Gevaarlijk niemandsland

Eind jaren tachtig was er het ping-pongvirus. Er waren al personal computers, maar van het internet had ik nog niet gehoord. De pc kon geïnfecteerd raken met het virus via een besmette diskette. Dat was een flexibele schijf in een vierkante zwarte verpakking waarmee het mogelijk was om de pc van nieuwe data of programma’s te voorzien. Als het virus in de computer zat, verscheen er op het scherm een wit balletje dat daar voortdurend hinderlijk heen en weer stuiterde en alles wiste wat het op zijn baan trof.

Demissionair premier Rutte houdt het parlement voor dat het zich geen taboes kan veroorloven als het gaat om de bestrijding van het coronavirus en zijn mutanten. De koning bond ons op een lege Dam op het hart niet normaal te maken wat niet normaal is. De onderwijswerkgevers, verenigd in de VO-raad, probeert haar werknemers gerust te stellen met de woorden dat zij niet gehouden zijn aan het onmogelijke.  Zie daar de speelruimte van de docent die na de schoolexamenweek op het rooster ziet dat de tweeëndertig havo-examenkandidaten hun lessen Nederlands niet als voorheen in een lokaal krijgen, maar in drie. Tegen de wanden van het lokaal zijn twintig tafels geschoven, de een op de ander, daar weer evenzoveel stoelen bovenop. In de vrije middenruimte staan, op ruime afstand van elkaar, twaalf tafels en stoelen gefixeerd. In de teamvergadering later die dag evalueren we de eerste anderhalvemeterdag. Ik merk op dat het rendement van de les verwaarloosbaar was, maar dat ik er, dankzij het heen en weer bewegen tussen drie lokalen, conditioneel niet op achteruit ben gegaan.

Tijdens een tussenuur komen collega Buitenhuis en ik erachter dat we op dezelfde tijd aan eenzelfde examengroep lesgeven met alleen de binnenruimte van het leshuis tussen ons in en dat aan beide zijden van het leshuis dezelfde moedeloosheid heeft toegeslagen. Maar over een week zullen we de zes lokalen gaan veranderen van wachtkamers in werkruimtes. Een leeszaal, een studiezaal, een auditorium, een vergaderzaal, een spreekkamer, waarbij we gemakshalve over het hoofd zien dat we maar met twee docenten zijn.

De collega biologie komt binnen en zegt iets wat we niet goed kunnen horen. Dat ik langzaam leefde menen we te verstaan en dan is Vasalis (1909 – 1998) niet ver. Ik droomde dat ik langzaam leefde… / langzamer dan de oudste steen., citeer ik de eerste regels van het gedicht Tijd. Collega Buitenhuis vult mij aan Het was verschrikkelijk: om mij heen / schoot alles op, schokte of beefde, / wat stil lijkt. We hebben die tekst gezongen met het Linnaeuskoor. Onze dirigent had er speciaal voor ons koor muziek bij gecomponeerd. Dat was in een heel andere tijd, toen zingen nog mocht.

Een van de leerlingen heeft een tennisbal uit haar tas gehaald, die ze met een stuiterbeweging naar een klasgenoot kaatst, anderhalve meter verderop, die hem naar een derde pingpongt, die … Ik kijk er naar, het lijkt of de beweging van de tennisbal het lokaal kleiner maakt, mijn leerlingen nabijer, de gezamenlijkheid flitsender, iets van heimwee ook. Totdat de bal tot twee keer toe is weggerold en in een gevaarlijk niemandsland tussen de tafels is blijven liggen. Dan moet de bal maar weer terug in de tas.

Hoe kón ik dat niet eerder weten, / niet beter zien in vroeger tijd? / Hoe moet ik het weer ooit vergeten?, zijn de laatste regels van het gedicht. In de gezongen versie was daar, als een wegstervend vocalise aan toegevoegd Hoe Hoe. En laten die twee woorden nu juist vanochtend op de blinde gevel van het gemeentekantoor langs de spoorbaan staan.

Geplaatst in bij de les | Getagged | Een reactie plaatsen

Promotoren

Het weekend ging heen met het kuisen van teksten die mijn leerlingen van vijf havo mij stuurden. Onnodige herhalingen, werkwoordsvormen die bij geen onderwerp passen, ontsporende passiefconstructies en Tante Betjes, zaken die ik hun niet kan uitleggen, maar die ze moeiteloos beheersen, anglicismen (een belofte maken), idioomfoutjes die ontstaan door een verkeerd voorzetsel. Ik drukte opkomende moedeloosheid weg met de blijmoedige constatering dat ik door mijn commentaar elk van mijn leerlingen kon behoeden voor al deze ongerechtigheden en sprak na elke reactie de hoop uit op een mooi resultaat als ze later in de week opgingen voor het schoolexamen gedocumenteerd schrijven. Ondertussen bleef het boek naast mijn stoel gesloten en de weekendscrypto onopgelost. ‘Wie geprikt wil worden moet in Utrecht zijn’, vijf letters.

Even ten westen van Station Sloterdijk, ingeklemd tussen de sporen naar Haarlem en Noord Holland benoorden het Noordzeekanaal is een opslagterrein waar de gemeente allerhande straatgerei bewaart. Fietsenrekken, verkeersborden, dranghekken die ze in Vlaanderen nadars noemen, metrocontainers voor papier, restafval, glas en plastic, dat werk. Op het terrein staat ook een laag, rechthoekig gebouw dat dienst doet als kantoorruimte en dat met de lange blinde gevel op het spoor is gericht. Als het donker is, is daarop, gevelvullend, een woord van acht tot tien letters te lezen, steeds een ander. In januari is duisternis ruim voorhanden. Ik las het woord helleveeg. De ontwerper heeft een voorkeur voor nog niet gevormde samengestelde woorden. Kwaadschik  bij voorbeeld of nachtelach.

Doorn.

Van Hugo Claus (1929 – 2008) is bekend dat hij zijn leven lang een fanatiek liefhebber van cryptogrammen was. Liefhebber is misschien niet het goede woord. Lang koesterde hij de angst om alzheimer te krijgen of dement te worden. Hij was ervan overtuigd dat hij dat lot voor kon blijven door zijn hersens te blijven trainen, de taalcentra in zijn hoofd te blijven prikkelen, niet alleen met cryptogrammen uit de Vlaamse dagbladen, maar ook met die uit Engelse kwaliteitskranten. Het is hem ten dele gelukt. Oh, het ergst is de hand die zich heft / Maar het doel is verloren / En het ergst is de nacht / Die geen raad biedt / Maar blikken vernauwt / Het allerergst is de rat in mijn hoofd / Die vreet aan de woorden (…) zong Henny Vrienten (1948) toen Claus was overleden.

Wat te doen met Hoge reclamezuil in de aula, tien letters. De scrypto van het NRC Handelsblad is er de afgelopen halve eeuw niet gemakkelijker op geworden. Ik herinner mij zaterdagen dat we hem in de twintig minuten onderweg van Amsterdam naar mijn woonplaats konden oplossen. Heeft J.J. Steenhuis (1954) een assistent gevonden die hem helpt zijn cryptogrammen te ontwerpen van wie wij het idioom nog niet herkennen? Loert de rat ook in mijn oude hoofd? Ik kijk uit het raam van de trein en lees mistroostig.

Zeepkistrace en rijden maar, zes letters. Dat moet karren zijn. En Lichaamsdeel dat – steeds meer – door het andere wordt bedekt (4+4+4) is natuurlijk hand over hand. Het begin is er. We zullen onze puzzelvaardigheden hard nodig hebben nu de premier van Nederland de wens heeft uitgesproken dat ook leerlingen op middelbare scholen anderhalve meter afstand van elkaar houden. Wil het althans meer dan wensdenken zijn. Mijn voorstellingsvermogen gaat het vooralsnog te boven.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

De grote boosdoener

Volgens de Vereniging Openbaar Onderwijs (voo) zijn de leerlingen van de examenklassen tijdens de tweede lockdown niet verplicht om naar school te komen. Het was de vereniging opgevallen dat volgens de minister en de vo-raad alle eindexamenkandidaten wèl fysiek les moeten krijgen. ‘Noch het ministerie, noch de vo-raad gaan over de manier waarop scholen lesgeven. Daar gaat het bestuur over, in de meeste gevallen in afstemming met de medezeggenschapsraad.’, stelt de voo op haar site. Ik had op mijn rooster gekeken en geconstateerd dat ik vier lokalen ter beschikking had gekregen om de twee keer dertig leerlingen van mijn havo-examengroepen te ontvangen. Ik toog met goede moed en iets van angstige onzekerheid op weg voor de eerste schooldag van het nieuwe jaar.

Het is niet licht en het is niet donker. IJzige regen prikt in mijn gezicht, maar in de oude sprinter die tussen Zandvoort aan Zee en Amsterdam Centraal heen en weer rijdt, is het warm en droog. Twee andere passagiers. Een jonge vrouw met een blauw gebreid mutsje op het hoofd en een man van fors postuur die in zijn eentje bezit heeft genomen van een ‘viertje’, open winterjack, capuchon, versleten trui, de ogen dicht, boven het verplichte maskertje is van hem eigenlijk alleen een eveneens fors uitgevallen neus zichtbaar. Op het tussenbalkon bij de deuren staat een kapotte zwarte rolkoffer, daarop een blauwe Ikea-tas waaruit een mottige slaapzak puilt, daarbovenop een speelgoedbeer. Ook met gesloten ogen.

Het duurde tot voorbij Zaandam voordat mijn bril was geacclimatiseerd. Vanachter de beslagen glazen ontwaarde ik een kop op de opiniepagina van De Volkskrant die luidde:  De smartphone moet de school uit. Ik wilde al verder swipen, toen ik zag dat de bijdrage was geschreven door Alexander Rinnooy Kan en Ingrid Schouten. Eerstgenoemde heeft zich in het recente verleden verstandig uitgelaten over het Nederlandse onderwijs.

De aanleiding voor het stuk was de belabberde leesvaardigheid van de Nederlandse jeugd. Arjan Lubach betoogde in september al dat een eenzijdige focus op begrijpend lezen daar de oorzaak van is. Rinnooy Kan en Schouten noemen ook het lerarentekort, maar voegen daar aan toe dat in omliggende landen er ook een lerarentekort is en dat daar de leesvaardigheid van jongeren er niet zo onder lijdt. Dan komt, met de nodige voorzichtigheid, de aap uit de mouw. Steeds meer landen komen echter tot de conclusie dat de smartphone, die zich in (toevalligerwijs?) precies dezelfde periode ontwikkelde tot een niet uit ons leven weg te denken hulpmiddel, wel eens de grote boosdoener zou kunnen zijn. Frankrijk was het eerste land dat smartphones in de klas verbood. Dertien andere landen hebben het Franse voorbeeld inmiddels gevolgd.

Ach, was het maar zo makkelijk. Op last van de overheid zijn voorlopig alle boekwinkels en alle bibliotheken gesloten. De enige manier om toegang te krijgen tot het geschreven en gedrukte woord, is via het internet, is met een smartphone. En dezelfde smartphone is nu een van de laatste middelen waarmee wij onze leerlingen in lockdown kunnen bereiken.

Met de pakweg tweehonderdvijftig eindexamenkandidaten doen we op school ondertussen alles wat Rutte verboden heeft. In de pauze is men elkaar ouderwets nabij, een boterham in de hand en het masker op half elf. Het kostte me even om te ontdekken wie in welk lokaal was gaan zitten, maar na een minuut of tien hadden de meesten de voorbereidingen op het aanstaande schoolexamen gedocumenteerd schrijven ter hand genomen. Achter het spatscherm doe ik mijn masker af, laat mijn blik dwalen door het lokaal. Ik denk aan die speelgoedbeer

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Het grazige milieu

In de loop van de zondagmiddag ging de stormachtige wind (Bella, code geel) liggen. Kort daarna viel de avond, het werd nacht en morgen, een nieuwe dag. Rond een uur of elf zag ik tussen de restanten van de waterlelie in de vijver een vogel die ik niet gelijk kon thuisbrengen. Een slanke gestalte, een beweeglijke staart terwijl hij (man of vrouw, ik weet het niet) onder de bladeren in de lelieaarde pikt, op zoek naar iets van zijn gading, een bleke buik met een nadrukkelijke zweem van geel, zijn rug grijs, de vleugels afgebiesd met zwarte strepen. Daar schicht hij naar het dorre riet van de gele lis. Tussen de bruin geworden bladeren van de Darmera. Dan verdwijnt hij uit het zicht, maar uitdijende kringen op het water verraden zijn bewegingen daar op de grens van dras en plas.

Het vogelgidsje in de boekenkast, Zien is kennen, biedt geen uitkomst. Ik probeer het beestje zo goed mogelijk in mijn geheugen te prenten. ’s-Nachts meen ik dat die opwippende staart een aanwijzing zou kunnen zijn. ’s-Ochtends typ ik staart en geel in de zoekbalk van Google. Even later herken ik de vogel in de afbeeldingen op het scherm van de gele kwikstaart.

Ik pak Alle vogels en Nog meer vogels van Koos van Zomeren (1946) erbij. De gele kwikstaart komt tien keer voor in het oeuvre van Van Zomeren. De eerste keer in 1981 (Minister achter tralies) de laatste keer in 2010 (Naar de natuur). In geen van die tien keren is de vogel het onderwerp van de tekst. Het dier is onderdeel van het decor of komt eenvoudig langs. De kijker is gericht op broedende kluten op Texel: Terug naar het kuiken op de kleistrook. Hij hangt voor dood tegen de flank van zijn ouder. Minuten verstrijken. Dan gaat het kopje omhoog, de zon als een stip in zijn oog. Hij geeuwt en er knalt een gele kwikstaart door het beeld.

Of de gele kwikstaart hoort in een rijtje. Rond 1980 schrijft Van Zomeren voor de Nieuwe Revu Halen de kemphaantjes 1990?, dat zo begint: Wie buiten wel eens een koe heeft gezien, kent zonder twijfel ook het verschijnsel weidevogel. Kievit, grutto, tureluur, scholekster, kemphaan en watersnip worden tot deze wat vaag afgebakende groep vogels gerekend. Ook slobeend, zomertaling, gele kwikstaart, veldleeuwerik en graspieper horen in het grazige milieu.

Maar dat milieu verandert. Ruimtegebrek, kunstmest en verdroging maken het bestaan van weidevogels er niet makkelijker op. Een jaar of zeven later heeft Van Zomeren het in NRC Handelsblad over de grutto waarvan het aantal broedparen tussen 1972 en 1987 is gehalveerd, al is hij met tachtigduizend nesten nog steeds een algemeen voorkomende vogel in het weidegebied. We hebben het over de grutto, niet over de zomertaling, de gele kwikstaart, de kemphaan, niet over de vogel die allang in de marge is gedrongen en alleen nog een rol speelt in de wereld van de melancholieke vogelaars.

In 2004 is de gele kwikstaart zeldzaam genoeg geworden om speciaal aan hem enige woorden te wijden. Het is 20 mei: Met Joan en Lisette de IJssel-Rijnroute. Grote groep oeverzwaluwen bij een stijl wandje met nestpijpen bij het Huissens veer. Tot viermaal toe een paartje gele kwikstaarten – vooral de mannetjes: hoe bestaat het toch dat iets van zulke bescheiden afmetingen zo enorm geel kan zijn.

Ik tuur naar de verlaten vijver en bedenk dat het exemplaar dat ik daar zag niet zo enorm geel was. Eerder wit en zachtgeel, als de kleuren van de bloemen van de waterlelie. (Zoals de puttertjes een paar weken eerder dezelfde kleuren hebben als de bloemen van de Rudbeckia waarvan ze de uitgebloeide knoppen bezochten.)

Ook dinsdag kwam de gele kwikstaart nog even langs.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged | Een reactie plaatsen

Kleine waanzin

Een dweepzieke jongeman, nauwelijks twintig, maar nog altijd bezig een hbs-diploma te halen, verliefd bovendien, een hooggeleerde oplichter, een getraumatiseerde moeder, een beschadigde jonge vrouw en mevrouw Van Son, de werkster, van wie niemand iets aanneemt, dat zijn de bronnen waarmee we het moeten doen als we willen weten hoe het Ewout Meyster in de vroege jaren zestig van de vorige eeuw is vergaan. We kennen Meyster als het alter ego van Wessel te Gussinklo (1941) die in De Opdracht de tienerjaren van hem schetste, in De hoogstapelaar zijn puberteit en die in het pas verschenen Op weg naar de Hartz de jongvolwassenheid van zijn held onder de loep neemt.

En dan is er Sylvia, zo begint het hoofdstuk, kort voor het midden van het boek, waarin Ewout verliefd wordt op het meisje dat een avond in de week in de bibliotheek werkt. Hij neemt haar mee naar een café, hij drinkt cola, zij thee, ze eten een pasteitje, praten over boeken – Van Eeden, Gustav Meyrink – hij loopt met haar mee naar haar appartement, voor de deur nemen ze afscheid. De vijfde keer verklaart hij haar zijn liefde met een gedicht en een poëziebundel van Hans Andreus (1926 – 1977).

De jaren vijftig zijn juist voorbij. Toch maar de krant – Vietnam, De Gaulle, Van het Reve, de Beatles. O jee, de Beatles. Verbijsterend zoiets. Het moet 1964 zijn geweest, kort na het Tonkin-incident. Meyster heeft het existentialisme van Sartre, Camus en Levi Straus achter zich gelaten, hij heeft besloten zijn geliefde te vereren met een gedicht en een bundel van Hans Andreus. Welk gedicht kies je dan?

Iets uit De taal der dieren (1953): Streel mijn landloperslichaam liefste / er ligt hagel op mijn schouders / en mijn ogen zien zwart van de zon // ik ben een geëvacueerde dessa // het eiland krakatau // men weet bijna niets van antarctica af // maar ik maak liefde (…). Of het onschuldige Liedje uit Muziek voor kijkdieren (1951): Alle roekoemeisjes / van vanavond / alle toedoemeisjes / van vannacht / wat zeggen we daar nu wel van? Meyster kiest voor De sonnetten van de kleine waanzin (1957).

In 1953 waren Hans Andreus en zijn geliefde Odile Liénard enige tijd van de aardbodem verdwenen. Ze waren in de bak van een vrachtwagen vanuit Parijs naar het zuiden gelift en in Italië terechtgekomen. Simon Vinkenoog was in de Franse hoofdstad achtergebleven. Hugo Claus was in Rome, maar wist niets van de verblijfplaats van Andreus en zijn vriendin. Uit schaarse brieven valt te lezen dat hij langzaam gek wordt van de zon en de zee. Mijn gedachten zijn onmededeelbaar. Mijn minachting, wrevel, menselijkheid en onmenselijkheid zijn toegenomen. Ik ben zo zuiver als een door de zee gewassen steen. In de zomer van 1954 grijpt hij Odile Liénard bij de keel en probeert haar te wurgen. Er was jaloezie in het spel en teveel wijn in de man. Op twee augustus van hetzelfde jaar stort Andreus in en vliegt alleen terug naar Nederland, waar hij in een kliniek wordt opgenomen. Zijn ervaringen daar, en zijn breuk met Odile verwerkt hij in De sonnetten van de kleine waanzin.

Ewout kiest voor het zestiende sonnet uit de bundel dat begint met: Ik heb je lief. Men kan het niet, nooit helpen. / Jij bent de aarde en wat daarbij is. / Ik leef niet meer. Ik leef van je gemis. / Ik ben een wond. Ik ben niet meer te stelpen.

Wie vervolgens verder leest in Op weg naar de Hartz kan vaststellen dat Hans Andreus in dat boek de betrouwbaarste verteller is.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Fantoomonderwijs

Voor mijn leerlingen kwam de ‘harde lockdown’ te laat. Die van vijf havo waren vijf dagen eerder al naar huis gestuurd. Ze waren positief getest of hadden bij een besmettelijk persoon in de klas gezeten. Heel vier havo was maandag om dezelfde reden de toegang tot het schoolgebouw ontzegd. De boodschap van minister president Mark Rutte was die avond duidelijk genoeg; alle scholen dicht, alle winkels dicht, behalve de winkels die levensmiddelen verkopen, supermarkten, apothekers en tankstations.

De volgende dag had de bloemist in mijn woonplaats zijn winkel binnenstebuiten gekeerd. Aan de handhavers legde zij uit dat het hier om straatverkoop ging, klanten hadden geen toegang tot de winkel. De HEMA verkoos zichzelf tot de grootste banketbakker van Nederland en opende haar filialen voor iedereen die het thuiswerken met een tompouce wilde opleuken. De Action verklaarde van vitaal belang te zijn voor alle kleine trouwe viervoeters en hun baasjes, waar moesten die anders heen voor hun katten- en hondenbrokken? Op Schiphol drommen ondertussen massa’s naar de gates van vluchten naar Curaçao en de Canarische eilanden.

Onze volksvertegenwoordigers morden over de sluiting van de kinderopvang en de basisscholen. De premier wilde niet meer toezeggen dan dat hij begin volgende maand zou kijken of er al weer kinderen naar school of naar de opvang kunnen. Onderwijsminister Slob liet zich ontvallen dat examenleerlingen van het voortgezet onderwijs wel naar school moeten. In bijna dezelfde adem kondigde hij een aangepast eindexamenprogramma af. In de regio Rotterdam luidt de noodklok; te veel ouders met een cruciaal beroep brengen hun kroost naar de opvang of naar school. Toen moest de lockdown nog beginnen.

Ik sloot mijn computer af na vier uur fantoomonderwijs. Even de polder in. Fluitenkruid, madelieven, achter het dorre riet kuifeendjes en meerkoeten, aalscholvers in de bomen, een reiger bij de sloot. Later schijnt de zon door de lage bewolking en schittert op de plas. Thuis ontdek ik dat ik een inderhaast georganiseerd digitaal overleg van mijn team heb gemist, maar er is ook een mail van Nanda uit vier havo die vraagt of ik nog boeken weet die zij kan lezen. Alma Mathijsen (1984) natuurlijk, Ik wil geen hond zijn of Bewaar de zomer. Of Marjolijn van Heemstra (1981), En we noemen hem, over een aanslag op Sinterklaasavond 1946. Moord, of een late verzetsdaad? Of anders La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer (1968). Dat been …

Om half vier ’s ochtends wordt ik wakker en kan ik de slaap niet meer vatten. Ik besluit een aflevering van Nooit meer slapen te luisteren. Geerten Meijsing (1950) over zijn laatste boek Zeven kerstvertellingen. Meijsing vertelt dat een goede kerstvertelling zo hartverscheurend verdrietig is, dat de lezer er vanzelf blij van wordt. Daar hebben we op dit moment geen kerstvertelling voor nodig, is de gedachte die voorbij dwarrelt. Daarna gaat het over de kerstvieringen bij hem thuis als kind. Het stalletje, een huis in een huis, is de overtreffende trap van veiligheid en geborgenheid. Maar hoeveel stalletjes hij later nog in huis nam, dat gevoel is niet meer teruggekomen.

De volgende dag sluiten HEMA en Action alsnog hun deuren. De ANWB ziet dat het leger wordt op de Nederlandse wegen. Jaap van Dissel heeft gelijk gekregen; die mondkapjes werken niet.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Banaan

Het jaarlijkse tribunaal viel dit jaar op vijf maart. Op die dag zijn er geen lessen en besteden we onze tijd en aandacht aan een prangend maatschappelijk thema. Dit jaar was dat thema ‘keuzes maken’. In de aula waren twee tribunes opgebouwd. Leerlingen van eenzelfde jaarlaag verdeelden zich in twee groepen en namen tegenover elkaar plaats om in een debat van gedachten te wisselen over verschillende aspecten van dit thema zoals de verlaging van de leeftijd waarop je mag stemmen of de vraag of studenten die kunstgeschiedenis of filosofie studeren wel studiefinanciering moeten krijgen. De debatten werden geleid door een echte dagvoorzitter, mevrouw Minchenu Maduro

Er deden geruchten de ronde over een virus dat in de regio Lombardije tot een epidemie had geleid van Bijbelse proporties. Wintersporters en carnavalsvierders zouden voor verspreiding hebben gezorgd in onze Zuidelijke provincies, maar gezaghebbende stemmen binnen het RIVM lieten weten dat we ons geen zorgen hoefden te maken.

Ondertussen beklimmen de leerlingen van vier havo de tribunes om zich klaar te maken voor de volgende debatronde. Ik posteer me achter in de zaal en wijs leerlingen hun plaats tot iedereen zit en alle telefoons zijn opgeborgen. Minchenu loopt de aula in, tussen de partijen door. Ik hoor hoe ze de leerlingen welkom heet en zie van een afstand hoe ze naar de grond buigt, iets opraapt en zegt: niet met eten gooien, dat is niet nodig. Ze loopt naar het spreekgestoelte en legt er iets op. Ik knijp mijn ogen toe om beter te zien en denk is dat een banaan?

De rest van het debat ontgaat me vervolgens. Ik kijk naar de jury. Heeft die iets gezien? Ik zoek naar besmuikt of schuldig gegniffel in de menigte van debaters. Ik probeer me te herinneren of ik heb gezien van welke kant of uit welk groepje de banaan is gegooid. Probeer vanaf de plaats waar ik mij bevind gezichten te herkennen van leerlingen die ik in de klas heb en wordt opgeschrikt door het signaal van de klok dat aanduidt dat het debat ten einde is. Daarna klinkt gejoel en applaus.

Als de prijzen zijn uitgereikt, loop ik naar voren. Op het katheder ligt nog steeds die banaan. Als de gelegenheid daar is loop ik op Minchenu toe en zeg dat ik zag wat er gebeurde, dat ik niet weet wat ik zeggen moet, dat ik me kapot schaam.

Geen van de collega’s heeft iets gezien, maar dat er op het spreekgestoelte een banaan ligt, ontkent niemand. Alleen ik schijn te weten hoe die daar is gekomen. Kort daarna besluiten we dat het thema voor het komende tribunaal racisme zal zijn.

Tien dagen later gebood minister Slob de sluiting van alle scholen. Straten, pleinen, steden, landen, kwamen tot rust, de wegen leeg, het luchtruim stil, alleen het fluiten van de vogels en het ritselen van ratten bij de vuilnisbakken. We gingen pas weer naar buiten toen op 25 mei George Floyd was vermoord door de politie en daar op 1 juni een demonstratie tegen was georganiseerd op de Dam. Na de schoolvakantie pikten wij de voorbereidingen op voor het komende tribunaal.

Ik moet je nog iets vertellen.  Tegenover me, anderhalve meter tussen ons in, zit collega B. Ze had fragmenten van de film Wit is ook een kleur van Sunny Bergman in de klas laten zien, en verteld dat iemand op het laatste tribunaal een banaan naar de dagvoorzitster had gegooid. Na afloop van de les was een leerling nagebleven. Zo was het niet gegaan, had ze gezegd. Ze was daar en wilde wat eten, zat met die banaan in haar handen, vond die eigenlijk al te rijp, een jongen naast haar had er een klap tegen gegeven en zo was de banaan in de richting van Minchenu gevlogen. Toen ze zag wat er gebeurd was, had ze van schaamte niets durven zeggen.

Ik hoop dat het waar is.

Geplaatst in bij de les | Een reactie plaatsen

Wachten

Het was een kleine donkere winkel, een pijpenla in de Utrechtsestraat, waar men ijzerwaren en gereedschappen verkocht, maar je kon er ook sleutels laten kopiëren. Boven de kassa was op een bordje een citaat van Simon Carmiggelt (1913 – 1987) te lezen. Het lukt me na al die jaren niet om het uit mijn hoofd te citeren en ik weet ook niet uit welke bundel of column het kwam. ‘Wachten is niet erg. Men doet zijn werk en rust toch uit.’ Tweede helft van de jaren zeventig, maar de mentaliteit die uit deze woorden spreekt is er een uit de tijd waarin de kostverdiener horige was van een bemoeizuchtige baas en elke mogelijkheid om zich te onttrekken aan het productieritme van harte aangreep.

Het wachten op de trein viel me zwaar. De droge kou bij twee graden vorst van de vroege ochtend had plaats gemaakt voor ijskoude motregen die met een krachtige wind over het perron joeg. Ik vond beschutting achter een scherm en huiverde in mijn jas waarvan ik de kraag had opgestoken. Mijn ogen traanden en het contrast met de warme adem die achter het verplichte masker bleef hangen kwam me vreemd voor. Vlak voordat ik mijn voeten zou prijsgeven aan een ijzige gevoelloosheid, gleed de sprinter het station binnen en opende de deuren.

De veearts heeft het veertienjarige meisje uitgelegd hoe je de leeftijd van een overleden otter kon vaststellen. Door op de schacht te drukken, komt de penis van het dier te voorschijn. Met een scalpel kun je die eruit snijden. De lengte van het penisbotje is een goede indicatie voor de leeftijd van het dode dier. Het meisje is gefascineerd en vraagt de veearts of ze mag komen kijken als de veearts eens een dode otter heeft. Een paar hoofdstukken later in het nieuwe boek van Marieke Lucas Rijneveld (1991), Mijn lieve gunsteling, is het zover.

Het lesrooster heeft plaatsgemaakt voor een rooster van herkansingsmomenten. De leerlingen van de examenklassen en de voorexamenklassen grijpen deze mogelijkheid aan om opgelopen achterstanden – lockdown, onderwijs op afstand, wachten op een testuitslag, quarantaine om een mogelijke besmetting van zichzelf, van een docent of klasgenoot of van hun huisgenoten – weg te poetsen met een cijfer dat uitzicht biedt op overgang of een diploma. Veertien lokalen in twee leshuizen zijn ingericht met werkplekken op een veilige anderhalve meter afstand van elkaar, de kandidaten komen gedoseerd binnen via een aparte toegang die in de brief aan leerlingen en ouders als noodingang is omschreven. Dat woord kende ik nog niet.

In het surveillancerooster staat dat ik dinsdag tussen tien voor tien en twintig over twaalf reserve ben en van een uur tot kwart voor drie wordt verwacht in lokaal 121 om de leerlingen van zes atheneum bij te staan als zij wiskunde a herkansen. Zo laat is het nog niet.

Ondertussen lees ik verder. Het meisje, de veearts en de dode otter hadden om vier uur met elkaar afgesproken, maar om kwart over vier, half vijf en zelfs drie kwartier na de afgesproken tijd was ze er niet. Het maakt de veearts ongerust. Je kwam nooit ergens te laat, je was juist altijd veel te vroeg, je hield van wachten, van eindeloos wachten, dan was datgene wat je ging doen nog niet voorbij en kon je er nog verlangend naar uitkijken.

Het ene wachten is het andere niet. En te laat komen als summum van verlangen naar wat komen zal, had ik zo ook nog nooit bekeken.

Geplaatst in bij de les | Getagged , | Een reactie plaatsen

Van schroom en schaamte

Afgelopen weekend besteedden zowel Sheila Sitalsing (1968) als Ionica Smeets (1979) in De Volkskrant aandacht aan de lijdende vorm. Sitalsing karakteriseerde de stijlfiguur in haar column als ‘luie taal’ en ‘de taal van geen verantwoordelijkheid’, Ionica Smeets deed verslag van ‘een verhit debat’ met haar studenten die vonden dat in wetenschappelijke artikelen passieve constructies de voorkeur verdienen boven zinnen in de bedrijvende vorm. ‘Ik vroeg me hardop af welke docent dit soort onzin vertelde’, schrijft Smeets. Haar studenten vertelden haar dat ze dat allemaal wel ergens hadden geleerd; in Leiden, in Spanje of in Utrecht. Ik heb maandag natuurlijk gelijk aan mijn vijf-havoleerlingen gevraagd of zij ook hadden geleerd dat in hun teksten zinnen die met ‘ik’ of ‘wij’ beginnen niet ‘goed’ zijn. Een leerling stak een vinger op.

Het onderwerp van de column van Sheila Sitalsing was het parlementaire onderzoek naar de kinderopvangtoeslagen. Het was haar opgevallen dat de ambtenaren die werden verhoord door de commissie er doorgaans goed in slaagden in hun antwoorden het eigen aandeel en dat van anderen in de bestrijding van vermeende fraude ongenoemd te laten. In cursussen helder schrijven leert de cursist als eerste: probeer de lijdende vorm te vermijden. Niet alleen omdat ze lelijk zijn en de tekst nodeloos vertragen en verzwaren, als die zinnen met ‘de informatie zal worden overgebracht naar de minister’. Ook omdat de opsteller van zulke zinnen handig in het midden kan laten wíé die informatie gaat bezorgen. Het zijn zinnen zonder verantwoordelijke. Ionica Smeets beslechtte het debat met de opmerking dat taaladviezen nooit absoluut zijn. Zelf geeft ze de voorkeur aan de bedrijvende vorm, maar van de taalkundige Marc van Oostendorp weet ze dat de lijdende vorm soms ook heel goed werkt. Neem nu: Daar wordt aan de deur geklopt.

Ik doe niets af aan de observaties van Smeets en Sitalsing. Wie een beetje nadenkt en zorgvuldig formuleert, kan de lijdende vorm eenvoudig vermijden. De communicatie knapt er onmiddellijk van op, deelnemers aan het gesprek weten dan tenminste over wie het gaat. Maar waarom sluipt de lijdende vorm dan nog zo vaak in onze zinnen?

Ik heb niet zo’n hoge pet op van de vrijheid van taalgebruikers als beide columnisten. Niet wij kiezen de woorden, maar de woorden kiezen ons, ook als we overtuigd zijn van het tegendeel. De lijdende vorm zou wel eens de taal kunnen zijn van de schroom, de bescheidenheid en de schaamte. Ze hoort bij de gênante ervaring van in het beklaagdenbankje zitten en te moeten antwoorden op vragen die onze schuld zouden kunnen onthullen. Zelfs in het ogenschijnlijk onschuldige Daar wordt aan de deur geklopt staan we onszelf niet toe de zwarte knecht van Sinterklaas met naam en toenaam te noemen, drukken we onze schuldige gedachten nog een tijdje voor ons uit: want al ben ik zwart als roet, ‘k meen het wel goed. Al is het natuurlijk ook wel spannend om niet gelijk te verklappen wie er op de deur staat te kloppen.

De lijdende vorm is in veel gevallen de vervreemde taal die hoort bij de vervreemde arbeid waarover Karl Marx (1818-1883) in zijn Economisch-filosofische manuscripten schrijft: Wanneer mijn eigen activiteit niet mijzelf toebehoort maar een vreemde, gedwongen activiteit is, aan wie behoort deze dan toe? Aan een ander wezen dan ik zelf ben. Wie is dit wezen?

Wie dat nog niet weet, drukt zich uit in de lijdende vorm.

Geplaatst in bij de les | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Pen en papier

Net als Alma Mathijsen (1984) deed met haar boek ‘Bewaar de zomer’, schreef Stefan Hertmans (1951) een boek over een huis. En net als Alma Mathijsen is dat huis, nu ja de geur ervan, verbonden met de jeugd van de schrijver. Hertmans noteert: ‘Ik heb altijd een zwak gehad voor de geur van vocht en verval in oude huizen’. Misschien omdat ik als kind, niet lang na de oorlog geboren, aan de hand van mijn moeder nog langs dergelijke door bombardementen beschadigde huizen moet hebben gelopen en de geur van vochtige steen en schimmel voor mij zoiets is geworden als het beroemde madeleinekoekje van Proust. Wanneer je kind bent en nog zonder herinnering, vormt zelfs de geur van verval een bron van geluk.’

Als Hertmans het huis in het Gentse Patershol in 1979 verwerft, is het een ruïne. Het is niet alleen de geur van schimmel stof en rottend hout, deuren zijn verzakt, balken steken door het gestucte plafond, de trappen zijn vermolmd, elektriciteitskabels  komen open en bloot uit de muren, de katoenen isolatie is verdroogd en versleten. En het huis bewaart een sinister geheim; in de Tweede Wereldoorlog zou het bewoond zijn door een SS’er. Tegen De Volkskrant vertelt Hertmans: Ik wist dat in mijn huis aan het Drongenhof in Patershol een nazi had gewoond: ene Willem Verhulst. Op bladzijde 40 van Zoon van een «foute» Vlaming, de memoires van een oud-professor geschiedenis van wie ik nog les heb gehad, Adriaan Verhulst, was ik mijn naam tegengekomen als de huidige bewoner van het huis van zijn jeugd.

In 1999 doet Hertmans het huis van de hand en vestigt hij zich in Brussel. Daarna zou het nog vijftien jaar duren voordat hij werk maakt van de geschiedenis van het huis  en zijn bewoners in de jaren dertig en veertig. Te laat, natuurlijk. Willem Verhulst is dan al overleden, net als zijn Nederlandse protestantse vrouw Mientje. Ook hun oudste zoon, de oud-leraar geschiedenis Adriaan Verhulst, leeft niet meer. Er is nog een hoogbejaarde dochter, Letta, die de schrijver kan helpen. Zij geeft Hertmans inzage in de gerechtelijke dossiers over haar vader.

Dan blijkt hoe algemeen de gewoonte was om schriftelijk verslag te doen van het bestaan. Dat er justitiële archieven zijn, verbaast ons niet, dat de Duitse bezetter de administratie op orde heeft, evenmin. Het komt vaker voor dat een historicus op latere leeftijd episodes uit zijn of haar jeugd te boek stelt, daarin is Adriaan Verhulst geen uitzondering. Maar ook Letta’s moeder leefde met pen en papier en hield een dagboek bij. Als ze boven haar psalmenboek in tranen uitbarst en verzucht Willem kust mij nooit meer, schrijft Hertmans: Ze grijpt naar haar dagboek en noteert, zonder doorhalingen en terwijl er opluchting komt in haar hart, een psalmbewerking die ze later zal voorlezen tijdens de dienst aan de Brabantdam.

Haar man heeft dan al jarenlang een relatie met Griet Latomme, een onderwijzeres uit Langemark die later wordt overgeplaatst naar Maria-Aalter. Letta kent haar als ‘Tante Griet’, en ook zij was een trouwe verslaggeefster van haar leven. In de vakantietijd vraagt Willem haar of zijn gezin een paar weekjes haar huis mag gebruiken. Griet schrijft dan in haar dagboek: Ik zorgde dan in Gent voor de alleenstaande Wim’.

Van mensen die nooit een spoor achterlieten, hebben we geen weet en een schrijver kan men nooit vertrouwen. Wat blijft er als er niet wordt geschreven? Ik zie een woordeloos verschiet van verweesde facebook- en instagramaccounts, halfvergane chatboxen, resten van bestanden die fluisteren op oude servers die al jaren van het net zijn losgemaakt.

Geplaatst in tussen tuin en wereld | Getagged , | Een reactie plaatsen