Stemmen

Er is nog een herinnering. Het tafereel was te weinig spectaculair om er een foto van te maken, ik zal het dus wel echt hebben beleefd. Het was een doordeweekse dag en ik was juist uit bed, scharrelde in mijn pyjama door het huis en het vreemde was dat mijn vader niet naar zijn werk was. In plaats daar van maakte hij zich in zijn goede goed klaar om op reis te gaan. Mijn moeder verschikte de knoop van zijn das en drukte hem een kus op zijn mond. Friesland was de bestemming en in mijn kleine hoofd openden zich horizonten van verten die ik mij niet kon voorstellen. Rusland, Finland, Groenland, IJsland, Duitsland. Mijn vader was trouwens dezelfde avond alweer thuis.

Mijn wereld was niet groter dan de weilanden om het huis waar het bruine paard van boer Vos graasde, daarachter de IJweg tot de dijk en de ringvaart. Ik was vast wel eens in Haarlem geweest of in Amsterdam, Zandvoort misschien, met de blauwe tram, met mijn ouders naar zee als het zomer was. Maar het strand was al zo onmetelijk dat ik aan de zee niet ben toegekomen. Alleen de zon en de wind.

Europa opende zich eerst op papier. Door de ogen van Eline Vere beschouwde ik Brussel en meende dat het een nerveuze stad moest zijn. Langs lijnen van geleidelijkheid proefde ik voor het eerst de smaak van Italië. Couperus (1863 – 1923) maakte me met zijn romans en zijn feuilletons wegwijs in het continent waar ik woonde.

De slakken van Canet d’Olt, de schelmenroman van Ben Borgart (1940 – 2016) uit de jaren zeventig, herinnerde me aan een treinreis per interrail door Frankrijk. Parijs, Valence, Vezelay, Le Puy-en-Velay, tot aan de intens paarse lavendelvlaktes bij Montelimar. Ik maakte kennis met Spanje door Het bloed in onze aderen van Miquel Bulnes (1976) en het verlangen naar Lissabon werd gewekt door de poëzie van Slauerhoff (1898 – 1936).

Harry Mulisch (1927 – 2010) schiep Dresden in Het stenen bruidsbed en Cees Nooteboom (1933) herbouwde Berlijn in Allerzielen. Van wat zich aan gene zijde van de Oder bevond, kreeg ik een indruk uit het verhaal De autostrade van H.C. ten Berge (1938): In de verte, gekromd in wind en regen stak een schapenhoedster over met haar kudde. Herkenbaar aan de hoge breedgerande hoed, de stok regelmatig verplaatsend liep ze – vergroeid met de schonkige gang van haar vrienden – naast die met modder en stront besmeurde wollen troep die over de weg het ochtendlijk en schoongewassen veld in rolde. Lange strogele vlechten hingen naast haar gezicht. Het was 5 uur in de morgen.

De Balkan bleef Het land achter gods rug van A. den Doolaard (1901 – 1994), maar door De Spelers van Manon Uphoff (1962) kreeg Sarajevo een gezicht en De Pelikaan van Martin Michael Driessen (1954) confronteerde me met de gevolgen van de burgeroorlog in Kroatië. De dagboeknotities van Kees Buddingh’ (1918 – 1985) brachten voor mij het Verenigd Koninkrijk tot leven. De dagboeknotities en zijn Ode aan de Yorkshire Daleshet stukje Engeland tussen / Ingelton en Leyburn, Grassington en Hawes – / met de onsterfelijke regels: O, ezeltjes van Arncliffe, wanneer zal ik jullie / weer op je green zien staan grazen?, maken de gedachte aan een Brexit onverdraaglijk.  

Ik open mijn stembiljet. Op welke lijst staan mijn kameraden? Welk hokje moet ik rood kleuren om een eind te maken aan uitbuiting en onderdrukking?

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Pak pen

Omdat we het wiel niet zelf opnieuw wilden uitvinden, hadden we een dichter uitgenodigd. En niet zomaar een. In 2012 won ze de C.Buddingh’-prijs. Ze schrijft waterpsalmen: ‘De vader bidt vaak voor zijn aardappels / met vlees. Hij heeft vooraf graag een citaat // en houdt van Noach. Met de dieren naar een plek / waar niets meer vloeit. //. Misschien is ‘jas’ haar lievelingswoord, want dat komt in haar laatste bundel twee keer voor in de titels van de gedichten.

Ze had me een hand-out gemaild met het verzoek om die te vermenigvuldigen ten behoeve van de workshop die ze voor de leerlingen van vier havo zou verzorgen. Daar was ik bij de fotokopieermachine mee bezig, toen ze met uitgestoken hand op me toe kwam. De garderobe, de koffieautomaat, we zaten aan de grote tafel in de personeelskamer, haar blik dwaalde door de ruimte, terwijl ik het dagprogramma resumeerde. Ze vroeg: wat lezen scholieren van tegenwoordig nu zoal?

Het gouden ei, is nog altijd favoriet en uit de boekenkast van hun ouders: Turks Fruit, al is dat boek  niet langer een kritiek op burgerlijkheid en een hooglied van de vrijheid, maar een inkijkje in de bandeloosheid van een vorige generatie. Gelukkig vond ik op de leeslijsten van de afgelopen twee jaar ook De Consequenties van Niña Weijers (1987). Bij die laatste naam veerde mijn gesprekspartner op. Weijers was een goede vriendin, of ik wist dat volgende maand haar tweede boek verschijnt? Ik wist het: Kamers antikamers, Spannend, want een tweede boek schrijven is moeilijker dan een eerste boek.

De naam van Peter Buwalda viel. Zij was halverwege in Otmars zonen, de opvolger van Bonita Avenue lag op het andere bureau, dat van de boeken die je niet voor je werk leest. Ik vertelde dat ik juist Vallen is vliegen had uitgelezen, de horrorroman over incest van Manon Uphoff (1962), die me bij de keel had gegrepen. Of ik er iets mee zou kunnen voor de klas, was de vraag. Ja, dolgraag, maar ik weet nog niet hoe.

Ik ging naar het Amstelhotel voor de uitreiking van de Libris literatuurprijs, maar ik was niet uitgenodigd, vertelt ze terwijl we naar het lokaal lopen, toen heb ik gezegd dat ik de dochter van Manon Uphoff was. Tijdens de workshop vraagt ze mij de ogen te sluiten, terwijl ze aan mijn leerlingen vraagt wie er wel eens heeft gelogen tegen de docent. Daarna krijgt iedereen de opdracht twee beweringen over zichzelf te doen waarvan er een waar is en een niet.

Ook vraagt ze ons in drie minuten alle woorden op te schrijven die ons te binnen schieten bij het woord Oorlog en als de drie minuten voorbij zijn, zegt ze: Pak pen en moeten we een tekst schrijven die over Oorlog gaat, maar waarin de woorden die we zojuist hebben verzameld niet mogen voorkomen en het woord jas moet er wel in staan.

ik dacht aan de muntjes / die we in een put wierpen // om je wensen te laten ontkomen / komt het steeds op hetzelfde neer // je wilt iets verlaten / en gooit het op water //

Ik denk niet dat de moeder van onze gast Manon Uphoff is.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | 1 reactie

Geeltje

Zit er, verdikkeme nog aan toe, één op een flesje water te meppen met ‘De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten’ van Ilja Leonard Pfeijffer (1968). Het bonkt en klotst, de flacon  kreunt onder het gewicht van de gebonden bloemlezing van ruim veertienhonderd bladzijden. Het boekblok kraakt in de kaft, de rug houdt zich met moeite recht, het blauwe leeslint zwaait wanhopig achter het geweld aan. ‘Waar ben je mee bezig?’, roep ik uit, ‘ik heb je dat boek te leen gegeven. Als ik wilde dat je zou timmeren, had ik je wel een hamer verstrekt!’ Dan is het stil.

Een paar tafels verderop is de bloemlezing Is dit genoeg, een stuk of wat gedichten van C. Buddingh’ en Eddy van Vliet opengevallen. Meneer, kunt u dit gedicht uitleggen? Ik volg de vinger die naar de bladzijde wijst. Ach, Hans Vlek, schiet het door me heen, omdat ik me de verzuchting van Buddingh’ herinner die hij op 19 juni 1985 in zijn dagboek noteerde: Wat is er met hem toch een prachtig dichter verloren gegaan. Die verdomde drugs hebben de Nederlandse poëzie wie weet hoeveel schitterende gedichten ontstolen. Hans Vlek heeft daarna nog vijf bundels gepubliceerd en een optreden verzorgd op Poetry Internatial dat door collega-dichter Simon Vinkenoog (1928 – 2009) werd geprezen als ontstellend, indrukwekkend, verwarrend en uniek. Buddingh’ overleed hetzelfde jaar, maar hij had gelijk dat het beste van Vlek in de jaren zestig en zeventig ontstond.

Mijn maat heet het gedicht waar de vinger naar wijst: Tussen het werk door draaien we / een zware of praten wat / over Sparta, mijn maat en ik / Zijn stopwoord is een woord dat ik / op muren schreef // Koude thee uit / limonadeflessen / achttien jaar lang voor / zes geeltjes per week- / een neger zou de blues uitvinden // Het is het n-woord uit de laatste regel dat de aandacht heeft getrokken.

Ik haast me om te verklaren dat de gevoelswaarde van dat woord vijftig jaar geleden een heel andere was dan nu, maar daarmee zijn niet alle problemen met dit vers uit de wereld. Dat Sparta de Rotterdamse voetbalclub is die het kasteel bespeelt, weten we. Een zware draaien, komt uit de tijd dat mensen nog rookten. Dat er in vijftig jaar niet zoveel veranderd is in schuttingwoorden en stopwoordjes, nemen ze van me aan. Maar waar de koude thee uit limonadeflessen ineens vandaan komt, is hun, die soms wel twee keer per les vragen of ze hun flesje mogen vullen, een raadsel.

Een geeltje is geen zelfklevend Post-it-papiertje, maar vijfentwintig gulden. Het zegt hun niets. De rekenmachine komt er aan te pas om duidelijk te maken dat we het hebben over € 11,35. Achtenzestig euro in de week. Ik heb niet gevraagd wat zij in de supermarkt verdienen. Het kost meer tijd om erachter te komen wat blues is.

Blijft over de titel. Welke van de mogelijke betekenissen zullen we kiezen? Het blijft even stil voor het aarzelend vragende antwoord komt. Hoe groot je kleren zijn?

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | 1 reactie

Het S-woord

Zestien mei aanstaande wordt in de Amsterdamse Balie voor de twintigste keer de Jan Hanlo Essayprijs uitgereikt. Simone van Saarloos, Jan Postma, Kester Freriks, Carolina Trujillo, Thomas Heerma van Voss en Marja Pruis zijn de genomineerden die nog twee weken in spanning moeten wachten voor juryvoorzitter Mirjam van Hengel de winnaar bekend maakt. De Groene Amsterdammer stelde in samenwerking met de organisatie van de essayprijs een magazine samen waarin prijswinnaars en genomineerden van de voorbije jaren hun licht laten schijnen over het essay.

Een goede inleiding trekt de aandacht van de lezer en geeft aan waarover de tekst gaat, leert Nieuw Nederlands de methode voor moedertaalonderwijs in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Het onderwerp van de tekst wordt in het middenstuk uitgewerkt in deelonderwerpen, gaat de instructie verder. Dan volgt de opdracht om het deelonderwerp uit te werken in twee alinea’s en die met behulp van een signaalwoord met elkaar te verbinden.

Isabelle Orthel en Tim Spade hebben zich ten doel gesteld het ultieme boek te schrijven over olie. Ik wil geen boekje, Tim. Ik wil een boek waarin de olie je op je bek timmert, geopolitiek, technisch, maar vooral psychologisch. Een boek over de speen waaraan de mensheid hangt als een slachtvarken. Als je het mij vraagt willen wij een slurpende vertelling over brandstof in de éénentwintigste eeuw. Ik ben inmiddels flink gevorderd in Otmars zonen, de langverwachte opvolger van Bonita Avenue van Peter Buwalda (1971). De twee co-auteurs hebben in Spades appartement in Londen afgesproken om elkaars concepthoofdstukken te lezen. Naarmate Orthel vordert in de hoofdstukken die Spade geschreven heeft, dooft haar enthousiasme. De oordelen over de tekst die ze onder handen heeft groeien langzaam uit tot precies het tegenovergestelde van de poëtica die haar voor ogen staat voor hun slurpende vertelling. Een brakke sliert anekdotes, vlak van taal, aanwijsbare momenten waarop hij zich drukte zodra het een beetje ingewikkeld werd. Ze onderstreepte de keren dat hij olie ‘het zwarte goud’ noemde. Als ze de hoofdstukken uit heeft deelt ze Spade mee dat er in zijn tekst nog veel moest gebeuren, stilistisch.

Ik denk dat iedereen er zelf achter moet komen wat schrijven is. Je kunt iemand regels en tips geven, maar zolang je zelf niet al schrijvende de noodzaak voelt om iets onder woorden te brengen, een alternatief te zoeken, een oplossing voor een probleem te vinden, zullen de regels abstract blijven en in feite niet toepasbaar. Zo opent Marja Pruis (1959) haar bijdrage aan het magazine.

Orthel heeft voor het boek de leider van het Shell-imperium in Nigeria aan de tand gevoeld, maar wat ze daarover heeft opgeschreven kan Spade niet overtuigen. Waarover ik nadenk  zijn de methodes die jij erop na houdt., gaat hij in de tegenaanval. Orthel heeft zich voorgedaan als modejournaliste om op die manier het vertrouwen te winnen van de oliemagnaat. Spade staat een benadering voor met open vizier. Misschien stoort het feit dat Orthel hem daarover niet van te voren heeft ingelicht hem nog het meest. Undercoverjournalistiek is een vorm van bedrog – altijd.

Zet de dingen maar naast elkaar zonder telkens expliciet een bruggetje te maken. Laat de lezer het genoegen de onverwachte verbinding te leggen die jij onder je tekst hebt aangebracht door zaken samen te brengen., tipt Marja Pruis.

Tot ook het laatste signaalwoord is gedoofd.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Een kikker boven een vraagteken

We benutten de meivakantie om een oude belofte in te lossen. Het is wisselend bewolkt met brede opklaringen. Niet te koud en niet te warm, juist goed voor een bezoek aan de Waalse provincieplaats Namen. De Tom-tom leidt ons eenvoudig de stad in naar de Sint Albanuskathedraal, waar we een van de laatst overgebleven parkeerplaatsen vinden. Christus en vier apostelen zien vanuit de hoogte toe op onze bijzondere verrichtingen.

Een kleine twintig jaar geleden waren we er ook. Negentien augustus 2000, om precies te zijn. Het museum Félicien Rops werd verbouwd, de vaste collectie was goeddeels achter slot en grendel geborgen. We kochten een toegangsbewijs voor honderd francs en betraden het herenhuis aan de Rue Fumal. Er hing een aantal riviergezichten met roeiboten; niet bepaald waar men voor komt als men benieuwd is naar het werk van de grote Belgische etser, karikaturist, vrijdenker, illustrator en pornosoof, al mogen we niet vergeten dat Rops ook de drijvende kracht was van de Royal club nautique van Sambre-et-Meuse, voor welke club hij ook wedstrijden heeft geroeid. Nauwelijks een kwartier later verlieten we teleurgesteld het museum. We zouden een andere keer wel eens terugkomen.

Nu staan we voor Satan semant l’ivraie, Satan zaait het raaigras, een heliogravure uit de reeks Les Sataniques uit 1882. De duivel is een reusachtige man, zo mager als een skelet met een grote zwarte hoed op zijn doodshoofd. Zijn pose herinnert aan de beroemde reclame van Turkenburg zaden uit Bodegraven, zoals die tot 1970 overal in het land op emaillen borden te zien was. De zaaier van Rops strooit het kwaad in de vorm van vrouwen over zijn akker: de stad Parijs. De horizon is op ongeveer een derde van de onderkant getrokken, de linkerklomp van de duivel stapt juist op de twee torens van de Notre Dame terwijl de rechterklomp loskomt uit het Quartier Latin aan de andere kant van de Seine. Dus zo is de Franse hoofdstad aan haar reputatie van lichtzinnigheid gekomen.

Rops was er dol op. Hij had zich er in 1874, in zijn eenenveertigste levensjaar, voorgoed gevestigd en genoot van de metropool, de veelheid aan indrukken, de moderniteit. Hij sloot vriendschap met de fotografen Felix Nadar en Etienne Carjat, en maakte het vluchtige van het stadse leven tot het onderwerp van zijn schetsen: scènes uit het uitgaansleven, het theater, de café’s. Parijs klauwt zich van alle kanten aan je vast en je kan deze duivelse stad nooit verlaten, schrijft hij aan zijn vriend Edmond Carlier.

Kort daarna verliest hij zijn belangstelling voor de Parijse achterbuurten om in de vorm van de allegorie in te zoomen op het belangrijkste personage ervan, de vrouw als personificatie van het kwaad. Rops vervaardigt een serie van vier prenten met de titel Les Dames au pantin, de dames met de marionet. De eerste is nog vrij onschuldig; een verleidelijke vrouw in uitgaanskleren houdt een ledepop in haar linkerhand. Ze kijkt hem aan met de blik van een overwinnares. Op de tweede versie staat de vrouw met ontblote borsten aan een altaar. Uit de buik van de trekpop rollen goudstukken in een schaal. Op het altaar staat: Ecce Homo, zie de mens. Op versie drie staat de vrouw bij een waterbekken waar een slang om kronkelt. De harlekijn spartelt nu in de opgeheven rechterhand . In haar linkerhand draagt de vrouw een bebloed mes. Aan de voet van het bekken zit een nar met een macabere zotskolf, de waanzin en de dood. Vrouw, bekken en figuranten bevinden zich op een verhoging met een bas-relief, waarop in kapitalen staat ubi mulier, waar is de vrouw? Een trede lager zit doodstil een kikker boven een vraagteken.

De man is de trekpop van de vrouw, de vrouw het instrument van de duivel. Ingewikkelder was de wereld nog niet.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Acuut en kniediep

Het is beter behoedzaamheid te betrachten bij het spreken over poëzie in vier havo. Er misschien nog niet over beginnen. Bijvoorbeeld hen eerst te herinneren aan de opdracht om boek drie en vier van de leeslijst van acht titels, in duo’s te lezen, elkaar daarover een brief te schrijven en daarna te reageren op de ontvangen brief. Ik heb het nog niet gezegd of iemand steekt een vinger omhoog. Dat er een oneven aantal leerlingen in de klas zit. ‘Geeft niets’, antwoord ik, ‘doen we één triootje’. Uit het besmuikt gegiechel maak ik op dat mijn boodschap is overgekomen en dat de jongelui, zonder dat misschien zelf te willen weten, bekend zijn met het gebruik van dat woord in andere contexten.

De eerste keer dat de vuurwerkramp in Enschede van dertien mei 2000 opdook in de Nederlandse literatuur, was in Bonita Avenue van Peter Buwalda (1971). De eerste Nederlandstalige roman waar een auto in rondreed was De boeken der kleine zielen van Louis Couperus (1863 – 1923): Maar den volgenden morgen, heel vroeg, in den mistigen wintermorgen, daar hotste de ‘kachel’ poeffende en puffende en kanonknallende aan over de Kerkhoflaan, en hield stil voor Van der Welcke’s deur, met nerveuze longschokken nazuchtende als om van vermoeienis op adem te komen, en dit vehikel als van levend en ademend ijzer, in zijn essence-stank, die als was de zure lucht van zijn zweet, verzamelde een groepje slagersjongens en sina’s-appelen-joden rondom zich heen.

Ik was bezig in het laatste deel van de roman Drift van Bregje Hofstede (1988) en kon mijn klas vertellen dat dat boek, bij mijn weten, de eerste Nederlandstalige literaire roman is waarin een trio wordt beschreven. Hoofdpersoon Bregje leidt het in met de zin: Af en toe heb ik een vreemde roekeloosheid, en noteert tegen het einde van het hoofdstuk in haar dagboek: Goh. Ik had gedacht dat ik me een heel ander mens zou voelen. Ervarener en ergens van bevrijd. Is dat zo? Moeilijk vast te stellen. Ik voel me brak, in elk geval.

Ondertussen zijn er twee kratjes met de poëziebloemlezing Domweg gelukkig in de Dapperstraat op tafel gekomen, en een doosje bundels met gedichten uit de mediatheek van Judith Herzberg, Hendrik Marsman, Simon Vinkenoog, Neeltje Maria Min, Levi Weemoedt, Cornelis Paradijs – Meneer, waarom hebben dichters van die rare namen? – Rutger Kopland, Vasalis en anderen. In mijn tas heb ik nog de recente bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer, de opvolger van de dikke Komrij, de onvolprezen Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, thematisch gebloemleesd door C. Buddingh’ en Eddy van Vliet, en, voor de broodnodige levende dichters, een aflevering van Het liegend konijn, met daarin het gedicht Dingen gebeuren van Tina van Baaren (1958): je kunt altijd bij toeval ergens terecht komen / in de shit bijvoorbeeld acuut en kniediep en steeds / zijn er drie opties: vechten vluchten verstijven / . We gaan in groepjes van twee of drie of vier een magazine maken waarin we per leerling zes zelfgekozen gedichten presenteren.

Als iedereen met een bundel of een bloemlezing naar zijn plaats is teruggekeerd blijft er één leerling achter. Tussen de overgebleven werken vindt hij niet wat hij zoekt. Ook niet onder andere boeken op de bodem van het krat, in een hoekje van de doos of verstopt achter Het liegend konijn.

Drift zit er niet tussen.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Opsporingsbericht

Astrid kijkt naar haar telefoon die in het bad van Louis is gevallen. Ze belde met een klant toen het apparaat na een onverwachte beweging van haar vijfjarig zoontje waarbij water over de rand klotste, uit haar hand viel. Terwijl het kind verder speelt, verlaat Astrid de badkamer, zoekt haar rijbewijs en de autosleutels en slaat de huisdeur achter zich dicht. ‘Het was een late middag met witte wolken tegen een blauwe hemel. De lange straat maakte een flauwe bocht door de villawijk, bij het kruispunt op het eind waren de verkeerslichten groen. Ik schakelde en gaf gas. De weg voor me was vrij.’

Als Andrea, 43 jaar, op Schiphol is aangekomen voor haar vlucht naar Finland, waar ze is uitgenodigd voor een congres, wordt haar duidelijk dat ze het vliegtuig zonder haar zal laten vertrekken. Ze verschanst zich op de wc en besluit haar collega’s in Helsinki te laten weten dat ze door de griep geveld is en, hoezeer het haar ook spijt, verstek moet laten gaan. Ik blijf net zo lang op de wc zitten tot ik geen stemmen meer hoor en ook geen geluiden op de andere toiletten. Dan doe ik het slot van de deur. Met de rolkoffer achter me aan, mijn schoudertasje in mijn hand, loop ik voorzichtig, voetje voor voetje, naar de wasbakken. Koud water glijdt langs mijn polsen. Als ik vooroverbuig om mijn gezicht wat op te frissen, ontmoet ik mezelf even in de spiegel. Later op de dag stuurt ze haar man een berichtje dat ze behouden is aangekomen in het hoge noorden.

Astrid volgt de snelwegen zonder doel en zonder erbij na te denken. Ze belandt bij een oude vriendin en begint een affaire  met een fotograaf die ze op een feest ontmoet. Op de televisie van haar demente vader, ziet ze een foto die ze herkent. Het was een afbeelding van een vrouw op een winters strand. Onder de foto stonden het telefoonnummer en de website van de federale politie, het ging om een opsporingsbericht. Mijn blik haakte zich vast en toen wist ik wie het was, waar het was en wanneer, en het voelde of ik uit mijn lichaam viel.

Andrea is de hoofdpersoon van Onderdak van Elisabeth van Nimwegen (1976), Astrid die van Patricia de recentste roman van Peter Terrin (1968). Twee vrouwen die zonder aanleiding, man en kind verlaten. Allebei gebruiken ze vervolgens de herwonnen vrijheid om toeschouwer te worden van hun eigen leven. Ze brengen stiekem bliksembezoekjes aan huis om te douchen, om van kleren te wisselen, maar vooral om een glimp op te vangen van wie ze kort tevoren waren.

Welp is een stuk jonger. Ze zit nog op de basisschool als ze de wekker van haar mobiel om half drie ’s ochtends zet. Zodra ze die hoort, springt ze uit bed en verzamelt op kousenvoeten haar noodpakket: batterijen, waxinelichtjes, pasta, blikjes tomaten, flessen water. Ook Felis, de kat gaat mee, en de kattenbak, en natuurlijk de sleutels en de reservesleutels van het busje. Alles wat ze nodig heeft brengt ze naar binnen. Als alles klaar is, sluit ik de autodeur en trek de knopjes van het slot omhoog. De klik komt van vier kanten.

Als haar ouders de volgende ochtend voor de ruiten van de kleine camper verschijnen, houdt ze een papier omhoog waarop in grote letters staat: ik wil niet meer naar school. Voor de overige vragen van haar ouders heeft ze een papier klaar waar NEE op staat.

De lezers van Drift van Bregje Hofstede (1988) krijgen twee romans voor de prijs van een, want in Drift staat ook de complete roman De welp die is geschreven door Bregje, de hoofdpersoon van Drift.

Drie vrouwen van papier op het punt van verdwijnen tussen nergens en hier.

Zorgelijk.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Muren

Toen Ignas in 1990 in Berlijn arriveerde, veranderde hij zijn naam in Ignaz. Familie had hij niet. Hij werkte bij een jeugdtheatergezelschap en was uitgenodigd te komen spelen in Oost Duitsland. Na de voorstellingen besloot hij niet naar Nederland terug te keren. De chaotische eerste zomer na de val van de muur oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uit. Niets lette hem de nieuwe vrijheid met volle teugen te genieten.

Veel huizen in de wijk Prenzlauerberg waren vervallen en inderhaast verlaten door de vorige bewoners. In de kelders waar nog stroom was organiseerde men feesten. De aankondiging daarvan en de uitnodigingen praatten zich snel door. Over vergunningen maakte niemand zich zorgen. De DDR bestond niet meer, de nieuwe staatsmacht moest nog komen. Maar waakzaamheid was geboden, want met de Stasi wist je het maar nooit.

Ignaz dreef mee op de golven van de nieuwe tijd, maakte theater, verhuisde naar een straat bij de Hackescher Höfen (waar het vol stond met afgedankte Trabants, er waren daar alleen garagebedrijven) en ontmoette er de liefde van zijn leven.

Ze telden hun marken en vertrokken naar de Dominicaanse Republiek. Daar kochten ze een stuk jungle en ontgonnen dat. Er kwamen twee kinderen, maar toen die naar de middelbare school moesten, brak de crisis uit. Na 2008 verschrompelden de perspectieven op het tropische eiland. Het paar besloot dat de kinderen  beter af waren met een opleiding in het nieuwe, herenigde Duitsland. De verhuur van de domeinen in de jungle zou die onderneming mede mogelijk moeten maken.

Ignaz keerde terug in Berlijn. De contacten in de wereld van het theater waren over de datum en zijn feeling met de Berlijnse jeugd had hij, de vijftig inmiddels ruim gepasseerd, een beetje verloren. Hij kocht een e-bike, reed naar de Kulturbrauerei en bood zich aan als gids bij fietstochten door de nieuwe hoofdstad.

Ik bied hem een latte macchiato  aan en neem zelf een dubbele espresso die we opdrinken, terwijl we een oogje houden op de fietsen van de leerlingen die zich in de KFC naast Check point Charlie (Snackpoint Charlie, zegt Ignaz) hebben verschanst.

Ignaz is een begenadigd verteller die ons in een uur of twee meeneemt van de eerste Hohenzollernkeurvorst uit 1400, via het hof van Frederik de Grote naar het Keizerrijk en wat daarna kwam.

Het drama en de schande van de muur meet hij beeldend en meeslepend uit in de Bernauer Straße, waar het zich destijds allemaal heeft afgespeeld. Dat hij zijn verhaal toch af moest breken, kwam door een striemende hagelbui die plotseling losbarstte.

Als het weer droog is, stoppen we bij een open plek tussen de huizen. Een bomkrater uit de Tweede Wereldoorlog. Hij wijst op de brandmuren en de hoge gevels van de huizen en legt uit dat in de Berlijnse hoven tot tweeduizend mensen woonden, werkten en recreëerden. Dat de open plekken in het oostelijk deel van de stad nog niet zijn herbouwd, komt omdat het eigendomsrecht van de grond nog wordt betwist. ‘Vergeet niet dat heel Oost Berlijn is onteigend in 1950’, verklaart hij.

Sinds hij terug is in Berlijn, woont hij aan de noordoostelijke rand van de stad; Neuhohenschönhausen. ‘Te midden van het groen, de eekhoorns komen ’s ochtends aan het keukenraam. De rust wordt alleen verstoord door het schrille blaffen van de vossen.’

Aan het eind van de fietstocht schud ik Ignaz de hand. Ik zeg uit te zien naar dat theaterprogramma over muren. Want ook die in Korea, Gaza en die van President Trump op de grens van Mexico en de VS, waren ter sprake gekomen.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Oude bekenden

Of ik verstand van planten heb. Een oudere vrouw met gele huishoudhandschoenen aan, staat bij het graf van haar man. Ze heeft primulaatjes gekocht in rood en geel dat fel afsteekt tegen het groen en vraagt zich af of die met plantpotje en al in de grond moeten worden gezet, of niet. Ze krijgt de plantjes trouwens met geen mogelijkheid uit de potjes. Of ik haar kan helpen.

Ik heb net het Museum für Naturkunde verlaten. Onder de dertien leerlingen die voor dit museum kozen, zijn een aantal verstokte dino-fans. Zij vergaapten zich aan Tristan, een van de best bewaarde skeletten van een Tyrannosaurus rex. Ik liet ondertussen mijn blik dwalen over het achttiende-eeuwse interieur, de kabinetkasten, trappartijen, de granito vloeren, het glimmend gepoetste glas waarachter fossielen schitteren in een uitgekiende belichting. Het mooist vond ik het spel van licht en donker op de stellingen weckpotten met visachtigen op sterk water.

Nee mevrouw, de plantjes gaan met hun blote wortels in de grond, zeg ik, zodat op deze begraafplaats tenminste nog enig wezen ademt, drinkt en groeit. Ik deuk en kneed de potjes dat ze kraken en wurm de doorwortelde gewassen als uit een tube tevoorschijn. Ik doe voor hoe ik de wortels uit elkaar trek en ontwar zodat ze meer vat hebben op de voedingsstoffen in de bodem en herhaal die handeling voor alle acht of twaalf primula’s die ze heeft meegenomen voor haar man. Liever had ze een struikje voor hem gekocht, maar dat was er nog niet. Struiken worden pas vanaf mei aangeboden.

De kleine begraafplaats, die voluit Der Friedhof der Dorotheenstädtischen und Friedrichswerderschen Gemeinden heet, is niet ver van het Museum für Naturkunde, in de Chausseestraße. Ik was er een paar jaar geleden voor het eerst en mij beviel het contrast tussen de hectiek van de grootstad Berlijn en de stilte onder de bomen van deze dodenakker. Al dwalend ontmoet ik oude bekenden als Herbert Marcuse (1898 – 1979). Weiter machen, staat er op zijn steen. Tussen het klimop ligt een kleine plaquette voor de componist Paul Dessau (1894 – 1979). Ik lees de namen van de auteurs Heinrich Mann (1871 – 1950), Christa Wolff (1929 – 2011) en Anna Seghers (1900 – 1983). Daar valt mijn oog op een opschrift: Ruhestatte Tucholski in kapitalen en ik denk het zal toch niet het graf zijn van de dichter Kurt Tucholsky (1890 -1935) die zijn gedicht Asyl für Obdachlose! besloot met de regels: Wohltaten, Mensch, sind nichts als Dampf. / Hol dir dein Recht im Klassenkampf – ! Op een slanke, rechthoekige, marmeren zuil, iets hoger dan de stenen ernaast, staat de handtekening van Gisela May (1924 – 2016), maar eerder dan de handtekening herken ik haar portret, het blonde pagekapsel, wit overhemd, zwarte das, die ogen waarmee ze elke tekst die ze zong tot leven bracht. Ik heb haar nog gezien in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Ik was vergeten dat ze was doodgegaan.

Negenentachtig is hij geworden. Net geen negentig. Ze zegt dat het hem op zijn oude dag aan niets heeft ontbroken, maar het spijt haar dat hij er niet meer is. Ze wil weten wie ik ben en of ik hier uit de buurt kom. Ik stel me voor. Uit de buurt kom ik niet. Ik woon in de omgeving van Amsterdam, leg ik uit. Ik ben hier om twee van mijn idolen te bezoeken: Bertolt Brecht (1898 – 1956) en Hanns Eisler (1898 – 1962).

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld, zaliger nagedachtenis | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Tuimelvertelling

Er staat wel ‘spreekkamer’ op de deur, maar meer dan een kast is het eigenlijk niet. Tegen de muur zijn lijsten gestapeld, van sommige is het glas gebroken, en er staan tekenmappen van leerlingen die al van school zijn. Vooruit, er is een raampartij die uitzicht biedt op het dak; een airco-apparaat, zonnepanelen, een lichtkoepel. Tegen een andere wand is een tafel geschoven zoals die ook in de lokalen staan en er staat een ronde tafel met drie stoelen eromheen. Daarop leg ik mijn map met aantekeningen, de laptop waarmee ik de gesprekken zal opnemen, twee bakjes met chocolade-eitjes en een tiental boeken die ik heb meegenomen.

Midden in de nacht schakel ik de radio aan. De presentator van dienst kondigt een vraaggesprek aan met Maartje Wortel (1982) over haar nieuwe boek Dennie is een star. Een tuimelvertelling, noemt hij het en als de auteur even later de eerste zinnen van het boek voorleest, begrijp ik dat wel.

Op een dag zei iemand die ik heel serieus neem – en dat komt niet zo vaak voor, ik neem om te beginnen mensen die zichzelf serieus nemen al niet serieus en iedereen neemt zichzelf vandaag de dag serieus – tegen mij: Jij leeft niet in de tijd, Ted. Je leeft ook niet in de realiteit. Maar, zei ze, dat is logisch. Want wie niet in de tijd kan leven, kan ook niet in de realiteit leven.

Ik weet niet wat tijd betekent, zei ik. Dus ik snap eigenlijk niet goed wat je nu bedoelt.

Emie heeft Judas gelezen van Astrid Holleeder (1965). Ze had me gevraagd of dat mocht en ik had even getwijfeld of deze bestseller tot de Nederlandstalige literatuur gerekend moest worden of tot de journalistiek. Maar met de toneelvoorstelling naar het boek, onder regie van Johan Doesburg,  had het toch een plaatsje in de letterkunde veroverd meende ik. Of ze het toneelstuk had bezocht?, vroeg ik.

Nee, ze gaf er de voorkeur aan de kroniek van de Holleeders te lezen in plaats van te zien en te horen. Ze hield van indrukken die zich aanboden aan haar gedachten. Want dat doet lezen, vulde ik haar aan, het komt binnen in je hoofd. Maar daar blijft het niet.

Heeft u dat ook, vroeg haar vriendin die ook over haar boekenlijst kwam praten, dat een boek soms totaal bezit van je neemt? En of ik dat heb. Laatst nog toen H.C. ten Berge (1938) in De stok van Schopenhauer gedetailleerd verslag deed van de lustmoorden die Friedrich Haarmann in de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog in Hannover beging. Dat hij zijn bedpartners de keel doorsneed, was tot daaraan toe, maar dat hij de rest van de nacht bezig was alle bewijs van zijn moord uit te wissen en de buren hem geregeld met volle emmers van de trap hoorden stommelen, had me, zo oud als ik was, nachtmerries bezorgd waaruit ik ontwaakte met een even vaag als hardnekkig besef van angst en schuld.

Daarna tuimelen de herinneringen over elkaar aan verhalen over misbruik en verkrachting, dreiging en geweld die ervoor hadden gezorgd dat beide meiden een tijdlang niet alleen over straat durfden als het donker was en dat een nachtelijk bos hen nog steeds de stuipen op het lijf jaagt.

De volgende kandidaat weidt lang uit over het kleine boek Oeroeg van Hella Haasse (1918 – 2011) zonder dat zijn verhandeling vat krijgt op de tekst van het Boekenweekgeschenk uit 1948. Fabriekskinderen, de tranentrekkende gamechanger  in het kinderarbeiddebat uit de tweede helft van de negentiende eeuw, zou volgens mijn zegspersoon verschenen zijn rond 1990. Desgevraagd voegt hij er aan toe dat zijn vader, die van 1969 is, ook kinderarbeid heeft verricht. Bollen pellen, al was dat niet zo zwaar.

Maartje Wortel schrijft: Daarna snapte ik dat doen alsof je iets weet misschien wel belangrijker is dan werkelijk iets weten., en een paar pagina’s later: Je kunt niet iedereen die je niet begrijpt de mond snoeren.

Zodat ik met belangstelling nog even verder luisterde.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen