katz, verwekt en geboren in het roemruchte, in de zwarte mistflarden van de geschiedenis ten onder gegane Sovjetrijk. Let, Rus, Jood – in de loop der jaren hebben ze me van alles genoemd, mijn dierbare landgenoten, stelt hij zichzelf voor in de eerste twee zinnen van het boek. Ruben Katz was het kind van een onderwijzersechtpaar, zijn moeder gaf biologie, zijn vader doceerde Duits en dweept met Goethe.

Vanaf zijn zesde jaar las hij alles wat los en vast zit. Als hij tegen zijn veertigste levensjaar de pen ter hand neemt, weet hij precies wat hij wel en niet wil. God beware ons voor de romannetjes! Voor het maandverbandproza, het eliteproza, het boerenzonen- en dochterproza, het feministenproza, het esoterische proza, het niet-westerse migrantenproza, het blanke middenstandsproza, het politieke proza, de literaire verheerlijkers van de natuur, van de heren- en de vrouwenliefde, wier kongsi’s doorlopen tot in de hoogste regionen van de cultuur en de politiek; van de valse exegeten van de Bijbel, de Koran, de zweverige yogatroep uit het Verre Oosten, de zelfbenoemde evangelisten van de voortreffelijke Erasmus. Ik heb me er altijd verre van gehouden, terwijl ik toch door de literatuur ben geschoold. Ja, ik ben een zoon van de letteren.

Dat proza.

Net als elke andere menselijke activiteit behoeft het schrijven motief, middel en gelegenheid. Om met die laatste te beginnen, Katz schrijft het boek (592 pagina’s) in vier maanden in de gevangenis waar hij een straf uitzat na een veroordeling voor – hoe kan het ook anders – valsheid in geschrifte. De middelen worden hem ruimhartig ter beschikking gesteld door de penitentiaire inrichting: schriften, vulpennen en inktpatronen van de HEMA, blanco A-viertjes uit de lade van het kopieerapparaat.

Het motief is een ingewikkelder verhaal.

Een van de bewakers ried hem aan alles eens op te schrijven, om zo met zichzelf in het reine te komen. Katz twijfelt aan de onbaatzuchtigheid van de bedoelingen van zijn bewaarder en neemt zich voor de inhoud van zijn memoires strikt geheim te houden. Dan trekt hij zijn zevenmijlslaarzen aan en voert de lezer van Riga langs Weimar en Gronau naar Amsterdam. Via Merel van Gruwelingen maakt hij kennis met het verdienmodel van de Nationale Armenloterij, door Phaedra Mudmann, het mooiste meisje van de klas, raakt hij betrokken bij het Siberisch front. Als zij in het Baikalmeer bij Irkoetsk om het leven komt is Ruben Katz een van de weinige getuigen.

Katz verklaart: Zo is het gebeurd en daarom schrijf ik het ook zo op.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen

Amazone

Eind mei kon ik haar feliciteren, omdat ze geslaagd was voor haar havo-examen. Ik maakte verbinding via Microsoft teams. Toen het beeld openbrak, was het eerste dat ik zag de smetteloos blauwe hemel die de eerste golf van de pandemie overkoepelde. Daarvoor haar torso, haar hoofd, haar lange blonde haren, ze had een cap op haar hoofd. In haar linkerhand hield ze de leidsels losjes vast. Ik heb het paard ook gefeliciteerd met de prestatie van zijn amazone. Met haar telefoon liet ze het hoofd van het dier zien dat onrustig schudde. Ze had geen hand meer over om het gerust te stellen met klopjes op de hals.

Na de eerste periode van tien weken van het schooljaar zag het er niet naar uit dat ze zou slagen. Drie, vier onvoldoendes op het rapport, achterstanden bij verscheidene vakken. Tijdens de ouderavond van achtentwintig november maakten de afdelingsleider en ik tijd vrij om met haar en haar ouders de perspectieven en mogelijkheden door te nemen. In de aanwezigheid van haar vader en moeder was ze ineens een kind. Ik zag het en het verwarde me. Haar was de gave van het woord niet gegeven. Ze sprak stamelend en met alles wat ze zei kwam een verontschuldiging mee. Ze was behept met die moeilijke combinatie van eigenschappen als schoonheid, trots en schaamte die op buitenstaanders gemakkelijk de indruk van hoogmoed wekt. We werden het eens dat het geen diepe onvoldoendes waren, dat het allemaal nog mogelijk was en concludeerden dat het aankwam op vertrouwen en ondersteuning van onze kant en discipline en doorzettingsvermogen van de hare.

Ingmar Heytze heeft er een gedicht over geschreven dat De mooiste meisjes heet en begint met de regels: De mooiste meisjes hebben nooit gevraagd / te worden opgesloten in kerkers van perzikhuid. / Ze rammelen bevallig aan hun gouden tralies / en ze zingen: ‘Wij hebben hier niets aan gedaan ! (…)

En warempel, het hielp. Het schoolexamen tekstbegrip, spellen en formuleren, waarvoor ze aanvankelijk een drie had gescoord, wist ze in de herkansing te verbeteren tot een zes. Later in het jaar was haar opdracht gedocumenteerd schrijven een zeven waard en voor haar mondeling schoolexamen letterkunde mocht ik haar een zesenhalf geven. Op haar rapport verdwijnen een voor een de rode cijfers.

Dat het haar niet gemakkelijk afgaat, kom ik te weten als ik haar spreek via het computerscherm. Het is eind maart en we zijn inmiddels een week of twee van school verbannen en aan huis gekluisterd. De minister heeft besloten dat het eindexamen dit jaar niet door zal gaan. Iedereen doet het voorkomen dat ik mijn diploma gratis bij een pakje boter krijg, zegt ze, terwijl ik net als iedereen vijf jaar op school heb gezeten. Daarna treurt ze om de feestjes die door de pandemie allemaal niet doorgaan.

De meisjes van Ingmar Heytze vervolgen hun zang: Dit is een list van de natuur, / de gave is aan ons verspild, wij zijn sirenen van de genen, zo volkomen ongewild – ‘

Als ze afgelopen woensdag haar havodiploma in ontvangst heeft genomen en het  fotomoment heeft doorstaan, staat ze plotseling voor me, veel dichterbij dan anderhalve meter. Weer moet ik tegen  haar op kijken, ze is een kop groter dan ik en heeft een strak gesneden zwart jurkje aan dat haar armen en benen bloot laat. Haar voeten verdwijnen in ongemakkelijke pumps met hakken waaraan geen einde komt. Ze begint: Meneer Van Lieshout, ik wilde u nog zeggen …

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen