Tuimelvertelling

Er staat wel ‘spreekkamer’ op de deur, maar meer dan een kast is het eigenlijk niet. Tegen de muur zijn lijsten gestapeld, van sommige is het glas gebroken, en er staan tekenmappen van leerlingen die al van school zijn. Vooruit, er is een raampartij die uitzicht biedt op het dak; een airco-apparaat, zonnepanelen, een lichtkoepel. Tegen een andere wand is een tafel geschoven zoals die ook in de lokalen staan en er staat een ronde tafel met drie stoelen eromheen. Daarop leg ik mijn map met aantekeningen, de laptop waarmee ik de gesprekken zal opnemen, twee bakjes met chocolade-eitjes en een tiental boeken die ik heb meegenomen.

Midden in de nacht schakel ik de radio aan. De presentator van dienst kondigt een vraaggesprek aan met Maartje Wortel (1982) over haar nieuwe boek Dennie is een star. Een tuimelvertelling, noemt hij het en als de auteur even later de eerste zinnen van het boek voorleest, begrijp ik dat wel.

Op een dag zei iemand die ik heel serieus neem – en dat komt niet zo vaak voor, ik neem om te beginnen mensen die zichzelf serieus nemen al niet serieus en iedereen neemt zichzelf vandaag de dag serieus – tegen mij: Jij leeft niet in de tijd, Ted. Je leeft ook niet in de realiteit. Maar, zei ze, dat is logisch. Want wie niet in de tijd kan leven, kan ook niet in de realiteit leven.

Ik weet niet wat tijd betekent, zei ik. Dus ik snap eigenlijk niet goed wat je nu bedoelt.

Emie heeft Judas gelezen van Astrid Holleeder (1965). Ze had me gevraagd of dat mocht en ik had even getwijfeld of deze bestseller tot de Nederlandstalige literatuur gerekend moest worden of tot de journalistiek. Maar met de toneelvoorstelling naar het boek, onder regie van Johan Doesburg,  had het toch een plaatsje in de letterkunde veroverd meende ik. Of ze het toneelstuk had bezocht?, vroeg ik.

Nee, ze gaf er de voorkeur aan de kroniek van de Holleeders te lezen in plaats van te zien en te horen. Ze hield van indrukken die zich aanboden aan haar gedachten. Want dat doet lezen, vulde ik haar aan, het komt binnen in je hoofd. Maar daar blijft het niet.

Heeft u dat ook, vroeg haar vriendin die ook over haar boekenlijst kwam praten, dat een boek soms totaal bezit van je neemt? En of ik dat heb. Laatst nog toen H.C. ten Berge (1938) in De stok van Schopenhauer gedetailleerd verslag deed van de lustmoorden die Friedrich Haarmann in de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog in Hannover beging. Dat hij zijn bedpartners de keel doorsneed, was tot daaraan toe, maar dat hij de rest van de nacht bezig was alle bewijs van zijn moord uit te wissen en de buren hem geregeld met volle emmers van de trap hoorden stommelen, had me, zo oud als ik was, nachtmerries bezorgd waaruit ik ontwaakte met een even vaag als hardnekkig besef van angst en schuld.

Daarna tuimelen de herinneringen over elkaar aan verhalen over misbruik en verkrachting, dreiging en geweld die ervoor hadden gezorgd dat beide meiden een tijdlang niet alleen over straat durfden als het donker was en dat een nachtelijk bos hen nog steeds de stuipen op het lijf jaagt.

De volgende kandidaat weidt lang uit over het kleine boek Oeroeg van Hella Haasse (1918 – 2011) zonder dat zijn verhandeling vat krijgt op de tekst van het Boekenweekgeschenk uit 1948. Fabriekskinderen, de tranentrekkende gamechanger  in het kinderarbeiddebat uit de tweede helft van de negentiende eeuw, zou volgens mijn zegspersoon verschenen zijn rond 1990. Desgevraagd voegt hij er aan toe dat zijn vader, die van 1969 is, ook kinderarbeid heeft verricht. Bollen pellen, al was dat niet zo zwaar.

Maartje Wortel schrijft: Daarna snapte ik dat doen alsof je iets weet misschien wel belangrijker is dan werkelijk iets weten., en een paar pagina’s later: Je kunt niet iedereen die je niet begrijpt de mond snoeren.

Zodat ik met belangstelling nog even verder luisterde.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Goed voorbereid

Van tussen de schaarse herinneringen die ik heb aan mijn middelbare schooltijd, popt ineens deze op: mijn leraar Nederlands (heette hij niet Van Belkom?) leunt tegen de punt van zijn tafel en leest Kidnap voor van Piet Bakker (1897 – 1960). Het gaat niet heel goed. Om de zoveel tijd onderbreekt hij zijn voordracht om met een dwingende blik  (of wat daarvoor moet doorgaan) onrust of desinteresse te bezweren. ‘De ontvoering van een jongetje in Amsterdam brengt de Amsterdamse ‘penose’ in het geweer. De ‘zware jongens’ besluiten het knaapje te bevrijden.’, luidt de samenvatting van het boek op de site van de bibliotheek. Het klopt vast, want ik weet het niet meer. Wel zie ik het boekje nog voor me; gebonden, zwart stofomslag, afbeelding van een jongetje op de voorkant, belettering alsof die met een grove kwast is aangebracht.

Meneer, wat gaat u vragen tijdens het mondeling?, want ik wil een acht halen. Ik antwoord naar waarheid, dat ik dat nog niet weet, maar dat ik hoop op een onderhoudend en verstandig gesprek. We hebben het heel goed voorbereid, vervolgt ze met een geheimzinnige blik in haar ogen. Naast haar het andere lid van het duo dat volgende week aan mijn tafel zal verschijnen. Ze wil het wel zeggen en ze wil het niet zeggen, maar ze wil het toch zeggen: ze hebben ontdekt dat veel van de boeken op hun lijst over ontvoering gaan.

Isabelle van Tessa de Loo (1946), gaat over ontvoering, toch? Het gouden ei van Tim Krabbé (1943), want Saskia wordt ook ontvoerd. En in De zomer hou je ook niet tegen van Dimitri Verhulst (1972) ontvoert Pierre Sonny toch ook?

Maar dat was een verjaardagscadeau, werp ik tegen, Pierre wilde Sonny een verhaal voor zijn verjaardag geven.  

En in Loverboys van Helen Vreeswijk (1961 – 2016)?, vraagt ze verder.

Door weg te voeren aan iemands macht of bereik onttrekken, definieert mijn Van Dale woordenboek editie 1992 het begrip ontvoeren, om er ter verduidelijking aan toe te voegen een meisje ontvoeren. Andere tijden. Ik dacht eerder aan iemand tegen zijn zin van zijn vrijheid beroven, maar dan zouden gevangenisstraf of taakstraf ook onder ontvoering vallen, en dat zal wel niet de bedoeling zijn.

Ik spreek mijn bewondering uit voor het combinatorisch vermogen van mijn leerlingen en zeg benieuwd te zijn naar de definitie van ontvoering die zij hanteren. Even overweeg ik hun nog De vrouw die de honden te eten gaf van Kristien Hemmerechts (1955) aan te raden, over Michelle Martin, de vrouw van Marc Dutroux, die toen haar man in de gevangenis zat, wel zijn honden verzorgde, maar niet de meisjes die in de kelder zaten opgesloten. Maar het mondeling schoolexamen is al volgende week.

Misschien ga ik wel vragen, vervolg ik, hoe het, volgens jullie, komt dat een ontvoering zo’n veelvoorkomend verhaalelement is in de literatuur van de laatste tijd.

Dat is wel heel diep hoor, meneer., probeert ze me op andere gedachten te brengen.

Of waarom in al die voorbeelden die jullie geven, er niet één keer losgeld is geëist?

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Didactische tips

Mikael Hammerman heeft alleen een zwemdiploma. Het is opgeborgen in een deel van de encyclopedie, zodat het niet kreukt. Hij woont met zijn moeder op een onbewoond eiland. Nu ja, onbewoond, er staan drie huizen. Dat van de oude mevrouw Augusta Pernille is verlaten sinds ze van de trap viel en een paar dagen in de kou lag tot Mikaels vader haar vond. In het huis van Karl, die elke dag met zijn kotter gaat vissen, is een televisie. En dan is er nog het huis van Mikael en zijn moeder. Als je midden op het eiland staat kun je aan alle kanten de zee zien. De dichtstbijzijnde grote stad is T. op het vasteland, dat eigenlijk ook een eiland is, maar veel groter. T. ligt op twee uur varen van het eiland waar Mikael woont.

De hoofdpersoon van Birk, de debuutroman van Jaap Robben (1984), is negen jaar. Hij doet zijn wereldoriëntatie op met behulp van een plastic verrekijker, de encyclopedie en een atlas. Achterin stonden kaarten van zeeën met kronkelende strepen die eindigden in pijltjes. Ons eilandje kon je er niet op vinden, maar ik wist waar het lag. Papa had er een klein kruisje gezet. Mikael gaat niet naar school. Zijn vader leert hem alles. Ze hebben leerboeken in huis voor rekenen, taal, aardrijkskunde en zo meer en om de drie maanden brengt de post toetsen.

Dat was de enige post met mijn naam erop. Voor mijn vader zat er telkens een dun boekje tussen met ‘didactische tips’, daar mocht ik de kachel mee aansteken. En toetsen moest ik invullen met potlood. En ik mocht mijn boeken gebruiken. ‘Kennis heb je als je precies weet waar je het kunt opzoeken’, zei papa. Daarna gumde hij uit wat ik fout had ingevuld.

Als zijn vader in de zee is verdwenen, schrijft Mikael hem een brief: Waar ben je? Waar ben je? Waar ben je?, die hij oprolt en in een fles doet. Hij sluit de hals af met een kurk en gooit de fles in zee.

Vanaf dat moment komt de klad in het schoolwerk. Door het verdriet om het verlies van haar man, lukt het Mikaels moeder niet hem te begeleiden in zijn schoolwerk en naarmate hij ouder wordt neemt zijn nieuwsgierigheid naar schoolse kennis af. De leerboeken werden lijviger, hadden steeds minder tekeningetjes en de letters werden kleiner. Ik verdwaalde erin. Vader was er niet meer om te helpen de toetsen tot een goed einde te brengen. Mikael maakte ze nog wel, maar als de enveloppen kwamen met daarin de beoordeling, durfde hij die niet te openen; ze verdwenen ongelezen in de kachel.

Ik besloot een briefje te schrijven. Of de Geachte dames en heren Mikael Hammerman uit het adressenbestand zouden willen schrappen omdat hij enige maanden geleden overleden was. Mikael ondertekent de brief met een verdrietige versie van zijn moeders handtekening.

Er komt nog wel bericht terug dat dit een ongewone manier is om een overlijden door te geven, maar in dezelfde brief staat gelukkig ook dat de toezending van boeken en toetsen gestaakt zal worden.

Mikael is inmiddels vijftien jaar oud geworden en verdient een paar centen door Karl te helpen bij het sorteren van de vis.

De folder van de kostschool op het vasteland,  met foto’s van lachende jongeren aan tafels met rekenboeken en een liniaal, die enige tijd op de keukentafel zwierf, is tenslotte ook in de kachel verdwenen.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Bij het weerzien

De huizen waarin ik heb gewoond, zijn allemaal verdwenen. Dat is te zeggen; alle twee de huizen. Toen ik juist van de basisschool af was, verhuisde ons gezin van een aangepast en  verbouwd pakhuis achter de molen bij de IJweg naar een twee-onder-een-kapwoning van rond de eeuwwisseling in het centrum van het dorp. We waren nog niet vertrokken of pakhuis en wat er nog over was van de molen maakten plaats voor een bedrijventerrein. Halverwege de jaren negentig kwam mijn vader te overlijden. Hij had er altijd voor gezorgd dat ons oude nieuwe huis bewoonbaar bleef. Hoeveel werk dat was, bleek eens te meer na zijn dood. We besloten een nieuwe twee-onder-een-kapwoning te laten bouwen op dezelfde plaats en gaven opdracht  het oude huis te slopen. De eerste lente van de nieuwe eeuw kregen we de sleutel van ons nieuwe huis.

Niet alleen de huizen zijn verdwenen, ook de gebouwen waar ik ben schoolgegaan. De kleuterschool bij het zusterhuis met de deels overdekte speelplaats, zodat je ook als het regende naar buiten kon, hij is er niet meer. Zowel de school als het klooster hebben plaatsgemaakt voor woningen aan een drukke provinciale weg. Ik ben er maar een jaar heen geweest, het tweede jaar van de kleuterschool zat ik in de klas bij zuster Dominica die school maakte in de koffiekamer van de katholieke kerk. Niets is er meer van over, alsof ik een vluchteling ben uit een oorlogsgebied.

Iets verder, in de schaduw van dezelfde Rooms Katholieke Kerk stond de Sint Jozefschool. Daaraan herinnert een halve eeuw later slechts de gymzaal, die nog gebruikt wordt door scholen uit de buurt. Ik loop er langs als ik een uur ga wandelen door de door de rafelranden van de stad bij Osdorp tussen de Haarlemmermeer en Amsterdam West.

Het Gymnasium Paulinum bij station Driehuis fuseerde in de vroege jaren zeventig met het Bernardcollege in Velsen. Beide scholen maakten een doorstart onder de oecumenisch klinkende naam Ichthus College. In de nieuwe buurt Zeewijk in IJmuiden, tegen de duinen verrees een nieuw schoolgebouw waar ik mijn vwo-opleiding vanaf klas vier afmaakte. Ik deed er in 1974 eindexamen, ging studeren in Amsterdam en keerde de IJmond de rug toe.

Het heeft zeker vijfentwintig jaar geduurd voor ik in Zeewijk terugkeerde. Met de bus naar het strand, dan rijd je vlak langs de school. Maar wat ik na lezing van Het Gym van Karin Amatmoekrim (1976) al had begrepen, trof ik er ook aan; bij de sterflat waren nieuwe woonwijken verschenen rond het winkelcentrum. En toen ik, niet eens zo lang geleden, station Driehuis passeerde, zag ik op de plaats van het Gymnasium Paulinum een schoolgebouw dat in niets leek op het beeld in mijn herinnering. Van het landschap van mijn jeugd bleef slechts de belofte van zee en strand aan de andere kant van de duinen.

Het trof me tijdens de afgelopen open dag op mijn school, dat veel ouders met hun kinderen waren gekomen om geen andere reden dan dat zij zelf ook bij ons op school hadden gezeten. Goede herinneringen en een gezonde dosis nostalgie werkt beter dan publiciteitscampagnes van dure reclamebureaus. Toch was mijn direct leidinggevende daar niet gerust op. Ook zij had oud-leerlingen gesproken, die soms al meer dan twintig jaar geleden examen hadden gedaan. Er is hier nog helemaal niets veranderd, was de opgetogen reactie bij het weerzien met de school. Het had mijn schoolleider geschokt en haar versterkt in haar mening dat vernieuwingen op allerlei gebied hoog- en hoognodig zijn.

Dat mag waar zijn. Maar laat bij dat alles asjeblieft de mogelijkheden bestaan van veel feestjes van herkenning.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Geen Germaan

Het boek is tachtig jaar oud, maar gelezen had ik het nog niet. Het staat, hoe lang al, in mijn boekenkast; het enige boek van Gerard Walschap (1898 – 1989) in mijn verzameling. Ooit gekocht voor een klein bedrag van een boekentafel of een kleedje op koningsdag, een antiquariaat of uitdragerij misschien, met de gedachte dat het heus wel iets zal zijn als Julien Weverbergh (1930) er in 1986 zijn uitgeverij naar vernoemde. Een coproductie uit 1958 van de uitgeverijen Ontwikkeling uit Antwerpen en Ad. Donker uit Rotterdam, zwart omslag met de initialen van Walschap op het voorplat en de titel ‘Houtekiet’ op de rug, gelumbeckt, niet gebonden, het eerste katern ligt los, het dikke papier is broos geworden, ik moet voorzichtig omslaan om niet elke pagina los in mijn hand te houden.

De roman van een stroper, omschrijft K. ter Laan (1871 – 1963) het in zijn Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid. Daar is niets aan gelogen, maar het doet in zijn beknoptheid geen recht aan het epos over de nederzetting Deps en zijn stamvader Jan Houtekiet. Deze vloekende, verkrachtende en moordende oermens, zag er met zijn zwarte baard tot zijn ogen uit als een Bohemer en oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op de vrouwen. Als zijn eerste kind op komst is bouwt hij voor Lien en het kind een onderkomen van takken en leem buiten het dorp op de onvruchtbare hei, maar twee steken diep zit de vruchtbare klei. Ze leven er zoals het hun uitkomt en storen zich aan god noch gebod en aan kerk noch kasteel. Niet lang daarna krijgt hun pioniersarbeid navolging. Houtekiet wijst de nieuwkomers een perceel, leert hun de mores van zijn domein en zorgt hoogstpersoonlijk voor het nageslacht van de nieuwe buren, of ze nu Bosken, Tecleyn, Busschops, Dobbelaere heten, of Van Dambruggen, Venneborgh of Baert.

Het vertelperspectief van het boek ligt bij een niet nader gedefinieerd wij die de stichting van Deps niet zelf hebben meegemaakt en de verhalen over Houtekiet kennen uit de overlevering. De beschreven gebeurtenissen spelen zich af ergens halverwege de negentiende eeuw, misschien vroeger. Maar het hoekige, expressionistische taalgebruik en het aardse en heidense vitalisme verraden dat we een boek in handen hebben uit het interbellum. Jacqueline Bel (1958) waagt het in haar boek Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900 – 1945 te veronderstellen dat uit Walschaps boek de giftige dampen van Blut und Boden opwalmen; ze wijst op een Duitse vertaling van het boek uit 1941. Maar, voegt ze daaraan toe, Jan Houtekiet is geen Germaan met blond haar en blauwe ogen, maar een Bohemer met zwarte haren die samenleeft met een beer, die op het einde van het boek zijn leven overziet.

Het was begonnen met een hutje tot Lien haar kind zou krijgen, het was geëindigd met een kerk, omdat vrouwen in gewijde grond willen liggen. Hij keek naar de beer, die zich afvroeg waarom zijn kameraad ditmaal zo stil was en niet speels, knikte in gedachten met het hoofd en zeide: “Ja” Want het was hem of de beer vroeg: Zo ver, Jan, is het dus met u gekomen? Hij nam een voorpoot onder de arm, zo eenzaam voelde hij zich en vreemd.

Die vraag van de beer zal ik aan mijn leerling stellen die Houtekiet op zijn lijst heeft gezet en erover van gedachten wil wisselen op het aanstaande mondeling examen letterkunde.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Lichte druk

De leerlingen van vier havo maken zich op voor het jaarlijkse tribunaal. Eén dag in het schooljaar schuiven we het rooster aan kant voor een feestelijke gedachtewisseling over een maatschappelijk thema onder leiding van een professionele dagvoorzitter. Het maatschappelijke thema is dit jaar ‘herkenning en vervreemding’, een titel die ruimte hoopt te bieden aan antwoorden op de vraag naar een stabiele identiteit in een volatiele wereld. De dagvoorzitter van dienst is Minchenu Maduro die op haar website over zichzelf schrijft dat ze een energieke spreker is die een brug slaat tussen hoofd en hart en iedereen in beweging krijgt. Precies wat we nodig hebben.

De gespreksonderwerpen variëren van dagelijks gamen bevordert de schoolprestaties tot de inhoud van het Nederlandse onderwijs moet diverser worden en van er mogen per jaar niet meer dan vijftien miljoen internationale toeristen Nederland bezoeken tot mensen met een migratieachtergrond krijgen weinig culturele prijzen en dat is een bedreiging voor de hele culturele sector. Mijn vier havo klas moet het doen met de stelling: alle landen van de Europese Unie moeten binnen vijf jaar de nationale voetbalcompetitie hebben vervangen door één Europees toernooi en binnen dezelfde termijn zijn alle nationale teams vervangen door één Europees elftal dat ons vertegenwoordigt op het wereldkampioenschap.

De jongens in de klas maken zich breed; was dit geen onderwerp waar zij verstand van hebben? De meisjes oefenen een afwachtende pose. De stelling wordt van het bord overgeschreven op een A-4tje en in tweetallen broeden we op argumenten voor en tegen. Ja, het zal de eenheid in ons continent bevorderen en een Europese competitie is van hoger niveau en aantrekkelijker om naar te kijken dan een competitie binnen de landsgrenzen. Maar de band van de stad en haar inwoners met een club zou wel eens verloren kunnen gaan, en dat is jammer. Vreemd genoeg denkt men dan niet eerst aan Alkmaar of Zaanstreek, maar klinken de namen van PEC-Zwolle en FC-Emmen.

Wij zijn tegen, want we kunnen dan niet naar wedstrijden, omdat ze in heel Europa zijn. Dit kan heel duur zijn en het geld groeit niet aan de bomen. De laatste opmerking is zeker waar. Daar staat tegenover dat Ajax tegen veel grote clubs gaat spelen en dat is mooi om te zien. En PSV niet. Het verdwijnen van professioneel voetbal op nationaal niveau biedt ook kansen, bij voorbeeld aan het vrouwen- en amateurvoetbal. Hier en daar uit iemand de veronderstelling dat dat spel zo weinig attractief is, dat niemand meer televisie kijkt. Dit zorgt er dan weer voor dat mensen radio’s willen.

Of een elektrische tandenborstel. In een van de ingeleverde teksten las ik: Oefen lichte druk uit en start met poetsen met heen- en weergaande bewegingen, precies zoals u zou doen met een manuele tandenborstel, ongeacht de opzetborstel. Poets eerste de buitenkant, dan de binnenkant en dan de kiezen. Poets elk van de vier kwadranten van uw mond met evenveel zorg.

Toen ik vroeg naar het belang van deze bijdrage aan de gedachtevorming over voetbal en de Europese identiteit, antwoordde de schrijver van de gebruiksaanwijzing dat het goed is met een schone mond en een frisse adem op het debat te verschijnen.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Raban! Raban! Raban!

Dat er dieren zijn die niet door de mens gevonden kunnen of willen worden en dat de studie naar die dieren Cryptozoölogie heet, leerde ik van mijn leerlingen uit vijf havo. Om de vaardigheid te oefenen om snel de inhoud van een tekst te kunnen opnemen en te kunnen reproduceren, deden we een artikelpresentatie. In groepjes van twee of drie kozen we een artikel uit het laatste zomerdubbelnummer van de Groene Amsterdammer. De opdracht was om met behulp van dat artikel een nieuwsitem te presenteren in de vorm van een interview met een beperkt aantal vragen, dat de luisteraar een goede indruk gaf van de inhoud van het oorspronkelijke artikel.

Cryptiden is de wetenschappelijke naam van de verborgen dieren, maar ze zijn algemener bekend als het monster van Loch Ness, Yeti, de verschrikkelijke sneeuwman, Bigfoot, de mensachtige aap die regelmatig wordt gespot in de bossen van Noord Amerika en Canada, de Mexicaanse Chupacabra, Spaans voor geitenzuiger en de Orang Pendek, een bosgeest die al sinds de koloniale tijd in Sumatra rondwaart.

De Belgische dierkundige Bernard Heuvelmans (1916 – 2001) wordt beschouwd als de grondlegger van de Cryptozoölogie. Hij publiceerde in 1955 het standaardwerk Sur la piste des bêtes ignorées en stond in de vijf jaren die volgden zijn goede vriend Hergé (1907 – 1983) met raad en daad bij toen de laatste het album Kuifje in Tibet voltooide.

Het interview verhaalde over de inspanningen die volgden om nieuwe sporen van Yeti te ontdekken, onderzoek waaraan ook Sir Edmund Hillary  meewerkte. Mijn gedachten dwaalden ondertussen af naar de Nederlandse pionier op het gebied van de bedachte dieren, de Dordtse dichter C. Buddingh’ (1918 – 1985). Het verbaasde me dat de Blauwbilgorgel, de Vogel Kraps, de Bozbezbozzel en de Gringergoriaan nog niet waren genoemd. Deze vier gorgelrijmen zagen in 1944 het licht, Heuvelmans had ze in zijn Piste kunnen opnemen.

De gorgelcryptiden waren Buddingh’s steun en toeverlaat tijdens zijn bange dagen in het sanatorium waar de artsen hem trachtten te genezen van tbc. De dood waarde er constant rond, maar mocht niet worden genoemd. In elk gorgelrijm is hij aanwezig. Ik ben de blauwbilgorgel, / Eens sterf ik aan de schorgel, / En schrompel als een kriks ineen / En wordt een blauwe kiezelsteen. / Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Toen de Sicherheitspolizei in 1942 een inval deed in de drukkerij van de Utrechtse Typografen Associatie, trof ze daar de drukproeven en het originele omslag van de Vier Gorgelrijmen aan. De documenten werden in beslag genomen en de drie op de drukkerij aanwezige mannen werden nog dezelfde dag doodgeschoten op het fort De Bilt. Gorgeldieren vormen net als andere cryptiden een gevaar voor de mens.

Vlak voor De Groene Amsterdammer in de zomer van 2018 aandacht besteedde aan de Cryptozoölogie, zong ik in de Amsterdamse Meervaart in de muzikale familievoorstelling De meermin, het monster en de maan. Het ging over een even kwaadaardige als wonderschone zeemeermin die in het monster van de Sloterplas was veranderd. De cryptiden zijn onder ons.

‘Bestaat er ook een monster van het Alkmaardermeer?’, vroeg ik na afloop van het interview.  ‘Wordt in de Zaan wel eens een zeemeermin gespot?’

Men wist er niet van.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Krukje

Het was de week dat we het woord ‘nekveldocent’ aan onze woordenschat konden toevoegen. Die naam muntte De Telegraaf voor de vierenzestigjarige technisch onderwijsassistent (geen docent dus) Gerrit Keeman die het op 16 januari aan de stok kreeg met een van zijn leerlingen op het Kennemer College te Heemskerk. Het incident wordt live vereeuwigd op een van de mobiele telefoons. Er is te zien dat er met een krukje wordt gegooid, we zien een achtervolging door een technieklokaal, de technisch onderwijsassistent roept: ‘Heb het nooit meer over mijn moeder!’ en grijpt zijn belager in de nek. Het filmpje gaat ‘viral’, ouders komen verhaal halen bij de schoolleiding. Keeman wordt naar huis gestuurd, maar laat het er niet bij zitten. De pers pikt zijn verhaal op, een steunbetuiging op het net wordt in een mum van tijd acht duizend keer ondertekend.

Keeman werkte pas op school. Jarenlang was hij politieman. Na zijn vroegpensioen had het Kennemer College de ex-medewerker van de afdeling forensische opsporing gevraagd bij te springen. In de Volkskrant van 30 januari lees ik dat hij daar wel oren naar had, maar de vreugde was van korte duur. De transformatie van politieman naar onderwijsmens was moeilijker dan gedacht. Afgelopen december diende hij zijn ontslag in.

Ik kan het me voorstellen. Wie zijn beroepsleven lang het wettig gezag heeft vertegenwoordigd, staat met lege handen als hij het ineens zonder moet stellen. En waar een vakdocent nog enig krediet bij elkaar kan sprokkelen met geduld, rust, aandacht en vooral veel vakkennis, is dat voor een onderwijsassistent minder weggelegd. Het moet een bittere pil voor Keeman zijn geweest dat zelfs zijn ex-collega’s geen reden zagen de krukjesgooiende belhamel te vervolgen. Daarvoor was, het veelbekeken filmpje ten spijt, onvoldoende bewijs.

De directie van het Kennemer College heeft zich na de escalatie van het voorval en de lawine van media-aandacht verontschuldigd voor de wijze waarop de vrijstelling van werkzaamheden aan de onderwijsassistent is meegedeeld. Het ware beter als ze zich hadden verontschuldigd voor het lichtvaardig en onnadenkend werven van ex-politiemensen voor schooltaken.

Keeman grijpt de excuses aan om aan de Telegraaf te laten weten dat normafwijkend gedrag aan de orde van de dag is op het Kennemer College. Hij verkneukelt zich in zijn succes: minister Slob heeft in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat er een plan van aanpak komt. De gedachte dat zijn gedrag ook heeft bijgedragen aan de onveilige situatie tijdens zijn les, wil nog maar niet dagen. Normafwijkend gedrag is, volgens mij, een essentie van leren.

Het viel niet mee in deze zaak zorgvuldig hoor en wederhoor te betrachten. Aan de spraakwaterval van Keeman kwam geen einde, de directie van het Kennemer College verbrak haar stilzwijgen slechts incidenteel met een afgewogen communiqué. Van de leerlingen in de techniekles heb ik niets kunnen vernemen.

Donderdag 31 januari meldt Sander Smit zich met een ingezonden brief in de Volkskrant. Hij schrijft: De ene docent heeft natuurlijke autoriteit, de andere niet. Zonder dit talent zul je het wellicht nooit leren. Dus maar goed trainen tijdens de opleiding lerarenbevoegdheid. Zelf ben ik ook opgeleid als docent (Frans). Ik voel bij mijzelf niet het natuurlijke overwicht en ik had ook geen zin om orde te handhaven. Mede daardoor ben ik boekhandelaar geworden.

Ik zou van Keeman ook geen boek kopen.

Geplaatst in bij de les | 1 reactie

Niemand beweegt

Het diende zich de avond tevoren aan. Het was zichtbaar op de foto’s die collega’s elkaar lieten zien op het scherm van hun mobiel. Een wolkenband die vuurrood werd aangelicht door de ondergaande zon. Daarboven de heldere hemel van lichtblauw tot paarszwart. Steeds dezelfde foto, maar de voorgrond verschilde. De volgende ochtend was het egaal bewolkt en er stond een smerige wind uit onbestemde richtingen die de gevoelstemperatuur omlaag joeg. Maar het was nog droog. Pas tegen tienen begon het te sneeuwen.

Het sneeuwt / maar het sneeuwt niet meer. / Toen het begon te sneeuwen / ben ik naar het raam gelopen; / heb ik mij verloren gelopen. (…) dicht Hans Faverey (1933 – 1990) in het eerste gedicht van de reeks sur place die in 1980 in het tijdschrift Raster verscheen. Zou dat het zijn?

Dat naarmate de huizen, de weiden, de wegen, de auto’s, de fietsen en de bomen worden verpakt in watachtig witte kou, iets ons dwingt tot stilstand te komen zonder dat we  een voet aan de grond mogen zetten? Het overkwam Maarten Klein, de hoofdpersoon van Hersenschimmen van J. Bernlef (1937 – 2012). De wereld was bedolven onder een dikke laag sneeuw en voor het eerst wist hij dat hij dingen aan het vergeten was.

Meneer mogen we eerder weg? Want het sneeuwt! Op het gras voor het raam zijn moeders en kinderen met sleetjes verschenen en verderop is een sneeuwballengevecht begonnen. Het is onverdraaglijk nog langer in schoolbankjes te moeten zitten. We worden bestormd door herinneringen aan eerder winterweer en wat we toen deden en het lijkt wel alsof die herinneringen heviger zijn naarmate ze schaarser zijn. Nee, ik ben niet begonnen over de winter van 1963.

Als we dan toch weer in beweging komen, blijkt de sneeuw een blad papier dat langzaamaan beschreven wordt. In het gedicht winterboom schrijft H.C. ten Berge (1938): de namiddagzon sneeuwt hiëroglyfen / rond de stam. Bernlef merkte de winterwegen op: Een tijdelijke taal / zoals het blaffen van een hond / stemmen achter de bosrand / Taal die niet begrepen hoeft te worden / zoals een kinderkrabbel: teken van / iets dat achter de rug is (…)

Beweging brengt ons niet vooruit. Onze sporen wijzen naar wat was.

Dat hadden ze aan de klimaattafels niet gedacht. De wereld warmt op, de winter / zweet weg in riolen, moerassen. / (…), zijn de openingszinnen van Decembernotities van H. C. ten Berge. We horen de sneeuw kraken onder onze schoenen en zijn ons bewust van het onwezenlijke geluid. Is dit dan de laatste keer?, denken we, en niet alleen omdat de jeugd ons al lang heeft verlaten. Ten Berge vervolgt: Nooit meer dat sneeuwlichaam buiten? Dat schemerwit / landschap bij nacht? / Dan ook geen woonplaats / in glooiende akkers. / (…). We raakten al veel meer kwijt.

Om erger te voorkomen heeft de NS treinen van het spoor gehaald. We staan hutjemutje op het balkon en bellen elkaar: ik sta in een overvolle trein en bel je zo terug. Via de intercom klinkt: deze trein is te vol, wij verzoeken reizigers die hier zijn ingestapt, weer uit te stappen. Eerder zal de trein niet vertrekken. Niemand beweegt.

Als ik thuis ben, schiet ik een oude wintertrui aan, stap in mijn laarzen, pak een bezem en ga sneeuw ruimen met in gedachte de laatste van H.C. ten Berges Decembernotities:

Ik moet voor kinderen een winter verzinnen:

IJlster sprookjes van J. Nooitgedagt.

Geplaatst in bij de les, tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Rugzak

Welke nieuwigheden ik heb zien voorbij komen sinds ik mijn onderwijsloopbaan begon? Mobiele telefoons natuurlijk, van de Nokia via de Blackberry (daar kon je mee pingen) tot de smartphone. En de bijbehorende software; Hyves, Facebook, Twitter, Snapchat, Insta. De spelletjes die ik geen van alle heb gespeeld, of het nu Tetrix is, Flappy bird of Pokemon Go. Het krijtbord werd een whiteboard, daar kwam een beamer bij die weer werd weggehaald toen er een smartboard werd geïnstalleerd. Laptop, tablet, e-reader, e-book en e-bike. Senseo en Lyceo. De lijst kan niet uitputtend zijn. Ik heb in de omgeving van de school nog geen laadpaal zien staan, maar wel in mijn woonplaats. De smartwatch is tot nog toe een gerucht gebleven, en de stappenteller is alom tegenwoordig. Van de zelfbewegende rugtas hebben alleen de lezers van ‘De goede zoon’ van Rob van Essen (1963) gehoord.

De hoofdpersoon wordt niet bij naam genoemd. In de vroege jaren tachtig van de vorige eeuw behaalde hij zijn diploma voortgezet onderwijs. Het eerste wat hij daarna deed, was een uitkering aanvragen. Na enige druk van arbeidsconsulenten en sociale dienst aanvaardde hij voor twaalf maanden een baantje bij het Archief dat toentertijd fors uitbreidde en nieuwe huisvesting betrad. Hij hield zich kranig staande in de kringen van de nauwelijks geschoolde arbeiders waar niets grappigers bestond dan in de pauze zomaar een dildo in iemands bekertje koffie deponeren. De contacten die hij er opdeed zouden zijn verdere leven bepalen.

De goede zoon speelt op het moment dat de hoofdpersoon in de zestig is. Dat is beklemmend dichtbij. Het basisinkomen is ingevoerd, maar heeft niet de creatieve explosie teweeg gebracht die ervan was verwacht. Het internet van de dingen is overal, maar van de smartphone is niet meer vernomen. De functies van het ding zijn overgenomen en spectaculair uitgebreid door een gadget dat palio wordt genoemd. Hotels worden gerund door receptierobo’s die, als dat nodig is, zijn uitgerust met een wasmachinedeurtje op hun buik. Er rollen konvooien zelfrijdende vrachtauto’s over de wegen, tegen een klein bedrag kun je overal in de openbare ruimte schoon water drinken. Het verst is men gevorderd met de sturing en beïnvloeding van het menselijk geheugen. U begrijpt dat concepten als identiteit en persoonlijkheid, misschien zelfs vrije wil, schuld en verantwoordelijkheid, een heel andere lading hebben gekregen. In de nieuwe tijd die over vijf jaar al aangebroken kan zijn, is dat benul er natuurlijk niet.

Als ik sta te wachten bij een kruispunt wordt er aan mijn enkels gekrabbeld, het is zo’n zelflopende rugzak die met een van zijn hengsels tegen mijn voet is gestuit. Hij is meteen ontroerend, alsof hij bij me wil horen of me iets duidelijk wil maken.

Dat er in de tijd van De goede zoon nog onderwijs bestaat dat op scholen wordt gegeven aan jonge mensen, is al even troostend:

Het meisje pakt de rugzak op en haakt hem op haar rug, meteen lijkt hij zich thuis te voelen alsof hij zich tegen haar rug aan vlijt. Het groepje loopt verder, op weg naar school, het zijn weer alleen meisjes, wat is dat, krijgen jongens geen onderwijs meer of worden die tegenwoordig door onderaardse gangen naar hun lessen gevoerd?

Er is dus toch een oplossing gevonden voor het lerarentekort.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen